• Uit bewondering voor Oscar Wilde

    Uit bewondering voor Oscar Wilde

    De Ierse schrijver Oscar Wilde (1854-1900) was dichter, toneelschrijver, briljant causeur en dandy, wiens leven in het teken van de esthetische kunst stond. Helaas werd zijn schitterende carrière in het victoriaanse Engeland met één klap te gronde gericht toen hij verliefd werd op een jongeman, Lord Alfred Douglas, bijgenaamd Bosie, en veroordeeld werd tot twee jaar gevangenisstraf wegens homoseksuele handelingen en grove ontucht. Na zijn vrijlating vertrok hij als balling naar Frankrijk, waar hij drie jaar later berooid en verguisd stierf aan meningitis. Maar vergeten is hij nooit en zijn werk wint overal ter wereld nog steeds enthousiaste adepten. Met de boeken die over Oscar Wilde geschreven zijn, kun je een groot aantal boekenkasten vullen, terwijl voor het werk van de schrijver zelf een flinke boekenplank voldoende is. Elk aspect van zijn leven, hoe schijnbaar onbetekenend ook, is al eens door biografen belicht. Blijkbaar blijft deze man een intrigerend mysterie voor velen.

    Winnend aforisme

    In Engeland is in 1990 de Oscar Wilde Society opgericht, een ‘literary society devoted to the congenial appreciation of Oscar Wilde’. Dit genootschap heeft voor de vijfde keer een jaarlijkse wedstrijd uitgeschreven, the Wilde Wit Competition, waarbij deelnemers een zelf bedacht aforisme kunnen insturen in de geest van Oscar Wilde. Uit meer dan vijfhonderd inzendingen is dit jaar de prijs gevallen op de Nederlandse auteur Maarten Asscher, die het volgende aforisme bedacht: ‘In art originality is too quickly applauded, in life it is usually punished’. Nadat deze eer hem te beurt was gevallen, kon een boek van zijn hand over Wilde moeilijk uitblijven.

    Asscher schreef zijn Oscar Wilde’s crucifix gelijktijdig in het Nederlands en in het Engels. Voor degenen die gefascineerd zijn door het leven en werk van Wilde is het boek een ‘must have’, niet omdat het de zoveelste biografie over Wilde is die vertelt hoe het was, maar omdat Asscher ook vertelt hoe het had kunnen zijn. Daarom luidt de ondertitel ook: ‘A biographical experiment’. Alle historische feiten omtrent Wilde zijn ondergebracht in hoofdstukken die in romein gezet zijn, alles waarbij Asscher zijn schrijversfantasie aan het werk gezet heeft, in cursief. Zo begint het boek met ‘The end’, een hoofdstuk waarin Reginald Turner, trouwe vriend van Wilde, aan diens sterfbed mijmert over hun vriendschap en de naderende dood.

    Over een klein gouden kruisje

    Asscher was nog heel jong toen hij kennismaakte met De Profundis, de brief die Wilde aan Bosie schreef vanuit de gevangenis. Een paar jaar later las hij The Picture of Dorian Gray. waarmee zijn liefde voor het werk van Wilde voor altijd bezegeld werd. Hij is met name geïnteresseerd in de jonge jaren van Wildes studententijd in Oxford tot aan de tijd waarop hij naar Londen verhuist om aan een literair-journalistieke carrière te beginnen. Wilde is dan midden twintig en alles moet nog beginnen voor hem. Hij wordt verliefd op een meisje uit Dublin, Florence Balcombe, aan wie hij in 1876 een klein gouden kruisje geeft waarin misschien hun namen of initialen gegraveerd zijn. Twee jaar later trouwt ze echter met een andere Ierse schrijver, Bram Stoker, die faam verwierf met zijn roman Dracula.

    Dat gouden kruisje werd voor Asscher het uitgangspunt van zijn biografische fictie: waar zou het gebleven zijn? Gaf Florence het terug aan Wilde, heeft ze het gehouden, wist haar man wie het haar cadeau gegeven had? Zou ze het nog wel eens gedragen hebben?

    Het verhaal van Stoker, Wilde en Balcombe wordt verteld in het hoofdstuk ‘Stations of the Cross’, waarin in veertien korte stukken de feiten worden gegeven rondom deze ‘driehoeksverhouding’. Het kruisje van Florence krijgt hier verschillende betekenissen: het is een afweermiddel tegen de vervloekte graaf Dracula, maar ook een symbool van de bekering van Florence tot het katholieke geloof (Oscar zou dat kort voor zijn sterven eveneens doen) en figuurlijk gesproken is het een kruis dat zij te dragen had in haar opeenvolgende relaties met twee mannen die vanwege hun geaardheid geen van beiden echt belangstelling voor haar hadden. Zelfs waar Asscher aanstipt dat beide mannen aan syfilis zouden lijden, komt het kruis nog om de hoek kijken. Arme Florence Balcombe.

    En een ring

    Het zijn dit soort zijwegen die het boek van Asscher buitengewoon aantrekkelijk maken om te lezen, samen met zijn prettige schrijfstijl. Hij vermengt diverse literaire genres: zo schrijft hij als William Goulding een brief aan zijn vader over de reis naar Griekenland in gezelschap van Oscar Wilde, hij schrijft een hoofdstuk waarin Philippa Balcombe het huwelijk van haar zus beschouwt, en hij wijdt een hoofdstuk aan de vriendschapsring die Oscar Wilde als geschenk gaf aan zijn vriend Reginald Harding bij diens afstuderen. Deze ring werd in 2002 gestolen uit de bibliotheek van Magdalen College in Oxford. Asscher doet gedetailleerd verslag hoe de diefstal in zijn werk ging en hoe de Nederlandse kunstdetective Arthur Brand, ook een bewonderaar van Wilde, de ring wist op te sporen. In 2019, zeventien jaar na de diefstal, werd het sieraad weer teruggelegd in de bibliotheek van Magdalen College.

    In het voorlaatste hoofdstuk van Asschers ‘biographical experiment’, ‘The Golden Crucifix’, komen we eindelijk te weten waar het gouden kruisje van Florence gebleven is. Asscher brengt dit verhaal alsof het een van de ‘cases’ van Sherlock Holmes is, opgetekend door zijn vriend Watson. Al eerder had Asscher de auteur van de Holmes-verhalen, Arthur Conan Doyle, samengebracht met Oscar Wilde en diens uitgever in het Langham Hotel, dat de ontmoeting van de genoemde heren vereeuwigd heeft op een plaque als ‘The Golden Evening’. ‘The Golden Crucifix’ is een geslaagde poging om in de stijl van Conan Doyle een detectiveverhaal te schrijven.

    Asscher stelt in zijn laatste hoofdstuk: ‘perhaps when you peek around the corner of the imagination, you can observe something of focused historical truth.’Hij ontkent de tekortkomingen van Wilde niet, maar kritiek kan het niet winnen van zijn liefde voor deze iconische figuur van de 19e eeuw. ‘Where there is no exaggeration there is no love, and where there is no love there is no understanding’ is een uitspraak van Walter Pater, essayist en criticus die van grote invloed is geweest op Wilde. Diezelfde uitspraak had ook van Asscher kunnen zijn waar het zijn boek betreft.

     

  • Fotosynthese 33 – Gehuld in dialect

    Fotosynthese 33 – Gehuld in dialect

    (Klik op de foto om de achtergrond te zien)


     

    Er is een beroemde cartoon van Jack Ziegler uit de New Yorker waarop je acht mannen om een vergadertafel ziet zitten. Zeven van hen hebben een zonnebril op en dragen een zomerhoedje met een vogelveer, en alle zeven houden ze een saxofoon in de aanslag. De achtste draagt gewoon zijn alledaagse pak met stropdas en kijkt wezenloos om zich heen. Op hem richten alle blikken zich en de voorzitter roept hem nijdig toe: Damn it, Hopkins, didn’t you get yesterday’s memo? Het is misschien niet aardig tegenover de mevrouw op dit laat negentiende-eeuwse kabinetportret, maar toen ik haar outfit voor het eerst onder ogen kreeg, moest ik direct aan die cartoon denken.

    De kleding waarin deze Elzasser vrouw is vereeuwigd, heeft ze natuurlijk niet zelf zo bij elkaar gezocht. Het gaat hier om een traditionele klederdracht die nauw luistert naar de meest gedetailleerde overlevering, zoals die waarschijnlijk al generaties lang in haar familie bestond. Het meest in het oog springt het hoofddeksel met die knoop in het midden, waarmee het gevaarte vermoedelijk aan een haarstreng is vastgemaakt, en met de franje die van de beide vleugelkappen naar beneden hangt. Ook de omslagdoek die met een grote gesp of speld aan haar jak is bevestigd en de smetteloos witte kraag en manchetten suggereren dat dit geen alledaagse kleren zijn, maar het resultaat van een tot in de details gevolgde traditie.

