• De vader een hond

    De vader een hond

    Tijdens het lezen van Het jubileum van Andrea Bajani, voelde ik dezelfde verstilling en eenzaamheid als in Het hoogste goed waarin een jongen zijn verdriet als een trouwe hond altijd bij zich weet. Het is het eerste boek waarin Bajani over verwaarlozing en mishandeling uit zijn kind- en jeugdjaren in romanvorm schrijft. In Het boek van de huizen speelt datzelfde verdriet een rol. Er komt een schildpad in voor die voor verstilling van de tijd staat. Alles op een afstand beschreven, niets maakt de lezer van dichtbij mee, er wordt door de vader geen hand geheven, toch die dreiging.

    Het was een herfstige mooie zondag, er moest gewandeld worden. Ik nam de trein naar een dorp verderop. Vanaf het station liep ik terug, langs weteringen, door stukken bos. De jongen uit Het hoogste goed vergezelde me, hoe hij in het huis van zijn ouders onopvallend, (om de lieve vrede) om hen heen bewoog. Er met zijn hond (het verdriet) steeds op uitgaat om niet thuis te hoeven zijn.

    Er stond een bankje aan een zandweg. Ik las alsof ik iets zocht, iets dat zich buiten de geschreven woorden bevond. Ik nam een potlood uit mijn zak, schreef in de kantlijn ‘zogend kind vult zich met leegte van moeder’, omcirkelde een stuk over het verdriet van zijn vader dat zo groot was, ‘dat de vader het amper aan de riem wist te houden.’ Verdriet dat zich losrukte, anderen aanviel, zoals de zoon. ‘Hij sperde zijn bek open, blafte en daarna hoorde je de schreeuw van degene die was gebeten.’ Dat die bedekte manier van schrijven (alsof het jou niet aangaat) het mogelijk maakt om dat wat je niet van je af kunt schudden, enigszins te benaderen. Verdriet moet je in de bek kijken, dat dus.

    Wat de schrijver in Het jubileum ook werkelijk doet. In deze kleine roman komt alles aan de oppervlakte. Bajani schrijft voor het eerst in niet mis te verstane bewoordingen over mishandelingen door- en het controlerende gedrag van de vader. De inmiddels volwassen zoon heeft zijn ouders tien jaar lang niet gezien. Met die afstand begint hij een zoektocht naar wie ze waren, en dan vooral zijn moeder wil hij kennen. Het tweede hoofdstuk begint met, ‘Ik heb nooit geschreven over mijn moeder.’ Waarna hij op zoek gaat naar die moeder. En hoewel hij weet dat zij degene was die het eten kookte, de afwas deed, de was opvouwde, kan hij haar in die rol niet visualiseren. Wel herinnert hij zich dat haar ene been dunner was dan haar andere ten gevolge van polio. ‘Ze werd gedefinieerd door een ietwat manke tred, (…) als ik haar kuit zag, dat is zeker, ervoer ik iets van smartelijke vertedering.’ Na vele pogingen om zijn moeder in beelden te kunnen vatten, eindigt hij dit hoofdstuk met, ‘Of het wel of niet is gebeurd doet er nu niet toe, dit is het begin van de roman.’

    Hoe de schrijver laveert tussen werkelijkheid en verzonnen versie. Dat hij zijn moeder, de dingen die hij zich niet van haar herinnert, alleen in romanvorm tot leven kan brengen. Wanneer hij als kind met zijn zus en moeder de vakantie doorbrengt bij de ouders van zijn moeder, de vader daar wegblijft, beschrijft hij een moment waarin de moeder een brief ontvangt, zich daarmee terugtrekt op haar kamer. ‘Wat een soort intimiteit is, of tenminste, dat is het gevoel dat opkomt tijdens het schrijven van deze scene.’ Hoe hij zijn moeder zoekt, haar naar zich toe tracht te halen, wat niet lukt. Zoveel kan ik wel zeggen.

    En dat moment, als de zoon zich aan het losmaken is, voor het eerst met kerst niet thuiskomt. Hoe de vader hem via de telefoon toebrult: “Hou je koest! Kop dicht! Koest, hond!”’ Dat die vader opeens als het ‘grote verdriet’ dat de jongen als een hond begeleidde, in dit boek naar buiten breekt. Lees deze boeken. Begin met Het hoogste goed, dan Het boek van de huizen en Het jubileum. Verschillende gradaties van het verhaal over een destructieve familie. Geweldig knap geschreven.

     

     

    Het jubileum / Andrea Bajani / vertaling Manon Smit / Van Oorschot


    Inge Meijer schrijft over het snijvlak waar literatuur en het leven elkaar raken.

     

     

     

     

  • Oogst week 39 – 2025

    Oogst week 39 – 2025

    Het jubileum

    ‘De Italiaanse schrijver en journalist Andrea Bajani (1975) is in eigen land een gelauwerd schrijver. Over zijn debuutroman, Cordiali saluti, (2005), schreef de schrijver Antonio Tabucchi (1943-2012) dat hij dit boek gelezen had ‘met een opwinding die ik in tijden niet meer heb gevoeld in de Italiaanse literatuur’.’ Aldus Ingrid van der Graaf in haar interview met Bajani voor Literair Nederland in 2022.

    Met zijn roman L‘anniversario won Andrea Bajani de Premio Strega 2025, de meest prestigieuze literaire prijs van Italië. Het boek, in een vertaling van Manon Smits, is nu verschenen met de titel Het jubileum. Na tien jaar kijkt een zoon terug op zijn verstikkende jeugd met subtiel huiselijk geweld, dat plaatsvond in zijn familie. Zonder mensen te beschuldigen of te redden legt hij het dwingende systeem van het gezin bloot om zichzelf uiteindelijk te bevrijden. ‘Nadat ze (de moeder) zich al die jaren had onttrokken, er niet was geweest voor zichzelf of voor haar kinderen, alleen maar bezig was geweest met poetsen, bedienen, haar man gehoorzamen in huis en in bed, het weinige of niets dat mijn vader van haar verwachtte of eiste uitvoeren, eindigde ze met iets typisch moederlijks. Ze voelde aan wat er in het binnenste van haar zoon al gebeurd was zonder dat hij het zelf wist.

    Op die dag, tien jaar geleden, heb ik mijn ouders voor het laatst gezien. Ik ben sindsdien van telefoonnummer veranderd, van huis, van continent, ik heb een onneembare muur opgetrokken, ik heb een oceaan tussen ons in geplaatst. Het waren de beste tien jaar van mijn leven.’

    Eerlijk, openhartig en verontrustend relaas gebaseerd op herinneringen.

    Het jubileum
    Auteur: Andrea Bajani
    Uitgeverij: Van Oorschot

    Kookpunt

    ‘De personages uit Kookpunt van Nisrine Mbarki Ben Ayad wonen in Brussel. Algiers. Parijs. Damascus. Casablanca. Cairo. Amsterdam. Zeven mensen, zeven levens die zich in verschillende steden en landen afspelen. En toch raken ze elkaars levens en vertellen zo het verhaal van een versplinterde wereld, waarin mensen ondanks alles innig liefhebben.’

    Kookpunt is het verhaal van een eeuw: van 1961 in Algerije tot 2061 in Amsterdam. Het is een eeuw die herhaaldelijk zelfmoord pleegt en zichzelf opnieuw uitvindt. Zeven verhalen, in zeven decennia, op verschillende plekken in de wereld, maar de schakelmomenten in de geschiedenis verbinden al deze mensen met elkaar. De nucleaire tests van de Fransen in de Algerijnse Sahara zorgen ervoor dat Ydder zijn grote liefde verliest. Maar ook dat hij Salma die uit Damascus vluchtte ontmoet. Die in Belleville met Bern trouwt. Die jaren later bij de crypte in de Pieterskerk in Utrecht vanuit het dodenrijk door haar wordt geroepen. Onzichtbare draden van het menselijke tekort spannen over de hele wereld. Niets in de geschiedenis blijft zonder gevolgen, alles werkt generaties door.

    Nisrine Mbarki Ben Ayad (Tilburg, 1977) is een veelzijdige schrijver, dichter, columnist, vertaler en programmamaker. Als literair vertaler vertaalt ze poëzie uit het Arabisch naar het Nederlands. Haar gedichten en columns verschijnen regelmatig in literaire tijdschriften als De Gids, Poëziekrant, De Revisor, Tiraden Het Liegend Konijn.

    Kookpunt
    Auteur: Nisrine Mbarki Ben Ayad
    Uitgeverij: Pluim uitgeverij

    Vacht!

    Cobi van Baars publiceerde in 2023 de roman De onbedoelden gebaseerd op het waargebeurde verhaal van een tweeling die zonder medeweten van de moeder meteen na de geboorte werd afgestaan. Het boek kreeg een lovende ontvangst en verkocht meer dan 30.000 exemplaren en stond op de shortlist van de Libris Literatuur Prijs 2024.

