• De kracht van Onetti’s mysteriën

    De kracht van Onetti’s mysteriën

    Ontgoocheling, eenzaamheid, existentie, zielenleed en verloedering: dat zijn zo’n beetje de thema’s, gevat in raadselachtige vertellingen, waar de Uruguayaanse schrijver Juan Carlos Onetti (1909-1994) om bekend staat. Zijn boeken worden wel hermetisch genoemd en De dood en het meisje (1973) is daar wellicht de meest evidente representatie van.

    In het voorwoord schrijft vertaler Maarten Steenmeijer over Onetti’s debuutroman De put (1939): ‘In plaats van de lezer te onthalen op romantische doorkijkjes op het pampaleven of op helse avonturen in overweldigende oerwouden (…) maakte Onetti hem deelgenoot van de existentiële walging van (…) een ontgoochelde en ontgoochelende loner die in een aftandse kamer ergens in een niet met name genoemde stad aan de vooravond van zijn veertigste verjaardag de uitgebeende balans van zijn leven opmaakt.’ Daarmee is de toon gezet. Ook in De dood en het meisje is cynisme, waaruit geregeld een laconieke humor ontspruit, de tendens.

    Onetti’s boeken vertegenwoordigen niet het magisch realisme van Latijns-Amerikaanse schrijvers als Gabriel García Márquez, Isabelle Allende of José Veiga – al wil de laatste niet bij die categorie ingelijfd worden – maar een vleug van deze sfeer is in De dood en het meisje beslist aanwezig, alleen al door gebeurtenissen waarvan niet altijd duidelijk is wie ze vertelt en wat er precies is gebeurd. Ook woorden als grootgrondbezitters, nationalisten en gaucho, plus beschrijvingen van een met zilverwerk opgetuigd veulen en het gezicht van een ruiterstandbeeld dat trekken van een rund begint te vertonen, alsmede een aangekondigde dood roepen associaties op met de literaire Latijns-Amerikaanse wereld.

    Uitgestelde moord

    In de fictieve stad Santa María komt ’tevenzoon’ en notaris Augusto Goerdel bij de arts Díaz Grey en vertelt hem van zijn voornemen om zijn vrouw om te brengen. De reden is dat hij zijn ‘onsterfelijke verlangen’ naar haar, zijn begeerte, niet de baas kan en een (tweede) bevalling volgens artsen in de hoofdstad en Europa haar dood zou betekenen. ‘Voorzorgsmaatregelen’ om de seksuele gemeenschap of een zwangerschap te voorkomen zijn om godsdienstige redenen niet mogelijk en zijn vrouw ‘zou ook geen nee zeggen’. Voorlopig stelt Goerdel de aangekondigde moord uit door een paar maanden weg te gaan.

    Onetti laat een ik, die soms Díaz Grey is, een alwetende verteller en een enkele keer wij-vertellers aan het woord. Veel personages zijn afkomstig uit zijn eerdere romans. Ook de stad Santa María, ‘waar alleen de goede daden zich in het geheim voltrekken’ (in Onetti’s roman Het korte leven gesticht door Juan María Brausen), komt voor in veel van zijn andere romans en verhalen. Brausen is ‘Onze Heer’, Onze Vader die in het Niets zijt’, ‘de Stichter’ en ‘God’ en in De dood en het meisje alomtegenwoordig.

    Eigen plannen

    De Zwitserse katholieke kolonie nabij de stad is een kolonie van landarbeiders, gesticht door Europeanen die met het schip de Mayflower naar de kust van Santa María waren gekomen.

    Pater Bergner, wiens ouders evenals die van Augusto Goerdel met de Mayflower waren meegekomen, had Goerdel uit de kolonie gehaald om hem een Kerkelijke opleiding te geven, met als doel Goerdel voor zijn eigen plannen in te zetten. ‘Hij bestudeerde op zijn gemak zijn neppriester. Als het idee, het project echt uit Brausens koker kwam en geen valstrik van de Duivel was, dan speelde tijd geen rol. Hij begreep dat de jongen intelligent was, dat de onverbiddelijkheid hem in het bloed zat vanwege zijn ambitie en de Germaanse behoefte aan triomf, aan wraak.’

