• De juiste toon

    De juiste toon

    Robert Haasnoot weet precies de juiste toon aan te slaan in zijn laatste boek, Uitzaaien, dat begint met de lichamelijke aftakeling voordat hij de diagnose longkanker in het vierde stadium krijgt. Vervolgens beschrijft hij het behandelproces, gelardeerd met gevoelens en gedachten over de confrontatie met zijn aanstaande dood. Gevoelens waar hij woorden aan geeft in heldere, onomwonden taal, zonder sentimenteel te worden, maar wel diepgevoeld, nuchter en als verstokt roker niet vrij van zelfspot. Met zijn infuuspaal dwaalt hij door de gangen, op weg naar het rookvrije ziekenhuisterrein. Een goed teken vinden de verpleegkundigen. ‘Ik laat ze geloven dat ik hard aan mijn herstel wil werken en een liefhebber van het buitenleven ben. Een vrijbuiter. De waarheid is dat ik buiten een geheim plekje heb gevonden om te dampen, een paar sigaretten – heets heten die – achter elkaar.’

    Hij is moe, futloos, heeft zichzelf verwaarloosd, en is niet naar de huisarts gegaan. ‘Natuurlijk wist ik dat het goed mis was. Al heel lang. Maar iedere keer dat ik buiten adem raakte, bezwoer ik mijn onrust met een mantra die ik dan steevast in mijn hoofd liet klinken. Een voice-over uit een filmtrailer baste bewonderend: The man who blew up his lungs”, waarmee mijn vertoon van zwakte, het hijgen iets heroïsch kreeg.’

    Dromen

    De diagnose is meedogenloos. Viert hij dit jaar zijn laatste verjaardag, de laatste kerst? De mallemolen aan onderzoeken, ziekenhuisopname, operatie, chemokuur en immunotherapie gaat van start. Mooi is hoe hij het proces van acceptatie aanvangt met lucide dromen, in de hoop overleden dierbaren te ontmoeten. Die dromen zijn een mooie kapstok om herinneringen op te voeren aan zijn geboorteland Amerika, zijn jeugd daar, en zijn latere leven. Het zijn een soort aantekeningen, korte memo’s die de zwaarte van het ziekzijn verluchtigen. Vrienden en familie komen in bescheiden mate langs. Hij toont dankbaarheid jegens zijn broers en zussen die hem voluit ondersteunen, hij benoemt het verdriet van zijn kinderen en zijn zorg om hen als hij er niet meer zal zijn. Die afwisseling tussen anekdotes, herinneringen en reflecties op zijn omgeving geven een completer beeld van de man die Haasnoot is. Schrijver en schrijfdocent, die naam maakte met zijn romans over het vissersdorp Zeewijk, vader en vriend, bang en stoer, hij houdt graag de schijn op, een einzelgänger.

    Hij verbeeldt zich hoe zijn ouders naar hem kijken. Gezeten naast het graf van zijn vader hoefde hij maar ‘een sigaret te rollen en die in de aardse aarde naast het graf te stoppen’ en hij had zijn vaders aandacht. Toen zijn moeder ook was overleden, hadden zijn ouders het ineens druk met elkaar en kreeg hij dat contact niet meer. Dat die doden zich niet echt laten zien, is voor Haasnoot een terugkerende vraag. Behalve zijn hoop op het terugzien van ‘dierbare doden’, zijn er ook reflecties op het hiernamaals. ‘De angst voor het grote onbekende uiteraard.’ (…) ‘Het moeilijke van doodgaan is niet alleen dat je je dierbaren moet achterlaten, je moet ook voorgoed afscheid nemen van jezelf,’ laat hij een personage in zijn nog onvoltooide roman zeggen. ‘Sterven is een natuurlijk proces,’ filosofeert hij en uiteindelijk heeft hij er vertrouwen in dat hem niets kwaads zal overkomen.

    Romeinse drie

    En dan komt het goede nieuws, de kanker heeft zich teruggetrokken dankzij de immunotherapie. Hij mag zijn levensverwachting bijstellen, hij krijgt meer tijd, meer energie en wat doet dat met hem? ‘Veel meer tijd van leven. Extra armen vol. Een paar jaar misschien. Het is overrompelend en ik word een toeschouwer van mijn eigen verwondering, in een spreekkamer in een universitair medisch centrum naast een treinstation.’