    In Van Baars’ laatste roman, Vacht!,  werkt Eline van der Veer in een archief dat is gevestigd in een voormalig klooster. Aanvankelijk is ze blij met haar nieuwe baan, tot de sfeer verandert en heel onaangenaam wordt. Kan ze zich staande houden als iedereen zich tegen haar keert?

    Eline raakt verstrikt in een leugen over een relatie, die haar positie op het werk onder druk zet. Ze gunnen haar een vriend, maar nemen een loopje met haar, ondertussen staart ze uit het raam naar buiten waar een kudde schapen loopt.

    Vacht! is een metafoor voor het verlangen en de behoefte om ergens bij te horen.

    Beklemmend en geestig psychologisch portret.

    Vacht!
    Auteur: Coby van Baars
    Uitgeverij: Atlas Contact
  • De vallei als een soort personificatie van Dante’s hel

    De vallei als een soort personificatie van Dante’s hel

    De jonge Italiaanse schijfster Ginevra Lamberti heeft in haar laatste, zojuist vertaalde roman, Iedereen slaapt in de vallei, een naargeestig beeld geschapen van het leven van mensen in een vallei in Italië, waar zelfs de zomer het aflegt tegen de kou. ‘Alleen in de uren dat het stopt met regenen kun je even de illusie hebben dat je botten de kans krijgen om warm te worden.’ Deze sombere gedachte komt op in het hoofd van Costanza, die in de vallei opgroeit in ‘het grote gele huis’ in een niet nader genoemd dorpje in de provincie Veneto. 

    In deze roman heeft niemand een achternaam. Een verklaring hiervoor biedt de schrijfster in haar dankwoord met de veelzeggende zin, ‘een achternaam wil zeggen dat je bij iemand hoort.’ Het staat er zo droogjes, maar er is geen woord van gelogen. De personen in dit boek lijken allemaal nergens bij te horen, geboren onder de doem van het ongeluk, die hun leven naargeestig en donker maakt. Ze zijn veelal eenzaam en hebben geen echte binding met hun familieleden. 

    Contactarme omgeving

    Costanza is de dochter van Augusta en Tiziano. Van Augusta wordt verteld dat ze zoveel nare dingen heeft meegemaakt dat ze ‘niet meer in staat was om wat dan ook te voelen.’ Als Costanza wordt geboren, is ze niet eens in staat haar kind aan te kijken, laat staan aan te raken. Van de overigens niet kwaadaardige vader Tiziano wordt gezegd dat hij het talent heeft om mensen het zwijgen op te leggen door  hen alleen maar aan te kijken. In deze contactarme en liefdeloze omgeving groeit ze op. Geen wonder dat ze maar een ding wil: zo snel mogelijk vluchten uit deze hel.

    Na allerlei omzwervingen komt Constanza in contact met Claudio, een Romeinse jongeman die nooit antwoord kreeg op de vraag, ‘waarom komt papa niet terug?’ Ook Claudio heeft geen binding met zijn ouders en voelt zich vaak eenzaam. Hij komt in de drugsscene terecht als zware gebruiker en dealer. Hij is wat je zou noemen een smiecht, een onbetrouwbaar mens, maar omdat hij zo charmant en positief is, vergeef je hem veel.

    Claudio en Costanza krijgen een kind. Gaia wordt geboren in het grootste afkickcentrum van het land waar haar vader probeert af te kicken en haar moeder werkt. De bevalling is voor haar moeder één groot drama. Gaia is het kind van mensen die geworteld zijn in hun eigen eenzaamheid. Die zijn opgegroeid zonder ooit gehoord te zijn, aan wie altijd alles ontkend is, die nooit hebben leren spreken over wat hen bezighoudt. Die door hun omgeving in het ongewisse zijn gehouden en geen klankbord hadden. 

    De zon laat zich weinig zien

    Claudio heeft aan Gaia wel iets nagelaten, namelijk het talent om overal een vrolijke draai aan te geven. Begin en eind van een verhaal wordt door hem zo gekozen dat de mensen er om moeten lachen. Maar veel om te lachen is er niet in dit boek. De schrijfster vertelt tientallen scenes uit het leven van deze ongelukkige mensen. Schrijfster Ginevra Lamberti is evenals het personage Gaia geboren in een afkickcentrum. Maar het is geen autobiografische roman of een historisch verhaal over de geschiedenis van haar familie. Het gaat hier om een autofictieve roman opgebouwd uit tientallen hoofdstukken, die je kriskras door de tijd heen voeren. Geholpen door een jaartal boven ieder hoofdstuk en twee stambomen die voorin het boek staan afgedrukt. Er ontstaat stukje bij beetje een beeld van een gemeenschap en een familie waar van alles mee mis is, levend in een vallei  waar de zon zich ’s morgens heel even laat zien en ’s avond weer vroeg achter de bergen verdwijnt. Lamberti verwoordt dit heel poëtisch door middel van het beeld dat het begin en eind van de dag ‘altijd onthoofd wordt’. 

    De vallei wordt in dit verhaal een soort personificatie van Dante’s hel, een plaats waar mensen per definitie ongelukkig zijn en elkaar pijn doen, ingeperkt door oude gebruiken, regels van de gemeenschap en voorschriften van de kerk. Een plaats waar de tijd stil staat en waar de jaren nog verlopen volgens een agrarische en traditionele kalender. Een van de regels is dat de kaas op een bepaalde manier moet worden afgesneden. Elke afwijking van de regel wordt beschouwd als een gebrek aan respect. Het fabriceren van de grappa luistert ook nauw. Men volgt een eeuwenoud proces van destillatie. Voor de vertelster is ook dit fabricageproces reden om ongelukkig te zijn. Het gebrek aan liefde in de familie kleurt iedere handeling zwart.

    Slachtoffer van slachtoffers

    In deze roman komt een lijn van geslachten in beeld die droefgeestig stemt. Om het met een heel oude reformatorische uitdrukking te zeggen: ‘De zonden van de vaderen worden bezocht aan de kinderen.’ De veronachtzaming van kinderen, door ouders die zelf ook nooit ‘gezien’ werden, levert opnieuw gemankeerde kinderen op, niet als een straf, maar als een soort natuurlijk proces. Gaia is in deze roman een ‘slachtoffer van slachtoffers’. 

    Een boeiende roman waarin de lezer wordt uitgedaagd en aan het denken gezet. Het is geen eendimensionaal verhaal van A naar Z en vereist wat puzzelwerk. Alleen het einde is helder, maar of het vrolijk is, is niet te zeggen. Gaia vertrekt uit de vallei naar zee, weg uit de verstikkende atmosfeer waarin ze opgroeide. Is ze – in tegenstelling tot haar moeder Costanza en haar grootmoeder Augusta – in staat om een nieuw leven te beginnen, nu ze van het verleden stukje bij beetje een verhaal heeft gemaakt? Dat mag de lezer zelf bedenken.

     

     

  • De schaduw van woorden

    De schaduw van woorden

    Wat gaat er door een moeder heen als haar zoon een einde aan zijn leven maakt? Vincent, de zestienjarige zoon van de Amerikaans-Chinese auteur Yiyun Li (1972), pleegde in 2017 zelfmoord, slechts enkele maanden nadat zijn moeder een boek publiceerde over haar eigen pogingen om uit het leven te stappen. Li droeg haar nieuwste roman Waar geen reden is aan hem op. Het gehele verhaal is een dialoog tussen een moeder en haar overleden zoon Nikolai.

    Hoewel er nadrukkelijk ‘roman’ op de voorkant van het boek staat, vertonen de personages veel gelijkenissen met de auteur en haar zoon: de moeder in het verhaal is ook schrijver en de zoon die een einde aan zijn leven heeft gemaakt is ook zestien jaar oud geworden. Hier speelt Li mee wanneer de moeder in het verhaal vertelt dat ze een boek schrijft over een vrouw die op haar vierenveertigste (zo oud zijn Li en dit personage ook) een kind verliest aan zelfdoding:
    ‘Ai, nu gaan mensen mij de schuld geven, zei Nikolai. Als je dat boek publiceert, zullen de mensen denken dat je die vrouw dat verhaal hebt gegeven vanwege mij.
    De mensen mogen denken wat ze willen, zei ik.
    Misschien was je die roman aan het schrijven om jezelf voor te bereiden, zei hij.
    Ik heb mijn hele carrière lang geschreven om mezelf voor te bereiden, dacht ik.’

    Roman
    Bij een boek met zo’n intiem thema in een dialoogvorm waarin het leven van de auteur zo verworven lijkt met de gebeurtenissen in het verhaal dreigt een dagboekeffect: is dit niet té intiem, is dit wel bedoeld voor vreemde ogen? De dubbele laag in het bovenstaande citaat is een herinnering dat er een schrijver aan het werk is, dat dit verhaal juist is bedoeld voor vreemde ogen. Het wordt nergens sentimenteel. Daarnaast spreken de moeder en Nikolai niet alleen over zijn zelfgekozen dood. Ze spreken over taal, proza en poëzie, bijvoorbeeld in dit citaat:
    ‘Ja, zei ik, maar gedichten en verhalen proberen te zeggen wat niet kan worden gezegd.
    Jij zegt altijd dat woorden tekortschieten, zei hij.
    Woorden schieten tekort, ja, maar soms kan hun schaduw wel het onzegbare bereiken.’

