• Poëzie is haar liefde, ze debuteerde met korte verhalen


    In 2017 debuteerden meer dan honderd Nederlandstalige schrijvers bij een gerenommeerde uitgeverij met een roman, poëzie- of verhalenbundel. Enkelen werden in de landelijke pers besproken of genomineerd voor een literaire prijs. Weinigen halen met hun eersteling een herdruk. Van velen blijft het debuut onopgemerkt. Wie van deze debutanten moet je in de gaten houden?

    Literair Nederland liet zijn oog vallen op Gerda Blees, zij debuteerde begin 2017 met de verhalenbundel Aan doodgaan dachten we niet bij uitgeverij Podium. Een titel waarvan je wilt weten wat zich daarachter ophoudt. Tien verhalen die stuk voor stuk verbluffend goed geschreven zijn en je geregeld naar adem doen happen. Zo goed dat je wilt weten hoe ze dit gedaan heeft. Duidelijk is dat ze het detail niet schuwt en heeft ze een soort brutale flair in haar schrijven waarmee ze het onwaarschijnlijke als uiterst waarschijnlijk voorstelt. De lezer gaat er grif in mee; een overtuigend schrijfster.

    Gerda Blees (1985) publiceerde in de afgelopen jaren met enige regelmaat verhalen en gedichten in literaire tijdschriften (Kortverhaal, Hollands Maandblad, Het Liegend Konijn). In 2016 kreeg ze de (laatste) Nieuw Proza Prijs Venlo uitgereikt, een prijs voor het beste debuut in een Nederlandstalig literair tijdschrift. Ze won de prijs met ‘Zomerkroos’, dat in 2015 in Tirade werd geplaatst en in haar debuut als openingsverhaal is opgenomen. Toen ze in 2015 meedeed aan Poetry Slam, stuurde iemand van de organisatie een gedicht van haar naar uitgeverij Podium. Ze werd uitgenodigd voor een gesprek en zo kwam van het een het ander.

    Twee romans

    We treffen elkaar in café Broers aan het Janskerkhof te Utrecht. Terwijl Gerda Blees haar rugzak onder de tafel zet, er een bestelling wordt opgenomen en we onze stoelen  aanschuiven vertelt ze als in een ‘by the way’, dat ze ‘eerder twee romans heeft geschreven’. Waarop ik verbaasd vraag of die uitgegeven zijn.
    ‘Ik ben er wel mee langs uitgevers geweest maar niemand zag er wat in. Ik had bij een roman schrijven het idee van een lang uitgesponnen verhaal. Maar dat werkte natuurlijk niet. Uit die eerste roman, waarvan ik ook wel zag dat die niet goed was, is het verhaal ‘Naar het oosten’ gehaald en die tweede roman ligt nog in een la.’

    Ze vertelt het alsof het heel gewoon is om aan een roman een kort verhaal over te houden. En dat is het eigenlijk ook voor Gerda Blees. Schrijven is voor haar tevens een ontdekken waar haar kracht zit. De ambitie om eens een roman te schrijven, is met haar twee eerdere pogingen daarbij dan ook niet verdwenen.

    Heb je altijd de ambitie gehad om schrijver te worden?

    Als kind dacht ik er wel eens aan om kinderboekenschrijver te worden. Dat leek me wel wat. Ik zat altijd te lezen, veel van Roald Dahl, Paul Biegel, Thea Beckman. Ik schreef ook graag. Op mijn negende schreef ik eens het langste opstel van de klas. Ik herinner me nog dat dat opviel, maar had zelf niet het gevoel dat het bijzonder was. Op mijn twaalfde had ik met een vriendinnetje het idee opgevat een boek te schrijven.’

    Tijdens haar studie (Liberal Arts and Sciences, Communicatiestudies en Bestuurs- en Organisatiewetenschap in Utrecht), was er weinig tijd over om te schrijven.
    ‘Ik volgde wel schrijvers die aan Write Now! meededen, zoals Maartje Wortel. Maar na mijn afstuderen ben ik
    pas echt gaan schrijven.’

    Was er sprake van een onvermijdelijke drang om te schrijven?