    Om het te vieren gaat Haasnoot met zijn twee kinderen naar een tattooshop, zij hebben al een tatoeage laten zetten van een Romeinse drie, hij wilde dat ook, maar in verband met zijn gebrek aan weerstand deed hij dat toen niet. Nu wil hij het ook. Een eenvoudige Romeinse drie onder zijn elleboog. Het is een ontroerende scène, samen met zijn kinderen in de tattoo shop om hun drie-eenheid te bezegelen. En dan wordt ook duidelijk waarom de doden zich nog niet lieten zien. Het was zijn tijd nog niet.

    Terwijl hij doorgaans een moeizame schrijver is, ‘elke alinea is terreinwinst,’ schreef Haasnoot zijn memoir in drie weken, recht vanuit het hart, zonder veel te wijzigen bij de redactie. Zijn formuleringen zijn zorgvuldig, de zinnen resoneren, er staat geen woord te veel. Dit is een boek dat achter elkaar uitgelezen wil worden, omdat zijn verhaal pakkend is. Een boek met urgentie.

     

     

  • Meer dan altijd weer dat ongeluk

    Meer dan altijd weer dat ongeluk

    Het leven van Johan Veeninga (1915-1966) eindigt ‘zo erg morsdood (…) op een snelweg’, zoals zijn jongste dochter (Djoeke) nogal direct over hem verwoordt in haar boek Het privédomein van mijn vader. Wat ze wil, is haar vader daarin weer tot leven brengen. Dat doet ze vooral in zijn eigen woorden, geput uit brieven en andere teksten en aan de hand van foto’s en de inhoud van zijn boekenkast. Tegenover ‘altijd weer dat ongeluk’ plaatst ze de man die aan de wieg stond van de literaire reeks ‘Privé-domein’ van uitgeverij de Arbeiderspers, waar hij adjunct-directeur was.

    Maar zover zijn we nog niet. Djoeke Veeninga beschrijft eerst de jeugd van haar vader in een gezin in Haarlem dat het niet al te breed had, de kweekschool, de baan als onderwijzer aan de Montessorischool in Haarlem en de dienstweigering. Toen hij werd opgeroepen, weigerde hij dienst en kwam terecht in de rijkswerkinrichting in Veenhuizen. Het hierboven telkens herhaalde lidwoord ‘de’ is ingegeven door de inhoudsopgave van het boek, waarin elke paragraaf binnen één van de drie hoofdstukken (Haarlem/Veenhuizen, Den Haag en Amsterdam) vooraf wordt gegaan door dit lidwoord.

    Levensloop

    De loop van Veeninga’s leven wordt afgewisseld met beschouwende gedeeltes (bijvoorbeeld over ‘De zoekende ideoloog’, 1939) en als gezegd brieven en andere teksten van Djoeke Veeninga’s vader. ‘De zoekende ideoloog’ leest wat stroef, stroever dan de tekst van de dochter, die journaliste en programmamaker is.

    Niet alles wat hij schrijft valt meteen te plaatsen of is voor een buitenstaander even interessant, maar gelukkig geeft Djoeke context aan personen en situaties mee. Voor achtergrondinformatie plukt ze uit boeken van bijvoorbeeld de historicus Ger Harmsen. En toch ontglipt haar vader haar soms. Waarom is bijvoorbeeld de dienstweigeraar en pacifist die in het verzet zat overgegaan tot het liquideren van de WA-commandant van Haarlem? Een schot dat overigens niet dodelijk bleek.

    Soms ontkomt Djoeke Veeninga niet aan wat opsommerige passages, bijvoorbeeld wanneer ze de boekencollectie van haar vader beschrijft. Veel namen en titels passeren de revue. Maar waarom haar vader juist díe boeken las, wat de samenhang ertussen was, blijft onbesproken. Dat verwondert temeer omdat de schrijfster haar vader al op de eerste pagina introduceert als existentialist. Dat roept de vraag op: waar blijven existentialistische schrijvers als Sartre, De Beauvoir en tot op zekere hoogte Camus? We moeten geduld hebben, blijkt, want dit thema komt later alsnog aan de orde, wanneer Johan in een brief vermeldt dat zijn ‘vertaling van Sartre persklaar moet’. Dat wil zeggen van Het existentialisme is een vorm van humanisme (1946).