    En dat is precies wat er gebeurt in Waar geen reden is. Dit boek is een gesprek, maar het belangrijkste kan niet worden uitgesproken. Dat is het onzegbare wat een moeder voelt wanneer haar kind een einde aan zijn leven maakt. In deze lange dialoog is het in iedere zin voelbaar, zelfs wanneer de personages discussiëren over taalkwesties. Zo legt de moeder uit dat ze een hekel heeft aan bijvoeglijke naamwoorden, omdat die altijd oordelend zijn. In dit verhaal is geen oordeel aanwezig, ook niet wanneer de moeder haar zoon vertelt over zijn uitvaart.

    Door de dialoogvorm en door het gebrek aan een plot is Waar geen reden is bij vlagen vermoeiend. Gelukkig zijn de hoofdstukken relatief kort, waardoor er tijd is om even te pauzeren en na te denken over de veelgebruikte ’tegel’wijsheden (‘je kunt niets begrijpen van poëzie als je niet kunt kijken’). In ieder ander boek zou dit te veel zijn geweest, maar in dit verhaal werkt het. Misschien omdat de moeder en de zoon in een wereld zonder regels met elkaar praten. Er is geen tijd, er zijn geen dagen, niemand heeft de regie. Of misschien omdat de oneliners een houvast bieden dat de personages lijken te zoeken.

    Eerbetoon
    Het belangrijkste is dat Yiyan Li erin is geslaagd een monument te maken voor haar overleden zoon. Niet alleen voor hem, maar voor alle ouders die ooit een kind hebben verloren. Ook laat dit verhaal de waarde zien van een eerlijk, moedig gesprek waarbij er niets meer op het spel staat en tegelijk alles op het spel staat. Li is er met verve in geslaagd iets over te brengen wat we niet kunnen benoemen, waar we (nog) geen woorden voor hebben. Hiermee laat ze niet alleen haar eigen kracht zien, maar ook de kracht van verhalen.

  • Verlangens zonder samenhang

    Verlangens zonder samenhang

    Wanneer een absolute liefde je dwingt om je grootste geheim aan diegene te verklappen, dan kan dat achteraf grote gevolgen met zich meedragen. Hierover kan Domenico Starnone (1943) meepraten. Hij heeft er namelijk het speerpunt van zijn roman Geheimen (Confidenza) van gemaakt. Het meervoud in de titel is geen toeval, want het plot draait eigenlijk om twee geheimen die worden uitgewisseld. Pietro Valla laat zich verleiden door de eis van zijn ex-vriendin Teresa om het zijne op te biechten, indien zij het hare ook aan hem meedeelt. Een paar dagen later gaan ze uit elkaar. Sindsdien vormen hun gedeelde geheimen hun enige en allesoverheersende band.

    De angsten van Pietro

    Die band zal Pietro blijven achtervolgen en kopzorgen bezorgen tijdens zijn lessen, zijn lezingen en zijn buitenechtelijke avontuurtjes. Als professor aan het lyceum is hij namelijk niet te beschroomd om zijn leerlingen mee uit eten te nemen en zijn tong speels langs hun handpalm te laten glijden. Zijn avances werpen hun vruchten af. Net als Teresa is zijn volgende vlam, Nadia, ook een leerling van hem. Ze trouwen bijna onmiddellijk en voor je het weet, vormen ze een heus gezinnetje met een driekoppige kroost. De charmes van Pietro hebben niet enkel effect op de hartslag van tienermeisjes. Na de publicatie van twee boeken over onderwijskwesties zal hij door heel Italië lezingen geven. Ook tijdens die presentaties hangt het publiek aan zijn ‘beheerste lippen’ en Pietro slaagt er zelfs in om intellectuele dwarsliggers als Franchino te overtuigen. De twee heren zullen naderhand per brief intensief met elkaar ideeën blijven uitwisselen. Die illusie van de intellectuele posterboy laat Starnone echter nooit ingang vinden bij de lezer, die Pietro’s façade direct doorziet.

    In het eerste van de drie delen krijgen we immers Pietro’s gedachten voorgeschoteld, die vaker wel dan niet beheerst worden door twijfels en angsten. Gauw blijkt dat die kwellingen niet enkel voortkomen uit de onzekerheid over Teresa’s onvoorwaardelijke discretie. In de achterkamers van zijn geheugen sluimeren andere zaken, zoals jeugdtrauma’s in verband met zijn vader en een droom die hem een blijvende vrees voor open ramen en vensterbanken heeft bezorgd. De angst dat de ‘twistzieke’ Teresa zijn geheim zal onthullen, veroorzaakt dus niet zozeer nieuwe problemen, als wel dat ze reeds bestaande wonden openrijt. Starnone laat zien hoe krampachtig Pietro probeert om toch zo goed mogelijk zijn rol als vader te vervullen aan de zijde van Nadia. Zij gaat gebukt onder de druk om zowel een goede moeder als een gerespecteerd academica te worden. Dat resulteert in hevige stemmingswisselingen, een toenemende afgunst voor Pietro’s populariteit en argwaan tegenover diens pogingen om terug contact met Teresa te zoeken. Bij de bevalling van hun derde kind vermoedt Pietro dat het tentoonspreiden van haar pijn ‘slechts een toneelstukje van haar lichaam was om mij erop te wijzen hoe onverdraaglijk het voor haar zou zijn als ik naar de hyperintelligente praatjes van Teresa zou gaan luisteren.’

    Het psychologisch vernuft van Starnone is op zijn best wanneer de focus niet zozeer ligt op de inhoud van de angsten, als wel op het effect dat die uitoefenen op Pietro’s dagelijkse leventje. Langzaam creëren zijn twijfels een complexe dynamiek van verlangens, die zijn routines verstoort. Zo blokkeert Pietro wanneer vrouwen met hem naar bed willen. Er ontstaat een groter wordende kloof tussen zijn gevoel dat hij nergens meer grip op heeft en het beeld van de succesvolle en charmante intellectueel dat de buitenwereld van hem ophangt. De angst blijft dat Teresa alles zou verpesten, zoals ‘je ziet gebeuren bij figuren die in stoepkrijt op het trottoir zijn getekend wanneer het regent en de voorbijgangers met hun schoenen kleuren, water en vuil door elkaar mengen.’

    Passe-partout roman

    Omdat de psychologische inzichten door losstaande zaken worden opgedaan, boet de roman aan scherpte in. Ze fungeren slechts als franje bij het plot. Dat gebrek aan noodzakelijkheid is een gemis. Bij maatschappelijk gevoelige onderwerpen verwacht je als lezer een navenante urgentie. In Italië is het boek in 2019 verschenen. Het lijkt dus weinig waarschijnlijk dat Starnone tijdens het schrijven geen weet had van de #metoo-beweging. In de roman tast professor Pietro herhaaldelijk de lichamelijke integriteit van zijn studentes aan. Anderzijds ondervindt Nadia zelf hoe seksistisch het er in de academische wereld aan toe kan gaan. Het is best begrijpelijk dat een schrijver zich niet geroepen voelt om als intellectuele zedenpolitie op te treden. Toch is het jammer dat Nadia Pietro niet confronteert met zijn eigen hypocrisie, wanneer hij haar promotor uitmaakt voor ‘ouwe smeerlap’. Het onderwerp van Pietro’s boeken stipt eveneens maatschappelijk controverses aan. Ze handelen over hoe het Italiaanse onderwijssysteem ongelijkheden in stand houdt. Wederom laat Starnone het na om dit verder uit te diepen of te verbinden met de hiërarchische spreidstand tussen leraar en leerling. Dat laatste zou een interessant bruggetje naar Pietro’s affaires met zijn studentes kunnen hebben opgeleverd. Als hij zulke zaken al zou suggereren, dan doet hij het uiterst subtiel en haast onmerkbaar.

    Ook het feit dat zowel zijn dochter Emma als Teresa in de twee andere delen van de roman aan het woord komen, biedt weinig meerwaarde. In zijn geheel oogt het boek te veel als een passe-partout roman. Het verhaal had zich overal kunnen afspelen. Bij momenten verliezen de psychologische karakteriseringen daardoor hun specifieke waarde en vervallen ze tot algemeenheden. In het begin van de roman stelt Pietro: ‘voor zover ik me kon herinneren was ik nooit blij geweest met mezelf’. Wanneer een auteur bij zo’n uitspraken de verankering van het personage in zijn leefwereld onvoldoende uitwerkt, dan loopt Pietro het risico om de zoveelste ongelukkige man in de geschiedenis van de literatuur te worden.