    Ik heb eigenlijk altijd geschreven, voor de schoolkrant en op school. Ik wist ook wel dat ik daar iets mee wilde, maar ik dacht eerder in de richting van journalistiek of het schrijven van zakelijke teksten. Dat schrijven als kunstvorm zo goed bij mij past heb ik pas ontdekt toen ik na mijn studie mijn eerste serieuze verhalen en gedichten begon te schrijven. Dat ik taal kon gebruiken om dingen te verzinnen en te verbeelden was echt een ontdekking: ik had het niet achter mezelf gezocht. Het was alsof er een luikje in me open ging en dat luikje is niet meer dicht gegaan.’

    Hoe lang heb je aan deze verhalenbundel gewerkt?

    Ik heb een jaar vrij genomen om aan een reeks verhalen met als thema ‘niet denken aan de dood’ te werken. Ik had al een paar verhalen die in Tirade en Kortverhaal waren verschenen. De rest van de verhalen heb ik erbij geschreven”, vertelt ze op een toon alsof je dat zo even doet. Ik vraag of ze makkelijk schrijft.
    “Als ik eenmaal het idee heb voor een verhaal dan gaat het eigenlijk wel. Het concept schrijf ik altijd met de hand. Dan kan ik het tempo van mijn gedachten beter bijhouden. Daarna typ ik het uit, print het en schrijf veel woorden opnieuw, waarna ik het weer uit typ, print en woorden verander. Zo herschrijf ik een verhaal toch wel zo’n tien keer.’

    Waar komt de titel vandaan?

    ‘Ik had de titel ‘Aan doodgaan dachten we niet’, al bedacht maar dat vond de uitgever niet zo’n goed idee vanwege het woord ‘dood’ erin. Maar omdat ik een andere titel niet geslaagd vond, kwamen we uiteindelijk toch weer bij ‘Aan doodgaan dachten we niet’. In het laatste verhaal van de bundel ‘Regen en geen regen’, komt dit ook voor. Daar hebben ze het niet over de dood, daar dachten ze gewoon niet aan.’

    In elk verhaal in je bundel las ik ook een waarschuwing. In ‘Zomerkroos’ dat we onze kinderen niet uit het oog mogen verliezen en in ‘Echt vakwerk’, dat ouders niet te veel van hun kinderen mogen verwachten. Wil je iets aantonen met je verhalen?

    Ik heb niet echt een boodschap. Het is meer dat ik zelf iets wil ontdekken in mijn verhalen. Extreme situaties intrigeren me. Hoe komt iemand tot iets. Vaak kom ik daar al schrijvende  achter. Ik zit er bovenop, wil het onwaarschijnlijke van wat er gebeurt, zichtbaar maken.’

    Als ik zeg dat haar personages eenzaam zijn, klinkt ze verbaasd. ‘Zo heb ik er nog niet naar gekeken, dat ze eenzaam zouden zijn. Dat ze daarom de dingen doen die ze doen. Ik vind het meer dat ze buiten de norm vallen. Dat ze anders doen dan wat er normaal gesproken van iemand verwacht wordt.’

    Hoe ontstaan je verhalen?

    ‘Vaak begin ik met een personage of een bepaalde handeling. Het gegeven voor het verhaal ‘Op reis’ waarin een dochter haar terminale moeder onttrekt aan de medische zorg, las ik in de krant. De werkelijkheid was nog extremer dan in mijn verhaal, de dochter  in het artikel nam haar dode moeder mee naar een bos en liet haar daar achter. Een ander verhaal ‘Blauw, blauw’, over een vrouw die een baby wil en die op een gegeven moment steelt, begon met een gedachte, een voorstelling. Ik weet dan nog niet hoe het zal eindigen. Dat ontwikkelt zich tijdens het schrijven. Voor sommige verhalen, zoals bij ‘Echt vakwerk’, bedenk ik een achtergrond om te begrijpen waarom die ouders zo zijn. Ik hoef zo’n achtergrond niet uit te schrijven maar het helpt me wel om personages waarachtig neer te zetten.’

    Wie zijn je voorbeelden in de literatuur?

    Die vind ik vooral in de buitenlandse literatuur. Zo’n alwetende verteller als in het eerste verhaal (‘Zomerkroos’) heb ik ontdekt door Tolstoj te lezen. Bij zijn verhalen dacht ik: “Oh, dat kan je zo doen”. Schrijven alsof je erboven staat. Ik leer schrijven door te lezen. Ik lees ook graag schrijvers als José Saramago; De stad der blinden, Het jaar van de dood van Ricardo Reis. En Gabriel García Márquez en Milan Kundera, vertellers die duidelijk boven hun verhaal staan.’

