• Babystapjes of meer?

    Babystapjes of meer?

    Aan de vooravond van de bekendmaking van de nieuwe Nederlandstalige literaire canon valt het manifest Optimistische woede in de brievenbus. In vergelijking met de top-tien van 2002 staat op de lijst met auteurs een (één!) vrouw, namelijk Hella Haasse, doorgeschoten van plaats zesentwintig in 2002 naar plaats acht nu. Op de lijst met titels prijkt zij op plaats twaalf met Oeroeg. Haar naam wordt de laatste tijd terecht vaak genoemd als de vierde grote Nederlandse schrijver naast de zogeheten ‘Grote drie’: Hermans, Mulisch en Reve.

    En toch blijft er voor het schrijverscollectief Fixdit, de auteurs van Optimistische woede, werk aan de winkel. Veel werk kun je helaas wel zeggen. Fixdit bestaat uit de volgende Nederlandse en Vlaamse schrijvers: Yra van Dijk, Sanneke van Hassel, Rachida Lamrabet, Jannah Loontjens, Munganyende Hélène Christelle, Christine Otten, Gaea Schoeters, Shantie Singh, Fleur Speet, Manon Uphoff en Annelies Verbeke.

    Met twee maten meten

    De titel van het manifest, met het woord ‘woede’ erin, is opvallend. Immers: werd een vrouw niet lang neergezet als onsympathiek als zij kwaad wordt? Woede was lang not done, want een vrouw moet beheerst en liefst gelaten zijn. En aan het andere woord, ‘optimistisch’ werd tijdens een door De Balie in Amsterdam georganiseerde avond ook wat getwijfeld. Daarover straks meer.

    Het boek bestaat uit elf over het algemeen sterke stukken tekst van de schrijvers van Fixdit en het wat schreeuwerig opgemaakte Fixdit Manifest in het hart van de uitgave. Met onderaan de pagina’s doorlopend namen van vrouwelijke auteurs. Wat ontbreekt zijn korte biografieën van de schrijvers, al zijn de meeste namen wel bekend. Misschien valt dit in hetzelfde genre als ‘die vermaledijde verklarende woordenlijsten’ die Rachida Lamrabet de deur uit wil doen, omdat je een roman primair met ‘een literaire blik’ moet lezen? Al is dit natuurlijk geen roman.

    Op de vraag waarom vrouwen zoveel minder literaire prijzen dan mannen winnen (iets waaraan Marja Pruis tijdens genoemde avond in De Balie overigens twijfelde), worden in het boek verschillende antwoorden gegeven: door structureel seksisme of door ‘vooroordelen en beelden die we collectief geïnternaliseerd hebben [over] hoe een schrijver eruitziet’ (Shantie Singh). En ook door de vooroordelen van witte lezers ten aanzien van vrouwelijke auteurs van kleur, zoals Rachida Lamrabet schrijft.
    Ook op een andere vraag, of vrouwen minder goed zouden schrijven dan mannen, volgen verschillende antwoorden: nee, maar er wordt in de literaire kritiek met twee maten gemeten en dit idee is een culturele erfenis van eeuwen. 

    Wat is een vrouwenboek?

    Verschillende auteurs zoeken een andere insteek. Zo vraagt Sanneke van Hassel zich bijvoorbeeld af wat een ‘vrouwenboek’ eigenlijk is en concludeert dat het woord gewist moet worden. Fleur Speet vraagt zich af waarom er zo weinig historische romans zijn met een vrouw als hoofdpersoon. Zij stelt dat dit ‘een verdacht genre’ is en de auteurs vaak als ‘vertelster’ worden geafficheerd. Vervolgens komt ze met de vraag of het komt omdat ‘velen van ons niet weten hoe boeiend de geschiedenis van vrouwen is?’ Misschien leidde dit tot het ontberen van een rijke traditie van verhalen op dat terrein. Ze stelt voor ‘trots te zijn op de onderwerpen en thema’s die vrouwen juist vanuit hun eigenheid in de geschiedenis te berde hebben gebracht’. Manon Uphoff noemt gelukkig heel wat uitzonderingen, zoals Jeanette Wintersons Frankusstein, Anne van Eekerens Mary, Hemelse mevrouw Frederike van Maaike Meijer en Het lied van ooievaar en dromedaris van Anjet Daanje.

    De vooruitgang gaat met babystapjes. Zo is er dit jaar weer een vrouw (Lize Spit) aan de beurt om het Boekenweekgeschenk te schrijven en won als zeventiende vrouw Annie Ernaux dit jaar de Nobelprijs voor Literatuur. Maar, schrijft bijvoorbeeld Gaea Schoeters: begin bij jezelf. Als recensent, als lezer, door meer aandacht te schenken aan vrouwen in de letteren om ‘door hun ogen, op een andere manier naar de wereld te kijken’. Jannah Loontjens doet het in dit manifest. Zij gaat in haar eigen werk perspectieven na en perspectiefwisselingen, van man naar vrouw, of liever naar ‘meer ervaringen die bij vrouwenlevens horen’. Of zoals Munganyende Hélène Christelle, die in haar bijdrage komt met enkele namen van ‘intersectionaliteit’, zoals Gloria Wekker die zowel als vrouw als zwarte wetenschapper op de barricaden klimt. Om het noemen van namen gaat het natuurlijk, zoals Gustaaf Peek terecht opmerkte tijdens de avond in De Balie. Pas als er geen namen meer worden genoemd, is iemand echt dood en vergeten. 

    Avond in De Balie

    Die avond viel op de dag na het lanceren van de nieuwe canon en werd georganiseerd in samenwerking met Fixdit. Zo’n avond is een goede zaak, want de canon is iets om over te blijven discussiëren. Het mag geen gestolde opvatting zijn. Praten over literatuur, gendergelijkheid, diversiteit en inclusie is winst. In De Balie mochten onder anderen drie mensen een naam noemen die zij in de canon hadden gemist. Gustaaf Peek kwam met Dé-Lilah (pseudoniem van Lucie van Renesse), Marja Pruis met Patricia De Martelaere, en Nikki Dekker met Andreas Burnier. 