    Dezelfde vraag kun je natuurlijk over Nederlandse klederdrachten uit Staphorst, uit Zeeland of uit Volendam stellen, maar in die traditionele kledij kun je nog iets boerderij- of vissersachtigs ontdekken. Deze Elzasser klederdracht daarentegen laat zich niet zo gemakkelijk met een professionele of functionele achtergrond associëren. Ik kan me tenminste geen beroep voorstellen, waar de vormgeving van dit hoofddeksel op teruggaat.

    En toen dacht ik: klederdracht is eigenlijk een dialect in de vorm van kleren. Immers, ook een dialect ontstaat als een uitgewerkte variant op of een tussenvorm van bestaande talen, dikwijls in een overgangsgebied tussen twee streken of landen. Het eigene van zo’n dialect is juist de verbindende kracht ervan. Dat Drenthenaren ‘tokkelbred’ of ‘snoarenbak’ zeggen in plaats van ‘gitaar’, dat geeft ze onderling het gevoel dat ze bij elkaar horen. Het gegeven dat ze zich daarmee onderscheiden van de rest van Nederland, versterkt die samenbindende kracht. Net als dialect is ook klederdracht iets van de oudere generatie, waar in een familie meestal nog wel met respect en historisch besef over wordt gesproken (‘kijk, dit waren de oorijzers van je grootmoeder’), maar millennials zullen er niet zo gauw de stad mee in gaan.

    Als je op het internet lijsten met dialectwoorden langsloopt, dan krijg je niet de indruk dat daar veel nieuwe, moderne woorden of uitdrukkingen tussen staan. De ontsluiting van het plattelandsleven door tv, internet en sociale media, grotere mobiliteit, verstedelijking en de geringe bereidheid van ouders om het dialect van hun eigen jeugd nog aan hun kinderen door te geven maken tezamen dat dialecten langzaam maar zeker uitsterven, zoals klederdrachten van lieverlee de kist op zolder niet meer uitkomen en ten slotte op hun best naar het streekmuseum verhuizen.

    Wel is het goed om te beseffen dat zelfs in de moderne tijd dankzij influencers, glossy bladen en rolmodellen uit films en series er ook allerlei afgedwongen kleedstijlen bestaan. De mode die voorschrijft dat je splinternieuwe jeans bij voorkeur van zorgvuldig aangebrachte slijtplekken en gescheurde gaten moeten zijn voorzien, is niet minder dwingend dan een door familie opgelegde traditie om op hoogtijdagen in een bepaalde streekdracht op een dorpsfeest te verschijnen. Het ene is global, het andere local, maar de wens van een individu of een groep om ergens bij te horen door zich gezamenlijk op dezelfde manier van anderen te onderscheiden is identiek. Dat geldt net zo voor de blauwe blazer van de corpsstudent als voor het naveltopje van de zestienjarige scholiere of de clubsjaal van de voetbalfan.

    Het is een van de meest deprimerende gegevenheden van de modewereld en de kledingindustrie dat je geacht wordt je eigen kledingsmaak of -stijl ondergeschikt te maken aan die van anderen, die er dikwijls ook nog eens materieel belang bij hebben dat je hun zin doet. Ik voel mij dan ook ten diepste verbonden met de enorm slechte zin die op het gezicht van deze in klederdracht gestoken mevrouw uit de Elzas te lezen valt.

     

     


    Maarten Asscher (1957) is schrijver van romans, verhalen, essays en poëzie. Zijn laatste roman, De schaduw van een vriend, verscheen in 2022 bij Uitgeverij De Bezige Bij.

     

  • Fotosynthese 32 – Buffalo Bill in Venetië

    Fotosynthese 32 – Buffalo Bill in Venetië

     

    (Klik op de foto om de achtergrond te zien)


    Er zijn nogal wat vindplaatsen op het internet die bij deze foto het jaartal 1905 of 1906 vermelden. Inderdaad was Buffalo Bill met zijn rondreizende Wild West-show in die jaren voor de derde en laatste keer op tournee door Europa. Toch kan die datering niet kloppen, want op 14 juli 1902 was met donderend geraas de bijna honderd meter hoge Campanile linksboven op de foto ingestort, en aangezien die pas in 1912 in volle glorie weer was herbouwd, zou die opvallende klokkentoren dus in de beide genoemde jaren hoogstens als een in aanbouw zijnde stomp zichtbaar zijn geweest. Deze foto dateert dan ook van Buffalo Bills eerste Europese reis, om precies te zijn uit april 1890. Voor het overige is er aan het uitzicht op de stad in de achtergrond gedurende de afgelopen eeuwen niet zo veel veranderd, wat nu juist de reden is dat miljoenen mensen per jaar Venetië per se met eigen ogen willen zien.

    Buffalo Bill, in 1846 in Iowa geboren als William F. Cody, reisde naar Italië niet slechts om te kijken, maar vooral om bekeken te worden. In de tijd van Amerika’s ‘Wilde Westen’, de gestage verovering van de westelijk gelegen gebieden die tot dan toe aan oorspronkelijke bewoners (‘native Americans’, vroeger ‘Indianen’ genoemd) hadden toebehoord, verwierf Cody al op jeugdige leeftijd een reputatie als koerier, verkenner, schutter, cowboy en buffeljager. Zijn roem drong door in avonturenromans en werd vereeuwigd in toneelstukken. Dat bracht hem op het idee vanaf 1883 zelf met een soort Wild West-circus te gaan optreden, waarin bijvoorbeeld een aanval van Indianen op een postkoets werd nagespeeld. Op het nippertje werd die aanval dan door de toegesnelde cavalerie afgeslagen, waarna de blanke inzittenden van de postkoets samen met hun redders het applaus in ontvangst namen. Cody zelf zag deze rondreizende voorstellingen niet zozeer als ‘show’ maar als een display of current events, zoals hij het zelf noemde.

    Die educatieve missie gold in zijn eigen ogen des te sterker tijdens de drie Europese tournees die hij ondernam, waarbij vooral de authentieke Indianen met wie hij optrad grote belangstelling genoten. Op deze foto, die ongetwijfeld – zoals alles waar Buffalo Bill zich in die jaren mee bezighield – voor pr-doeleinden bestemd was, zien we in de gondel twee chiefs met hun indrukwekkende verentooi zitten: Sioux Chief Rocky Bear (vierde figuur van links) en Sioux Chief Black Heart (tweede van rechts), waarschijnlijk beiden met hun vrouw ter rechterzijde.

    Afgezien van Cody zelf, nadrukkelijk poserend met zijn karakteristieke Stetson op het hoofd, staan in de ranke gondel twee Venetiaanse gondeliers, die er met hun riemen in slagen de boot onbeweeglijk stil te houden in het op deze voorjaarsdag kalme water van de lagune. En tot slot staat er achter in de gondel nog een man met een hoed, die met zijn gestrekte linkerarm ergens naar wijst of iets aan de fotograaf wil beduiden. Dat is zo’n geluidloos detail op een oude foto waarvan de verklaring wel nooit meer te achterhalen zal zijn.

    De Wild West-voorstellingen van Buffalo Bill waren geen klein bier. Je kunt ze misschien nog het beste vergelijken met hedendaagse tournees van popsterren. Tijdens zijn Europese reizen trad hij op in England (onder meer ten overstaan van Koningin Victoria), Frankrijk, Duitsland, Oostenrijk, België en Spanje. Aangekomen in Rome wilde hij het liefst optreden in het Colosseum, maar het podium daar bleek te klein. Cody kwam op audiëntie bij Paus Leo XIII, en samen met de Heilige Vader bracht hij een bezoek aan de Sixtijnse Kapel, de paus in zijn draagstoel, omgeven door de schitterend uitgedoste leden van zijn Zwitserse Garde, Buffalo Bill omringd door zijn Sioux-Indianen. Je zou willen dat ook daar iemand even een foto van genomen had. Maar de foto’s die wél werden gemaakt, plus alle aandacht in de geschreven pers, waren bij elkaar voldoende voor grote aantallen betalende bezoekers, en daar was het ‘Buffalo Bill’s Wild West’ natuurlijk vooral om te doen; in Florence kwamen avond aan avond 10.000 mensen naar de voorstelling kijken.

    De tegenstelling die deze foto op het eerste gezicht suggereert, tussen de oude wereld van het historische Europese culturele erfgoed aan de ene kant, en de moderne commerciële Amerikaanse toeristische showbusiness aan de andere, is door de tijd volstrekt ingehaald. Het massatoerisme, met meer dan 30 miljoen bezoekers per jaar, heeft van Venetië precies zo’n zelfde populaire show gemaakt als Buffalo Bill deed met de eigentijdse geschiedenis van zijn land. In beide gevallen wordt een kwetsbare werkelijkheid (die van een unieke historische stad respectievelijk die van miljoenen Inheemsen) onder de voet gelopen door een even massale als genadeloze commerciële exploitatie. De nauwelijks 50.000 in de Dogenstad overgebleven echte Venetianen zijn in deze parallellie de bewoners van een reservaat geworden. Dag in dag uit worden zij door de schietende cavalerie van vliegtuigen, cruiseschepen en bussen vol toeristen overvallen. The show must go on.