    Den Haag

    Interessanter is het tweede hoofdstuk over de Haagse periode na de bevrijding. Niet zozeer omdat Veeninga inmiddels een baan heeft als hoofdredacteur van de Jeugdkampioen van de ANWB, maar omdat van die periode de brieven met ‘zijn meisje’ ook haar antwoorden en zijn ‘kanttekeningen’ daarbij zijn opgenomen. Dat meisje is Djoekes moeder, Johanna (Joke) Kloosterboer.

    Na de tijd in Veenhuizen en de Tweede Wereldoorlog komt nu ‘deze lichtvoetigheid’ met Joke ‘zijn leven binnen trippelen’. Johan wil alle narigheid achter zich laten. Ze gaan samenwonen, trouwen en Johan onderhandelt over zijn salaris. Er wordt een zoon geboren, Duco.

    Amsterdam

    In november 1952 verlaat Veeninga de ANWB en gaat met zijn gezin naar Amsterdam. Daar wordt Djoeke ‘gehaald’, door de bekende huisarts/wethouder Ben Polak. Het boek wordt steeds interessanter, ook bijvoorbeeld door de beschrijving van Nieuw-West, de Amsterdamse buurt waar ze wonen: ‘Zo erg aan de rand van de stad dat je er bijna af valt’.

    Johan gaat als redacteur en na 1961 als adjunct-directeur werken bij de Arbeiderspers, als opvolger van Alfred Kossmann. Een van de eerste manuscripten die hij onder ogen krijgt, is De Kapellekensbaan van Louis Paul Boon. In zijn Memoires van Boontje (1988), welke memoires deel uitmaken van de beroemde serie Privé-domein, schreef Boon hierover. Al lezend kom je ook een schrijver tegen waarover Inge Meijer van Literair Nederland een column schreef: Ab Visser (1913-1982), een Flamboyant schrijver. Leuk hoe zo’n min of meer vergeten schrijver opeens ook op een andere plaats weer opduikt. Veeninga schrijft overigens, naast vertalen, zelf ook. Onder meer een reeks over Pukkie Planta bij de gelijknamige margarine en een jeugdboek, Het raadsel van de vier getallen.

    Op z’n minst even belangrijk als Privé-domein is de ABC-reeks, het eerste Nederlandse pocketboek dat helemaal in de geest van de Arbeiderspers én van Johan Veeninga past. Op die manier kon namelijk de gewone man ook een boek kopen en lezen.
    Het privédomein van mijn vader eindigt weer met het verkeersongeluk, waardoor de cirkel rond is. Veeninga is slechts vijftig jaar geworden. Ook de zoon Duco overleed bij dit ongeluk. Met haar boek doet Djoeke Veeninga haar vader eer aan en ondanks enkele kanttekeningen is het een interessant verhaal omdat het niet alleen als biografie maar ook als tijdsbeeld is te lezen.

     

     

  • Oogst week 29 – 2025

    Een handvol leven

    Als de eigenaar van een spijkerfabriek en een landhuis overlijdt door een auto-ongeluk willen zijn zoon Toni en echtgenote Käthe in Een handvol leven van Marlen Haushofer het huis verkopen. Op bepaald moment verschijnt Mrs. Betty Russell, een blonde, onpeilbare vrouw op leeftijd met zonnebril die het huis meteen koopt. Zij heeft er vroeger gewoond, maar weigerde de rol van echtgenote en moeder te aanvaarden. Om aan haar sociale leven te ontsnappen zette ze haar dood in scène en verliet man en zoon. Toni, nu tweeëntwintig en Käthe, behalve tweede echtgenote ook vroegere vriendin van Elisabeth, herkennen haar niet.

    Elisabeth overnacht in het huis en bekijkt oude, beschreven prentbriefkaarten. Ze brengen herinneringen aan haar tweestrijd over de hang naar vrijheid en onafhankelijkheid tegenover de geborgenheid van haar huwelijk terug. Haushofer vertelt het in een licht ironische stijl, zonder daarmee de zwaarte van Elisabeths keuze te ondermijnen.

    Marlen Haushofer (1920-1970) was een Oostenrijkse schrijfster wier werk in 2009 werd herontdekt. Haar belangrijkste boek is De wand. Vertaalster Anne Folkertsma op de website van Athenaeum|Scheltema: ‘Net als in haar andere werk ontleedt Haushofer in haar debuut messcherp een kinder- en vrouwenleven. Ze duikt diep in de volstrekt eigen ervaringswereld van Lieschen, vertelt dan hoe de gevoelige Elisabeth op de kloosterschool in een maatschappelijk keurslijf wordt gedwongen, en ze als jongvolwassene steeds meer van zichzelf vervreemd raakt. Tot Elisabeth (…) opeens man en kind verlaat, (…) en onder de nieuwe naam Betty voor zichzelf kiest. Haar naasten wanen haar dood, haar lichaam wordt nooit gevonden, (…).’