    Wat deze drie sprekers deden, was opmerken wat Fleur Speet in het manifest schrijft: het werk van vrouwelijke auteurs moet in hun eigenheid worden gelezen, ‘niet in vergelijking tot mannelijke auteurs, niet met de huidige canon als maatlat, maar in vergelijking tot henzelf’. Als ‘autonome kunstenaars’, schrijft Manon Uphoff. Door mannen en vrouwen die zich niets aantrekken van welke canon dan ook. In de uitgeverswereld, door auteurs, de literaire kritiek, docenten, bibliothecarissen en lezers. Dan zijn we meer dan een babystapje verder.

     

  • Nieuwe uitgave van verhalenbundel die schuurt

    Nieuwe uitgave van verhalenbundel die schuurt

    Vijfentwintig jaar al draait Manon Uphoff mee in de top van de Nederlandse literaire wereld. Vallen is als vliegen werd vorig jaar door verschillende kranten en literaire bladen uitgeroepen tot beste roman van het jaar. Tijd voor een terugblik moeten zowel Uphoff als haar uitgeverij gedacht hebben en zo kwam er een heruitgave van haar verhalenbundel Begeerte, waarmee ze in 1995 de Nederlandse letteren binnenkwam. Dat debuut was veelgeprezen, het werd genomineerd voor De AKO-literatuurprijs, de Anton Wachterprijs en de ECI-prijs. Het titelverhaal werd bekroond met de Rabobank Lenteprijs voor Literatuur. Deze heruitgave is voorzien van een voorwoord van de schrijfster zelf. Daarin stelt ze onomwonden dat in Begeerte de grond ligt van alles wat ze nu nog schrijft.

    Pubermeisjes

    Begeerte is een bizarre bundel. Na het lezen blijft de lezer achter met een bevreemdend en onaangenaam gevoel. Begeerte staat voor verlangen, maar dit ‘verlangen’ lijkt in de meeste verhalen misplaatst en dat maakt het lastig. Uphoff laat vaak de hoofdrol aan meisjes die balanceren op de grens van volwassenheid. Zij zijn op zoek naar zichzelf en verkennen hun grenzen, maar lijken telkens met open ogen in de val te lopen, vaak gestuurd door lust en seksuele begeerte. Vreemd is bovendien dat ze wel beseffen wat ze doen, maar er toch mee doorgaan, als een soort onweerstaanbare drang, wetende dat het ook tot pijn en verlies kan leiden. Begeerte bestaat uit tien verhalen die je kan opsplitsen in twee grote delen: eerst zijn er vijf meisjes als hoofdrolspelers, daarna verworden de verhalen tot een soort van moraliserende sprookjes, waarin vrouwen nog wel een rol spelen, maar meer aan de zijlijn staan. 

    De rol van het pubermeisje in de eerste verhalen is op zijn minst verontrustend te noemen. In het titelverhaal gaat een meisje ’s nachts mee met een oosterse man met de bedoeling zich te laten ontmaagden. Het hele proces wordt beschreven als een gevecht waarin pijn en lust de hoofdrol spelen en waarbij het meisje ook de man aanmaant om te ‘vechten’. Alles is tot in de puntjes voorbereid door het meisje, en ze lijkt tevreden over het resultaat, ondanks de pijn: “Ik heb in ieder geval gevochten”, lijkt ze te berusten. Nog verontrustender is de houding van het meisje in het verhaal met de dubbelzinnige titel Vlees. Daarin laat een meisje dat gepest wordt zich ‘verleiden’ door De Hazelaar, prototype potloodventer. In ruil voor ‘bescherming’ en een veilig gevoel helpt ze hem graag bij zijn vleselijke lusten, niet wetende wat dit eigenlijk inhoudt.

    Verkeerde mannen

    Of het verhaal Brand waarin een meisje het leven beschrijft van haar twintig jaar oudere zus. Deze laat zich steeds weer in met de verkeerde man en wordt op alle mogelijke manieren mishandeld en vernederd. Als de ik-figuur op het eind van het verhaal haar minnaar uitlaat, mijmert ze: “Het was de eerste nacht dat ik het hart van mijn zus in mijn borst voelde kloppen.”  Zo wordt de lezer steeds met een onaangename schurend gevoel opgezadeld.

    In het tweede deel krijgen we een ander soort verhalen, waarbij Uphoff meer de moraliserende toer opgaat. De verhalen blijven bizar, het verontrustende gevoel blijft, maar alles wordt er explicieter ingelepeld. In het best aangename verhaal Blikman en Sartorius zien we de ongelooflijke fascinatie van een taxidermist voor de stoere en mannelijke jager Sartorius. Zijn verlangen is niet seksueel, maar hij wordt wel verscheurd door begeerte. Als Sartorius uiteindelijk aftakelt, vraagt hij Blikman hem dood te schieten. Verscheurd door een moreel dilemma moet hij keuzes maken. In het laatste verhaal Poep is de walging compleet. Hoe ver wil of kan iemand gaan om zijn begeerte te vervullen? Een vrouw biedt haar villa en al haar bezittingen aan een arme man aan als hij twee grote hondendrollen in haar bijzijn opeet. 

    Gedurfd en uitdagend

    De verbinding tussen lust en pijn, lust en walging, wreedheid en onzinnige macht, spelen een hoofdrol in al haar verhalen. Uphoff heeft ongetwijfeld de gave van het woord en schrijft zeer raak. Toch leest Begeerte niet aangenaam, de lezer blijft wezenloos achter met een beschamend en ongemakkelijk gevoel om wat de personages overkomt en beleven. Het is gedurfd en uitdagend  om zulke verhalen te schrijven. Uphoff geeft in haar verhalen een stem aan vrouwen, aan personages die in de literatuur niet vaak aan bod komen, en dat is zeker een verdienste. 

     

     

  • Oogst week 37 – 2020

    Begeerte

    Begeerte (1995), de verhalenbundel waarmee Manon Uphoff vijfentwintig jaar geleden debuteerde, is afgelopen zomer heruitgegeven. Voor de heruitgave schreef Uphoff een voorwoord waarin ze de essentie van haar latere werk herleidt tot deze verhalenbundel. In haar eigen woorden zou Vallen is als vliegen (2019) de ‘ultieme uitbarsting’ zijn van de vulkaan waarvan Begeerte de ‘eerste eruptie’ was. Dit jaar werd Vallen is als vliegen genomineerd voor de Libris Literatuur Prijs. Het boek behaalde de shortlist. Uphoff beschrijft in Vallen is als vliegen met behulp van een omfloerste, metaforische stijl het misbruik dat haar jeugd tekende. De zware thematiek van de roman, die wordt geschetst met behulp van sprookjesachtige beelden, komt in Begeerte al naar voren: de hoofdpersoon van het titelverhaal ‘hield van sprookjes, maar niet die waarin alles tot een zoet einde komt’. Uphoff verwijst naar de strijd van Andersens kleine zeemeermin, die haar vissenstaart inruilt voor echte mensenbenen, met als keerzijde van de afspraak een continue, vlammende pijn. En zo vergaat het haar personage – symbolisch, dan – ook.