     


    Maarten Asscher (1957) is schrijver van romans, verhalen, essays en poëzie. Zijn laatste boek, De meteoriet en het middagdutje (2021), een bundeling van vijftig fotosyntheses, verscheen bij Uitgeverij Boom.

     

  • Fotosynthese 30 – Twee kisten

    Fotosynthese 30 – Twee kisten

     

    (klik op de foto om de achtergrond te zien)


    Vier rouwboeketten en ruim veertig belangstellenden, is dat veel of weinig? Ik heb me wel eens afgevraagd hoeveel mensen er bij mijn eigen begrafenis zullen komen opdagen. Vermoedelijk hangt dat af van de leeftijd waarop een mens ‘gaat’, zoals dat met een curieuze uitdrukking heet. Als je jong sterft, is de rouw massaal. Wie halverwege het leven doodgaat, mag ook nog op substantiële belangstelling rekenen. En voor wie ‘op zijn tijd’ overlijdt, zijn die vier rouwboeketten en veertig man publiek waarschijnlijk een alleszins redelijke score. In het land waar deze foto werd genomen was op dat moment de gemiddelde levensverwachting voor wie de volwassenheid had bereikt, ongeveer vijfenveertig jaar.

    ‘Veertig man publiek’, zei ik, want het springt direct in het oog dat er op deze begrafenis maar één vrouw te bekennen valt. Vele jaren terug was zij de inwonende huishoudster van de overledene, en kennelijk is zij haar werkgever niet vergeten. Voor het overige zijn het allemaal mannen, merendeels beter aan te duiden als ‘heren’, in pak en met stropdas, hun hoed respectvol in de hand en een uitdrukkingsloze blik op hun gezicht. Kleine kinderen zijn er ook niet. De overledene kon prima met kinderen overweg, maar hij bleef zijn leven lang ongetrouwd en had ze voor zover bekend zelf niet. Men veronderstelt zelfs dat hij bij zijn dood op zevenenveertigjarige leeftijd nog maagd was, maar dat zijn van die gegevens in een mensenleven die een biograaf nooit met honderd procent zekerheid kan verifiëren.

    Het is de dichter Fernando Pessoa die hier in zijn kist ligt, en de foto werd genomen op maandag 2 december 1935, twee dagen na zijn overlijden in het Franse Hôpital Saint Louis in Lissabon. Het gebouw op de achtergrond is vermoedelijk de kapel op de Cemitério de Prazeres, de negentiende-eeuwse begraafplaats van de Portugese hoofdstad. Voor kenners van de Portugese literatuurgeschiedenis vallen tussen de op deze foto vereeuwigde heren ongetwijfeld wel gezichten te identificeren van in de jaren ’20 en ’30 bekende tijdschriftredacteuren, plus een paar dichters en literaire journalisten. Naast enkele familieleden zien we verder diverse bazen van de handelsfirma’s waarvoor Pessoa als vertaler en correspondent werkte.

    Wie er ook tussen staat is zijn kapper, Manassés Seixas, die de dichter daags voor zijn overlijden nog had geschoren; bij hem thuis, zoals hun gewoonte was. In later jaren zou Manassés nog vaak geïnterviewd worden als ‘de barbier van Pessoa’. Op grond van hun vroegere affiniteit en hun vertrouwelijke omgang had hij van zeer dichtbij een unieke, bijna intieme kijk gehad op de man die na zijn dood zou uitgroeien tot de belangrijkste modernistische dichter van Portugal. Op deze ochtend heeft hij zijn kapperszaak speciaal gesloten om de uitvaart van zijn favoriete klant te kunnen bijwonen.

    Het ‘pièce de milieu’ op de foto is natuurlijk de kist op de eenvoudige, ietwat boertige draagkar. Het stoffelijk overschot zal onvermijdelijk zware sporen hebben gedragen van een door en door ongezonde levensstijl. Volgens zijn beste biograaf, de Engelse vertaler en criticus Richard Zenith, is Pessoa overleden aan een ileus, dat wil zeggen: een verstoring van de passage van voedsel door het darmstelsel. Als dat zo is, dan mag het een wonder heten dat de doodsoorzaak uiteindelijk niet levercirrose is geweest, zozeer had de dichter door zijn zware dagelijkse alcoholconsumptie dat vitale orgaan jarenlang op de proef gesteld.

    Vanaf zijn vroege jeugd, die hij deels in het Zuid-Afrikaanse Durban doorbracht, tot een dag voor zijn overlijden, had Pessoa de gewoonte om op losse velletjes papier, op de achterkant van rekeningen of enveloppen, in schriften en op briefpapier van de firma’s waarvoor hij werkte dichtregels te schrijven, aanzetten tot nieuw werk of losse ingevingen. Hij deed dat overdag en vooral ook ’s nachts, minstens zo compulsief als zijn alcoholinname, en de veelheid van persoonlijkheden (‘heteroniemen’) die hij daartoe in zichzelf opriep, verleent zijn productiviteit als dichter de proporties van een onbeheersbare epidemie. Die decennialange, obsessieve schrijfdrift onder ruim honderd schrijversnamen resulteerde bij zijn dood in een nagelaten kist vol met snippers, vellen, brieven, dagboekbladen, schriften en enveloppen. Men schat – een precieze telling schijnt door de veelheid niet mogelijk te zijn – dat het bij elkaar om meer dan 30.000 individuele manuscripten gaat. Het is dan ook niet verwonderlijk dat sinds 1935, met het groeien van Pessoa’s postume dichterlijke roem in en buiten Portugal, de opeenvolgende uitgaven van zijn verzamelde werken als een cascade van steeds grondiger inventarisatiepogingen over elkaar heen gebuiteld zijn.

    Daarmee kreeg die nagelaten manuscriptenkist in zijn onuitputtelijkheid een bijna mythische status, zeker in het licht van het feit dat Pessoa bij zijn leven slechts één kleine dichtbundel had gepubliceerd. In feite is deze dichter zijn hele solitaire leven lang bezig geweest om een kist te vullen, die op een dag de plaats zou innemen van de kist waarin zijn fysieke lichaam op deze foto uitgeleide wordt gedaan.

     


    Maarten Asscher (1957) is schrijver van romans, verhalen, essays en poëzie. Zijn laatste boek, De meteoriet en het middagdutje (2021), een bundeling van vijftig fotosyntheses, verscheen bij Uitgeverij Boom.

     

     

    Foto: Sascha de Boer

  • Verdomme…!

    Verdomme…!

    De averij opgelopen in 2016 blijkt onherstelbaar. ‘Hij was verdomme een van mijn oudste vrienden!‘, verzucht Edgar in 2021 bij de herinnering aan het achtste lustrum van zijn studentenjaarclub Honey Ball. Een negende lustrum zit er niet meer in.

    Terugblik

    Vijf jaar eerder hadden Marcel en hij het achtste lustrum georganiseerd. Ze waren toen nog met zijn vijven over. Hoewel ze elkaar onregelmatig zagen, vormden Edgar, Marcel, Ferdinand, Philip en Xavier altijd een hecht clubje gezworen kameraden. Zij hadden het allemaal min of meer gemaakt in het leven, de een als advocaat, de anderen als wetenschapper, bestuurder en diplomaat. Alleen Xavier zorgde soms voor gefronste wenkbrauwen bij de vrienden. Als politicus was hij verbonden aan een ultrarechtse partij en ventileerde hij zijn standpunten uitvoerig in de media. Hoewel zijn vrienden zijn opvattingen bepaald niet deelden, schaadde dat hun vriendschap niet, want, zo stelden zij, zo is Xavier nu eenmaal. Hij is altijd al erg bezig geweest met politiek en heeft een licht ontvlambaar karakter.

    Edgar had zich verheugd want zo’n lustrum was altijd ‘beregezellig’, er werden herinneringen opgehaald, er werd gezongen, gespeecht en vooral copieus gegeten en natuurlijk veel gedronken. Ook deze keer zou dat vast weer het geval zijn.
    Maar het liep anders: Kyra van Egmond, een politicoloog en onderzoeksjournalist had besloten een onderzoek in te stellen naar de wortels van het extreemrechtse gedachtegoed van Xavier Wiegman en haar oog was daarbij gevallen op Honey Ball. Zij wilde in het kader van haar onderzoek een gesprek hebben met alle leden van de club. Hiervoor had zij ieder van hen persoonlijk benaderd. Vanzelfsprekend leidde dit bij hen tot de nodige argwaan.