    Onetti schrijft beide personages toe al lang te weten wat hun doelen zijn. ‘Jarenlang hebben jij en ik hetzelfde spelletje gespeeld (…) we wisten hoe we moesten veinzen,’ zegt Bergner tegen zijn leerling. ‘Jij bent niet geboren om de Heer binnen de Kerk te dienen. Daarvoor heb ik je ook niet opgeleid. De plaats voor jou die mij altijd voor ogen heeft gestaan is de wereld, Santa María en de Kolonie (… ) Maar van nut om met een of andere titel de Kerk te dienen, en met haar steun. Ik wil dat je rijk wordt (…) dat je schijnheilig en subtiel wordt (…).’

    Aldus gaat Goerdel voor de kerk in de kolonie werken en buigt zich over burenconflicten, testamenten, hypotheken, koop en verkoop en ‘leningen met rentes die werden vastgesteld door Pater Bergner of het mysterieuze Kapittel (…)’. Bergner neemt de biecht af en samen weten ze alles over de vermogens, relaties en belastingen van de kolonisten. Door Bergners bemoeienis trouwt Goerdel met Helga Hauser, de vrouw die hij in het begin van het boek voornemens is te doden.

    Raadselachtigheid

    Díaz Grey, de samenhangende factor en volgens Maarten Steenmeijer een ‘soort alter ego’ van Brausen, krijgt in een volgend hoofdstuk bezoek van Jorge Malabia. Zijn ‘als praktijkassistente vermomde monster’ laat hem binnen. Met zijn laconieke humor schrijft Onetti: ‘Ik keek hem kalm aan vanuit mijn fauteuil. Ik wist dat de leegte van mijn ogen, de kalmte van mijn rustende, roerloze handen, vingertop tegen vingertop, hem zouden doen ontploffen. Zodoende sloegen we de begroeting over.’ Malabia schreeuwt: ‘Hij heeft haar vermoord,’ en ‘we zoeken hem om hem te vermoorden maar hij had zich al verscholen.’ Vervolgens gaat het over Kaïn en Abel en over Brausen die handelde als ‘een politieke caudillo. Hij nam het op voor Kaïn bij de onderzoeksrechter (…) hing de moordenaar een preventie- en immuniteitsbord om.’ In zijn grot kijkt, vermoedelijk Kaïn, dat is niet duidelijk, naar een op hem gericht driehoekig, groen oog en denkt-praat ‘Jij wilde dat ik het zou doen en ik deed het.’

    Op het einde van De dood en het meisje hebben Malabia en Díaz Grey van een teruggekeerde Goerdel documenten gekregen waaruit zou moeten blijken dat niet hij maar iemand anders zijn vrouw heeft omgebracht. De feiten komen echter niet boven tafel.

    In Afscheid – in 2021 eveneens uitgegeven door Uitgeverij Kievenaar – roept Onetti eenzelfde raadselachtigheid op, zaait hij twijfel, als hij in een café allerlei personages laat samenkomen en roddelen over de basketbalspeler die in een nabijgelegen sanatorium wordt behandeld en ook vaak in het café komt. Ook hier blijft het gissen naar de waarheid achter de roddels.

    Onetti’s personages zijn marionetten, bewegend aan de touwtjes waar de schrijver in de vermomming van Brausen aan trekt. De dood en het meisje is geen boek om te lezen maar om te savoureren en niet alleen voor het doorgronden. Iedere spitsvondige zin is het waard te overdenken, de inhoud ervan te ontleden. Subtiel is de kritiek, op de (katholieke) kerk, de Zuid-Amerikaanse maatschappij, de Germaanse inborst – wat dat ook mag zijn – de mensheid met al haar individuen. Zelfs de revolutionairen ontkomen niet aan Onetti’s aantijgingen. Ondanks alle mystiek beschrijft Onetti een wereld waarvan hij de schijn genadeloos ontmaskert.