    En de poëzie, waarmee je toch binnenkwam bij de uitgever?

    Hoewel ik er veel meer moeite mee heb een goed gedicht te schrijven dan een kort verhaal, werk ik graag aan gedichten. Het is niet eenvoudig, wordt niet veel gelezen en uitgeverijen zijn er niet altijd zo happig op. Toch blijf ik het schrijven. Poëzie is een liefde van mij. Binnenkort komt er ook een dichtbundel van me uit.’

     

    Binnenkort blijkt al heel snel te zijn. Donderdag 12 april verschijnt haar bundel Dwaalllichten bij uitgeverij Podium.

     

     

     

     

     

     

    Foto auteur: fotoBuffel

     

  • De zee in Tilburg

    De zee in Tilburg

    Tijdens het TILT-festival in 2016 (het grootste literaire festival in het zuiden van het land) was Maartje Wortel Writer in Residence in Tilburg. Naar aanleiding daarvan schreef ze de tekst Goudvissen en beton: geen verhaal, geen novelle, geen roman, maar wat dan wel? Inderdaad, een tekst.

    Goudvissen en beton is een prachtig vormgegeven, klein boekje. Omslag, zetwerk en alle illustraties zijn door de Tilburgse kunstenaar Janine Hendriks gemaakt, in blauw, dezelfde kleur als de auto waarmee Maartje naar Tilburg is gereden en waarover ze in een interview zegt dat het haar huiskamer en haar inspiratiebron is.

    De kern is Tilburg. Dat is waar alles omheen beweegt.
    Je moet er gewoon ingaan. Anders snap je er niets van.
    Tilburg: de stad die is als een dekbed waaruit jij net bent opgestaan.’

    Goudvissen en beton wordt verteld door een ik-personage dat vertelt dat haar vader per toeval (hij ontkent dat) in Tilburg is terechtgekomen. Hij gelooft in ketendenken. Daarom begint de ik bij hem; zonder hem kende ze de jij aan wie ze dit verhaal vertelt, niet. ‘De ene waarheid vloeit voort uit de andere waarheid.’
    Haar vader vestigt zich in Tilburg, hij ontmoet in de kroeg gelijkgestemden, voelt zich er thuis en blijft. En nu is de ik hier en vertelt ze het verhaal aan de jou, die uiteindelijk haar geliefde wordt/blijkt te zijn/is.

    Deze tekst is, behalve een ode aan de stad Tilburg en een hommage aan de vader van de ik, ook nog een liefdesverhaal. Het beschrijft de ontmoeting tussen twee geliefden. Ze worden verliefd bij een werk van Anish Kapoor, het geverfde zwarte gat op de grond in Museum De Pont in Tilburg. De ik ontdekt het kunstwerk, gaat keer op keer terug: ‘Hoe ruimte en tijd daarin verdwenen, alsof het een geheime opening was.’. Bij een van die gelegenheden staat de jij opeens naast haar en kijken ze samen: ‘We keken allebei naar het gat en ik weet dat jij de eerste was die precies hetzelfde zag als ik.’.

    Daarnaast verwerkt de ik de invloed van haar vader op haar leven; ze schaamt zich voor hem, maar is ook trots op hem. In veel opzichten lijkt ze op hem. En ze verwerkt de dood van haar moeder, die tegelijkertijd een leegte en een troost achterlaat. Ze beschrijft hoe verloren ze zich voelt na haar moeders dood, totdat ze haar geliefde ontmoet.

    De tekst stelt veel filosofische vragen en werpt raadsels op, bijvoorbeeld: ‘Wat als je niet denkt: ik kom naar huis. Is je huis dan nog wel je huis?’ Of: ‘Ik kan laten bestaan wat je niet kunt zien, zoals de zee in Tilburg.’ Of: ‘Er zit een groot verschil tussen echt willen en het denken dat je het wilt.’
    Het mag dan weliswaar een korte tekst zijn (nog geen 50 pagina’s), de lezer wordt gedwongen aandachtig te lezen: de denktijd is lang. Het is een tekst die heel erg associatief is: gebeurtenissen volgen elkaar niet logisch op, maar worden veroorzaakt door ideeën, gedachten, observaties en herinneringen.