    Spookachtig

    In zijn boek De schaduw van een vriend belicht Maarten Asscher zo veel mogelijk kanten van wat vriendschap betekent. Edgar doet dit vanuit een basaal gevoel van eenzaamheid en van weemoed over een verloren vriendschap. Voor de viering van het achtste lustrum spreken de vrienden af alle vijf tijdens het diner een tafelvoordracht te houden van maximaal tien minuten, gewijd aan het thema vriendschap waarin zij elkaar niet mogen onderbreken. Deze opzet is gebaseerd op een romantische gewoonte uit de late 18e eeuw. In zijn voordracht verwijst Ferdinand naar een essay van Montaigne over de vriendschap en diens op de Oude Grieken gebaseerde uitspraak dat iemand zich al gelukkig mag noemen wanneer hij zelfs maar de schaduw van een vriend zou leren kennen. Als Xavier het in zijn voordracht over vriendschap echter gaat hebben over Honey Ball als een soort studentenweerbaarheidsvereniging en opgeeft over een vaderland ‘van vreemde smetten vrij’, is voor Philippe, maar ook voor de anderen de maat vol en is de pret voorbij. De avond eindigt in een ijzige sfeer. Asscher onderzoekt de betekenis van vriendschap echter niet alleen als intellectueel item, maar hij laat het de lezer ook doorvoelen in zijn sfeervolle beschrijvingen van de natuur en van de ambiance waarin ontmoetingen zich afspelen. Zo vindt het hoogtepunt van de lustrumviering plaats in een Edgar Allan Poe-achtige setting. Het diner wordt genoten in restaurant Crusoë op een eiland in het IJ met zicht op Amsterdam en spookachtig belicht door een ronduit spectaculaire zonsondergang. Het gezelschap wordt echter, zonder het te weten, in de bediening geassisteerd door serveerster Kyra van Egmond.

    Eenzaamheid

    Hoewel Edgar de hoofdpersoon is die terugkijkt op het lustrum van vijf jaar geleden, beschrijft Asscher zijn verhaal vanuit een wisselend perspectief. Hij onderzoekt de onderlinge relaties door beurtelings in de huid van een ander te kruipen. Hij hanteert hierbij zowel de ik- als de hij-vorm. Zo schept hij een zekere afstand tot het thema en versterkt hij de algemene geldigheid en actualiteit ervan. Asschers boek is een weerslag van de existentiële eenzaamheid van de westerse mens, wiens liberale maakbaarheidsdenken steeds meer in conflict komt met de problemen van zijn tijd. Zijn boek is een vlucht in de donkere kant van de late romantiek. Het is in zijn opzet ook niet voor niets geschreven als een terugblik van een verbitterde Edgar op een vroegere, niet meer bestaande vriendschap.

    Terwijl Asscher zijn hoofdrolspelers met liefdevolle weemoed portretteert, komen de bijrollen minder goed uit de verf. Zij blijven te veel steken in stereotypen. Dit geldt bijvoorbeeld voor Kyra van Egmond, die door Asscher wordt neergezet als een jonge vrouw, activistisch en verblind door het eigen gelijk om een old boys-netwerk bloot te leggen waarin een fascistisch gedachtegoed zou kunnen ontkiemen. Deze stereotypering wordt versterkt door de gezochte verhaallijn rond het gehannes met een mobiele telefoon waarin Kyra de hoofdrol speelt. Hoewel het boek daardoor een wat onevenwichtig karakter krijgt, versterkt het ook het door Asscher gewenste zicht op het grote gemis van een vriendschap van mannen onderling in clubverband. Oppervlakkig gezien ligt de schuld van de opgelopen averij bij Kyra, maar in werkelijkheid ligt deze natuurlijk in zowel de veranderde tijdgeest, waarvan Kyra slechts de representant is, als in een verstarde opvatting van wat vriendschap eigenlijk inhoudt als het verworden is tot een vorm van nostalgische kameraderie.

    Vriendschap in tijden van openheid

    Asscher heeft een heerlijk boek geschreven, waarin zijn eigen gemis aan oude vriendschapsbanden lijkt door te klinken. In overstijgende zin behandelt hij ook een belangrijk thema waarin de vraag centraal staat: ‘Hoe verhoudt de individuele mens zich tot zijn vrienden en de samenleving, waarin naast begrippen als solidariteit en trouw, ook maatschappelijke betrokkenheid een belangrijke rol spelen?’ Hij raakt daarbij aan verschillende actuele zaken in de maatschappij zoals openheid versus geslotenheid.

     

  • Fascinatie voor afbeelding leidt tot boeiende teksten

    Fascinatie voor afbeelding leidt tot boeiende teksten

    Rudy Kousbroek was een meester in het associatief filosoferen over foto’s die hem intrigeerden, en hij liet dat zien in drie boeken met zwartwit-foto’s die hij voorzag van een korte of langere mijmering. Zoals over het gevoel dat hem bekroop bij het kijken naar de foto van een voort sjokkend paard: hij vond dat het liep en keek alsof het naar zijn executie op weg was. En als de lezer goed keek, zag hij dat Kousbroek gelijk had. Fotosynthese is de naam die Kousbroek gaf aan deze combinatie van foto en tekst. De  fotosyntheseboeken die Kousbroek maakte (Opgespoorde wonderen, 2003, Verborgen verwantschappen, 2005 en Het raadsel der herkenning, 2007) zijn moeilijk te overtreffen. Maar Maarten Asscher komt een heel eind in zijn fotosyntheseboek De meteroriet en het middagdutje.

    Persoonlijke benadering

    Natuurlijk is de benadering van zo’n fotosynthese persoonlijk. Terwijl Kousbroek vooral de neiging had zijn fantasie los te laten op de afbeelding en primair lette op het gevoel dat hij bij het kijken kreeg, is Asscher meer bezig de merkwaardigheden te ontdekken die in de foto schuilgaan of die er de achtergrond van vormen. Een goed voorbeeld is de foto van een Amerikaanse vrouwelijke Siamese tweeling waarvan er één in het huwelijk wil treden en de ander wat sip terzijde staat, onlosmakelijk met haar zus verbonden dankzij een gemeenschappelijke bloedstroom. Asscher zoekt uit hoe de treurige levensloop van dit tweetal eindigde met het op 60-jarige leeftijd (vrij oud voor een Siamese tweeling) overlijden van de een en pas enkele dagen later de ander. Hij eindigt het relaas met de zin:’Die paar dagen verschil, toen de een al overleden was en de ander nog niet, daar probeer je niet aan te denken, wanneer je naar deze foto kijkt.’

    Asscher legde zichzelf bij het schrijven de beperking op dat de tekst 800 woorden moest zijn, een lengte waarmee hij goed uit de voeten kan, al zal het soms een beperking geweest zijn en soms toch een te royaal jasje voor het onderwerp.

    Meteoriet door het plafond

    Het omslag toont zes in pak gestoken heren, waaronder Asschers overgrootvader en kunsthandelaar Benjamin Asscher die een onbekende Rembrandt ontdekte en met deze vijf collega’s tijdens WO I naar de Verenigde Staten voer (geen ongevaarlijk onderneming) om daar voor veel geld het doek te verkopen. De heren poseren met een speelgoedboot en een teddybeer en Asscher verdiept zich in de vraag waarom zij deze attributen in de afbeelding toonden.

    De titel van het boek, De meteoriet en het middagdutje is gebaseerd op een minder raadselachtige foto dan die van de zes heren, want daar staat de vrouw op die op 30 november 1954 een middagdutje deed toen een ruim vier kilo wegende meteoriet door haar plafond viel en haar een blauwe plek in haar linkerzij bezorgde. Voor zover bekend de enige keer ooit dat een meteoriet een mens raakte.

    Asscher verzamelde 40 jaar lang foto’s die hem intrigeerden, uit de keuze die hij maakte voor deze vijftig syntheses is af te leiden dat niets hem te gek of te gewoon is, als het maar een aspect heeft waar hij als kijker gefascineerd door kan raken. Van honderd koks op het dak van een hotel in New York tot een foto van het rommelige bureau van Einstein, een dag na zijn overlijden genomen. En die fascinatie leidt dan telkens tot boeiende teksten. Mooie bundel.

     

  • Oogst week 25 – 2021

    De huilende molenaar

    Een hele rits aan titels heeft hij geschreven, een van Finlands meest bekende auteurs, Arto Paasilinna (1942 – 2018). Een aantal van zijn boeken is in vertaling bij uitgeverij Wereldbibliotheek verschenen maar veelal alleen nog tweedehands verkrijgbaar. Dat is jammer want Passilinna lezen is plezier hebben. Ondanks de thematiek. Passilinna neemt in zijn boeken de Finse moderne samenleving kritisch onder de loep, daarnaast zijn de dood, vrijheidsdrang en wraak belangrijke thema’s in zijn werk, maar hij beschrijft deze op licht-ironische en droogkomische manier.

    In De huilende molenaar gaat het om een eenling die in gedrag afwijkt van de dorpsbewoners. Waren zij eerst blij met zijn komst, – hij blijkt vriendelijk en behulpzaam-, gaandeweg keren zij zich tegen hem. Hij heeft namelijk de bijzondere gewoonte om, als hij somber wordt, te gaan huilen als een wolf.

    Het lijdt geen twijfel of Paasilinna maakt er weer een virtuoze vertelling van.

     

    De huilende molenaar
    Auteur: Arto Paasilinna
    Uitgeverij: Wereldbibliotheek

    De meteoriet en het middagdutje

    Vandaag 23 juni 2021 verschijnt bij uitgeverij Boom De Meteoriet en het middagdutje.