  • Mooie zintuigen

    Mooie zintuigen

    Op 30 maart 2014 overleed onverwacht dichter, essayist en romancier Erik Menkveld op 54-jarige leeftijd. Hij publi- ceerde drie dichtbundels, De karpersimulator (1997), Schapen nu! (2001) en Prime Time (2005), waarin hij een duidelijke ontwikkeling liet zien.


    Vanaf een binnenplaats gestaard te hebben
    naar de oude sterren
    op een donkere bank gestaard te hebben
    naar de uitgestrooide lichten,
    die mijn onwetendheid niet kon benoemen
    of ordenen tot sterrenbeelden,
    verwijld te hebben bij de watercirkel
    in de geheime regenput,
    het geuren van jasmijn en kamperfoelie,
    de stilte van de vogel in zijn slaap,
    de boog van het portaal, de vochtigheid
    – die dingen zijn misschien wel het gedicht.

    J.L. Borges, vertaling Barber van de Pol en  Maarten Steenmeijer.


    Bij de dood van een dichter kantelt zijn oeuvre. De drie bundels die Erik Menkveld (1959-2014) publiceerde zijn nu de enige drie bundels geworden. En bij het herlezen van die poëzie kantelt de lezer mee, want veel gedichten krijgen een geheel andere portée wanneer de dichter dood is. En dan niet alleen de meer voor de handliggende gevallen van ‘pijnlijke’ gedichten die refereren aan het midden-in-het-leven staan (gedichten voor kinderen bijvoorbeeld) en die dus altijd wel bitter zijn geworden, maar ook gedichten die in het licht komen te staan van een zekere manier van kijken die nu typisch is geworden voor deze dichter.

    Menkveld ontwikkelde zich in zijn oeuvre ruwweg van een lichte ‘inlevende’ dichter à la  Szymborska in De karpersimulator, tot een waarnemende en verzamelende à la Borges in Prime Time. Menkveld heeft een opmerkelijke hoeveelheid perspectieven beproefd –  misschien wel de meeste in het Nederlands taalgebied –  hij schreef niet slechts over een ‘popelend boontje’,  of  was ‘geeuwend uit eeuwige leeuwheid’, of bezag de wereld vanachter de net neergeslagen ogen van een stenen meisje van de beeldhouwer Hildo Krop:

    Mij en heel de roekeloos
    veranderlijk bestaande stad die mij omgeeft

    brengt zij tot stand vanuit dat veel te hoge hoofd;
    hier fiets ik, onverklaarbaar volledig aanwezig

    op een brug in Amsterdam-Zuid – vreemde inval
    van een stenen meisje, dat even haar ogen sluit.

    Tot zelfs het perspectief van het raamkozijn:

    Nu we de kozijnen zijn
    in deze keuken, kijken
    ze wel naar de leuke
    overbuurvrouw op haar
    balkon of een bescheiden
    lijnvlucht die overkomt,
    maar niet naar ons
    die alles omlijsten.

    Menkveld wel. Zowel dit mild schertsend geportretteerde misnoegde kozijn als de stenen gedachten van een meisje in welke hij zelf figureert tekenen Menkvelds buitengemene behoefte zijn eigen bewustzijn te verbreden.

    Iemand schreef naar Menkvelds uitgever een ‘asymmetrische vriendschap’ te zijn gaan voelen na het lezen van zijn boeken, asymmetrisch omdat de vriendschap van een lezer voor een schrijver van éen kant komt, vriendschap omdat het lezen van sommige schrijvers juist dat met je doet: dat je vrienden met de schrijver zou willen worden. Diezelfde asymmetrie heeft Menkveld in zijn ‘incorporaties’ – want dat zijn het, hij verdwijnt in het lichaam van andere dieren, objecten, kunstwerken, bezielt ze. Hij vergroot zijn eigen wereld door zowel kozijn als gebeeldhouwd meisje te kunnen zijn. En daar zit dan misschien toch wat melancholie, een diepe spijt op te moeten houden waar je ophoudt.