    Voor wie tevreden is met toch een aanzienlijk aantal observaties, die wel een universele waarde bezitten en benieuwd is naar welke impact geheimen en angsten hebben op iemands leven kan dit boek zeker in de smaak vallen. Wie echter een interessante wisselwerking tussen de samenleving en het individu verwacht, zal meer zijn heug vinden bij pakweg Madame Bovary van Flaubert of Anna van Kosztolanyi. En wie deze hele bespreking enkel heeft gelezen om de aard van Pietro’s geheim te ontdekken, wacht een teleurstelling. In tegenstelling tot Pietro respecteert de recensent van dienst wel strikt de ethische code van zijn vakgebied en blijft de ontknoping van het plot geheim.

     

  • We staan in het rood

    We staan in het rood

    Elke ingreep in de natuur kent zijn prijs. De moeder aller ingrepen, de uitputting van fossiele brandstoffen sinds de Industriële Revolutie, is zó grootschalig, langdurig en anoniem, dat ze weleens zou kunnen leiden tot onze extinctie. Mensen kúnnen blijkbaar niet geloven dat de natuur zich ooit zal revancheren voor de exploitatie; we onderschatten hoe totaal haar wraak zal zijn. In Het woord voor rood bewijst Jon McGregor hoe onderschatting van natuurkrachten de mens duur kan komen te staan. Voordat er een storm opsteekt en de natuur op Antarctica ‘communiceert’ binnen te blijven, trekt een drietal er tóch op uit om foto’s te maken van een majestueuze klif. De gevolgen laten zich raden.

    Behalve de superieure natuurkracht op Antarctica bezingt McGregor het lot van een man die van zijn sokkel valt: Robert (Doc) Wright. Zijn poolexpeditie verloopt catastrofaal, omdat hij dronken wordt tijdens een noodsituatie en bovendien vlak daarna een beroerte krijgt. Zijn vrouw Anna pauzeert vervolgens haar loopbaan als klimaatwetenschapper in Engeland om hem te verzorgen. Sinds zijn beroerte lijdt Robert aan afasie en bezoekt hij een zorggroep om zich non-verbaal te leren uiten.

    Het boek snijdt motieven aan die aan de kleur rood doen denken: de gevaren van de natuur, schuld en de krakkemikkige gezondheidszorg. Los van enkele stilistische missers ondersteunt de schrijfstijl van Het woord voor rood een onheilspellende thematiek: de mens staat vroeg of laat machteloos tegenover de natuur. Dit werkt McGregor uit met een originele metafoor, visueel opvallend alineagebruik en grammaticaal ontsporende zinnen.

    Red flag

    McGregor verdeelt Het woord voor rood in drie hoofdstukken: Hellen (/), Vallen (_) en Opstaan (|). In Hellen werkt Robert Wright met nieuwelingen Thomas Myers en Luke Adebayo op Antarctica. ‘Doc’ komt daar al 33 jaar en enthousiasmeert het tweetal voor het Arctische natuurschoon. Vanuit het toilet vergaapt Luke zich aan de pracht: ‘Ze waren hier nu drie weken en hij was er nog steeds niet aan gewend. (…). De woorden ontbraken.’ Inderdaad, McGregor behoeft weinig woorden om de macht van Antarctica te verbeelden. Daarvoor hanteert hij de synesthesie en een eigenzinnige typografie.

    Het echte gevaar schuilt niet in wat de mens wél kan inschatten, maar in wat de mens níet kan inschatten. Zeker op de Zuidpool, waar de mens niet op is toegerust, geldt dit credo. Deze blindheid vertaalt McGregor in het metaforische stijlmiddel synesthesie; zintuiglijke waarnemingen lopen door elkaar heen. Oriëntatie en veiligheid worden zodoende onmogelijk: ‘de stilte was onmetelijk’, ‘Luisteren en de kou als glas’, ‘Het zonlicht kaatste in alle richtingen hard op het water.’ Zelfs de beschikking over één zintuig maakt Luke machteloos: ‘Er was geen verschil tussen één en vijftig kilometer.’

    Ondanks dit onvermogen zich goed te oriënteren, begeeft het drietal zich midden in het natuurgeweld richting een klif voor prachtige foto’s. Tegen het protocol in splitst het trio zich op en dan slaat het noodlot toe: de ijslaag op zee begint te barsten. Wanneer Thomas op een ijsschots in zee terechtkomt, vult de auteur zijn pagina’s niet meer met coherente alinea’s, maar met losse, drijvende zinnetjes, door witregels gescheiden:

    ‘De zeeluipaard was er nog steeds.

    Even boven; en weer weg.

    Hij maakte zich klein en hij had het niet koud.

    Stel dat hij moest zwemmen, hoe ver zou hij dan komen?’

    Schuld en woede

    In ‘Vallen’ volgen we echtpaar Anna en Robert na diens Arctische beroerte. Hun ongelukkige huwelijk krijgt daardoor een extra dreun. Anna ziet haar carrière aan Cambridge verdampen en zegt tegen vriendin Bridget: ‘Ik weet niet of ik wel wil dat hij naar huis komt.’ Eén voordeel is dat haar man lijdt aan afasie (spraakverlies), waardoor ze van zijn ellenlange monologen verlost is. Wie aansprakelijk is voor de ramp op Antarctica, blijft onduidelijk. Wat is er gebeurd met Thomas? Waarom greep Robert naar de fles, terwijl hij het noodcentrum moest raadplegen? Wat weet Luke, die hem beschermt? De reactie van zoon Frank spreekt boekdelen: ‘Niemand zou Robert toch zeker de schuld willen geven?’ Met de volgende vraag laat de roman zijn lezers verward achter: ontstond Roberts beroerte, dé oorzaak van Thomas’ ongeluk, dóór zijn drankgebruik, of lós van zijn drankgebruik?
    In het derde hoofdstuk Opstaan, dat draait om Roberts herstel, blijft de schuld aan hem vreten. Via communicatiestrateeg Amira biedt McGregor een humoristische blik op de Britse zorg met betrekking tot afasie. Zo laat Amira haar patiënten smiley’s aanwijzen, waarmee ze hun emoties moeten aangeven. Na de bijdrage van een patiënt over zijn ongeluk als elektricien, zegt ze: ‘Dat was vast een hele schok voor je!’ Niet alleen haar supervisor ziet dit gestuntel hoofdschuddend aan, ook de patiënten raken gefrustreerd.

    Afasie wordt wel vaker in de literatuur behandeld, want voor schrijvers is spraakverlies één van de grootst denkbare nachtmerries. De Laatkomer van Dimitri Verhulst en Hersenschimmen van J. Bernlef zijn Nederlandstalige voorbeelden waarin dit verschijnsel doorsijpelt in het taalgebruik. McGregor koppelt het fenomeen aan de woede die voorheen taalvaardige mensen voelen. Wanneer Amira tijdens het kringgesprek over Antarctica begint, vraagt ze hoe lang Robert daar verbleef: ‘‘‘Ja, uiteraard. Ja. Een, twee, drie, vier. Maan, maan. Jezus! Manen.’’ –‘‘Maanden? Vier maanden?’’ – ‘‘Ja, Jezus!’’’ Helemaal over de rooie om zijn eigen taalgebrek.

    Rode pen

    Bij de eerder genoemde synesthesie en typografie komen stijl en inhoud prachtig samen. Toch valt er stilistisch nog het een en ander aan te merken op Het woord voor rood. Te vaak kan McGregor de neiging niet onderdrukken een op zichzelf sterk beeld te verduidelijken. Bij het volgende voorval oefent een zuster bewegingen met Robert: ‘Ze vroeg of ze in een ziekenhuis waren. Hij liet zijn hoofd abrupt zakken en tilde het weer op. Dit was nu zijn manier van knikken.’ Als Amira dansers heeft uitgenodigd bij de afasiegroep, ontstaat commotie: ‘Het duurde vandaag wat langer voordat iedereen rustig zat, begrijpelijkerwijs.’ Op het moment dat de beroerte Robert overvalt, laat de schrijver hem niet alleen neervallen, maar voegt eraan toe dat hij ‘in één keer’ valt. Hoe anders?

    Dit zijn echter kleinigheidjes, of zoals Robert Wright zou zeggen: ‘Kleine geitjes’, in het licht van de relevante teneur die Het woord voor rood uitdraagt.

    Dood spoor

    Op één patiënt, de praatzieke Peter, zit geen rem. Elke bijeenkomst blijkt hij een spraakwaterval die zijn angsten voor overstromingen over zijn lotgenoten heen golft in vreemde bewustzijnsstromen: ‘‘Nou hier zijn we dan en een en al met onze handen in het water en omlaag gaan we, zie je dat, zie je dat, omlaag en weg zijn we naar de zee en ondersteboven in het water terwijl overal de bubbels op en bubbels omlaag door het water in het water terwijl we zwaaien, zie je dat?’’ Zijn ogenschijnlijk dwaze anakoloeten – grammaticaal ontsporende zinnen – verwoorden pijnlijk waar de mensheid zich bevindt.