    Vijftig zwart-witfoto’s vormen de basis voor De meteoriet en het middagdutje. Aan de hand van die foto’s schreef Maarten Asscher korte, verhalende essays van achthonderd woorden. Het zijn onvermoede geschiedenissen, verrassende details en merkwaardige belevenissen. In de traditie van Rudy Kousbroeks ‘fotosyntheses’ waarin steeds beeld en tekst met elkaar in verbinding staan, roept de auteur zijn eigen verbazende wereld op, waarin een Japanse rotstuin, een neerstortende jachtbommenwerper, mijnwerkers in een liftkooi en een verdwenen watertoren onderling gaandeweg met elkaar verbonden raken.

    Om een indruk te krijgen kunt u hier op Literair Nederland drie fotosyntheses lezen, Personen, Bedrog en Stilleven, van Maarten Asscher in onze eigen, gelijknamige rubriek.
    Andere bijdragen in die rubriek vindt u hier.

    Maarten Asscher (1957) is schrijver van romans, verhalen, essays, gedichten en poëzievertalingen. Zijn meest recente boek is Een huis in Engeland. Roman van een kleinzoon (De Bezige Bij, 2020). Voor zijn vertalingen van de 35 Engelse sonnetten van Fernando Pessoa werd Asscher in 2011 genomineerd voor de Filter Vertaalprijs. In 2019 ontving hij de vijfjaarlijkse J.H. Donnerprijs vanwege zijn bijzondere verdiensten voor het Nederlandse boekenvak.

    De meteoriet en het middagdutje
    Auteur: Maarten Asscher
    Uitgeverij: Uitgeverij Boom

    De trotse bedelaars

    Een van de successen van het Schwob-initiatief, ‘de mooiste vergeten klassiekers’ is Albert Cossery. Hij werd geboren in Egypte, woonde het grootste deel van zijn leven in Parijs, maar bleef zich zijn hele leven een Egyptische schrijver voelen.
    Lezers die hem ontdekt hebben willen méér. Gelukkig kan dat. Na het succes van Grote Dieven Kleine Dieven, verscheen al snel De luiaards in de vruchtbare vallei, en nu komt daar ook De trotse bedelaars bij.

    In zijn column ‘Herontdekte meesters‘ schrijft Mathijs van den Berg op deze website dat de boeken van Cossery geschreven zijn in een ‘gebeitelde stijl’ met een ‘humoristische toon en bijtende maatschappijkritiek’.

    Het oevre van Cossery is klein, 10 boeken. De trotse bedelaars verscheen voor het eerst in 1955 in Parijs. Het speelt zich af in de broeierige schaduw van de steegjes, straten en pleinen in een grote Egyptische stad, in het milieu van hele en halve intellectuelen, anarchisten, dichters en revolutionairen, die uit overtuiging bedelaars zijn geworden.
    Voor hen betekent de gewelddadige moord op de prostituee ­Arnaba eigenlijk niet zoveel. Maar wie is de moordenaar? Rechercheur Nour El Dine, gekweld door zijn onfortuinlijke liefdesleven, verdenkt met name de eigenzinnige Gohar. Die houdt zichzelf maar net in leven met het bijhouden van de boekhouding van een bordeel en het schrijven van brieven voor de ongeletterde hoertjes. Gaandeweg groeit niet alleen de verdenking van de rechercheur voor deze zonderlinge figuur, maar ook de fascinatie die hij voor hem opvat

    Vic Veldheer schreef op deze website een recensie over Grote dieven kleine dieven, Rik van der Vlugt besprak hier De luiaards in de vruchtbare vallei.  

    De trotse bedelaars is vertaald door Rosalie Siblesz

    De trotse bedelaars
    Auteur: Albert Cossery
    Uitgeverij: Jurgen Maas
  • Fotosynthese 21 – Stilleven

    Fotosynthese 21 – Stilleven

    (klik op de foto om de achtergrond te zien)


    In de drie zichtbare muren van deze kamer zit geen enkel raam. Rechts buiten beeld is wel een lichtbron; daar bevindt zich het enige venster, dat uitkijkt op de cour achter het huis. Als je dat niet weet, zou deze ruimte ook heel goed een kelder kunnen zijn. De schaarse meubilering wijst in elk geval niet op gebruik als volwaardig deel van een woning: wat troepjes links op een stellage, een bed met een nachtkastje en een stoel ernaast en rechts nog wat rollen papier in de hoek, veel meer is het niet. Zou het, na het overlijden van de bewoner, de moeite lonen hiervoor een opkoper te laten komen? Op de juiste dag van de week de hele zaak aan de straat zetten, lijkt het meest voor de hand te liggen.

    Dat zou bepaald jammer zijn geweest, want op deze foto zien we het atelier van de Italiaanse schilder Giorgio Morandi (1890-1964). Met zijn drie zusters en aanvankelijk ook met hun moeder woonde de meester van het intieme stilleven van 1933 tot zijn dood in deze kamer. Deze ruimte in het appartement op de eerste verdieping van de Via Fondazza nr. 36 in Bologna was zowel zijn atelier als zijn slaapkamer. Die combinatie illustreert al de ononderbroken overgave waarmee Morandi decennialang met zijn schilderkunstige werk in de weer was. Tegen de linker muur staan een paar dozijn van de vaasjes, flesjes en potjes zoals hij die in wisselende opstellingen dag na dag in gedempte kleuren placht te schilderen. Toegegeven, hij heeft ook wel landschappen gemaakt en zelfs een enkel portret, maar zoals Chopin bijna uitsluitend voor de piano componeerde, zo wordt het kunstenaarschap van Morandi bepaald door zijn ontelbare pastelkleurige ‘spulletjestaferelen,’ met steeds weer nieuwe rangschikkingen van potjes, flesjes en vaasjes. Die werken dragen steevast de titel ‘Natura morte’, oftewel ‘Stilleven’.

    Hoe moet je je als liefhebber verbinden met een dergelijk, in zichzelf compleet kunstenaarschap? Critici en kunsthistorici slagen er zelden in om mij als lezer juist daar te raken waar het werk van Morandi zich door de jaren heen in mijn geest heeft genesteld, in een soort aparte geheugenkamer, waarin ik – net als de kunstenaar dat in het hier afgebeelde vertrek zelf deed – zowel kan rusten als kan werken. Ook collega-kunstenaar Luc Tuymans, dichter Yves Bonnefoy en schrijver Joost Zwagerman, die alle drie een bijdrage schreven voor de catalogus bij een grote retrospectieve tentoonstelling in Brussel in 2013, lijken het vooral over zichzelf te hebben, vervolgens over de kunstenaar Morandi, maar wat voegen zij toe aan diens werk? Dring ik dankzij al die woorden dieper door in de stillevens van de kluizenaar uit Bologna?

    Iemand die vanuit Nederland een gerichte, maar slechts aan weinigen bekende bijdrage aan Morandi’s werk heeft geleverd was de keramiekfabrikant Dirk van der Want, die ik enkele malen heb ontmoet. Geboren in 1927 in Gouda, was hij de laatste telg uit een geslacht van plateelbakkers, dat al sinds 1749 in de Zuid-Hollandse aardewerkstad actief was. Na de Tweede Wereldoorlog haalde de tijd de meeste van deze fabrieken in, en tot zijn verdriet was Van der Want degene die in 1984 na zo vele generaties het Goudse keramiekbedrijf van zijn familie moest sluiten. Hij was een muzisch, spitsvondig, attent mens en omringde zich graag met kleine overblijfselen van zijn grote familiegeschiedenis: porseleinen vaasjes, Goudse aardewerken bakjes, kleine stukken serviesgoed.

    Het verrast dan ook niet dat Dirk van der Want een groot bewonderaar van Morandi was, de tijdloze meester van het dingenstilleven dat in gedempte kleuren en grijstinten de wereld herschept op de schaal van een dienblad of een bijzettafeltje. Hij voelde zich zodanig met die stille picturale wereld en misschien ook wel met de persoon van Morandi verbonden, dat hij af en toe een doos met Goudse vaasjes, bakjes en schaaltjes naar de Via Fondazza nr. 36 in Bologna stuurde. En zo zijn sommige kleine aardewerken dingen van Dirk van der Want stilletjes wereldberoemd geworden, namelijk op de schilderijen van Morandi.

    Ik weet niet in welk jaar deze foto in het intussen tot museum getransformeerde appartement op de Via Fondazza nr. 36 is genomen, maar het zou heel goed kunnen dat op de stellage links een aantal van die Goudse keramieken spulletjes staan, die de in 2004 overleden Van der Want vanuit Gouda aan de door hem zo bewonderde Italiaanse kunstenaar heeft toegestuurd.
    Met dit verhaal in het achterhoofd krijgt het verlaten atelier van Giorgio Morandi in mijn ogen des te meer de allure van een faraonische grafkamer, zoals die van Toetankhamon, met grafgeschenken en kleine votiefbeelden die de gestorvene op zijn tocht naar het hiernamaals van pas zullen komen. Misschien is dat ook de manier waarop ik als bewonderaar van Morandi al die ooit in het echt geziene stillevens met me mee draag: als emblemen van toewijding, als voorstudies voor de eeuwigheid.