    Of zoals het energiek luidt in het motto van de tweede bundel Schapen nu!: ‘Groots is de Schepper! Wat gaat hij nu van je maken? Waar gaat hij je nu heensturen? Zal hij je misschien tot de lever van een muis maken? Of tot de poot van een insect?’ Het is een citaat uit een taoïstisch geschrift, en inderdaad zal de schepper van Menkvelds bundel je als adem door de longen van een schaap doen gaan. Menkveld is soms redelijk Tao.

    Dat heeft me altijd dwarsgezeten: elk dier
    dat men ziet is een fractie van mij.

    Van deze kunstige dier- en ding bezieling dus, beweegt het werk van Menkveld zich naar het verzamelen van sensaties met een steeds grotere precisie. Een poging zelf middelpunt van alles te worden, een aleph, in Borgesiaanse termen, de plek waar alles samenkomt. Menkveld ontwikkelde zich van een goedgeluimd ‘ bezieler van alles’ naar een dichter die wat hij ziet, leest, proeft, hoort, denkt,  binnenhaalt, is, en welgeformuleerd doorgeeft.

    In het zelfportret ‘Mooie zintuigen’  kijkt de dichter in de ruit van een trein en ziet sardonisch

    Doppen niet al te benepen,
    gok niet te gek, geen fietsenrek

    maar verderop, directer

    mooie zintuigen moet ik zeggen,
    al heb ik ze liever ongemerkt
    van binnenuit in gebruik

    We zien de dichter even naar zichzelf kijken. Menkveld is vaak evenwichtig en monter – een uitgesproken melancholiek gedicht steekt er als opvallend uit – en in dit prachtig gecomponeerd en muzikale gedicht wervelt de dichter naar een scherpe apotheose. Hij ziet een medereiziger in de spiegeling en

    Moet je mij onverstoorbaar
    zien blijven: ongerept bedachtzaam
    medereiziger, zich duidelijk
    niet bewust hoe smeulende
    overbuurvrouw terloops
    zijn weerspiegeling beschouwt
    vanuit het dansfeest op haar hoofd.
    Niet éen keer lijk ik uit mijn
    ogenschijnlijk kijken naar het
    dwars door haar lawaaiig staren
    en mijzelf heen razend grazen
    varen bouwen op te kijken.

    Een schitterende zin die Menkveld ten voeten uit is: relativerend, precies, verrassend, tot denken aanzettend, je verplaatsend. Erik Menkveld was een culturele veelvraat, wereldpoëzie, film, beeldende kunst, klassieke muziek, in alle gedaanten, de klassieken, culinaria,  jazz, religie, filosofie verpakt hij in dit oeuvre op een laconieke wijze en op zo’n manier dat het glanst. Ook wel dat het swingt, of statig danst. Of uitschiet, maar fraai, omdat het langste Menkvelddichtwoord appelrodewingerdrankomrande er in moest. Of een oplawaaiverzekerend komaaropkind. Menkveld kon goed schapen bezielen en zich inleven in zijdehandelaren, maar het mooiste aan Menkveld bleken zijn zintuigen. Veel van wat zij onbekommerd waarnamen is er nog.

     

    Dit stuk is eerder verschenen in Poëzietijdschrift Awater (2014).

    Erik Menkveld publiceerde de bundels, De karpersimulator (1997), Schapen nu! (2001) en Prime Time (2005). In januari 2016 verscheen Verzamelde gedichten bij uitgeverij Van Oorschot.