    Begeerte
    Auteur: Manon Uphoff
    Uitgeverij: Querido

    De val van Thomas G.

    Nelleke Noordervliet beschrijft in De val van Thomas G. hoe een controversiële uitgave (Hedendaags fanatisme) het hoofdpersonage, uitgever Thomas Geel, van zijn geloofwaardigheid berooft. Hij sterft enkele maanden later, zijn vrouw reconstrueert de gebeurtenissen voorafgaand aan zijn dood en stelt haar ervaring op schrift, en ondertussen is een jonge journalist geïnteresseerd in Geels kant van het verhaal in de hoop op een scoop. Noordervliet onderzoekt aan de hand van de verschillende stemmen in het boek actuele culturele tendensen, waaronder trial by media.

    De val van Thomas G.
    Auteur: Nelleke Noordervliet
    Uitgeverij: Atlas Contact

    Nora, of brand Oslo brand!

    Ook Johanna Frid legt in haar Nora, of brand Oslo brand! pijnpunten van deze tijd bloot. ‘Het begon allemaal met een foto.’ Het hoofdpersonage, Johanna, is jaloers op de ex-vriendin van haar vriend Emil – en laat Instagram nu net de perfecte voedingsbodem vormen voor het zaadje van die ziekelijke jaloezie van haar, als telkens beschikbare spiegel van haar ongenoegen en als podium voor de kwaliteiten van Nora, Emils ex. Bovendien wordt Johanna niet alleen geplaagd door dit gevoel van tekortschieten: haar arts ontdekt een ongevaarlijke cyste op haar eierstok en ze lijdt aan een constante pijn in haar baarmoeder. Nora, of brand Oslo brand! kreeg de Dagens Nyheters kulturpris toegekend. Het is Frids debuut.

    Nora, of brand Oslo brand!
    Auteur: Johanna Frid
    Uitgeverij: Podium Uitgeverij
  • Vooruitkijkend naar de winnaar van de Libris Literatuurprijs 2020

    Vooruitkijkend naar de winnaar van de Libris Literatuurprijs 2020

    Komende maandag, 22 juni, wordt de Libris Literatuurprijs 2020 bekend gemaakt. Daarop vooruitlopend las criticus Rob Schouten de zes genomineerde boeken en deed daar verslag van in Letter & Geest, de weekendbijlage van dagblad Trouw, en komt met een winnaar.

    Schouten vraagt zich eerst af, en terecht waarom Otmars zonen van Peter Buwalda er niet opstaat en vindt ook dat de jury behoudend is geweest wat betreft de keuze van de genomineerden, want geen schrijvers van rond de dertig op de shortlist. Helemaal gezien het feit dat er de de laatste jaren ‘een enorme hausse’ aan talent is opgestaan. Hij mist dan ook schrijvers als Jamal Ouariachi, Ninã Weijers, Maartje Wortel en de ‘broertjes Heerma van Voss’.

    Wat geeft de doorslag, buiten dat het een goed boek is, wie er zal winnen? Zo overpeinst Schouten dat het eigenlijk gek is dat Oek de Jong, nu genomineerd met Zwarte schuur, nog nooit een echt grote prijs heeft gekregen. Wat doet vermoeden dat het dit jaar wel eens zou kunnen gebeuren. Maar ook dat elke jury graag een onderbelichte schrijver in het zonnetje wil zetten, en doelt daarbij op Sander Kollaard en zijn boek Uit het leven van een hond, een roman die volgens Schouten het zeker waard is de prijs te winnen. Zo neemt hij elke genomineerde titel onder handen en besluit dat het zes zeer geslaagde en verhalen vertellende boeken zijn die gaan over het mensbeeld van mannen en vrouwen. ‘Dat is kennelijk wat de literatuur nu vraagt: goeie verhalen.’

    Om te besluiten met een pleidooi dat de prijs naar Manon Uphoff moet gaan, ‘die van iets verwerpelijks in deze soms wel erg moralistische MeToo-tijden een subliem en spetterend vuurwerk heeft gemaakt. Echt heel erg goed.’

    De genomineerden zijn:

    Saskia De Coster met Nachtouders
    Sander Kollaard met Uit het leven van een hond
    Marijke Schermer met Liefde, als dat het is
    Oek de Jong met Zwarte schuur
    Manon Uphoff met Vallen is als vliegen
    Wessel te Gussinklo met De hoogstapelaar

    Lees hier het artikel op Trouw online.

     

     

  • De werkelijkheid rondom moeders vertrek

    De werkelijkheid rondom moeders vertrek

    Terwijl Vallen is als vliegen nog overal geroemd wordt als welhaast het beste Nederlandse boek van 2019, zou men bijna vergeten dat ook De ochtend valt van Manon Uphoff herdrukt werd. Deze opvallende novelle die in 2013 werd bekroond met de Opzij-literatuurprijs verscheen eind 2019 in een nieuw jasje, mooi geïllustreerd met tekeningen van Sylvia Weve. Subtiele, suggestieve novelles zijn niet nieuw voor Uphoff. Ook met De vanger (2002) en De bastaard (2004) bekoorde ze haar lezers.
    De ochtend valt is een bijzonder korte novelle. In amper 62 bladzijden vertelt ze het verhaal van een ontwricht gezin ergens in de jaren zestig in Engeland.