     

     

  • Ontreddering in de sneeuw

    Ontreddering in de sneeuw

    De flaptekst van deze novelle verraadt een bijzonder verhaal waarin bijna alles lijkt te worden weggegeven. Niets is minder waar. Klein en fijn roept de Italiaanse auteur Claudio Morandini in Sneeuw, hond, voet een poëtische droomwereld op versus realistische wreedheid. Hij laat zien hoe je met weinig ingrediënten een rijk verhaal kunt vertellen. De ingrediënten bestaan uit Adelmo Farandola, een verwarde oude man; een pratende hond die een vleug humor aanbrengt; de sneeuw in de Italiaanse Alpen als setting. En dan is er als vierde element nog de jachtopziener, die we leren kennen door de ogen van de oude man. In het hele verhaal zitten we sterk in het hoofd van Adelmo Farandola. Hij ziet de jachtopziener als een hem bespiedende vijand die bestreden moet worden en dat levert verwarrende dialogen op.

    Adelmo Farandola leeft als een kluizenaar in een berghut. Hij heeft zich al jaren niet gewassen of verkleed en gaat schuil onder een korst van vuil en stank. Zoals zo mooi wordt getoond zonder het te benoemen in: ‘Laat de deur maar open, alsjeblieft.’ Dat zegt de vrouw in de winkel in het dorpje waar Farandola een paar keer per jaar komt om zijn voorraden aan te vullen. In het eerste hoofdstuk is hij op weg naar het dorp, wat een moeizame tocht is langs een stijl pad naar beneden. In het dorp reageert hij schichtig, hij is geen mensen gewend. Dan wordt ook duidelijk hoe verward hij is, want de vrouw in de winkel zegt dat hij er vorige week ook al was. Daar heeft Farandola geen enkele herinnering aan. Pas als hij met een gevulde rugzak weer omhoog sjouwt, komen vage beelden terug van zijn nog maar onlangs gemaakte barre tocht.

    Man en hond worden één

    Terug in zijn berghut is er ineens een uitgehongerde hond die waarschijnlijk zijn schaapskudde is kwijtgeraakt. Farandola is niet van gezelschap gediend en schopt hem weg. Maar de hond is volhardend, bedelt om eten en blijft. Vervolgens wil de oude man de hond van zijn teken ontdoen, wat hij met een verontrustend leedvermaak probeert. Uiteindelijk ontstaat er een voorzichtig verbond tussen man en hond. Het doet er niet toe wie smeriger is, of dat ze allebei onder de teken zitten.

    Na enkele voor Farandola verwarrende gesprekjes met de jachtopziener treedt de winter in. ‘Binnen is de berghut het benauwende schemerduister van de winter ingegleden.’
    Tijdens de maandenlange opsluiting in de ingesneeuwde hut worden man en hond één. Samen gaan ze dubbelhard door de voedselvoorraad heen en aan het eind van de lange winter zijn ze op sterven na dood. Ondertussen voeren ze hilarische gesprekken met onderkoelde humor van de hond. De stem van de hond is de stem die de man in zijn hoofd hoort, wat van Adelmo Farendola een rijker personage maakt en het verhaal een mooie extra laag geeft.
    ”Maar al snel kruipt Adelmo Farandola met zijn neus over de grond, zoekend naar kruimels. ‘Hm, ben je iets kwijt,’ vraagt de hond. ‘Kruimels.’ ‘O, die. Ik ben bang dat ik ze al naar binnen heb gewerkt,’ zegt de hond. ‘Als ik het had geweten had ik er wat voor je laten liggen.”

    Dooi en dier

    Uiteindelijk treedt de dooi in. De alles bedekkende sneeuw begint te smelten en legt bloot wat meegesleurd is door een lawine. Puin en modder en kadavers, bijvoorbeeld van gemzen en herten. In ieder geval is er weer genoeg te eten. ‘Het komt voor dat een dier op zoek naar voedsel dat uit het ijs tevoorschijn komt plotseling wordt geconfronteerd met de resten van een soortgenoot. Dan snuffelt hij er op een andere manier aan, alsof hij er een vriend of familielid in herkent, en hij geeft hem tikjes met zijn snuit, alsof hij hem wil wekken uit een te diepe winterslaap. Hij proeft er niet van, als de honger hem tenminste niet al te zeer heeft versuft of onverschillig heeft gemaakt voor de simpele maar hardnekkige taboes der natuur. Soms lijken die aanrakingen van snuit en neus net gesprekken tussen oude vrienden die elkaar al een hele tijd niet hadden gezien.’

    De voet

    Dan ontdekken man en hond een voet. Die schrikt hen behoorlijk af, vooral als de kraaien erop aanvallen. Dagelijks draaien Farandola en de hond om de voet heen tot de weggesmolten sneeuw de identiteit van het lijk blootgeeft. Wie dat is, was voor de lezer al meteen duidelijk, ware het niet dat:
    ‘Naarmate hij dieper in zijn geheugen graaft, in dat armzalige geheugen dat hem is toebedeeld en dat alles door elkaar haalt, weet hij flarden herinneringen op te diepen. Hij weet niet of het echte herinneringen zijn of juist overblijfselen van denkbeeldige herinneringen die we creëren wanneer we opeens in een situatie terechtkomen die we al eerder hebben meegemaakt, en dan kijken we verschrikt om ons heen en begrijpen niet waar en wanneer dat wat we ons herinneren heeft plaatsgevonden, maar die onzekerheid is zo levensecht dat het ons bijna de adem beneemt.’

    Adelmo Farandola weet maar al te goed hoe het komt dat hij zo verward is en dat maakt hem steeds menselijker en wanhopiger. Hij geeft de schuld aan de hoogspanningskabels die over het dorp van zijn jeugd liepen. Het zoemen en trillen van die kabels dreef iedereen tot waanzin, tot de mensen elkaar uiteindelijk aanvielen. En daarmee krijgt het verhaal ook maatschappelijk betekenis.
    Sneeuw, hond, voet is het zesde boek van Morandini. Het werd in Italië in 2015 gepubliceerd, stond in de bestseller top vijf en is in vele talen vertaald. In dit juweeltje van menselijke eenvoud en dierlijke rijkdom staat geen woord te veel.

     

     

  • Oogst week 3 -2022

    Het woord voor rood

    Het woord voor rood van Jon McGregor is misschien wel het best te typeren als een roman over communicatie op allerlei niveaus. De roman, bestaand uit drie delen, begint met een expeditie op Antartica die mislukt. De groep van drie leden raakt elkaar kwijt tijdens een storm. Ze hebben geen contact meer. De expeditieleider Robert Wright (‘Doc’) weet het verblijf met de zendinstallatie terug te vinden, maar raakt buiten bewustzijn. Hij blijkt daarna door een beroerte  zijn spraakvermogen kwijt te zijn. Daardoor kan hij – in het tweede deel – eenmaal thuis ook met zijn vrouw Anna niet meer communiceren.

    Het derde deel beschrijft Roberts therapie die er toe moet leiden voldoende taal te hervinden om zijn verhaal te kunnen doen. Wat is er aan communicatie mogelijk als iemand afasie heeft?

    De roman kreeg in eigen land zeer lovende kritieken en Nederlandse lezers kunnen de auteur kennen van Zelfs de honden (2021) en Reservoir 13 (2018).

     

     

    Het woord voor rood
    Auteur: Jon McGregor
    Uitgeverij: Nieuw Amsterdam

    Het huis aan het einde

    Naar koude streken, bovendien naar het noorden trok Irwan Droog vorig jaar met zijn vriendin Kim en hond Zorro. Hij verhuisde naar Selvær, een klein eilandje in de poolcirkel, terwijl in Nederland de eerste vaccinaties tegen covid-19 werden uitgedeeld: ‘ik werkte al vanuit huis, en de eerste lockdown hield me alleen maar meer binnen dan ik normaal gesproken al was. Toen de kans zich voordeed om me niet langer op te sluiten in mijn huurappartementje in Amsterdam-Noord maar te vertrekken naar een vrijstaand huis op het puntje van een verafgelegen eiland in de Noorse Zee, hoefde ik daar dan ook niet lang over na te denken. Ik loop al bijna twintig jaar rond met de wens langere tijd in Noorwegen door te brengen, sinds ik er op mijn achttiende voor het eerst een zomervakantie doorbracht. En sinds mijn reis naar Spitsbergen in 2018 werd die wens nog specifieker: een eiland, een Noors eiland, een mooiere plek kon ik me eigenlijk niet voorstellen’.

    Selvær is zo klein dat je het in een halfuurtje helemaal rond kunt lopen: ‘Zal dat echt voelen als een bevrijding, of zitten we daar net zo opgesloten als in mijn woonkamer thuis?’
    Het verblijf levert bijzondere ontmoetingen op waarvan Droog verslag doet in Het huis aan het einde, zijn debuut.