     

     

  • Facetten van Lorca’s poëzie in taal en muziek in Paradiso

    Facetten van Lorca’s poëzie in taal en muziek in Paradiso

    Op 19 augustus 2016 is het tachtig jaar geleden dat Federico García Lorca, nog geen maand na het uitbreken van de Spaanse Burgeroorlog, op 38-jarige leeftijd door de monarchisten werd vermoord in een olijfgaard bij Viznar, in de buurt van Granada in Zuid-Spanje. Met het programma Lorca: poëtisch fenomeen eren we een van de belangrijkste representanten van de 20ste eeuwse Spaanse literatuur, en belichten we in taal en muziek enkele facetten van Lorca’s poëzie.

    Programma
    11.00: welkom en inleiding door Livia Verstegen: Lorca: folklorist of surrealist?
    11.20: Maarten Steenmeijer: een inleiding op de poëzie van Lorca
    11.50: Hagar Peeters en Eric Vaarzon Morel: Lorca en Pablo Neruda, Malva en flamenco
    12.25: pauze
    12.45: Bart Vonck: Lorca en de marge
    13.15: Spinvis: De kip

     

    Zaal gaat open om 10.30 uur.
    Toegangskaarten kosten € 22,50,
    Vrienden van Verstegen & Stigter culturele projecten betalen € 15,-
    studenten en scholieren € 10,-.

    Informatie en kaartverkoop: Verstegen & Stigter, telefoon: 0344 769 139 of via de website www.verstegenstigter.nl.

  •  ‘Ga er maar aan staan’

     ‘Ga er maar aan staan’

    Wie literaire teksten vertaalt, moet van alle markten thuis zijn, een Jack of all trades … pardon: Manusje van alles. Het gaat om meer dan het zorgvuldig, woord voor woord, omzetten van de ‘brontaal’ in de ‘doeltaal’, om het in jargon te zeggen, je moet ook het idioom van speciale groepen beheersen. Wat betekent het als er in een Engelse tekst over de loo gesproken wordt? Is dat iets anders dan bathroom? Toilet? Water closet? Zulke dingen luisteren nauw. Bij sommige gelegenheden zeg je bepaalde woorden niet, bij andere juist wel en dat heeft alles te maken met klassenverhoudingen, religieuze achtergrond, leeftijd, status, regio, periode. Tussen de verschillende talen bestaan bovendien aanzienlijke idiomatische verschillen. Villa betekent in de ene taal een duur huis, in de andere taal een buitenwijk, afhankelijk van de context. In het Italiaans slaat een casino op een feestzaal, in het Nederlands op een gokpaleis.

    Als je afgaat op de wijze lessen van Maarten Steenmeijer in zijn zojuist verschenen Schrijven als een ander. Over het vertalen van literatuur, kijk je wel uit om er aan te beginnen. Ondanks het feit dat Nederland, anders dan Engelstalige landen, een typisch ‘vertaalland’ is. In een speciaal hoofdstuk vind je een bloemlezing van fragmenten uit recente Nederlandse vertalingen van Duitse, Amerikaanse en Spaanse romans. Een dodelijke opsomming. Steenmeijer, die zelf uit het Spaans vertaalt, legt de lat hoog. De vertaler moet volgens hem de ‘talige persoonlijkheid’ van de schrijver zien te ontdekken en ‘in al haar eigenheid en eigenaardigheden leren kennen en doorgronden’. De bedoeling is immers de schrijver ‘een stem in het Nederlands’ te geven. ‘Die stem is méér dan de toon, tempo, klankkleur, en bereik; zij is ook een manier van denken en voelen, een visie op de wereld, een levensgevoel, een gemoedstoestand’. Wie durft nog? Ook praktisch sta je hier als vertaler voor een bijna onmenselijke opgave. Een voorbeeld: Steenmeijers favoriete schrijver is de Spanjaard Javier Marías, maar deze auteur heeft – zoals de vertaler zelf opmerkt – pas na vijf boeken zijn eigen ‘talige persoonlijkheid’ gevonden.