     

     


    Maarten Asscher (1957) is schrijver van romans, verhalen, essays, gedichten en poëzievertalingen. Zijn meest recente boek is Een huis in Engeland. Roman van een kleinzoon (De Bezige Bij, 2020). Later dit jaar verschijnt van zijn hand  een bundeling van vijftig fotosyntheses onder de titel De meteoriet en het middagdutje bij Uitgeverij Boom .

     

     

    Portret: Sacha de Boer

     

  • Fotosynthese 20 – Bedrog

    Fotosynthese 20 – Bedrog

    (klik op de foto om de achtergrond te zien)


    Dat hier iets zeer ernstigs, ja iets catastrofaals is gebeurd, is in één oogopslag duidelijk. Het totaal gestripte kerkje, waarvan niet alleen het dak is weggeblazen, maar waarbinnen ook niets van het interieur behouden is gebleven. Het zo te zien verkoolde struikgewas op de helling vooraan. Ook de huizen verderop staan er even verlaten als onbewoonbaar bij. Over de rivier die bovenin de foto stroomt lag vroeger een brug. Op de beide oevers zie je daar nog een restant van, maar van de overspanning zelf is niets over. Wat hier aan menselijk leven woonde is compleet weggevaagd. Maar door wat?

    Toen ik deze foto voor het eerst onder ogen kreeg, moest ik aanvankelijk aan vuur denken. Het hele tafereel ziet eruit alsof er een vlammenzee overheen gegaan is. Deze desolate resten associeer je met foto’s van Hamburg, na het massale Britse bombardement in de zomer van  1943 of met Dresden, Coventry of Rotterdam, maar dan op de schaal van een klein dorpje, ergens in… ja waar? In Europa, zou je zeggen, met dat geraamte van een christelijk kerkje op de voorgrond. Het is alsof je gevraagd wordt iemand te identificeren aan de hand van een skelet. Alle sporen van herkenbaarheid zijn verdwenen.

    De krachten die daar in deze foto voor hebben gezorgd zijn niet die van vuur, maar van water. Dit is wat er overbleef van het Zuid-Franse dorpje Nauzenac, gelegen aan de rivier de Dordogne op de grens van de Corrèze en de Cantal. In de jaren veertig van de vorige eeuw wilde men een stuwdam met een waterkrachtcentrale bouwen, teneinde de afhankelijkheid van steenkool te verminderen. De 95 meter hoge stuwdam, de ‘Barrage de l’Aigle,’ verrees volgens plan in de buurt van het plaatsje Soursac, en kon na voltooiing een massa van 220 miljoen kubieke meter water tegenhouden. Dat betekende wel dat een aantal dorpjes aan de bovenloop van de rivier ontvolkt moest worden, omdat het waterniveau daar tientallen meters zou stijgen. En zo verdween het hele dorpje Nauzenac onder water.

    Eenmaal per tien jaar moet aan zo’n stuwdam groot onderhoud worden gepleegd en dan laat men het daarachter liggende stuwmeer geheel leeglopen. Na een dergelijke ‘vidage’ is deze foto genomen. En zo kijken wij ineens weer naar Nauzenac, nadat het een jaar of  70 lang onder water heeft gestaan. Wat voor een vreemde gewaarwording moet dat zijn voor mensen die in dat dorpje werden geboren en daar als kind nog hebben rondgelopen, naar school zijn gegaan, de mis hebben bijgewoond in het kerkje?

    Die vraag stelde de Franse filmmaakster Gertrude Baillot zich ook en samen met Nicolas Duchêne wist zij drie mensen op te sporen die in Nauzenac ter wereld kwamen en daar hun jeugdjaren doorbrachten. Met die drie maakte zij in 2002 de fascinerende documentaire Les Enfants du Fond du Lac. Gedurende het eerste halfuur van de film doen de drie voormalige dorpsbewoners hun verhaal, aan de hand van foto’s, oude ansichtkaarten en plattegronden, afgewisseld met beelden boven en onder water van het bosmeer dat door de aanleg van de stuwdam is ontstaan. Gekleed in een roze mantelpakje vertelt Rolande Lamarche over haar grootmoeder, die naast de rivieroever de Auberge Raymond exploiteerde. De familiefoto’s waarop de intussen circa 65-jarige mevrouw Lamarche als meisje staat afgebeeld gaan tijdens het gesprek van hand tot hand.

    Maar dan, op 25 minuut en 49 seconden van de documentaire, kijken we van het ene moment op het andere ineens naar het leeggelopen rivierdal, en zien we Nauzenac na de Apocalyps. Afwisselend volgt de camera de drie hoofpersonen, terwijl zij in verbijstering naar hun vroegere geboortehuis lopen. Er staat nauwelijks iets van overeind. Zelfs de kelders blijken ingestort. Als souvenir wrikt een van hen een leisteen los uit het stoepje voor de verdwenen voordeur van zijn ouderlijk huis. ‘Il ne reste que ça?’ mompelt Rolande Lamarche, terwijl ze naar een troosteloze steenmassa kijkt. Alles waar ze in het eerste halfuur herinneringen aan hebben zitten ophalen blijkt verdwenen of onherkenbaar met de grond gelijk gemaakt: de school, de boerderijen, de herberg, de weg die tussen de huizen doorliep, de hangbrug over de rivier.

    Tegen het einde van de film – om precies te zijn in de 44ste minuut – gebeurt het onvermijdelijke. De onderhoudsbeurt aan de stuwdam zit erop, en de sluizen worden opengezet. In een angstaanjagend tempo komt het rivierwater weer omhoog om Nauzenac andermaal in de vergetelheid onder te dompelen. Misschien kunnen Rolande Lamarche, Georges Bordes en Gilbert Ternat met zijn vrouw Antoinette over tien jaar nog eens een kijkje nemen in deze onderwereld van hun autobiografische geheugen. Maar voorlopig – en dat is het slotbeeld van de film – zijn hun herinneringen weer diep weggestopt onder het oppervlak van het grote bosmeer. Daar zien we kinderen aan de waterkant spelen, mensen zwemmen, iemand gooit een hengel uit. Wat een lieflijk bedrog is het heden.

     

     


    Maarten Asscher (1957) is schrijver van romans, verhalen, essays, gedichten en poëzievertalingen. Zijn meest recente boek is Een huis in Engeland. Roman van een kleinzoon (De Bezige Bij, 2020). Later dit jaar verschijnt van zijn hand  een bundeling van vijftig fotosyntheses onder de titel De meteoriet en het middagdutje bij Uitgeverij Boom .

     

    Portret: Sacha de Boer

  • Fotosynthese 16 – Personen

    Fotosynthese 16 – Personen

     

    Klik op de foto om de achtergrondfoto te zien


    Wanneer je twee grote spiegels in een gestrekte hoek ten opzichte van elkaar plaatst, dat wil zeggen een hoek van 180º, dan zie je jezelf eenmaal weerspiegeld. Maak je die hoek kleiner dan 90º, dan weerspiegelen de spiegels ook elkaar en lijkt het alsof je met meerdere ikken bijeen bent. Hoe kleiner je de hoek tussen de beide spiegels maakt, des te groter wordt het aantal spiegelbeelden, totdat de spiegels recht tegenover elkaar komen te staan en je spiegelbeeld naar twee kanten in een eindeloze rij wordt herhaald. Deze foto is gemaakt met de twee spiegels in een hoek van ongeveer 72º, zodat de echte persoon – op de rug midden vooraan precies tussen twee van de spiegelbeelden in zit. Zo zie je vier complete weerspiegelingen, en lijkt op de foto een ‘gezelschap’ van vijf mensen bijeen te zijn. Dergelijke bedrieglijke opstellingen zijn van oudsher op kermissen en in amusementsparken te vinden, al zul je tegenwoordig ook wel apps hebben, waarmee je uit de losse pols zo’n vermenigvuldigings- effect kunt toepassen. Het aardige is dat je pas in tweede instantie ziet dat het vijf keer hetzelfde meisje is, zozeer lijkt haar gezichtsuitdrukking met de verschillende invalshoeken te variëren. En dat terwijl het in dit geval juist om een goudeerlijk en ongecompliceerd iemand ging, die zich bepaald niet anders voordeed dan ze was. Op deze getructe foto lijkt ze een jaar of zeventien te zijn. Twee jaar nadien ontmoette ze de liefde van haar leven, wat op een hopeloze en frustrerende teleurstelling uitdraaide, zoals tot in detail valt na te lezen in hun liefdesbrieven, die van beide kanten bewaard zijn gebleven.

