• De zomerboeken van Lydia Fris

    De zomerboeken van Lydia Fris

    Medewerkers van Literair Nederland met hun boeken die meegaan op vakantie of deze zomer in eigen tuin gelezen worden.

    Lydia Fris kijkt ernaar uit in de zomer veel te lezen en noemt hier vijf titels die niet zullen ontbreken in haar vakantietas:

    Ik ben er niet – Lize Spit
    Ik ga leven – Lale Gül
    Een modern verlangen – Hanna Bervoets
    Het kattentheater – Mensje van Keulen, en
    Hoe ik talent voor het leven kreeg – Rodaan Al Galidi.

    Ten eerste Ik ben er niet van Lize Spit, waar ze al lang naar uitkijkt! Ze is nieuwsgierig naar de manier waarop Spit zo’n ingewikkelde ziekte als een psychose in een roman verwerkt. Het tweede boek is Ik ga leven van Lale Gül, omdat dit boek thema’s raakt die Lydia ook tijdens haar master exploreert: uitdrukking geven aan geloofsverlies in Nederlandse literatuur. Het derde boek is de (gesigneerde) verhalenbundel van Hanna Bervoets: Een modern verlangen. Afgelopen Boekenweek mocht ze een inspirerend gesprek met Bervoets voeren. Haar boeken hebben Lydia nog nooit teleurgesteld. Het vierde boek is Het kattentheater van Mensje van Keulen, die ze moet recenseren voor de krant en tot slot Hoe ik talent voor het leven kreeg van Rodaan Al Galidi, die al geruime tijd op haar lijstje stond en haar door vele vrienden is aangeraden.

     

    Lees hier meer van en over Lydia Fris.

  • De dialoog als romanskelet

    De dialoog als romanskelet

    De schrijver Giorgio Montefoschi is een van de meest gerespecteerde hedendaagse Italiaanse schrijvers. Zijn werk La casa del padre won in 1994 de Stregaprijs, de meest prestigieuze Italiaanse literatuurprijs. Het lichaam (2017) is in 2021 uit het Italiaans in het Nederlands vertaald onder de supervisie van Reinier Speelman. De vertaling van de tekst is mede tot stand gekomen in het kader van een cursus aan Universiteit Utrecht, vele studenten hebben  eraan meegewerkt. Het is niet enkel de oorspronkelijke taal, ook de setting die in de roman centraal staat ademt een Italiaanse sfeer. De stad Rome vormt het belangrijkste decor.

    Minimale verhaallijn

    Het lichaam gaat over Giovanni Dalmati, zijn vrouw Serena, de broer van Giovanni Andrea en diens vriendin Ilaria en nog enkele andere familieleden. We krijgen het verhaal voor het grootste deel te lezen vanuit het perspectief van Giovanni. In het begin van de roman krijgt hij een hartinfarct, waardoor Serena bezorgder en bezorgder wordt. Dat benauwt Giovanni en hij krijgt vervolgens een oogje op Ilaria. De twee hebben een kortstondige affaire die het huwelijk van Giovanni en Serena om zeep helpt en ook de band tussen de twee broers geen goeddoet. Wat Giovanni en Ilaria missen in hun eigenlijke partners en wel bij elkaar vinden, wordt in de roman niet voldoende uitgewerkt. Hierdoor voelt de hele romance uit de lucht gevallen en onnodig. Aan het einde van de roman is de relatie tussen Giovanni en Ilaria weer voorbij en lijkt de gewone gang van zaken voort te kabbelen zonder ingrijpende veranderingen. Er gebeurt in de roman heel weinig, de verhaallijn wordt teruggebracht tot het minimum. Veelal lezen we over de dagroutines van de verschillende familieleden; Andrea die voor de krant werkt, Giovanni die wandelingen maakt en Ilaria die haar eigen boetiek draaiende houdt. We krijgen het te weten als Serena boodschappen heeft gedaan, of als ze nog boodschappen moet gaan doen, en wat ze dan nog precies nodig heeft; we lezen wat voor wijn ze drinken en welke kleding ze dragen. Deze gedetailleerde schrijfstijl heeft als voordeel dat je een goed beeld krijgt van de Italiaanse liberale en intellectuele bourgeoisie waar deze familie onderdeel van uitmaakt, maar aan de andere kant kan al deze zijinformatie wat op de zenuwen gaan werken. Het gebrek aan een echte verhaallijn kan er gemakkelijk voor zorgen dat je de interesse in deze roman verliest.