     

    Het huis aan het einde
    Auteur: Irwan Droog
    Uitgeverij: Thomas Rap

    Profane verlichting

    Wat opvalt aan het omslag van Profane verlichting van Johannes van der Sluis is de kleurstelling. Die doet meteen denken aan zijn vorige bundel gedichten Ik ben de Verlosser niet uit 2020. Daarin vroeg de dichter zich via zijn woonbuurt in Rotterdam, een kuuroord in Italië en een psychiatrische kliniek in Poortugaal af wat hij nog te zoeken had in een leven zonder baan en liefde.
    Profane verlichting is in zekere zin een vervolg. De liefde komt weer om de hoek kijken. Ze heet M. is de titel van het tweede gedicht, dat begint met de regels:

    Afgelopen keer
    in café De S.
    maanden geleden
    was het barmeisje
    met een lamp
    op weg naar het terras
    ik ging naar huis
    en zei tegen haar
    dat ik haar zou volgen
    ja volg mij
    ik verlicht het pad
    zei ze lachend
    (…)


    Profane verlichting
    Auteur: Johannes van der Sluis
    Uitgeverij: Lebowski
  • Een emotioneel familieportret

    Een emotioneel familieportret

    ‘De taalvirtuositeit springt van de pagina’s,’ schreef Literair Nederland in januari 2020 over De menselijke maat, de debuutroman van de Italiaanse auteur Roberto Camurri (1982). Dat boek draait om een groep inwoners in het stadje Fabricco. In Camurri’s tweede roman De naam van de moeder vormt Fabricco opnieuw het decor. In plaats van schetsen van het leven van de inwoners draait dit verhaal om een vader en een huilbaby die door de moeder in de steek zijn gelaten. 

    Ettore, zoals de vader heet, bedoelt het goed als hij na enkele jaren zijn zoontje Pietro meeneemt om een puppy uit te zoeken. Een lief idee, tot de moederhond vastgeketend blijkt te zijn en de jonge Pietro de staart van de vluchtende puppy plet tijdens een poging deze te vangen. Onder begeleiding van het gejank van zowel de moederhond als de puppy stappen vader en zoon in de auto: ‘Stap in, zegt hij, kom op we gaan, je hoeft je geen zorgen te maken, als we thuis zijn voelt hij zich prima, dat beloof ik je, vertrouw je papa maar, het is normaal dat hij nu jankt, maar dat gaat zo over. Pietro kijkt omhoog en haalt zijn neus op. Beloof je dat? vraagt hij. Ja, antwoordt zijn vader.’ 

    Taal die ademt

    De verwijzingen naar de personages zelf zijn gauw gevonden: net als de puppy mist Pietro zijn moeder en de verbinding tussen stoppen met janken en een huilbaby is ook duidelijk. Het is jammer dat Camurri deze verwijzing expliciteert: ‘… of ook bij hemzelf die pijn ooit over zal gaan, het gemis van zijn moeder.’ Net als Ettore bedoelt Camurri het goed, maar door deze zin wordt het beeld bijna een onbedoeld cliché, al schrijft Camurri in deze roman net zo betoverend als in zijn debuut. 

    We volgen Pietro terwijl hij opgroeit, een vriendin krijgt, naar de grote stad trekt. De taal in De naam van de moeder lijkt bijna te ademen, zelf een personage te worden. Zo bestaat een ruzie tussen Pietro en zijn vriendin Miriam uit één zinderende zin: ‘Ze schreeuwen, ze slaan met hun vuisten tegen de muren en de meubels, ze worden rood, spugen elkaar scheldwoorden toe die ze nog nooit hebben geroepen, het is de eerste keer dat Pietro haar zo ziet, haar tanden ontbloot door haar strakgetrokken lippen, haar gezicht vooruitgestoken alsof ze hem wil bijten, hij is bang voor haar en hij is bang dat hij zich misschien niet zal kunnen bedwingen.’ 

    Roberto Camurri schrijft niet over mensen, hij schrijft over iets groters, over het leven zelf. Zijn zinnen roepen zwartwitbeelden op van zomervakanties die je nooit hebt meegemaakt, appartementen waar je nooit hebt gewoond, herinneringen die bijna van jou worden. Vertaler Manon Smits weet heel knap een Italiaans aandoend ritme in de zinnen te behouden. De relatie tussen Pietro en Miriam, die grillig verloopt, is compleet geloofwaardig, zelfs wanneer zij hem vertelt dat ze zwanger is en hij zonder iets te zeggen wegloopt. 

    Praten over gevoelens

    Bij de relatie tussen Pietro en zijn vader Ettore is dit anders. Ettore verwijt Pietro dat hij precies zoals zijn moeder is, waarna Pietro hem probeert te wurgen en Ettore zijn eigen zoon in elkaar slaat. Een pagina later ‘pakken ze elkaar vast in de omhelzing die ze elkaar nooit hebben gegeven’. Hoe fijn deze uitkomst ook is en hoe prachtig Camurri het ook beschrijft, het is niet realistisch dat de breekbare band tussen vader en zoon zich juist na zo’n heftig moment verstevigt. 

    Naast vaders, moeders en kinderen spelen grootouders een rol in De naam van de moeder. Een van de mooiste scènes speelt zich af in het huis van Ester en Livio, de ouders van de afwezige moeder. Livio biecht op dat hij hoopte dat Ettore stierf en Pietro wees werd, zodat zij de kans zouden krijgen om nog een keer ouders te zijn: ‘[Ester] pakt Livio’s gezicht tussen haar handen, ze zegt stil nou, dat hij niet dat soort dingen moet denken, dat het niet hun schuld is. ‘Ze streelt hem en dan kust ze hem, op die bank, in het blauwe schijnsel van de tv die hun een volmaakt licht schenkt.’ 

    Ettore wilde zijn eigen vader vermoorden toen die een varken had geslacht, maar haalt de puppy die hij met zijn zoon kocht niet naar binnen wanneer het sneeuwt. Een generatie later, op de verjaardag van zijn eigen zoontje, wil Pietro het liefst alles platbranden. Pietro’s moeder schreef in haar dagboek dat het vandaag een goede dag was, ‘want hij heeft maar zestien uur gehuild’. Deze drie mensen hebben net zo hard troost nodig als Livio, maar weten niet hoe ze erom moeten vragen of hoe ze moeten reageren als een ander emoties toont. Dat levert juist een verhaal vol emotie op, vol kleine tragedies die fantastisch zijn uitgewerkt. Maar als Camurri het klein had gehouden, had zijn tweede roman de eerste zelfs overtroffen. 

     

  • Een liefdeslied over het leven zelf

    Een liefdeslied over het leven zelf

    ‘Een ingetogen, gevoelig lied,’ noemde bestsellerauteur Paolo Cognetti De menselijke maat, de debuutroman van Roberto Camurri (1982). In Italië won dit boek meerdere prijzen en nu is er een Nederlandse vertaling door Manon Smits. De menselijke maat speelt zich af in Fabbrico, een dorp niet ver van Bologna. In elf korte verhalen of hoofdstukken komen verschillende personages aan het woord, allemaal onderdeel van een groter, overkoepelend geheel. Hierdoor is het boek niet alleen te lezen als een roman, maar ook als een reeks portretten van de inwoners van een klein dorp. 

    De meeste verhalen staan op zichzelf. Er is geen voorkennis nodig, de enige lijntjes met de rest van het boek zijn de namen van eerder geïntroduceerde personages en plaatsen. De verhalen vormen een inkijkje in het leven van de verteller. ‘Asfalt’ is bijvoorbeeld een illustratie van een ongelukkig huwelijk: zij wordt dik en hij raakt verslaafd. Wanneer het echtpaar tijdens een autorit stopt bij een benzinestation, gaat het gruwelijk mis. In het dankwoord vertelt Camurri dat Stephen King hem de inspiratie gaf voor dit verhaal. Dit is echter geen boek met horrorverhalen. Het belangrijkste thema is het leven zelf. Zo spelen oudere mensen een grote rol in ‘Sneeuw’. Eén van hen is vijfentachtig en geboren in mei, terwijl de vrouw van de verteller ook in mei is uitgerekend van hun eerste kind. De verhalen zijn niet chronologisch geordend en bestrijken een tijdspanne van meerdere jaren: het meisje dat in mei wordt geboren is in een ander verhaal al veertien jaar oud.
    Door deze indeling blijft het lang onduidelijk waar De menselijke maat nu écht over gaat: alle verhalen lijken rond een kern te draaien, een jong overleden personage uit het dorp. Na de eerste verhalen ontstaan er vragen, maar het duurt lang voordat er een antwoord volgt en soms komt dat niet. 

    Romantische schrijfstijl

    Over het algemeen is De menselijke maat vlot en hypnotisch geschreven, zoals een droom. Camurri slaagt erin om zelfs snot een romantische lading te geven: ‘Anela moest niezen, ze vroeg of hij een zakdoekje had terwijl ze haar hoofd achterover hield en haar hand voor haar neus om te voorkomen dat hij het transparante slijm op haar lippen zag druipen. Valerio had geen zakdoekje, maar hij pakte haar hand vast en deed die weg, hij rekte zich uit en kuste haar slijm en haar bovenlip en zij bleef roerloos zitten, zei wat smerig, en Valerio had gezegd dat er helemaal niets van haar was dat hij smerig vond.’