    De aandacht die van de lezer wordt gevraagd, of zo je wilt, het meespringen in herinneringen en tijd, vergt veel concentratie. Dat maakt deze tekst lastig, maar ook boeiend. Als je het boekje uit hebt, ben je nog net zo ver als aan het begin en toch ook niet: je bent meegevaren op iets wat door iemand als heel persoonlijk is ervaren; je deelt in een privé-gebeurtenis.
    De tekst is geschreven in een soort lichamelijke taal: alle zintuigen en lichaamsdelen spelen een rol, krijgen hun eigen taal en geven sfeer aan de tekst. Je weet niet alleen wat de ik voelt en ziet en hoort, maar ook hoe anderen ruiken, hoe situaties binnenkomen, hoe anderen kijken en zien.
    Deze tekst is dus niet een lekker verhaaltje voor het slapen gaan: het is een oefening in geduld en concentratie.

    Lezers die eerder werk van Maartje Wortel hebben gelezen, zoals de verhalen in Dit is jouw huis of de roman IJstijd, zullen even moeten schakelen. Maar als je je overgeeft, er ‘in’ gaat zoals de schrijver van je vraagt, en mee kunt bewegen met de schrijver, staat je een bijna ontroerende ervaring te wachten.

    ‘…uiteindelijk blijft er niets over dan goudvissen en beton, wat heel mooi klinkt, maar moet je eens kijken hoe zoiets uiteindelijk gaat.’

    Kijk op www.tilt.nu voor meer activiteiten. Yves Petry is de nieuwe Writer in Residence.

  • Boeken benefiet voor vluchtelingenkinderen

    Boeken benefiet voor vluchtelingenkinderen

    Onder de titel Een nieuw hoofdstuk wordt een grote literaire benefietavond gehouden voor vluchtelingenkinderen. Vele auteurs hebben zich hierbij aangesloten en treden die avond belangeloos op in een uniek programma dat in en samen met de Stadsschouwburg Amsterdam wordt georganiseerd. Naast initiatiefnemer Dimitri Verhulst geven onder anderen Tommy Wieringa, Connie Palmen, Jelle Brandt Corstius, Christine Otten, Anne Vegter, Kader Abdolah, Renate Dorrestein, Maartje Wortel en Esther Gerritsen acte de présence. Presentatie van de avond is in handen van onder meer Ruben Nicolai en er is muziek van Wende Snijders.

    De opbrengsten van de avond gaan naar My Book Buddy. Dit project voorziet alle kinderen in AZC’s van een eigen prentenwoordenboek Nederlands en zorgt ervoor dat AZC-scholen boekenkasten met geschikte leesboeken krijgen. In dit project wordt niet ingegaan op de oorzaken en gevolgen van het vluchtelingenvraagstuk, dat vele nuances kent. Het richt zich op een groep kwetsbare kinderen die de huidige crisis niet heeft veroorzaakt, maar er wel door wordt geraakt.

    2016 Jaar van het Boek
    Het benefiet wordt georganiseerd door de Leescoalitie* in het kader van 2016 Jaar van het Boek. Doel van dit jaar is om boeken dichter bij iedereen te brengen: bij jong en oud, rijk en arm, laaggeletterd en boekenwurm, bij hen die al generaties lang hier wonen en bij nieuwkomers. Taal en lezen als basisvaardigheden kunnen gevluchte kinderen op weg helpen in een nieuwe samenleving. Beschikbare en aantrekkelijke boeken helpen bij de taalontwikkeling, bieden inspiratie en (voor)leesplezier.

    De line up wordt nog steeds aangevuld, zie voor een actueel overzicht 2016jaarvanhetboek.nl. Tickets voor het benefiet zijn verkrijgbaar via de ticketshop van Stadsschouwburg Amsterdam. De opbrengsten uit de kaartverkoop gaan volledig naar My Book Buddy.

    De benefiet wordt mede mogelijk gemaakt door het Nationale Toneel.