    Familiesfeer in dialoogvorm

    De nadruk in deze roman ligt op relaties binnen een familie. We gaan van het ene gezamenlijke etentje door naar het volgende en als iemand ziek is, is de familie amper bij het bed van de zieke weg te slaan. Samen dagjes of weekendjes weg, samen naar de markt en noem maar op. Je krijgt als lezer een idee van hoe een familie er in Rome uit zou kunnen zien. Luxe is voor deze familie een sleutelbegrip. Giovanni en Serena wonen in de chique Romeinse wijk Prati. Het gevoel dat je een inkijkje krijgt in een Italiaanse familie die echt zou kunnen bestaan, komt mede door de vorm waarin het verhaal grotendeels is gegoten; de dialoog. De gesprekken tussen de personages bieden inzicht in hun belevingswereld. Dat wil echter nog niet zeggen dat het de meest krachtige of interessante dialogen zijn. Niet zelden gaan deze vele pagina’s zo: ‘“En, waren er paddenstoelen?” “Heel weinig,” antwoordde Giovanni vanaf de vensterbank. “Heeft het niet geregend?” “Nee. Het was de hele tijd droog.”’ De dialogen kunnen vooral worden opgevat als het skelet van de roman, waarop de rest steunt.

    Symboliek: lichaam en generaties

    Zoals de titel van de roman doet vermoeden, speelt het lichaam een belangrijke rol. De zestigjarige Giovanni wordt met name geconfronteerd met de beperkingen van zijn ouder wordende lichaam en de gebreken die het begint te krijgen. Hij beseft hierdoor dat het leven snel gaat en dat hij steeds kwetsbaarder wordt. Het verhaal bevat ook verschillende verwijzingen naar de dood, zoals het sterven van vriendin Ada en overlijdensberichten van dichters. Daar tegenover staat het nog fitte lichaam van Ilaria, die twintig jaar is jonger dan Giovanni. Haar lichaam wordt door hem tot een lustobject gemaakt, hij voelt een verlangen naar haar dat voortkomt uit zijn tegengestelde eigen fysieke conditie. Niet alleen hun lichamen zijn anders, ook hun economische situatie is dat; Ilaria is een alleenstaande moeder die hard moet werken in haar boetiek, Giovanni geniet van de welstand van zijn werk als advocaat. Het verhaal doet vermoeden dat Serena, Giovanni’s vrouw, ook nooit een echte baan heeft gehad. Zij praat voornamelijk over de kleinkinderen of het koken, en neemt aan inhoudelijke discussies geen deel. De personages staan zo symbool voor verschillende generaties en klassen.

    Tijd als thema

    De nadruk op de aftakeling van het lichaam en het gebrek aan een echte verhaallijn zorgen er samen voor dat een belangrijk thema van dit boek ‘tijd’ is. Ook al gebeurt er ontiegelijk weinig; tijd verstrijkt, sociale verhoudingen veranderen en het lichaam beweegt zich altijd naar het einde toe. Wie houdt van trage verhaallijnen in boeken en altijd al eens wilde snuffelen aan een Italiaanse sfeer, kan in Het lichaam een geschikte roman vinden, anders is deze roman niet aan te raden.

     

     

     

  • Wereldgeschiedenis van een leven

    Wereldgeschiedenis van een leven

    De uit 1987 oorspronkelijke Britse roman Moon tiger van Penelope Lively wordt door The Guardian ‘Een van de beste Booker Prize-winnaars aller tijden’ genoemd. Lively schreef naast vele romans ook werk voor kinderen en sleepte daarvoor de prestigieuze Carnegie Medal voor de kinderliteratuur in de wacht. Destijds keken veel recensenten besmuikt neer op Moon tiger en noemden het een ‘huisvrouwenroman’. In 2021 is de roman in het Nederlands vertaald door Dorien Veldhuizen. We volgen in Moon tiger het verhaal van Claudia Hampton, (omstreden) historicus, auteur en oorlogscorrespondent.