    Suggestieve overheerst

    Ook hier is de suggestie vaak veel belangrijker dan wat er werkelijk geschreven staat. Alles wordt gezien vanuit het gezichtspunt van de tiener Michael, die vanaf het begin duidelijk maakt: ‘Wij zijn normale kinderen, in een normaal huis.’ Niets is minder waar. Centraal staat een ingrijpende gebeurtenis in het gezin. Op een avond is Michael getuige van de moord van zijn vader op zijn moeder. Althans dat ziet of denkt hij gezien te hebben. De volgende ochtend ligt op de keukentafel een eenvoudig briefje in het handschrift van zijn moeder: ‘Jongens, vergeef me, het spijt me, ik moet hier weg, zo kan het niet blijven.’  Vader houdt vol dat ‘Mah’ is weggegaan en dat ze wel zal terugkeren. Wat de waarheid is, blijft in het midden en is ook niet belangrijk voor het verhaal. Michael begint zich vragen te stellen over wat hij al dan niet gezien heeft, maar beseft dat de toekomst van het gezin op zijn schouders rust.

    Ontspoord gezin

    Na verloop van tijd begint de herinnering aan de gebeurtenis en aan de moeder te vervagen, bij iedereen van het gezin. Michael neemt de taken van zijn moeder over: wassen, koken, poetsen en de zorg voor zijn vader, broertje Glenn en zusje Natalee. Dan blijkt algauw dat het hier niet gaat om een doorsnee gezin. Het is een ontspoord gezin dat probeert het hoofd boven water te houden. De lezer ontdekt dat er heel wat speelde in het gezin, ook voor moeder ‘vertrok’.
    Mah was bezig de binnenkant van haar linkerarm te bewerken met een scheermesje, met lange verticale halen. Het was een bizar gezicht omdat ze het deed aan de ontbijttafel, tussen de broodjes en beschuitjes met aardbeienjam door.’
    Zelfverminking, zelfverloochening en verwaarlozing zijn prominent aanwezig in het gezin. Alles speelt zich af in de beklemmende sfeer van het huis. De lezer zit mee opgesloten in de bedompte, kille ruimte en krijgt een claustrofobisch gevoel. Die beklemming zit ook in het hoofd van Michael die samen met de rest van het gezin een eenzaam bestaan leidt. 

    Wrang gevoel

    Uphoff brengt heel subtiel verschillende thema’s aan. Die moeten aangevuld worden door de lezer zelf. Ze werkt met heel veel witregels, die niet alleen het gemis van de moeder suggereren, maar evenzeer ruimte bieden aan de lezer om na te denken en in te vullen. Uphoff blijft spaarzaam met informatie en doet een beroep op het inlevingsvermogen van de lezer. De harde realiteit van misbruik en incest wordt niet als dusdanig genoemd, maar is tussen de regels aanwezig. Daarnaast zoekt de lezer naar de waarheid achter het verhaal, de juiste toedracht van wat Michael zag. Voortdurend balancerend tussen fantasie en werkelijkheid die ook aanwezig is in het hoofd van Michael. De stijl van korte en suggestieve beelden werkt wonderwel. Er wordt vaak meer gezegd in wat niet beschreven wordt. Na lezing leg je deze krachtige novelle niet zomaar opzij. Wat blijft is een wrange mengeling van medelijden en hulpeloosheid, en een hoofd vol tegenstrijdige gedachten.

     

  • Bookspot Literatuurprijzenfeest voor Wessel te Gussinklo en Sjeng Scheijen

    Bookspot Literatuurprijzenfeest voor Wessel te Gussinklo en Sjeng Scheijen

    Twee gelukkige schrijvers sleepten vanavond de Bookspot Literatuurprijs in de wacht. Sjeng Scheijen met de De avant-gardisten (Prometheus) in de categorie non-fictie, die dit jaar voor het eerst werd uitgereikt, en Wessel te Gussinklo met De hoogstapelaar (Koppernik) in de categorie fictie. Eerder deze week won Wessel te Gussinklo met De hoogstapelaar al de Zeeuwse Boekenprijs 2019. De Bookspot Literatuurprijs is een van de belangrijkste literaire prijzen in het Nederlandstalig gebied. Beide schrijvers winnen elk een geldbedrag van 50.000 euro.
    De prijzen werden door Winnie Sorgdrager, voorzitter van de Stichting Jaarlijkse Literatuurprijs, uitgereikt tijdens een literaire avond in de Centrale Bibliotheek in Den Haag.

    Webwinkel Bookspot kent ook een Bookspot Lezersprijs, die vorige week gewonnen werd door Peter Buwalda met Otmars zonen en gisteren won Manon Uphoff met haar roman Vallen is als vliegen de BookSpot Scholierenprijs 2019.

    De overige genomineerden voor fictie waren Nicolien Mizzee met Moord op de moestuin (Nijgh en van Ditmar) en Marente de Moor met Foon (Querido).
    De overige genomineerden voor non-fictie waren Mirjam van Hengel met Een knipperend ogenblik (Bezige Bij), Lieve Joris met Terug naar Neerpelt (Atlas Contact), Maaike Meijer met Hemelse mevrouw Frederike (Bezige Bij) en Thomas Rueb met Laura H. (Das Mag). Zij ontvangen ieder een geldbedrag van 2.500 euro.

    De jury van de BookSpot Literatuurprijs bestond dit jaar uit: Jan Dertaelen, boekverkoper bij De Groene Waterman in Antwerpen en recensent; Maite Karssenberg, auteur en historica; Sebastiaan Kort, recensent voor NRC; Maartje Kroonen, boekverkoper bij Boekhandel Bijleveld te Utrecht; Daan Stoffelsen, boekverkoper, recensent en hoofdredacteur van literair tijdschrift De Revisor; Jelle Van Riet, literair journaliste voor De Standaard; Jeroen Vullings, literatuurcriticus Vrij Nederland en Nieuwsweekend.

     

    Lees op Bookspot Literatuurprijs de motivatie voor alle prijstoekenningen.

     

  • Hoe te reageren op de belediging die seksueel misbruik is

    Hoe te reageren op de belediging die seksueel misbruik is

    Nadat klinisch psycholoog Iva Bicanic, gespecialiseerd in het behandelen van misbruikte jongeren, was geïnterviewd door De Volkskrant, wilde ze het artikel controleren voordat het gepubliceerd werd. Niet op feitelijke onjuistheden maar op uitspraken ‘die mensen [kunnen] raken in negatieve zin […] zodat niemand thuis beschadigd wordt, dat het alleen maar helpend, steunend en ontschuldigend is’. Daarom kiest Bicanic haar woorden altijd voorzichtig.