    Desondanks brengt Steenmeijer het vertalersambacht dichterbij door allerlei aspecten en dimensies op een luchtige manier tegen het licht te houden. Zijn boek is een verzameling van zo’n vijfentwintig hoofdstukjes, vaak niet langer dan een pagina of vijf, zes. Hij is wars van moeizaam jargon en schrijft overzichtelijke, nuchtere betoogjes, columns eigenlijk, waarbij hij algemene vertaalproblemen verduidelijkt aan de hand van concrete gevallen. Als je begrijpt hoe vertaalfouten tot stand komen, is vertalen misschien niet meer zo afschrikwekkend, het is uiteindelijk toch mensenwerk. Hij behandelt eerste zinnen, zowel voor schrijvers als vertalers van cruciaal belang, het vertalen van popsongs, de plaats van de lezer en de kwestie van ‘vrij’ of ‘precies’ vertalen, maar als een rode draad door het hele boek loopt een heikele kwestie, waarvoor ook andere vertaaldeskundigen uitdrukkelijk aandacht hebben gevraagd: hoe doe je recht aan het origineel?

    In 1937 wees de Spaanse filosoof José Ortega y Gasset er in een beroemd essay op, dat vertalers ‘de angel uit de oorspronkelijke tekst halen’. Schrijvers zijn volgens Ortega ‘opstandelingen tegen de taal’, ze overtreden normen en regels, literaire taal wijkt af van de doorsneetaal, misschien wel juist ter verhoging van de verstaanbaarheid. Vertalers kunnen daar niet tegenop, ze sluiten de schrijver op in de ‘gevangenis van de gewone taal’, vertalingen geven vaak de indruk dat de schrijver eigenlijk een beetje dom is. Om het in andere woorden te zeggen: ‘vreemd’ taalgebruik wordt in de vertaling weggezuiverd, het hart, de originaliteit, wordt uit de tekst gehaald. Dit is het centrale dilemma van de vertaler en Steenmeijer komt hierop dan ook op verschillende plaatsen terug, ook aan de hand van schrijver en vertaler Tim Parks die zich de laatste jaren uitdrukkelijk in de discussie heeft geworpen. De ‘persoonlijke stijl’ van de schrijver wordt door vertalers omgezet in een ‘algemene stijl’, die weliswaar voldoet aan de standaarden van ‘mooi Engels’ of ‘mooi Frans’, maar die de oorspronkelijk tekst uitdrukkingsloos maakt.

    Een klemmend probleem. Steenmeijer pleit ervoor dat vertalers beter betaald worden en meer in de schijnwerpers komen te staan – hun naam op de kaft, duidelijker aanwezig in praatprogramma’s op radio en tv. Wie zou het hem misgunnen een Bekende Nederlander te worden? Maar dat alles is geen oplossing voor de bijna schizofrene positie waarin vertalers zich per definitie bevinden. Steenmeijer zegt het zelf: de ene vertaler is de andere niet. ‘Vraag aan tien literair vertalers om dezelfde tekst te vertalen en je krijgt tien verschillende resultaten. (…) Het is naïef om de vertaler te zien als een onzichtbare go-between’. Vertalers zullen altijd moeten zien te laveren tussen de eisen van de oorspronkelijke tekst en de vrijheid om die tekst naar eigen inzicht om te zetten. Het is volgens Steenmeijer een soort ‘spookgebied’ waarin de vertaler als een ander moet schrijven, maar ook als zichzelf. ‘Ga er maar aan staan’, verzucht hij.