    Moon tiger

    Hoofdpersonage Claudia Hampton ligt op hoge leeftijd in een ziekenhuisbed in Londen en besluit een geschiedenis van de wereld te schrijven aan de hand van haar eigen leven. Het resultaat van deze niet erg bescheiden missie houden we, vermoedelijk, in onze handen. De vorm waarin ze haar wereldgeschiedenis giet, wordt door haar vergeleken met de lagen van gesteente: een verhaallaag als een gesteentelaag. Dit vormt een belangrijk verhaalmotief: ‘waarin ik u allereerst de grote sluimerende rotsen van het cambrium zal laten zien, en vervolgens een overgang maak naar de bergen van Wales, de Long Mynd, de Wrekin, van het ordovicium naar het devoon, rode en corbonide zandsteen’. Toch hebben de verschillende lagen waarin ze haar geschiedenis wil vastleggen meer de vorm van een maalstroom: ‘Mijn lagen zijn minder makkelijk waarneembaar dan die in het gesteente van Warwickshire en in mijn hoofd liggen ze niet eens in volgorde, maar vormen ze een draaikolk van woorden en beelden. Draken en moon tigers en Crusaders en Honeys’. Moon tiger wordt in het verhaal een wierookspiraal genoemd die ’s nachts langzaam opbrandt en uiteenvalt. Het eindigende leven van Claudia kan dus ook gerust vergeleken worden met een moon tiger. De wat onbekende term die de titel van de roman uitdrukt, staat dus symbool voor de structuur (en deels de inhoud) van de roman. Het is jammer dat dit er door Lively zo dik bovenop wordt gelegd; het verband tussen de titel en de roman kunnen we gemakkelijk zelf ontdekken.

    Wirwar aan verhaallijnen

    De opbouw van het verhaal is niet chronologisch; periodes in het ziekenhuis wisselen periodes in het oorlogsgebied in Egypte af, en stukken waarin Claudia nog kind is wisselen stukken af waarin ze een kind heeft. De verschillende verhaallijnen zijn desondanks goed te volgen. De verteller in het verhaal is vaak Claudia zelf, maar die vertelstem wordt afgewisseld door andere stemmen, waaronder die van haar broer Gordon, haar dochter Lisa en haar (ex)vriend Jasper. Al deze andere stemmen draaien alsnog om Claudia, en geven je daarmee een completer beeld van haar persoonlijkheid. Alhoewel dat op zichzelf een interessante constructie is, voegt het in deze roman niet zoveel toe. Al die verschillende stemmen bevestigen namelijk het beeld dat Claudia al duidelijk van zichzelf laat zien: ze is zelfingenomen, hard en beeldschoon. Ook als er een verteller optreedt die zich buiten het verhaal bevindt, heeft dit eigenlijk geen interessant effect omdat het geen nieuwe informatie of een boeiende invalshoek oplevert, waardoor het een holle constructie blijft.

    Geen sympathie

    Claudia Hampton wordt niet bepaald neergezet als een prettig mens. Natuurlijk hoeft de hoofdpersoon in een boek ook helemaal niet sympathiek te zijn, maar het is dan wel de kunst om de lezer ertoe te bewegen toch met het hoofdpersonage mee te leven. Sommige schrijvers lukt dit, maar Lively niet. De roman is scherp van toon, net als Claudia zelf. Ze toont Lisa nauwelijks liefde, en laat maar al te goed merken dat ze de vrouw van Gordon niet kan uitstaan door haar stelselmatig te negeren. De korte verhaallijn waarin Claudia zich bekommert om Laszlo, een buitenlandse jongen die tijdelijk in Londen verblijft en niet meer terug kan gaan naar Hongarije vanwege de onrustige situatie daar, laat eindelijk een prettige kant van haar zien. Ze neemt Laszlo in huis, zorgt voor hem, en ze ontwikkelen een hechte band. Blijkbaar heeft Claudia wel een zachte kant. Dit roept dan wel de vraag op waarom ze zich zo weinig bekommert om haar eigen dochter, en de lezer blijft met die vraag zitten omdat deze personages niet voldoende worden uitgediept, evenals andere personages in de roman. Ook al kan dat begrepen worden in de context van de roman als flarden levensgeschiedenis, de personages blijven zo te oppervlakkig om ze echt te begrijpen.