    Het illustreert hoe groot het taboe op seksueel misbruik is: je zegt snel iets verkeerds. Dat geldt niet alleen voor hulpverleners als Bicanic, maar ook voor de slachtoffers. Toen Griet op De Beeck bij De wereld draait door vertelde dat zij in haar jeugd was misbruikt, werden zowel haar betrouwbaarheid als de oprechtheid van haar motieven in twijfel getrokken. Een reactie die het argument van slachtoffers voedt om niet aan de bel trekken: ik word toch niet geloofd en het leidt tot nog meer inbreuk op mijn waardigheid. Geen aanlokkelijk vooruitzicht en een goede reden om alle ellende voor je te houden. In de roman Noodweer van Marijke Schermer wordt beschreven hoe dit nooit helemaal lukt: de ellende zoekt toch een uitweg.

    Niet te verdragen woede

    Ook bij Manon Uphoff. Haar nieuwe roman Vallen is als vliegen opent met de nu al beroemde openingszin: ‘Lezer, ik wilde dit verhaal niet vertellen.’  Waarna het hele eerste hoofdstuk leest als een apologie voor het schrijven van dit boek. Alsof zij, een schrijfster die haar sporen verdiend heeft, niet over haar meest verborgen zielenroerselen zou mogen schrijven. Van wie niet, waarom niet? Wanneer het misbruik in heel zijn verontrustende omvang al is beschreven, beantwoordt Uphoff deze vraag: ‘hoe je voor zo’n belediging [eufemistisch voor het misbruik] te revancheren en erop te reageren in een wereld die de woede van vrouwen niet verdraagt?’

    Zelf verdroeg de schrijfster haar woede echter ook niet meer. De dood van haar oudere halfzus Henne Vuur – ook slachtoffer van het seksueel misbruik – geeft substantie aan de depressie waarin ze op dat moment verkeert. Het hardnekkige zwijgen heeft zich geuit in zelfdestructie: ‘[Ik] heb geen andere mogelijkheid meer dan terug te keren naar een geschiedenis die ik dacht te zijn ontvlucht en die nooit alleen de mijne was, maar die van ons allemaal.’ Zo overstijgt deze roman het particuliere: zij schrijft ook voor haar zussen en daarmee voor iedereen die met seksueel misbruikt te maken heeft gehad.

    Vermijden van slachtofferschap

    Ook voor de daders, al weigert Uphoff begrippen als dader en slachtoffer te gebruiken: ‘die doen geen recht aan het weefsel, het web om alles heen, de inbedding in de zwijgende samenleving’, zegt ze in een interview met Het Parool. De roman maakt duidelijk dat het onverdraaglijk is om een slachtoffer te zijn, dat blijkt uit de schokkende gebeurtenissen die haar andere halfzus, Toddie Woddie overkomen. Met slachtoffers wil niemand omgaan, laat staan dat ze geholpen worden.

    Hoe je achteraf te verdedigen tegen die belediging die het misbruik is, hoe je te revancheren?  Niet met een keiharde afrekening dus, hoewel zij daar alle reden toe heeft. In plaats daarvan noemt zij haar vader ‘de briljante architect van onze angst en opwinding en regisseur van onze momenten van extreme verrukking en vrees’. Vervolgens beschrijft zij het misbruik zelf – de aard van het gezinsleven en de gevolgen ervan voor de levens van haar zussen (broers blijven buiten beschouwing), en alle verwarrende, tegenstrijdige gevoelens: ‘Ach, maar wat als alles wat je hebt geleerd en gezien over de liefde, tederheid en zorg ook daar, en voor het eerst (en zo krachtig!), tot leven is gewekt?’

    Taal verandert vallen in vliegen

    Kunst en met name literatuur boden tot dusver een ontsnapping aan de demonen. Ietwat cynisch memoreert Uphoff  hoe haar debuut, de verhalenbundel Begeerte, lovend ontvangen werd als een triomf van de fantasie. Pijnlijk als men nu terugleest dat het noli me tangere (raak me niet meer aan) dat ze op dertienjarige leeftijd tegen haar vader uitspreekt aan de orde komt in het verhaal Vlees waarin de dochter van een slager rond haar dertiende weigert nog langer vlees te eten, vlees dat haar enerzijds vervult van genot en tegelijkertijd van walging. Herlees de bundel – zeer de moeite waard – en men ziet dat in elk verhaal de thema’s macht, seks, erotiek en onschuld een rol spelen. Literatuur als middel om het onbenoembare toch te zeggen.

    Met open vizier

    Nu echter wordt de literatuur gebruikt om met open vizier de strijd met de demonen aan te gaan- het gif zoals Uphoff het noemt. Openhartig maar niet onverbloemd. De veelvuldige literaire en historische verwijzingen – die niet allemaal van toegevoegde waarde zijn – en het stilistisch machtsvertoon – Uphoff is werkelijk een voortreffelijk schrijfster – lijken als bescherming te dienen voor de uiterst pijnlijke en moedige confrontatie die ze aangaat: het is de taal die het vallen in vliegen verandert.

    Uphoff wilde deze roman niet schrijven. Soms ligt schoonheid in de eenvoud, hier is het andersom. Vallen is als vliegen ademt tot in elke zin, elk woord, elke letter wat een enorme krachttoer het is geweest om te vliegen. Dat maakt het boek niet makkelijk toegankelijk, maar wel boeiend en confronterend. Vallen is als vliegen is een monument van een boek en verplichte kost voor een zwijgende samenleving.

     

  • Woordnacht met grote namen en beginnende schrijvers

    Woordnacht met grote namen en beginnende schrijvers

    Het afgelopen weekend vond in Rotterdam de vierde editie van literair festival Woordnacht plaats. Het thema van dit jaar was ‘Stilte’. Op de zaterdagavond zijn er zes festivallocaties, verspreid over de binnenstad: Arminius, het Goethe-Institut, Theater Rotterdam en drie zalen in hoofdgebouw TENT. Bij sommige optredens, zoals een interview met Arthur Japin over diens roman Kolja, is een gebarentolk aanwezig. Ook is er een silent poetry slam, met optredens van dove artiesten.