    Haar naam was Ofélia Queiroz. Ze was geboren in 1900 en woonde in Lissabon. In november 1919 ging ze als typiste en vertaalster solliciteren bij de handelsfirma Félix, Valadas & Freitas op de tweede verdieping van de Rua da Assunção nr. 42 in Baixa, het commerciële centrum van de Portugese hoofdstad. Bij wijze van chaperonne was zij in het gezelschap van een dienstmeisje van haar zuster.
    Het kantoor bleek nog gesloten, maar even later arriveerde er een medewerker die met zijn verschijning meteen een onvergetelijke indruk op de negentienjarige Ofélia maakte. Hij was in de rouw, omdat kort tevoren zijn stiefvader was overleden, dus hij was geheel in het zwart gekleed, droeg een breedgerande hoed met zwart lint, een vlinderdas en een bril. ‘Hij liep,’ zo herinnerde Ofélia het zich vele jaren later, ‘alsof zijn voeten de grond niet raakten.’ Zijn broekspijpen zaten bovendien in zijn slobkousen gepropt. Ofélia kon haar lachen bijna niet inhouden, maar was tegelijk volkomen vertederd door deze onaangepaste verschijning, die uiterst verlegen informeerde wat de dames kwamen doen. Zo verliep de eerste kennismaking tussen de dichter Fernando Pessoa en de enige vrouw die een amoureuze rol van betekenis in zijn leven gespeeld heeft. Dat was geen gemakkelijke rol, zo blijkt op elke pagina van hun liefdescorrespondentie die pas in 1978 (zijn brieven) respectievelijk 1996 (de hare) werd uitgegeven.

    In Nederlandse vertaling werd de complete briefwisseling in 2005 in één band bijeengebracht. Ofélia Queiroz wilde niets liever dan dat haar ‘Fernandinho’ de grote liefde die hij voor haar zei te voelen zou omzetten in een toezegging met haar te trouwen, zodat zij met elkaar een bestaan konden opbouwen. Maar Pessoa had het in zijn hoofd veel te druk met zijn geobsedeerde werklust, verdeeld over een veelheid aan productieve ‘heteroniemen,’ in hemzelf bestaande onafhankelijke nevenpersoonlijkheden, die tezamen verantwoordelijk waren voor een in alle opzichten ontzagwekkend dichterlijk oeuvre, dat vooral ’s nachts tot stand kwam. Het zijne was een bezeten creatief bestaan waarin, ondanks de vertedering, de koosnaampjes, de liefdescadeautjes, de verliefde wandelingen en de ontelbare kussen op papier en in het echt, niet het hart regeerde maar ‘een andere Wet,’ zoals hij haar op 29 november 1920 in een afscheidsbrief liet weten.

    Wonderlijk genoeg herleeft hun liefdesverhouding in 1929, maar ook dan schrijft hij haar al spoedig in alle duidelijkheid: ‘Mijn leven draait […] om mijn literaire werk. […] Heel de rest is voor mij van secundair belang.’ Met een aan het onvoorstelbare grenzend optimisme blijft Ofélia het nog proberen, tijdens ongeregelde ontmoetingen, met begripvolle brieven en later nog – tot aan zijn overlijden eind 1935 op zevenenveertigjarige leeftijd – met felicitatietelegrammen op zijn verjaardag. Maar haar ideaal van liefdesgeluk legde het af tegen zijn ideaal van een onuitputtelijk dichterschap. Tegenover de diep toegenegen Ofélia stond een dichter die zichzelf, zonder hulp van kunstig opgestelde spiegels, in meer dan honderd dichterspersoonlijkheden had opgedeeld, en heel die menigte van productieve afsplitsingen wilde niets liever dan schrijven. Zelfs als Ofélia Queiroz, die in 1986 op zesentachtigjarige leeftijd overleed en haar verdere leven ongetrouwd is gebleven, in het echt met zijn vijven in plaats van in haar eentje was geweest, dan nog had ze geen kans gehad tegenover de overmacht van Pessoa’s heteroniemen.

     

     


    Maarten Asscher (1957) is schrijver van romans, verhalen, essays, gedichten en poëzievertalingen. Zijn meest recente boek is ‘Een huis in Engeland. Roman van een kleinzoon’ (De Bezige Bij, 2020). Asscher werkt aan een bundel met ‘fotosyntheses’, in de hoop dit door Rudy Kousbroek bedachte literaire genre in bloei te houden.

     

    Foto: Sacha de Boer

     

  • Meneer Maarten

    Meneer Maarten

    Aan het tafeltje naast mij zit een redacteur van een gerenommeerde uitgeverij te werken. Ze is zo verdiept in een manuscript dat ze mij niet ziet. Ze leest, overweegt en streept, maar eigenlijk zit ze net als ik te wachten. Zij en ik zijn niet de enigen. Verspreid over het etablissement zitten bekende koppen koffie te drinken. Eén zo’n niet alleen bekende maar ook markante kop loopt langs haar tafeltje en vraagt of zij ook gaat. Hij vraagt naar de bekende weg: degenen uit het wereldje die hier nu hun tijd doden, worden straks allemaal aan de overkant verwacht. Zelfs de ober weet wat er te gebeuren staat: het afscheid van meneer Maarten.

    Meneer Maarten was veertien jaar de baas van de boekwinkel aan de overkant van het plein. Hij was nog veel meer, zal later vandaag blijken. Voor dat vele en de wijze waarop hij zich van zijn taken kweet, krijgt hij, maar zover is het nu nog niet, een hoge koninklijke onderscheiding. Voorlopig zit ik nog aan de koffie en denk ik aan de keren dat ik Maarten Asscher sprak. Dat was niet vaak, en het waren ook geen hoogdravende gesprekken. Ze hadden slechts zijdelings met literatuur te maken. Zo herinner ik me een gesprek over een tot op de draad versleten bermudazwembroek. Omdat die zwembroek Maarten Asscher voor altijd doet denken aan zijn pelgrimstocht naar Sète, waar hij de graven van de door hem bewonderde dichters Paul Valéry en Georges Brassens bezocht, mag zijn maillot de bain – hoe vergaan ook – absoluut niet weg.

    We hadden het ook een keer over eekhoorns. Ik vertelde hoe ik in het Łazienki Park in Warschau een rode eekhoorn tot lezen had verleid, waarop hij mij vroeg of ik wel eens een eekhoorn had zien poepen. Nee dus. Onmiddellijk trok hij zijn telefoon en liet zien hoe hij er in Londen één op heterdaad had betrapt. Om ook deze anekdote nog enig literair cachet te geven: het poepen vond plaats op Russell Square, hartje Bloomsbury, bij Virginia Woolf om de hoek.

    Diepzinniger zijn mijn gesprekken met hem als hij er zelf niet bij is. Wanneer ik hem lees – ik ben nu bijvoorbeeld bezig in Toch zit het anders, de bundel die vanmiddag aan het eind van het afscheidssymposium wordt gepresenteerd, maar geen haar op mijn hoofd die er aan denkt dat boek hier tevoorschijn te halen – en me moet verhouden tot wat hij, stellig en met argumenten omkleed, beweert in de stukken die hij schrijft. Ook tijdens die gesprekken valt er nooit een onvertogen woord. Ik ben het bijna altijd met Maarten Asscher eens, of vind wat verder ter tafel komt – hij schrijft ook over onderwerpen waarover het hebben van een mening geen vereiste is – gewoon wetenswaardig en getuigen van een speelse, omnivore geest.

    Het wordt zo langzamerhand tijd om aan de overkant van de straat afscheid te gaan nemen. Over een paar uur weet ik dat Maarten Asscher fulltime schrijver wordt en zal ik me afvragen of het hebben van een zee van tijd wel goed voor hem is.

     


     

     

    Liliane Waanders komt wel eens ergens, ontmoet wel eens iemand en leest wel eens wat. Als dat met literatuur te maken heeft, schrijft ze er columns over.

  • Literatuur op tv: van cultuurbemiddeling via Van Dis naar boeken pluggen

    Literatuur op tv: van cultuurbemiddeling via Van Dis naar boeken pluggen

    Er is in de loop van de ongeveer zestig jaar dat er op televisie aandacht besteed wordt aan schrijvers en aan literatuur veel veranderd. Maarten Asscher vatte het tijdens het gesprek waarmee het symposium Literatuur op tv eindigde heel mooi samen: het initiatief ligt niet meer bij de schrijvers. De schrijver is een middel geworden. Als het al over literatuur gaat, gaat het niet over de inhoud, laat staan over de stijl of de structuur van een boek. Als een schrijver te gast is in een televisieprogramma dan wordt bijna altijd aan de hand van zijn of haar boek over iets anders of eventueel over hoe het is om herkend te worden in de supermarkt gepraat.

    Dat lag in de beginperiode van de televisie anders, bleek uit de inleiding van Jeroen Dera, die promoveerde op ‘literatuurprogramma’s in de vroege jaren van de Nederlandse radio en televisie’. Toen – in de tijd van Muze in spijkerbroek en Literaire ontmoetingen, dus in de jaren zestig – was er nog sprake van informatieve programma’s die cultuurbemiddeling en literaire positionering voorstonden.
    Dat ging niet zonder slag of stoot, want een relatie tussen literatuur en televisie lag niet voor de hand. Denkers – Dera noemde Postman, Finkelkraut en Bourdieu – en schrijvers – Greshoff, Salomons, Wadman, Kelk, Sierksma – achtten de kloof tussen de hoge cultuur waartoe de literatuur behoorde en het massacommunicatiemiddel dat de televisie was onoverbrugbaar.