    Voorspelbaar gehalte

    Eén verhaallijn in Moon tiger gaat over de relatie tussen Claudia en haar broer Gordon. Ze lijken altijd met elkaar te concurreren, voeren non-stop discussies maar zijn tegelijkertijd met niemand zo hecht verbonden als met elkaar. Het is boeiend om over deze band tussen broer en zus te lezen. Het is echter onnodig en ongeloofwaardig in de romancontext dat deze twee zich tijdens de pubertijd ook seksueel tot elkaar aangetrokken voelen, en daarnaar handelen. Onnodig, omdat het de vermakelijke verhaallijn tussen broer en zus verpest en het ook geen rol in het verdere verhaal speelt. Daarnaast wordt deze plotwending ook niet goed uitgewerkt: al na enkele passages in het begin van de roman over Claudia en Gordon, voel je deze incestueuze romance aankomen. Toch moeten we tot bijna het einde van het boek wachten tot dit onthuld wordt. Zo’n lange ‘spanningsboog’ werkt niet als het voorspelbaar is, en daarnaast voegt de kortstondige relatie tussen volbloed broer en zus niets aan het verhaal toe.

    Geschiedschrijving

    Interessant aan het verhaal is dat er voldoende ruimte wordt geboden aan reflectiemomenten. Zo wordt er gereflecteerd op het schrijven van geschiedenis (‘Argumenteren is nu juist het wezen van de geschiedschrijving’), op de taal (‘onze taal is de taal van alles wat we niet gelezen hebben’) en op het vermogen te herinneren (‘Wat daar gebeurde, gebeurt nu alleen nog in mijn hoofd’). Vooral dat laatste krijgt een boeiende invulling als Claudia beweert zonder kleerscheuren of trauma’s uit de oorlog te zijn gekomen. Toch lezen we iets heel anders: het verlies van haar geliefde Tom Southern tijdens de oorlog heeft voor een diepgeworteld verdriet gezorgd bij Claudia. De manier waarop ze dus achteraf over de oorlog vertelt, vanuit de door haar gevormde en bewerkte herinnering, komt niet overeen met de manier waarop ze de oorlog echt ervaren heeft. Ook al doet ze alsof ze onfeilbaar is, ook zij is door de oorlog geschaad. De verhaalscènes die gaan over de oorlog zijn in dat opzicht belangwekkend voor de manier waarop herinneren ‘werkt’, ook al ontbreekt een duidelijke contextualisering van de oorlogscènes.

    Moon tiger laat veel te wensen over. Wel is het een toegankelijke ontsnapping uit de realiteit: als je niet te hoge verwachtingen hebt is het een geschikt boek voor op de bank, met je benen over elkaar en je voeten op tafel.

     

  • Doorreis naar het niemandsland

    Doorreis naar het niemandsland

    Nicole Krauss, zo stelt The New York Times, is één van de meest prominente Amerikaanse auteurs en een internationale literaire ster. Ze debuteerde in 2003 met Man komt kamer binnen, dat door de Los Angeles Times werd verkozen tot Book of the Year. Krauss publiceerde verhalen in The New Yorker, Esquire en Best American Short Stories. In 2020 kwam de verhalenbundel Een man zijn uit, in het Nederlands vertaald door Rob van der Veer. De 46-jarige auteur woont in New York, de plaats die naast Tel Aviv meermaals het decor vormt voor de verhalen in Een man zijn.

    Moment van omslag

    De verhalenbundel bestaat uit tien verhalen die los van elkaar staan. De hoofdpersonen in de verschillende verhalen hebben verschillende leeftijden en zitten in verschillende levensfases, waarmee Krauss toont dat haar schrijverschap niet gebonden is aan het schrijven over één bepaald type personage, alhoewel het wel opvallend is dat ze voornamelijk schrijft over hoogopgeleide mensen; in bijna elk verhaal wordt wel genoemd dat er een periode aan de universiteit voorbij is of voor de deur staat. Wat veel van de verhalen ook met elkaar gemeen hebben, en wat een belangrijke motor lijkt te zijn in de verhalen van Krauss, is dat de hoofdpersoon een heel duidelijk omslagpunt ervaart of heeft ervaren. Voor het ene personage is dat het besef te moeten stoppen met haar intensieve danscarrière, voor een ander het inzicht dat ze wellicht niet altijd bij haar vriend zal blijven, voor weer een ander de onderkenning dat hij niet veel langer als privésecretaris voor de grootste landschapsarchitect van Latijns-Amerika kan blijven werken. Een erg mooi verhaal waarin zo’n omslagpunt ook zit, gaat over Tamar, wier moeder ineens bezoek krijgt van een buitenlandse man die volgens de sociale dienst haar echtgenoot is. Alhoewel Tamars moeder zeker weet dat dat niet waar is, omdat haar man begraven ligt op de Yarkon begraafplaats, ontstaat er toch een band tussen haar en de vreemde ‘echtgenoot’. Tamar vertrouwt de vreemdeling niet en laat dat ook merken. Als een familielid, een baby, in het ziekenhuis belandt, is het echter de vreemdeling die zachtjes voor de zieke baby zingt. Tamar realiseert zich op dat moment dat de man een geschenk is voor haar moeder en voor de familie: ‘samen met het inzicht dat de mensen die vanuit het niets en nergens bij ons arriveren altijd alleen maar dat zijn: een geschenk dat we hebben ontvangen zonder er willens en wetens om te hebben gevraagd, met alleen de verwondering dat het leven telkens weer geeft en geeft’ (p. 241).