    Camurri gebruikt geen aanhalingstekens, wél veel lange zinnen. Op sommige plaatsen in het boek zijn zulke lange zinnen betoverend en is de oorspronkelijke Italiaanse tekst voelbaar in de Nederlandse vertaling, maar op andere plaatsen hapert de grammatica: ‘[…] hij kijkt naar Anela, met in haar ogen een voldoening […].’ Hier staat dat hij, Valerio, naar Anela kijkt met in Anela’s ogen een voldoening, terwijl er bedoeld wordt dat Valerio degene is die de voldoening in haar ogen ziet. Zeker in de langere zinnen van Camurri kan dit ervoor zorgen dat de lezer de weg kwijtraakt.

    De kracht van eenvoud

    De schrijfstijl van Camurri komt het beste tot zijn recht wanneer hij korte, eenvoudige zinnen gebruikt. Eén van de mooiste zinnen uit De menselijke maat staat in ‘Sneeuw’: ‘Acht maanden geleden was ze opgehouden het ontbijt voor haar man klaar te maken, bijna acht maanden geleden nu, drie maanden nadat haar man was overleden.’ Deze zin heeft geen grootse woorden of immense lengte nodig, juist deze bondige directheid maakt hem krachtig en roept het beeld op van rouw.
    In datzelfde verhaal verzorgt Valerio een bejaarde man, de oorlogsheld Giuseppe, die niemand meer heeft. Hoewel een deel van het boek dromerig is geschreven, is de werkelijkheid hier rauw: je kunt de trap in het huis van de man niet oplopen zonder dat de spinnenwebben in je gezicht slaan, de handdoeken zijn stijf van het vuil en ‘Giuseppe laat zijn onderbroek zakken, berustend’ als Valerio hem helpt om in bad te gaan. 

    Eenvoud is ook het kernwoord bij de typering van de personages. Doordat er meerdere personages aan het woord komen, schuilt het gevaar dat hun stemmen te veel hetzelfde klinken. Camurri omzeilt dat. Ieder personage heeft een eigen stem en wordt zo levendig geschetst dat je tijdens het lezen van De menselijke maat bijna zelf een inwoner wordt van het dorp. Het Italiaanse eten is bijna te proeven, de espresso haast te ruiken en de roes door de alcohol bijna te voelen. 

    Een liefdeslied

    De menselijke maat is doordacht gecomponeerd en de taalvirtuositeit springt van de pagina’s. Het is knap dat het Italiaanse gevoel in de Nederlandse vertaling behouden blijft. Door de warme, bijna drukkende sfeer en de indrukwekkende portretten van personages die je voor even uitnodigen in hun leven weet Camurri veelgebruikte thema’s als liefde en dood opnieuw in te kleuren. Er is geen echt plot, het verhaal wordt gedragen door de personages. De liefde waarmee Camurri hen omschrijft, altijd zonder te oordelen, is voelbaar. Elf korte verhalen lang bestaat de wereld alleen uit Fabbrico, het dorp met slechts vier straten. 

     

  • ‘een ongrijpbare pracht ‘ 

    De Familie telt vijf personen, de Vader, de Moeder, de Dochter, de Oom en de Zoon. De laatste verblijft al een tijdje in het buitenland. Ze wonen in een huis met een stenen trap, zeven luiken en vijf deuren. Modesto dient het huis al negenenvijftig jaar. Iedere ochtend wekt hij ‘van oudsher’ de leden van de Familie. Aan het licht van de dageraad ziet hij wat voor dag het zal worden. Als een priester verkondigt hij het begin van de dag: ’Goedemorgen. Versluierde zon, lichte bries.’ Of: ‘Goedemorgen, drukkende hitte en hinderlijke vochtigheid.’ De gezinsleden ontbijten zeer uitgebreid, al dan niet in het gezelschap van talloze bezoekers.

    ‘Uiteindelijk trekken ze zich tegen drie uur ’s middags terug naar hun kamers en een half uur later komen ze daar stralend en fris uit tevoorschijn. […] De centrale uren van de middag besteden we aan zaken.’ Het avondeten is de inleiding voor de nacht. ‘Zonder afscheid te nemen gaan we vervolgens naar het onbekende van de slaap, dat ieder op zijn eigen wijze bezweert. Al honderddertien jaar lang is namelijk iedereen ’s nachts gestorven in onze familie.’

    Op een dag staat er een jong meisje met een koffer voor de deur: ‘Zij werd niet verwacht op deze dag, of misschien ook wel, maar dan waren ze het vergeten. Ik ben de Jonge Bruid, zei ik.’

    De Zoon en de Jonge Bruid hebben elkaar leren kennen, toen zij vijftien en hij achttien was. De wederzijdse families hebben afgesproken dat zij zullen trouwen ‘zodra haar achttiende jaar voltooid was’. Alleen, de Zoon is nu in Engeland: `Het was irritant te moeten toegeven dat de Zoon feitelijk gezien niet aanwezig was.’

    De Familie stuurt de Zoon een telegram: ‘Jonge Bruid teruggekeerd. Opschieten.’ Wachtend op zijn terugkeer slaapt zij zo lang bij de Dochter. De Zoon ‘begint met arriveren’ – er komen allerlei spullen aan uit Engeland, een ‘Deense pianola, in onderdelen’, de volgende dag ‘twee rammen van het ras Fordshire uit Wales’. De Jonge Bruid vraagt zich af of hij nu wel of niet komt. Volgens de Dochter arriveert ‘hij elke dag een beetje, over een maandje zal hij klaar zijn met arriveren.’

    De Jonge Bruid leert alle huisgenoten en hun geschiedenis kennen. Modesto met zijn betekenisvolle kuchjes, de Dochter met haar handicap, de Moeder met haar ‘syllogismen’. Als de Familie op hun jaarlijkse vakantie gaat, blijft de Jonge Bruid alleen achter in het huis om op de Zoon te wachten. De Oom die de hele tijd slaapt, komt eerder terug van vakantie: ‘Hij kon zich al slapend scheren, en niet zelden had men hem zien slapen terwijl hij pianospeelde, al kwamen de staccato noten wel met een lichte vertraging. Er waren zelfs mensen die beweerden dat ze hem diep in slaap hadden zien tennissen: kennelijk ontwaakte hij alleen wanneer er van speelhelft werd gewisseld.’

    Bij al deze ontmoetingen verschuift het vertelperspectief van de derde persoon naar de eerste persoon. Meestal is de ik-figuur De Jonge Bruid, soms ook de schrijver van het boek. Hij licht zijn verteltechniek toe. Hij meldt dat hij ‘om redenen die [hem] op dat moment geraffineerd technisch voorkomen’ van vertelstem verandert, met als resultaat dat hij ‘het leven voor de lezer compliceert.’ Van ‘sommige paginaatjes’ verwacht hij dat die op de redacteur ‘als volkomen nutteloos en helaas weinig functioneel voor het verloop van het verhaal’ zullen overkomen: ‘Met gepaste hoffelijkheid zal hij me aanraden ze te schrappen. Ik weet nu al dat ik dat niet zal doen […]’.

    Het is een knap spel met de lezer. De schrijver laat zijn boek over De Jonge Bruid aan zijn minnares L. lezen: ‘Ze zei intelligente dingen over wat ik schreef, terwijl we ons terugtrokken in hotelkamers om elkaar lief te hebben.’ Zij vindt dat hij wel erg veel over seks schrijft: ‘[…] al die seks […] hier is het een obsessie.’ Als ze bij hem weggaat, zegt ze: ‘Jij verandert ook nooit, he?’. De schrijver vraagt zich af wat het verhaal van een familie die tot drie uur ’s middags zit te ontbijten, of van een oom die de hele tijd slaapt, in godsnaam te maken kan hebben met ‘de plotselinge verbrokkeling die bezig is mij van de aardbodem weg te vagen.’ Hij besluit op reis te gaan naar het Zuiden. Daar verliest de schrijver zijn laptop met zijn boek erop. Maar hij heeft het hele verhaal nog in zijn hoofd. Het is een ‘gelaagde optelsom van alle zinnen’ die eerst zijn bedacht, daarna opgeschreven en vervolgens herinnerd. ‘Objectief gezien was ik niet alleen mijn boek niet kwijtgeraakt, maar in zekere zin had ik het juist in al zijn volheid teruggevonden, nu het onstoffelijk was geworden en zich had teruggetrokken in het winterverblijf van mijn geest. Ik kon het op elk gewenst moment naar de oppervlakte halen […] en dan kwam het tevoorschijn met een ongrijpbare pracht tegenover welke de nette orde van een gedrukte pagina blijk gaf van de starheid van een grafsteen.’