    Bij TENT kunnen vanaf zeven uur de entreekaartjes worden afgehaald. Wie een paar minuten te vroeg is, moet buiten wachten, binnen wordt nog gerepeteerd. Na zevenen worden de bezoekers verwelkomd met koffie en koekjes. Medewerkers delen overzichtelijke, mooi vormgegeven programmaboekjes en plattegronden uit. Een dag eerder, op vrijdag 25 oktober, heeft Nelleke Noordervliet de Anna Blamanlezing verzorgd. Er is een stapel exemplaren van de gedrukte versie over, gratis mee te nemen.

     

    Poëzie op muziek

    In zaal één van TENT trapt dichter Peggy Verzett de avond af. ’s Middags heeft ze de eerste Jana Beranováprijs uitgereikt gekregen in de pas verbouwde boekhandel Donner. Speciaal voor Woordnacht werd een muzikaal programma gemaakt op basis van haar teksten en gedichten. Ze wordt begeleid door Kobi Arditi op de trombone en Mathijn Den Duijf op de piano. Bij haar opkomst vertelt ze dat de zaal veel resonantie heeft. Waarschijnlijk zal het publiek weinig van haar poëzie verstaan, voorspelt ze.

    Inderdaad zijn de woorden niet verstaanbaar, maar de klanken des te beter. Bovendien zet Peggy Verzett haar lichaam in om haar boodschap kracht te geven: ze gooit haar armen omhoog, keert het publiek de rug toe en danst weg bij de microfoon. Af en toe verstaat het publiek een flard van de tekst: een vader loopt met een vaas, een paar seconden later ‘moet hij terug’. Waarom hij terug moet en waar ‘terug’ is, blijft dankzij de akoestiek een mysterie. Juist dat geeft het optreden van Peggy Verzett iets extra’s.

    Avond vol advies

    Daarna begint in zaal drie het ‘debutantenprogramma’. Hierin gaat een gevestigd auteur in gesprek met een aanstormend talent dat nog bezig is met zijn of haar eerste boek. Eerdere aanstormende talenten waren onder anderen Carmien Michels (Europees kampioen poetry slam en inmiddels gedebuteerd als dichter met de bundel We komen van ver) en Bianca Boer (auteur van de recent verschenen roman Draaidagen en zelf ook aanwezig op Woordnacht voor een interview dat later op de avond plaatsvindt).

    Dit jaar mag Vincent Kortmann zich bij hen aansluiten. Hij zal in gesprek gaan met festivaldirecteur Hans Sibarani en Manon Uphoff, die in 1995 debuteerde met de verhalenbundel Begeerte. Voordat het zover is, vertelt Manon Uphoff over de periode waarin zij aan haar debuut werkte. Ze wist toen al dat Begeerte een basis zou worden waarop ze de jaren erna zou kunnen voortbouwen. In elk kort verhaal was namelijk een groter verhaal verborgen. Ze vergelijkt haar schrijfproces met een matroesjka, een pop die je kunt openmaken en waaruit steeds een nieuw figuur tevoorschijn komt.

    Opgroeiende meisjes in de literatuur

    De telefoon van Hans Sibarani piept. ‘Momentje,’ zegt hij tegen het lachende publiek. ‘Ik dacht dat ik hem had uitgedaan.’
    De telefoon blijft de rest van het gesprek piepen, maar Manon Uphoff trekt zich er niets van aan. Ze vertelt over het schrijfproces rondom Vallen is als vliegen, haar recentste roman: ‘Ik denk niet dat iemand anders dit boek kon maken.’ Het gesprek gaat verder over recensies. Na haar debuut las Manon Uphoff  in een recensie dat wel heel veel verhalen uit het boek over opgroeiende meisjes gingen. ‘Het was precies de helft,’ zegt ze. In de jaren 90 kregen opgroeiende jongens meer aandacht in de literatuur en áls het al over meisjes of vrouwen ging, bleef dat vaak braaf. Manon Uphoff schreef destijds bewust over niet alleen begeerte, maar ook de woede die daarbij kan komen kijken: ‘Ik wilde laten zien dat woede ook een kracht is, een energie, een motor.’

    Vincent Kortmann betreedt het podium. Zijn boek – het zal verschijnen bij uitgeverij Atlas Contact en een titel heeft het nog niet –  gaat over een negentienjarige jongen die door alle vrouwen in zijn leven is verlaten. Dan krijgt de jongen plotseling een stiefzus, die steeds extremere streken uithaalt. Manon Uphoff heeft de eerste vijfenzeventig pagina’s van het manuscript mogen lezen, maar het publiek krijgt alleen het begin te horen. Het is dapper dat Vincent Kortmann voordraagt, aangezien hij benadrukt dat het redactieproces nog bezig is. De eerste zin is alvast indrukwekkend: ‘Vanaf het balkon schoot mijn stiefzus Fay haar luchtbuks leeg op conservenblikken in de tuin.’ Een verschijningsdatum is nog niet bekend, maar het voorgedragen fragment smaakt naar meer.

    Schrijfprocessen

    Jammer genoeg wordt er niet ingegaan op het schrijfproces van Vincent Kortmann. Wél prijst Manon Uphoff de toon en de vertelstem in zijn manuscript. Ook is ze onder de indruk van de dialogen, zelden zijn die bij beginnende schrijvers zo naturel. Ze is van mening dat ‘de innerlijke motor van de hoofdpersoon’ belangrijker voor het verhaal is dan een plot.
    ‘Het moet wel echt ergens over gaan,’ werpt Vincent Kortmann tegen. Hij vindt het belangrijk om naar een bepaald punt toe te werken. ‘Het verhaal mag niet uitgaan als een nachtkaars.’

    Manon Uphoff geeft advies, niet alleen aan Vincent Kortmann, maar aan iedereen die een boek wil schrijven: ‘Ga aan de gang met je eigen stem en geloof erin. Het maakt niet uit of je uiteindelijk goede of slechte kritieken krijgt. Je hebt daar geen invloed op, dus geloof vooral in wat je kunt.’ Vincent Kortmann vraagt hoe Manon Uphoff haar personages, die vaak bizarre handelingen verrichten, geloofwaardig kan neerzetten. ‘Je moet het zelf geloven,’ is haar antwoord. Na het optreden verlaat het publiek de zaal, maar zij blijft achter om nog even met Vincent Kortmann over zijn boek-in-wording te praten, zonder toeschouwers.