    Naderend onheil

    De titel van de verhalenbundel doet vermoeden dat de verhalen draaien om man-vrouwverhoudingen en alles wat daarbij komt kijken. En ja, liefde, seks en relaties spelen een grote rol in de verhalen: ‘[…] en probeerden te midden van alle verwarring binnen hun generaties iets te zeggen over wat het was om een man te zijn en wat het was om een vrouw te zijn, en of er van beide gevallen gezegd kon worden dat ze gelijk waren, of verschillend maar gelijk, of niet’ (p. 252). De vrouw wordt hierin vaak neergezet als krachtig en onafhankelijk, waarbij zij meerdere malen macht heeft over de man. Toch gaan de verhalen over veel meer dan over man-vrouwverhoudingen. Het gaat namelijk ook over geweld en wanorde. Door de hele bundel heen voel je gevaar naderen. Waar in het ene verhaal gasmaskers aan het Amerikaanse volk worden uitgedeeld, daar laait in het andere verhaal een ernstige bosbrand op. In het ene verhaal lezen we over een vluchtelingenkamp, en in een ander verhaal worden (vermoedelijk) joden in het geheim onder een laag beton begraven. De Holocaust is aanwezig in de gedachten van veel personages: ‘of het vreemd was om als Duitse man in bed te liggen met een Joodse vrouw wier grootouders de Holocaust hadden overleefd’ (p. 253).
    Dit naderend onheil is een interessant motief in de bundel.

    Een joods betekeniskader

    Dat beide ouders van Nicole Krauss joods zijn, laat ook zijn sporen na in haar verhalen. De verklarende woordenlijst achterin de bundel met woorden als ‘bat mitswa’, ‘rebbe’ (rabbijn), ‘talles’ (gebedsdoek) getuigt daar al van. Het joodse geloof speelt veelvuldig een onopvallende rol en veel is symbolisch te lezen. Dit geeft een interessante dimensie aan het werk, omdat de thema’s zoals man-vrouwverhoudingen en geweld nu in interactie met religie zijn. Krauss laat een aantal van haar verhalen afspelen in Israël, met name in Tel Aviv. Alhoewel de religieuze laag veelal op de achtergrond speelt in de verhalen, biedt het joodse kader de verhalen een extra betekenis die verder reikt dan wat je na oppervlakkige lezing zou vinden. Gebeurtenissen en reacties krijgen op die manier meer inhoud. Een belangrijk citaat ter illustratie is dit: ‘[…] maar als je de harde feiten buiten beschouwing laat, is het de gedachte van iemand die geworteld is op twee plaatsen en dus in geen van beide echt kan aarden’ (p. 229). Hiermee wordt de notie van de diaspora opgeroepen, de verspreiding van de joden over de wereld, waarbij zij geen vaste plek hebben kunnen vinden en dus ‘ontaard’ zijn. Dat gevoel van ontworteling komt bij verschillende personages in de verhalen terug. Zo werkt een vrouw in New York, maar voelt ze zich thuis in Israël, ook al was het een bewuste keuze om er vandaan te gaan. De ontworteling van de personages blijkt uit het verlangen van de personages het over een andere boeg te gooien, onder invloed van naderend onheil. Een verteller spreekt ook van: ‘de doorreis naar het niemandsland waar je volslagen weerloos staat’ (p. 270), waaruit ook die ‘ontaardheid’ blijkt.

    Korte ontmoetingen

    Krauss’ schrijfstijl is prettig en leest vlot, met hier en daar wat humor: ‘Brodman was twee weken dood, maar helaas, na twee weken keerde hij terug naar deze wereld’ (p. 33). De verhalen roepen wel een hele hoop vragen op, waar je geen antwoord op krijgt. Het blijven immers ook korte verhalen, waarin de lezer zich maar even kan hechten aan de personages, en al weer snel afscheid van ze moet nemen. Dat afscheid gaat niet zonder pijn in het hart, maar het is knap dat het Krauss lukt je snel weer een nieuw verhaal in te zuigen. Voor literaire vernieuwing of enorme originaliteit hoef je de bundel niet te lezen, maar Krauss’ verhalen zullen dankzij de universele thema’s zonder twijfel menigeen aanspreken.