     

  • Heeft het lezen van literatuur zin? SLAA in Spui25 Amsterdam

    Heeft het lezen van literatuur zin? SLAA in Spui25 Amsterdam
    Het verdriet van anderen
    In zijn nieuwe boek Het verdriet van anderen vertelt Philip Huff hoe na hij na een ingrijpende hartoperatie een lange reis door Australië en Nieuw-Zeeland maakte. Onderweg herlas hij de belangrijke boeken uit zijn leven en dacht hij na over de vraag of het lezen van literatuur zin heeft.
    In Het verdriet van anderen laat Huff zien dat leven en literatuur innig met elkaar verstrengeld zijn. Dit persoonlijke boek vormt het vertrekpunt voor een mooie, inspirerende avond over inleving en verbeelding in de literatuur.
    Een avond waarop Marja Pruis met Huff in gesprek gaat over zijn literaire roadtrip, Maartje Wortel terugblikt op de receptie van haar roman IJstijd, Ellen Deckwitz een column voorleest over hoe lezen je empathischer maakt en Max van Duijn vanuit wetenschappelijk oogpunt het ‘nut’ van literatuur probeert te benaderen.Philip Huff (1984) studeerde filosofie en geschiedenis in Amsterdam. Tijdens zijn studententijd reed hij Martin Bril rond door het land. Hij publiceerde verhalen in onder andere De GidsHollands Maandblad en Hollands Diep. Zijn debuut Dagen van gras verscheen in 2009, gevolgd door de roman Niemand in de stad (2012), bekroond met de Dioraphte Jongerenliteratuur Prijs en de verhalenbundel Goed om hier te zijn (2013). In 2014 publiceerde hij een nieuwe roman, Boek van de doden, gevolgd door een essaybundel over literatuur in 2015, Het verdriet van anderen. Zijn romans zijn verfilmd, hij schreef zelf de scenario’s.

    Met muziek van Lieuwe Roonder.Moderator: Sophie Derkzen. Sophie was journalist voor Vrij Nederland en werkte als gastredacteur bij Die Zeit. Sinds 2015 woont en werkt ze in Berlijn.

    Tickets via hier.
  • Sorry hoor

    Sorry hoor

    Tussen de dingen die gebeuren in ons goed georganiseerde leven blijft altijd ruimte bestaan waar geen grip op te krijgen is. Zoals in de ruimte tussen twee goed geconstrueerde zinnen een betekenis kan ontstaat die niet in woorden te vatten is. Lacunes waar niemand vat op krijgt en die nochtans in de menselijke geest ontstaan, waar ze zorgen voor ingrijpende vergissingen en blunders die geen mens verzinnen kan. Ze zijn er gewoon. Daar helpt geen sorry tegen.
    Onlangs las ik de verhalenbundel Dit is jouw huis van Maartje Wortel. Maartje is goed in het neerzetten van typetjes. Waarmee niet gezegd is dat ze een schrijfster van typetjes is. Oh nee, ze is meer dan dat. In deze bundel kwam ik het type sorryzegger tegen die je overal tegenkomt maar waar je niet bij stilstaat. In het verhaal Kranten leerde een man eerst sorry zeggen voor hij papa en mama kon zeggen. Toen hij leerde schelden, zei hij eerst sorry en daarna kut. Het was een man die veel vloekte, dat sorry zeggen kwam hem goed van pas. Dit personage is niet verzonnen. Dat lees je aan haar verhalen af, ze is een goed observeerder.

    In de jaren zeventig vorige eeuw was sorry zeggen nog een blijk van zwakte. Elton John zorgde daarin voor een doorbraak met zijn liedje: ‘Sorry seems to be the hardest word’. Hij zong met een oprecht droeve blik in zijn ogen: ‘It’s sad, so sad, it’s a sad sad situation’. Maar gelukkig is daar verandering in gekomen. Als je nu bijvoorbeeld geld uit de kas van een dakloze krant (Utrecht 2014) neemt, dan zeg je heel eenvoudig sorry: ‘Ik heb een gigantisch stomme fout gemaakt’ (jaja, haha), in een landelijk dagblad. Sorry zeggen we net zo makkelijk als goedemorgen. De kranten doen er dagelijks melding van. Maar wat moet je ermee, waar draagt het toe bij? Ik moest denken aan een stuk in de krant over een 22-jarige jongen in New York die zichzelf verhing aan het elektriciteitssnoer van de airco in het huis van zijn moeder.