    Het boek bevat meer mooie vergelijkingen, o.a. over de schoonheid van de vrouw. De Dochter heeft de schoonheid van de Moeder, en bovendien nog ‘het gulden patina van de fortuinlijke leeftijd’. Dit beeld komt indirect terug in een langere beschrijving. De schrijver observeert zijn minnares terwijl zij zijn manuscript leest: ‘Al die tijd zat ik naar haar te kijken terwijl ik zocht naar een naam voor dat dunne laagje dat achterblijft op de vrouwen die we hebben liefgehad wanneer de tijd is verstreken, terwijl we nooit echt uit elkaar zijn gegaan, of elkaar gehaat hebben, of ruzie hebben gehad […]’. Die naam ontglipt hem al jaren: ‘Telkens als ik hem bijna te pakken heb kruipt hij in een onzichtbare spleet in de muur.’ Een soortgelijk beeld komt terug: ‘We zaten verstopt in een plooi van de schepping.’ Gebeurtenissen worden opgetekend in ‘het grootboek van het leven.’ Een combinatie van de twee beelden is een herinnering van De Jonge Bruid aan een vreemde nacht, ‘die door de scheur van de wereld was gekropen, onvindbaar in het grootboek van de levenden […]’. Fraai ook is de beschrijving van een herinnering aan een nacht in het bos: ‘De rest van de nacht lijkt me nu, als ik hem in mijn herinnering laat opkomen, een meer zonder begin of einde, waarin elke weerschijn nog altijd ligt te glinsteren, maar elke oever verloren is, en de bries onleesbaar.’

    Mooie beelden en herinneringen. Maar het belangrijkste motief van het boek is het wachten op de Zoon. De vraag of hij een Godot is of niet wordt pas op de laatste bladzijde van dit prachtige boek met een onvergetelijke slotzin beantwoord.

    Alessandro Baricco (1958) is een succesvolle hedendaagse Italiaans auteur. Zijn werk is meermaals bekroond met internationale prijzen. Oceano mare (vertaald: Oceaan van een zee, 1995) won de Premio Viareggio in 1993. Voor Châteaux de la colère (de Franse vertaling van Castelli di rabbia, 1991), in het Nederlands vertaald als Land van glas (1996), ontving hij in 1995 de Prix Médicis étranger. Zijde (1997) werd in 1998 uitgeroepen tot Booksellers International Book of the Year.

  • Wit als gekookte rijst, zwart als de nacht

    Wit als gekookte rijst, zwart als de nacht

    Achter in het achtste boek van de schrijfster Elif Shafak dat bij uitgeverij De Geus verschijnt, zit een verklarende woordenlijst die bij lange na niet voldoet. Dat zegt veel over de westerse onkunde wat betreft de oosterse wereld in het algemeen en de islam in het bijzonder. En evenveel over het optimisme van de uitgever dat de westerse lezer nu toch wel eens het één en ander over de niet-westerse cultuur zou mogen weten. Dat De Geus het werk van de van oorsprong Turkse schrijfster ondanks zeven eerder verschenen vertalingen toch ook weer niet als zó bekend veronderstelt, blijkt echter uit het omslag waarop de potentiële lezer(es) wordt gelokt met een: ‘Voor de lezers van Isabel Allende.’ Of deze vlag de lading dekt, is aan de lezer om te beoordelen. De associaties kunnen ook richting Charles Lewinsky gaan, met het vleugje new age van Dan Brown en de detective-stijl van Umberto Eco. Om nog maar te zwijgen van Orhan Pamuk. Maar die auteurs worden allemaal niet door De Geus uitgegeven, zodat Allende eerder voor de hand leek te liggen.

    Eerst in grote lijnen het verhaal. De hoofdpersoon van het lijvige boek is de jonge Jahan uit een dorp ‘zo hoog in de bergen dat ze boven de wolken sliepen, zwevend tussen hemel en aarde.’ Hij komt samen met de witte olifant Chota (= kleintje) aan in het 16e eeuwse Istanbul. De olifant is bestemd voor sultan Süleyman. Van de kapitein van het schip waarmee hij aankomt, krijgt Jahan de opdracht op dievenpad te gaan in het paleis van de sultan. Jahan meent ook in één moeite door wat juwelen voor zichzelf te kunnen houden.

    De olifant wordt beschreven als de sultan van de dieren, een halve heilige zoals een witte raaf met tal van buitengewone en ook antropomorfe trekken. De dochter van de echte sultan, Mihrimah, is dol op het kleine witte beest, ‘zo wit als gekookte rijst.’ Jahan verbeeldt zich, dat ze ook dol is op hem en vertelt haar zijn levensverhaal. Het kindermeisje van Mihrimah kan het – terecht, zo blijkt later – niet geloven. Dit zal hem berouwen, zegt ze.

    Chota moet binnen drie dagen leren hoe hij dieven, moordenaars en verkrachters moet vertrappen, zoals dat gebruikelijk is in Hindoestan (India), het land waar hij en naar het heet Jahan vandaan komen. De olifant vertikt het, net als het doen van kunstjes op verzoek van de sultane. Maar aan de krijgsdienst kan hij niet ontsnappen. Samen met Jahan helpt hij de christelijke timmerman, en latere architect Sinan met het bouwen van een brug over de Proet. Maar hij helpt ook weer met het afbreken ervan, nadat het Ottomaanse leger was overgebracht naar de andere oever. 
Na de oorlog met de Janitsaren volgt de pest, ‘overgebracht uit het Westen, zoals alle kwaad.’ Eerst krijgen de joden de schuld, dan de christenen, vervolgens de soefi’s en uiteindelijk ‘een dwergvrouw.’ Door deze onterechte aantijgingen ontsteekt Chota in woede en stormt op de mensenmenigte af …

    Jahans denken keert op het moment dat hij, met een gestolen bidsnoer in de hand, op de grond onder de koepel van de Süleymaniye-moskee ligt en ervaart dat ‘de koepel was versmolten met het uitspansel erboven.’ Hij bedenkt zich dat christenen, joden, moslims en andere mensen onder diezelfde hemelkoepel leven. Jahan begint te lezen: bij de joodse boekhandelaar en in Rome onder de koepel van de Sint Pieter.

    Wijsheden als die uit de mond van de sultan dat er geen verschil is tussen de eigen soldaten en die van de vijand, christenen en moslims, worden in het verhaal afgewisseld door grote en kleine (natuur)rampen, waarbij Chota – natuurlijk – Jahan uit barre situaties redt. Bijvoorbeeld uit een brandend huis waarin hij op zoek is naar schatten om te stelen, maar ook naar een achtergebleven baby. De lering die uit dergelijke episodes valt te trekken, is: de mens is zowel goed als kwaad.

    Het wordt Jahan op een gegeven moment toch te heet onder de voeten. Hij stapt, vermomd, op een boot en staat dan opeens tegenover een paard dat op hol slaat. De naam van het paard is Zwart. Het kan geen toeval zijn: het tegenovergestelde van de witte olifant. Een episode die slechts kort wordt aangesneden, maar binnen het verhaal van wezenlijk belang is en symbool staat voor de inborst van Jahan die, zoals overigens elk mens, slechte en goede kanten heeft, zwart en wit.

    Uiteindelijk komt Jahan via omzwervingen in Agra (India) aan wal en het leek ‘bijna alsof hij terugkwam op een plek, waar hij al eerder was geweest.’ Hij wordt in India één van de koninklijke hoofdarchitecten. Het verhaal kan bijna weer opnieuw beginnen. Maar met dit verschil, dat Jahan wijzer is geworden en hoopt dat ‘mensen meer zouden leven zoals dieren, zonder na te denken over het verleden of de toekomst.’

    Mooi is dat het karakter van Jahan onder de schrijvershand van Shafak gaandeweg het verhaal groeit, al blijft er een tweespalt in zijn wezen: in Turkije zowel gezel van de koninklijke hoofdarchitect Sinan als mahout (dierenoppasser) en later in India zelf koninklijke hoofdarchitect. 
Het is natuurlijk de bedoeling van het boek, dat die andere tweespalt, de goede kant van Jahan en zijn neiging om al dan niet in opdracht te stelen, tot een eenheid wordt samengevoegd. Dat kan pas als Jahan alles wat hem is toegevallen ook begrijpt. 
Actueel is het boek ook. Niet alleen door de verhouding tussen de godsdiensten die wordt beschreven, die dan weer ideaal en dan weer vijandig is, maar ook door de visie op (bouw)kunst. Sinan staat primair voor schoonheid, Jahan voor nut. 
De new age-trekjes waarmee het boek zijn gelardeerd, zoals de wat overdreven overkomende, bijna heiligverklaring van Chota, die na zijn dood Chota Baba heet, en het luisteren naar wat bomen willen vertellen, zullen niet alle lezers aanspreken. Toch zijn ze niet zo overheersend, dat het stoort. Rest een goed in elkaar vervlochten, poëtisch en in ieder geval beter dan Dan Browns boeken geschreven en mooi vertaald verhaal. Of liever: serie verhalen in de rijke oosterse verteltraditie.