    Grote thema’s

    Hierna interviewt Alek Dabrowski de schrijvers Bianca Boer en Christiaan Jongeneel. Hij vindt Magda is overal  van Christiaan Jongeneel, ‘een complexe roman’, en voegt eraan toe dat het is bedoeld als compliment. Het is namelijk ‘de eerste grote 9/11-roman’. Ook in dit gesprek is plot een discussiepunt. Voor Bianca Boer, schrijver van Draaidagen, is plot niet belangrijk: ‘Ik wil mensen maken en ze op elkaar laten reageren.’ Haar roman gaat enerzijds over Auschwitz en anderzijds over Judith, die figureert in een film die zich afspeelt tijdens de Tweede Wereldoorlog.

    Bianca Boer draagt een fragment voor waarin de verhaallijnen samenkomen: de filmset voelt als bezet Nederland. Zowel de voordracht als de inhoud wekken de roman tot leven voor het publiek. Over Draaidagen vertelt ze: ‘Sommige geschiedenissen gaan generaties lang door. De hoofdpersoon krijgt geen kind, omdat ze niet wil dat de geschiedenis zich herhaalt.’ Ook Christiaan Jongeneel mag voordragen. Magda is overal blijkt inderdaad complex: de roman telt drie delen en uiteindelijk draait het boek om de vraag of Magda wel bestaat. Hoewel beide auteurs uit Rotterdam komen en voor een groot thema hebben gekozen, hebben ze compleet verschillende boeken geschreven.

    Overvloed aan optredens

    Woordnacht kent een erg vol programma. Om half negen ’s avonds zijn bijvoorbeeld de volgende optredens bezig: ‘Silence of the Slam’ met diverse spoken word-artiesten; een gesprek met Marcel Möring; ‘Dat soort volk’ met Jan Oudenaarden, Erik Brus en Alek Dabrowski; ‘Debutanten’ met Manon Uphoff, Vincent Kortmann en Hans Sibarani; en ‘Reprise: Montere weemoed’ met Thomas Verbogt en Beatrice van der Poel.

    Het is voor een bezoeker onmogelijk meer dan drie programmaonderdelen op de avond te zien zonder halverwege een optreden weg te gaan. Daardoor is er bij sommige optredens slechts een handjevol mensen aanwezig. Het is mooi dat Woordnacht zowel aanstormend talent als grote namen een podium biedt, maar de vraag rijst of het festival niet nóg beter tot zijn recht zou komen met minder locaties of een grotere tijdspanne.

     

    Beeld: Annaleen Louwes

  •  Een monument voor een vriendschap

     Een monument voor een vriendschap

    Het lezen van een briefwisseling bezorgt je als lezer al snel een wat ongemakkelijk gevoel. Je voelt je een beetje een voyeur, want je leest ten slotte informatie die in eerste instantie helemaal niet voor jouw ogen bestemd was. Toch heeft dit genre wel degelijk bestaansrecht. Op deze manier heeft de lezer immers toegang tot de belevings- en ideeënwereld van niet-alledaagse personen en hier zijn dan ook ‘pareltjes’ uit voortgekomen. Bovendien mag je ervan uitgaan dat een goede uitgever ervoor zorgt dat al te intieme en persoonlijke informatie wel uit de brieven wordt gefilterd alvorens wordt overgegaan tot uitgave, zeker wanneer het gaat om nog levende personen dan wel personen met nog levende nabestaanden. Hoewel, er zijn voorbeelden waarbij hier toch wel eens wat steken gevallen zijn…

    De ‘noot van de schrijver’ achterin het boekje maakt duidelijk dat daar in het geval van de uitgave van de briefwisseling in Als je me maar blijft schrijven geensprake van is en we hebben hier dan ook te maken met zo’n ‘pareltje’. Het gaat in deze uitgave om de brieven, of eigenlijk e-mails, die Herman Franke en Manon Uphoff elkaar sturen nadat Franke te horen heeft gekregen dat hij kanker heeft in een ongeneeslijk stadium. Vanzelfsprekend leidt dit tot soms heftige emoties, maar Franke blijkt in zijn brieven iemand die de feiten nuchter onder ogen kan blijven zien en soms met humor naar zijn eigen situatie kan kijken.

    De briefwisseling begint in september 2009, nadat Uphoff van Franke heeft vernomen dat hij ongeneeslijk ziek is. Vanzelfsprekend maakt deze mededeling diepe indruk op Uphoff. De twee schrijvers zijn al langere tijd bevriend en er bestaat een hechte band tussen hen. De ziekte van Franke brengt daar geen verandering in, integendeel. Wat wel duidelijk verandert na verloop van tijd, zijn de verhoudingen. Uphoff staat midden in het leven en schrijft daarover; Frankes mails worden steeds korter en bevatten ten slotte niet veel meer dan korte opmerkingen over zijn almaar verslechterende gezondheid. Uphoff heeft het er vaak moeilijk mee, dat ze Franke ‘lastig valt’ met de problemen waarmee zij worstelt, aangezien die in het licht van de situatie van Franke triviaal lijken. Ze heeft het hierbij onder andere over een ‘muur’ waar met elk slecht bericht over Frankes gezondheid stenen bij worden gemetseld. Geen nieuw beeld, wel heel herkenbaar en invoelbaar voor iedereen die een dierbaar iemand heeft verloren aan een ziekte.

    Franke echter is blij met elk contact met het ‘normale, alledaagse leven’ en wanneer Uphoff hem schrijft over haar twijfels over het belang van alles wat ze hem te vertellen heeft, laat hij haar dan ook weten: ‘…… als je me maar blijft schrijven.’ Haar brieven zijn voor hem nog een schakel met het ‘gewone leven’.

    Het is op het eerste gezicht duidelijk dat we hier te maken hebben met twee begaafde, professionele schrijvers met allebei een heel andere, zeer persoonlijke stijl van schrijven. Uphoff is erg open over haar persoonlijke situatie, Franke is gereserveerder. Dat die openheid van Uphoff haar in de problemen kan brengen, blijkt pijnlijk uit deze briefwisseling. In de periode dat deze correspondentie plaatsvindt, is namelijk Uphoffs roman De spelersverschenen en dit boek heeft niet alleen bij het publiek tot enige ophef geleid, maar het heeft ook vergaande gevolgen voor haar persoonlijk leven; de relatie met haar vriend Bebek komt onder zware druk te staan. Ze deelt haar verdriet daarover met Franke, die zich hierbij opstelt als haar rots in de branding. Hij biedt troost, toont begrip voor haar problemen en steunt haar met zijn onvoorwaardelijk vertrouwen in haar kwaliteit als schrijver: ‘…. maar wat ik wel kort kan zeggen dat is dat je elke twijfel aan de kwaliteit van jouw schrijverschap uit je hoofd moet bannen, nu, meteen, dat ben je aan mij en alle andere schrijvers verplicht ….. ‘.