    De toen zestienjarige Kalief Browder werd in 2010 opgepakt voor het stelen van een rugzak waarvan hij zegt die niet gestolen te hebben. Door onbegrijpelijke omstandigheden, die dus ontstaan in de ruimte tussen verschillende gebeurtenissen die niet te controleren zijn, werd deze jongen zonder enige vorm van proces tot de isoleercel veroordeeld. Hier werd hij gedurende twee jaar overgeleverd aan de nukken en grillen van bewakers en medegevangenen. In 2013 werd hij om onverklaarbare redenen vrijgesproken en mocht hij, een gebroken jongeman naar huis. Na twee jaar benam hij zich alsnog het leven. De burgemeester van New York betuigde publiekelijk zijn spijt hierover en zei dat: ‘hij niet voor niets is gestorven’. Want de leefomstandigheden in de gevangenis waren sinds het verhaal van Kalief Browden naar buiten was gekomen, aanzienlijk verbeterd. Ik dacht aan de moeder van deze jongen, aan wat de burgemeester gezegd had en dacht: ‘Ja sorry hoor. Kut.’

     

     


    Inge Meijer schrijft over boeken als steunpilaren in het dagelijkse bestaan en de ontdekkingen die zij doet in de marges van de literatuur.

     

  • Liefdesgedicht

    Liefdesgedicht

    Vrouwen en de liefde zijn niet eenvoudig te verenigen. Ze zijn kritisch, of noem het onzeker. Dat doet de liefde geen goed. Ik dacht er alles van te weten. Ik wist niets van degene die al die kritische noten (je drinkt teveel, je verrast me nooit, snurkt en dus: je houdt niet van me) moet zien te kraken. Het zijn nogal veel noten die in het vrouwelijke liefdeslied verwerkt zijn. Maar eerst was ik op weg naar een gesprek met een psycholoog. Nadat ik driemaal had aangebeld, er verder niets gebeurde, begreep ik dat ik mij in de week moest hebben vergist. Ik stak het marktplein over, zag onder ogen dat ik nog een week moest zien door te komen met ongelukkig zijn.

    Toen had ik de nieuwe Tirade nog niet gelezen. Waarin Ilja Leonard Pfeijffer die andere kant, de bekritiseerde kant, verwoordt in een liefdesgedicht. Met: ‘Wat ik je eerder eigenlijk had willen zeggen’, begint het gedicht waarin de hij ‘als radeloos ontvolkt gehucht kapotgeschoten’ achterblijft.  In dezelfde editie verklaart Maartje Wortel dat zij niet gelooft in de liefde. En dat beschrijft ze zo liefdevol  dat je de liefde zo bij het grof vuil wilt zetten. Maar dat had ik allemaal nog niet gelezen.

    Ik stond inmiddels in een Koffiebranderij waar ik maar niet kon kiezen tussen een pond Java bonen (zwaar, aromatisch) of Nicaragua bonen (licht, mild). Naast me, aan een cafétafeltje, hoorde ik een doorrookte stem zeggen: ‘’Ik mag het eigenlijk niet zeggen. Maar ik weet dat er subsidie voor is.’ Er zaten twee vrouwen aan het tafeltje. Die met de doorrookte stem had een flink ontwikkelde neus. Tegenover haar een tengere vrouw in een onmogelijke jas van aan elkaar gelapte stukjes bont. Een serveerster met dienstbare glimlach nam hun bestelling op. Toen ze zich verwijderd had, zei de ontwikkelde neus, terwijl ze een vaasje met tulpen resoluut opzij schoof, handen over de tafel naar voren stak: ‘Kunnen we samen niet iets doen. ‘ Met de nadruk op ‘doen’. Ze keek de Koffiebranderij rond alvorens verder te gaan. ‘Er was een zwakbegaafde vrouw die een kind kreeg en het in de kast legde, voor later. Het was geen opzet. Het kind ging dood. Ze werd veroordeeld tot negen jaar gevangenisstraf.’ Beiden weken iets naar achteren toen koffie en scones werden bezorgd door de dienstbare glimlach. Het stellige, ‘Kunnen we dáár niet iets mee’, overlapte de aarzelende opmerking van de onmogelijke jas: ‘Meen dat het negen maanden waren…’. En toen, ‘Oké’, piepte. Waarop  de ontwikkelde neus uitriep: ‘Zullen we gaan brainstormen!’