     

    Een handvol leven
    Auteur: Marlen Haushofer
    Uitgeverij: Orlando

    Liefde in het licht van de Einsteintelescoop

    In de roman Liefde in het licht van de Einsteintelescoop maakt genoemde telescoop kans in Limburg gebouwd te worden, net als in werkelijkheid. Het apparaat is geen optische telescoop maar een detector van zwaartekrachtgolven die de oorsprong van het universum zou kunnen openbaren. De Euregio Maas-Rijn met zijn stabiele bodem maakt een goede kans de bouwplaats te worden van het ondergronds observatorium, 200 tot 300 meter onder grond, in een driehoekvormige configuratie met tunnels van elk 10 km lang. Grote concurrent is het Italiaanse Sardinië.

    Filosoof, adviseur en schrijver Govert Derix vroeg zich af wat er zou gebeuren als hij van dit gegeven een liefdesroman zou maken. Een van de hoofdpersonen in de roman is Wiek Starmans, de nieuwe ghostwriter van de Limburgse gouverneur Donkers. Hij gaat samenwerken met Gemma, hoofd communicatie in het provinciehuis. Ze krijgen te maken met Diotima Jammer, leider van de Italiaanse concurrentie. Derix plaatst hen in een psychologisch decor van politiek, bestuur, innovatietechnologie en economie. Het getal drie heeft eveneens een rol: drie delen, de drie tunnels van de telescoop, een driehoeksverhouding.

    Voor een nieuw boek dacht Derix aan een jongetje dat zich afvraagt wat een verhaal eigenlijk is. Derix op Youtube: ‘De Einsteintelescoop gaat over waar dat jongetje naar op zoek is, namelijk het geheim van alle verhalen.’ De gebruikelijke weg van de wiskunde zal veel kennis opleveren. Maar er is nog iets heel anders. ‘Einstein had daar oog voor,’ zegt Derix. ‘Wetenschap gaat niet over goed of kwaad, verbeelding wel. Zou de Einsteintelescoop misschien te maken kunnen hebben met ethische kwaliteiten?’

    Liefde in het licht van de Einsteintelescoop
    Auteur: Govert Derix
    Uitgeverij: Magonia

    Wij, aanmaakhout

    Kracht, moed en onderlinge trouw worden door Otoniya J. Okot Bitek (1966) oftewel Juliane Okot Bitek, in de roman Wij, aanmaakhout op de voorgrond geplaatst. In Oeganda was van 1987 tot 2007 het Verzetsleger van de Heer actief. Deze rebellengroep wilde een staat stichten met de Tien Geboden uit de Bijbel als leidraad. Leider Joseph Kony liet kinderen, jongens en meisjes, ontvoeren om in zijn leger te dienen. Zij werden gebruikt als kindsoldaat of seksslavin. Ongeveer 20.000 kinderen ondergingen dit lot.

    In de roman worden Miriam, Helen en Maggie, drie vrouwen van dan eind twintig, opgeleid tot kindsoldaat. Hun ervaringen beschadigden hen psychisch en fysiek. Maar Okot Bitek wil niet de sensationele wreedheid en tragiek benadrukken, maar juist ontroeren met compassie en menselijkheid. Te lezen valt hoe de ontvoeringen plaatsvonden en wat het levensritme voor de oorlog was, met levendige volksverhalen, waardoor heden en verleden worden verweven. De gevaarlijke reis naar huis wordt eveneens belicht.

    Wij, aanmaakhout is het romandebuut van de Canadees-Oegandese schrijfster. Ze schrijft ook poëzie, essays en andere non-fictie en doceert Black Creativity aan Queen’s University in Canada. Ze is als kind van Oegandese vluchtelingen geboren in Kenia en groeide op in Oeganda. Haar vader was een Oegandese dichter, beide ouders moedigden haar aan om te schrijven. Haar eerste gedichten werden gepubliceerd toen Okot Bitek elf jaar was. Ze schreef onder meer de gedichtenbundel 100 days, over de genocide in Rwanda.

     

    Wij, aanmaakhout
    Auteur: Otoniya J. Okot Bitek
    Uitgeverij: De Arbeiderspers