    K. Schippers: vrijheid voor de maker
    Volgens K. Schippers – zelf gast en onderwerp in een van de drie afleveringen van Muze in spijkerbroek, maar als maker van Beeldspraak uitgenodigd op het symposium – moet je geluk hebben bij het maken van televisie. Dat geluk had hij in de jaren zeventig, toen hij samenwerkte met onder andere Jan Venema en Kees Hin. Journalistieke helderheid en fantasie in de vorm stond voor hem en zijn collega’s voorop. Dat leverde indringende portretten van en vaak verrassende gesprekken tussen collega-schrijvers op. Als je regisseurs maar de ruimte geeft, en niet van bovenaf of als redactie bepaalt dat het ergens over moet gaan.
    De schrijver K. Schippers deed vervolgens zijn voordeel met zijn ervaring als televisiemaker. Hij leerde er onder andere hoe lang iets moet zijn, en hoe je delen van een verhaal achter elkaar kunt plaatsen.

    Hier is… Adriaan van Dis vervulde volgens Maarten Asscher een scharnierfunctie tussen de programma’s waarin literatuur zichzelf toont en zichzelf is en de tegenwoordige aandacht voor literatuur die een verlengstuk is van door een uitgever in gang gezette promotie en marketing. Het is volgens hem het laatste boekenprogramma waarin nog heel inhoudelijk over literatuur gesproken werd zonder winstoogmerk – al wil hij op verzoek van gespreksleider Jeroen van Kan wel een uitzondering maken voor VPRO Boeken.

    Van Dis en het effect
    Adriaan van Dis is er zelf tijdens het symposium bij om het Van Dis-effect te relativeren. Hij maakte televisie in de tijd dat er maar twee zenders waren en nog geen afstandsbediening: ‘Je moest opstaan om mij uit te zetten.’ Die acht keer per jaar dat Hier is… Adriaan van Dis op televisie was, keken er tussen de 350.000 en 500.000 mensen. Daar zou een zendermanager vandaag de dag bedenkelijk bij kijken. Ook werd niet elk in het programma besproken boek een verkoopsucces, zoals wel gesuggereerd wordt.
    Volgens Van Dis had het geen zin om hele oeuvres te bespreken, maar moest het gesprek gaan over één boek, een boek waarvan de vertaling al verschenen was. En er moest een vonk overslaan tussen de kijker en de gast. Daarom verkocht Frans Pointl, die de perfecte schlemiel speelde, oneindig veel beter dan Michel Tournier die in dezelfde uitzending zat.

    Wat Van Dis en zijn redactie voor ogen stond was verheffen zonder te hurken. Adriaan van Dis zegt bij het maken van het programma ook nu nog – Van Dis maakt één keer per jaar aan de vooravond van de Boekenweek in de zendtijd van De wereld draait door een Hier is… – de Mulo-jongen die hij zelf was voor ogen te hebben gehad: een Mulo-jongen die hogerop wilde. Van Dis was een stapelaar in opleidingen, en studeerde uiteindelijk cum laude af aan de universiteit. Dat het programma elitair gevonden werd, is volgens Van Dis onterecht. ‘De elite kijkt geen televisie. De elite kijkt er op neer.’ De elite wil niet delen: als veel mensen een boek bijzonder vinden, kan het volgens die elite niet veel zijn.

    Van zuilen naar bastions
    Televisie mag dan voor uitgevers vanuit marketingperspectief een interessant medium zijn, in een post-verzuilde samenleving moeten auteurs volgens Adriaan van Dis heel hard werken om een nieuw boek via dat medium onder de aandacht van potentiële lezers te brengen: ‘De zuilen zijn afgebroken, maar er zijn nieuwe kleine bastions ontstaan van mensen die eigenlijk slecht met elkaar communiceren. Dus voor schrijvers is het niet zo makkelijk geworden. Ze moeten het verhaal wel twintig keer vertellen.’ Dat geldt ook voor de schrijver die Van Dis inmiddels is. Ten tijde van Hier is… Adriaan van Dis stond zijn schrijverschap nog in de kinderschoenen. Van Dis was toen nog vooral journalist, met een voorliefde voor reportages.

    Bibliobesitas
    Boudewijn Büch was ook een boekenbemiddelaar, maar wel van een andere orde dan Adriaan van Dis. Büch maakte zijn televisiedebuut in de documentaire Het verschijnsel B (1982) van Eline Flipse, waarin bibliofilie breed uitgemeten werd. Daarna rees zijn ster snel. Zijn biografie Eva Rovers schetst tijdens haar bijdrage zijn televisiecarrière: na vijf en daarna vijftien minuten zendtijd in De verbeelding kreeg hij zijn eigen boekenprogramma: Büch’s boeken. Büch richtte zich, en bleef zich richten, op mensen die nog geen goed gevulde boekenkast hadden, maar besprak niet alleen populaire boeken.

    Het programma dat hem wereldberoemd in heel Nederland maakte De wereld van Boudewijn Büch ging niet alleen, maar wel vaak over schrijvers die hij bewonderde. Toen dat programma in 2001 stopte, raakte Büch zijn inkomen, zijn reizen, zijn materiaal voor lezingen en andere schnabbels en zijn podium kwijt. Dat hij elke week bij Barend & Van Dorp mocht aanschuiven, verzachtte het leed enigszins.
    Boudewijn Büch leed aan bibliobesitas, en het was met name de mate waarin hij in staat was om zijn boekenliefde op anderen over te dragen waardoor Eva Rovers per se zijn biograaf wilde zijn. Ze wilde niet dat hij alleen te boek zou staan als de man die zijn leven verzon.

    Televisie versus zaaltjes
    In de loop van de omroepgeschiedenis vonden literatuur en televisie elkaar, ondanks de aanvankelijk voor onverenigbaar gehouden karakters. Niet altijd bewijst de televisie de literatuur een even goede dienst. Literatuur op televisie heeft beperkingen. Niet alles mag, maar ook niet alles kan. ‘Je kunt mensen in zeven minuten heel nieuwsgierig maken naar een roman’, zegt Connie Palmen in het slotgesprek. Maar op televisie haar visie op literatuur en/of de vorm van een roman toelichten gaat niet. Zo’n gesprek zou de kijker al gauw boven de pet gaan. Op televisie krijg je niet de tijd om het verhaal op te bouwen. Tijd die er tijdens een gesprek in een zaal wel is.

    Op de vraag wat het gevolg zou zijn als er helemaal geen boekenprogramma’s meer op televisie zouden zijn, antwoordt Maarten Asscher stellig: ‘het gesprek over literatuur wordt dan veel elitairder. Dat speelt zich dan af in de zaaltjes waar lezers, schrijvers, redacteuren, uitgevers, critici en ingevoerde mensen met elkaar over literatuur spreken.’ Hij hekelt het geringe bedrag dat, zeker in vergelijking met wat er betaald wordt voor de uitzendrechten voor voetbal, bij de publieke omroep beschikbaar is voor literatuur op televisie. ‘Er is zo’n verheffingsideaal verbonden aan de televisie, de hele missie van de publieke omroep: waarom komt daar niets van terecht?’

    De dode hoek van ‘Hilversum’
    Want dat er niets van terecht komt, is voor Asscher duidelijk. Hij gebruikt bijna dezelfde bewoordingen als K. Schippers, en zou graag zien dat de mensen die de programma’s maken weer wat meer de vrije hand krijgen.
    Asscher signaleert nog een ander manco: ‘Er is geen connectie tussen de literaire wereld in Amsterdam en de Hilversumse wereld van programmabonzen en zendercoördinatoren.’ Asscher had heel graag gezien dat ‘Hilversum’ Jeanette Winterson en/of Orhan Pamuk – beide auteurs waren recent in Nederland en traden voor uitverkochte zalen op in het kader van het tienjarig bestaan van SPUI25 – had gescout en die optredens (of een compilatie) dan wel een exclusief gesprek had uitgezonden.
    Jeroen van Kan ziet dat niet veranderen. Hij verwacht dat het twee parallelle werelden zullen blijven. Zelf grijpt hij voor VPRO Boeken zijn kansen. Dat programma is zo klein dat het zich onttrekt aan de kijkcijfernormen van de omroep. En dus zat Alan Hollinghurst daar toen hij recent in Nederland was en niemand anders op het idee kwam hem op televisie te interviewen.

    Op de valreep van het symposium gaat het toch nog over het programma bij uitstek dat de verkoop van boeken kan beïnvloeden. Is het terecht dat er met het nodige dedain over het DWDD-effect gesproken wordt? Helemaal niet, vinden Connie Palmen en Maarten Asscher. De acht bergen van Paolo Cognetti, een van de beste romans van dit jaar volgens Maarten Asscher, had het opkontje van het boekenpanel nodig om een bestseller te worden. Dat literatuur op tv van cultuurbemiddeling via Van Dis het pluggen van boeken is geworden, heeft dus voor de individuele spelers in het boekenvak ook voordelen.