    Ik schrok ervan, koos prompt voor de Nicaragua bonen. Aan het tafeltje werden suikerzakjes opengescheurd, tikten lepeltjes door koffiekopjes, werden scones gehalveerd, met room en jam bedekt, vingertoppen afgelikt. En gezwegen. Wat Pfeijffer, (in het gedicht waarin hij verlaten wordt door zijn lief en dat ik vond toen ik thuis kwam), altijd nog had willen zeggen was niet dat hij van haar houdt, want dát had hij al gezegd. Wat hij had willen zeggen was: ‘Sorry. Ik voldoe niet aan je beeld van mij. (…) Jij hebt mij verkeerd verzonnen.’ Ik had opeens behoeft aan een brainstorm, met mijzelf. Dacht aan Maartje Wortels, visie. Dat liefde niet bestaat, dat geluk en liefde nu eenmaal niets met elkaar gemeen hebben. 

     

     

  • Geen Daden Maar Woorden Festival doet Utrecht aan

    Agenda

    Literaire en muzikale primeurs tijdens één van de toonaangevende literaire festivals voor hedendaagse literatuur.

    Sinds 1997 wordt jaarlijks het Geen Daden Maar Woorden Festival gehouden dat inmiddels is uitgegroeid van een voorleesavond in de bibliotheek tot een tweedaags festival (2009) in Rotterdam met 1500 bezoekers.  En nu doet Geen Daden Maar Woorden Festival Utrecht aan. Bekend en aanstormend talent uit de literaire- en de muziek wereld  treden op in Het Huis Utrecht. Primeurs zijn er onder anderen van Tim Knol en Maartje Wortel die met nog niet eerder gepresenteerd werk op het podium staan. Ook de animatiefilm Gebed voor iedereen naar een gedicht van Dichter des Vaderlands Anne Vegter gaat op het festival in première.

    Later op de avond vertelt Vegter op de sofa bij interviewer en psychiater Bram Bakker alles over haar ontregelende gedichten vol humor, ontsporende zinnen, melodische taal en seks. Hanneke Hendrix draagt in de tuin van het festival hartverwarmende kachelverhalen voor. Ex-stadsdichter van Utrecht Ingmar Heytze en singer-songwriter Johan Borger delen een sterke liefde voor de lapsteel. Speciaal voor het festival maakten ze een ode aan dit instrument.

    Het festival wordt afgesloten met een swingende afterparty van Riddim met o.a. Boomshakalak Soundsystem, Dennis Gaens, Elfie Tromp en zes dansers! Bekijk de volledige line-up en koop hier je tickets.

    Geen Daden Maar Woorden Festival wordt georganiseerd door Passionate Bulkboek.

     

     

  • Zomernummer Tirade – Twee kamers in het verleden

    Zomernummer Tirade – Twee kamers in het verleden

    ‘Een kamer in het verleden’ werd vorig jaar door de VPRO uitgezonden bij het radioprogramma ‘De Avonden’. Vijftien auteurs werden om beurten naar het eilandje Senneroog op het Lauwersmeer gebracht waar ze op een woonboot een week in afzondering doorbrachten. ‘De kamer van J.H. Leopold’ deelt deze Tirade in tweeën.

    Zonder telefoon, geen internet, radio of televisie en afgesloten van elk menselijk contact met uitzondering van een zwijgende koerier, die dagelijks in zijn speedbootje de radiobijdrage voor die avond afhaalde. Dat ondervonden vijftien auteurs die op uitnodiging van de VPRO voor een week in afzondering leefden op een woonboot. De eenzaamheid opzoeken om daar verslag van te doen via de radio. Dat doet denken aan de jaren zeventig, toen  Godfried Bomans en Jan Wolkers ieder een week in volledige afzondering, kampeerden op Rottumerplaat. Bomans was aan het einde van zijn week een depressie nabij terwijl Wolkers steeds lyrischer werd.
    Vijf van deze auteurs kijken terug en doen  in deze Tirade verslag van hun bevindingen.