    Franke vertelt over zijn werk aan zijn laatste roman Traag licht; zo lang zijn gezondheid het toelaat werkt hij door. Het is voor hem belangrijk dit werk nog af te ronden. Daarnaast schrijft hij over zijn opvattingen, zijn zorgen over maatschappelijke ontwikkelingen zoals de groeiende rol van Wilders in de politiek en natuurlijk over het verloop van het ziekteproces. Maar zijn brieven worden steeds korter; de ziekte krijgt hem steeds meer in de greep.

    Als je me maar blijft schrijvengeeft een prachtig beeld van een vriendschap tussen twee mensen die elkaar waarderen, stimuleren en oprecht liefhebben: ‘…. misschien is dat wel het beste wat een vriendschap te bieden heeft, het openbreken van jezelf en je eigen denken, daarbinnen sluipen en nestelen zich de visie en opvattingen, het denken en voelen van de ander, een ander gezichtspunt, en het verruimt je, maakt je groter, breder, de wanden van je bestaan vallen weg en die ander vestigt zich – …..’.

    De laatste brief in het boekje is van Franke en dateert van 2 augustus 2010. Hij maakt hierin nogmaals duidelijk hoeveel de brieven van Uphoff voor hem betekenen: ‘…. je legt een warme deken van brieven over me die ik zo nu en dan dankbaar over me heen trek als het me allemaal te veel wordt ….’. Op 10 augustus overlijdt hij.

    Dit boekje is een monument voor een vriendschap die, mede door de mooie stijl en de soms prachtig beeldende taal waarin zij is verwoord, geen lezer onberoerd zal laten.

     

     

  • ‘In het plafond zat een spatkrater, de muren hadden kogelgaten’

    ‘In het plafond zat een spatkrater, de muren hadden kogelgaten’

     

    De spelers is een boeiend en indrukwekkend goed verteld verhaal waarin de situatie van het Joegoslavië van na de oorlog en de gevolgen hiervan, rijkelijk belicht worden.
    Centraal staat de 29 jarige Manja die als docente, nieuwkomers in Nederland taalles geeft. Tijdens zo’n les leert ze de gedeserteerde Joegoslaaf J. kennen die haar gelijk op het eerste gezicht betovert.
    J. arriveerde eind oktober en zijn verschijning veroorzaakte bij mij een even plotselinge als redeloze betovering. Hij was mager, en zijn gezicht met de scherpe, benige trekken, zijn radijskleurige neuspunt en het myriadisch netwerk van gesprongen adertjes – een gevolg van de regen, wind en klamme kou van het nieuwe klimaat – had eruit gezien als een wiskundige opgave. Een mathematisch project.’ Wat volgt is een gepassioneerde liefdesrelatie. Maar al snel komen de menselijke ergernissen en verwachtingen ten opzichte van elkaar om de hoek kijken.

    Manja en J. bezoeken een aantal keer zijn familie in Sarajevo. Ze komen in een omgeving terecht waar de mensen pogingen doen om hun leven in stand te houden en/of het voorzichtig te hervatten.
    De familie van J. leeft hier in een flat waarin en waaromheen nog duidelijk de sporen van de voorbije oorlog waarneembaar zijn.
    In het plafond zat een spatkrater, de muren hadden kogelgaten. Voor het raam hing een versleten canvas scherm in de kleur van een biljartlaken. Toen het werd opengetrokken was een deel van de berg te zien, die als een kanten mouw was afgezet met witte grafzuiltjes.’
    Ondanks de treurige staat waarin de flat van Manja’s schoonfamilie verkeert, probeert haar schoonmoeder op bijna wanhopige wijze haar goede afkomst hoog te houden. Manja’s schoonzus leeft in een flat die voor de oorlog van een Joodse familie was die voor het etnische geweld gevlucht is. Ze woont hier met haar man Spiro, een verknipte ex-soldaat en hun in ontwikkeling achtergebleven zoontje (waar schoonzus en man geheel niets vreemds in zien). J. doet tijdens zijn korte bezoeken tevergeefs pogingen tot heropvoeding van zijn neefje.

    De relatie tussen J. en zijn zwager Spiro neemt in de loop van de bezoeken ronduit vijandige vormen aan. Hierdoor ervoer ik tijdens het lezen een constante spanning omdat ik telkens verwachtte dat er iets zou gaan gebeuren tussen Spiro, J. en Manja.
    Ook hun verblijf in een gebied waar de oorlog wel voorbij is, maar de sporen nog overduidelijk aanwezig, bijvoorbeeld in de vorm van zwerfhonden, brengen een geladen sfeer met zich mee.
    ‘Daar stond een hond, een teef die ons op de terugweg volgde door de langgerekte straat. J. zei dat het een hond was die hij al een paar keer wat te eten had gegeven en ook dat het hier stikte van de honden – vuilnisbakken met vlooien, Duitse herders, hier en daar een worst op pootjes – een deel was na alles wat zich had voltrokken gaan dwalen langs de wegen, een ander deel had zijn heil gezocht in de bossen, weer anderen hielden zich schuil in leegstaande of vernielde huizen. Sommigen waren in de huizen gebleven, wachtend op hun vroegere baasjes…’.Uit het citaat, hierboven aangehaald, komt een ronduit rauwe, harde realiteit naar voren die Manon Uphoff de lezer voorspiegelt.

    Dit boek kon mij in eerste instantie niet echt bekoren. Ik denk dat dat komt door wat ze vertelt en de sfeer die dat oproept. Maar bij nabeschouwing is het als portret van de Balkanoorlog een interessant en beeldend geschreven verhaal wat je daarom zeker gelezen moet hebben.

    De spelers is genomineerd voor de Opzij Literatuurprijs. De winnares wordt bekendgemaakt op het Opzij Vrouwenboekenbal op dinsdag 16 februari a.s.