    Schrijven als een ander
    Over het vertalen van literatuur

    Maarten Steenmeijer
    Verschenen bij: Uitgeverij Wereldbibliotheek (2015)
    Aantal pagina’s: 176
    Prijs: € 15,95

  • Oogst week 7

    Wat er zoal binnenkwam op de redactie

    Door Ingrid van der graaf

    Een goede school (1978) van Richard Yates (1926-1992) is de zevende roman van hem in Nederlandse vertaling. De puberende tiener William Grove doet er alles aan erbij te horen op de Dorset Academy in Connecticut New England. Jack Draper is een invalide scheikundedocent wiens vrouw vreemdgaat met een van zijn collega’s. Edith Stone is de dochter van een docent die verliefd wordt op de populairste jongen op school. Hun levens komen samen binnen de beklemmende muren van de Dorset Academy. Dan valt Japan Pearl Harbor aan en raakt Amerika betrokken bij de Tweede Wereldoorlog. Met het indrukwekkende Revolutionary road nog vers in het geheugen moet Een goede school zeker gelezen worden! Verschenen bij De Arbeiderspers, vertaling Marijke Emeis, 208 blz., € 18,95.

    op_zoek_naar_mijn_voorhuidDeze week verschijnt de debuutroman van stand-up comedian Anuar (1978), Op zoek naar mijn voorhuid. Een coming out of age-roman over familiebanden, vriendschap en cultuurverschillen. Hoofdpersonage Tarik heeft zijn studie Culturele en Maatschappelijke Vorming bijna afgerond. Hij moet alleen nog zijn scriptie schrijven. Dan pakt hij het spaargeld van zijn ouders en leent dat aan zijn beste vriend die door zijn vader naar Marokko wordt gestuurd, nadat hij voor de zoveelste keer zwaar in de problemen was gekomen. Na maanden vraagt de vader van zijn vriend aan Tarik om hem naar Marokko te rijden. Vriend gaat daar namelijk trouwen.
    Uitgegeven bij Jurgen Maas, € 14,95.

    9789045028125-de-schaduw-van-de-grote-broer-l-LQ-fIn Trouw werd De schaduw van de grote broer van Laura Starink, een enerverend boek genoemd met een hoofdrol voor de actualiteit, de oorlog in Oekraïne. Starink sprak in Letland, Rusland, Polen en Oekraïne met veteranen, soldaten, politici, priesters, Joden en historici en zag hoe de geschiedenis blijft nadreunen in het voormalige wereldrijk. Poetin noemde Euromajdan een ‘fascistische coup van de Kiev-junta’. Oekraïners werden afgeschilderd als neonazi’s. Ruslands selectieve verontwaardiging over de Tweede Wereldoorlog is in Oost-Europa maar al te bekend. Jaarlijks protesteert Rusland als de Letse SS-veteranen in Riga hun gevallen kameraden herdenken, maar de wandaden van het Rode Leger zijn in Rusland taboe. ‘Oekraïners zijn geen fascisten, ze verdedigen gewoon hun vaderland,’ zegt Ojars Aleksis (91) in Riga. Hij werd in 1943 gedwongen gemobiliseerd voor de Letse SS-legioenen en is daar zijn hele leven op aangekeken. Een belangrijk boek dat mee helpt de wereld te duiden.Uitgegeven bij Atlas Contact, 344 blz, € 19,99.

    Steenmeijer - Schrijven als een ander JPG voor websiteVertaler en schrijver Maarten Steenmeijer schreef een boek over vertalen. Nederland heeft een literaire vertaaltraditie waar menig ander land jaloers op is. Toch is er met veel vertalingen wel iets aan de hand. Ze haperen, slepen zich moeizaam voort of bevatten ronduit onbegrijpelijke passages. Daardoor laten vertalingen zich niet altijd lezen als  soevereine Nederlandstalige teksten.
    Aan de hand van voorbeelden uit de praktijk laat Maarten Steenmeijer zien waar en waarom het fout gaat, en vraagt hij zich vooral af: wat is literair vertalen eigenlijk? En wat is precies de taak van de vertaler? Schrijven als een ander is een bevlogen pleidooi voor het literair vertalen dat in ons culturele leven en ons onderwijs een veel te bescheiden plaats inneemt. Verplichte kost voor iedereen die geïnteresseerd is in taal en literatuur. Uitgegeven bij Wereldbibliotheek, 176 blz, €17,95.