    Gerbrand Bakker nam zich voor aan een toneelstuk te schrijven maar kreeg geen woord op papier. Het eiland trok hem naar buiten, moest in cultuur gebracht worden. Paden vrijmaken en bewegwijzering aanbrengen. Atte Jongstra gooit zijn vele ikken in de strijd en met de Eerste Stokkensnijder bouwt hij verder aan waar Bakker mee begonnen was. Geschokt reageerden beiden op het ’terug aan de natuur’ plan van Wim Helsen die na hen kwam en die overmoedig alles vernielde wat zij hadden bewerkt en gevormd. Het hield de gemoederen nogal bezig.
    Maarten Doorman weet niet wat de stilte met hem gedaan heeft. Stilte bestaat zolang die hoorbaar is, volgens Doorman. De stilte op het eiland werd hoorbaar door het klapperen van het vlaggentouw tegen de mast en het zacht klotsen van het water. Mooi gevonden.
    Ook boswachter Jan Willems, die het hele project in zijn natuurgebied begeleid heeft, blikt terug met kennis van zaken.

    Het deel Een kamer in het verleden draagt op de cover een still uit de video Man op het wad van de NCRV uit 2002. Deze mysterieuze Duitse man, die erin slaagt  te overleven zonder amper een spoor achter te laten en die schijnbaar steeds bij toeval gevonden wordt, bevindt zich dicht bij het eiland Senneroog. Dit spreekt tot de verbeelding van Menno Wigman. Hij raakt zo geobsedeerd door het idee dat er rond het eiland  een man is die hij niet kan zien en die niet gezien wil worden, dat de organisatoren besluiten Wigman te vertellen dat die man niet bestaat. Dit lijdt tot grote woede bij Wigman. Hij was sowieso niet gecharmeerd van dat hele idee van afzondering. Hij begint zijn verslag dan ook met de bekentenis dat hij het een verschrikking vond. Hij was woedend op alles en iedereen en vooral op zichzelf. Dat hij zichzelf erin gelokt had, in de valkuil van een illusie.

    Maartje Wortel vond het wel prima eigenlijk. No big deal, lijkt ze te zeggen. Zes dagen eiland en dan weer naar huis. Ze zou Menno Wigman wel graag willen mailen dat de Duitse man echt bestaat, zo heeft ze vernomen van iemand die het weten kan. Maar ze durfde niet, omdat hij zo boos was, op iedereen leek wel. Nu is ze bang dat die boosheid zich op haar zal richten. Dus maakt ze van de gelegenheid gebruik zich in haar verslag tot Wigman te richten. ‘Maar Menno: het is dus echt waar, van die Duitser.’

    Door Een kamer in het verleden komen we via de andere kant van Tirade in De Kamer van J.H. Leopold. Dick van Halsema, biograaf van de dichter Leopold (1865-1925) is vooreerst bezig met het verzamelen van materiaal over het leven van de dichter.  Onlangs kreeg hij  via een familielid van Leopold deze foto in handen die de andere coverzijde siert van Tirade. Een foto van de werkkamer van J.H. Leopold gelegen aan de Van Oldenbarneveldtstraat te Rotterdam.  Werkkamers van schrijvers spreken tot de verbeelding. Op de website www.dekamervanleopold.nl wordt auteurs gevraagd te reflecteren op een element van deze foto. Dat leverde verschillende bijdragen op van o.a. Hester Knibbe, Miek Zwamborn en H.T.M. van Vliet.

    Volgens Anton Korteweg is het interessant je af te vragen in hoeverre de voorwerpen in de werkkamer van een schrijver in relatie staan tot de schrijver zelf. En ziet op de foto vooral wat ontbreekt: een zwart leren brievenmap, weet hij, waar de dichter de brieven van zijn favoriete leerling Latijn bewaarde, bevindt zich in het Letterkundig Museum.
    Barber van de Pol . associeert  de dichtkunst van Leopold met het knopen van een tapijt. Wanneer ze in Turkije of Marokko door de kashba of soek loopt en al die tapijten daar ziet hangen en liggen in hun betoverende aantrekkelijkheid, denkt ze altijd, ergens ver weg, aan Leopold.
    ‘(…) Leopold (…) als mede-onderdeel van het lila, het purper, het rood en het goud.’

    Verder Kroniek van de roman van Carel Peeters. Ditmaal over het romandebuut van de dichter Erik Menkveld, Het grote zwijgen. Afgezien van een prachtige kunstenaarsroman waarin het echte leven getoond wordt is het ook een cultuurfilosofische roman dat tot vergelijkingsmateriaal kan dienen voor de hedendaagse kunst, aldus Peeters.

    www.vpro.nl/eenkamerinhetverleden_podcast

    Tirade nr. 439 nu ook te koop als e-Boek € 8,00