     

     

  • Verbinden zonder te versmelten

    Verbinden zonder te versmelten

    De Amerikaanse Vivian Gornick (1935), bekend als feministe, criticus, journalist en essayist, heeft verschillende werken geschreven. Voor haar essaybundel uit 1997, in het Nederlands vertaald in 2020, Het einde van de liefdesroman, werd zij genomineerd voor de National Book Critics Circle Award. Dit interessante werk, dat werd vertaald door Caroline Meijer en wordt ingeleid door journalist en schrijver Marja Pruis, laat je nadenken over de relatie tussen vrouwen en mannen, leven en werk, over het huwelijk, en over deze thema’s in de literatuur.

    Los van het huwelijk

    Het einde van de liefdesroman is opgedeeld in hoofdstukken of essays en in ieder hoofdstuk staat een roman, een auteur of een thema zoals ‘Teerhartige mannen’ centraal. De bundel begint met Diana of the Crossways, een roman van George Meredith uit de late negentiende eeuw. In deze roman wordt niet het traditionele verhaal verteld over ontluikende liefdesgevoelens tussen een intelligente vrouw en een wilskrachtige man waarbij de strijd pas is beslecht als de vrouw zwicht voor haar gevoelens voor hem, maar juist het tegenovergestelde. Hetzelfde zien we in bijvoorbeeld The House of Mirth van Edith Wharton en Mrs. Dalloway van Virginia Woolf. In deze romans vechten vrouwen zich los van het huwelijk. Ze streven naar onafhankelijkheid, in plaats van romantische verbondenheid. Gornick stelt dat deze romans, en die van Meredith in het bijzonder, opvallend goed aansluiten bij de actualiteit. Maar wij kennen tegenwoordig toch heel andere sociale omstandigheden en een meer egalitaire verhouding tussen man en vrouw? Allemaal waar, maar waar het Gornick om gaat, is dat de sprong die hoofdpersoon Diana naar zichzélf maakt, ook een kenmerk is van onze eigen tijd: de gerichtheid op de individuele behoeften en ontwikkeling, en het besef dat de liefde daar niet voor nodig is.

    Literatuur als reflectie van het leven

    Veel van de werken die Gornick bespreekt, verbindt ze aan het leven van de auteur van het desbetreffende werk. Deze biografische inslag, die voor Gornick gerechtvaardigd is in de verbondenheid tussen het leven en werk van een kunstenaar, geeft een extra laag aan het geheel en zorgt daarmee voor meer diepgang. Zo gaat ze in op het huwelijk van Marian Hooper Adams (Clover) en Henry Adams, Henry’s boeken en de zelfmoord van Clover, of de beruchte relatie tussen de filosofen Hannah Arendt en Martin Heidegger. Gornick poogt te laten zien dat veel liefdesromans gebaseerd zijn op de eigen ervaring; literatuur als reflectie van het leven. De essaybundel is daarmee een vlechtwerk van biografische gegevens van auteurs en narratieven van de romans, die samen vertellen over gebroken huwelijken, affaires, passiviteit en bovenal: de zoektocht naar je innerlijke persoonlijkheid. Gornick zelf is tevens onherroepelijk aanwezig in iedere analyse die ze schrijft; ieder inzicht laat zich lezen als een zelfonderzoek van de auteur.

    Moeder-dochterrelaties

    Als feministe hadden we van Gornick ook niet anders verwacht: ‘de vrouw’ staat in haar werk centraal. Zij gaat in Het einde van de liefdesroman op zoek naar de manier waarop voornamelijk vrouwen, echte en fictionele, liefdesrelaties aangaan, en stelt daarbij dat álle intieme banden die mensen onderhouden geërotiseerd zijn. Het gaat er altijd om hoe je je met de ander kan verbinden zonder volledig in elkaar op te gaan, ‘hoe je tot de ander te verhouden zonder opgeslokt te worden, hoe afstand te nemen zonder je terug te trekken.’ En daarmee is het, zoals altijd, ook een zoektocht naar en worsteling met de eigen identiteit. Het gaat om de vrouw in relatie tot de man in het huwelijk, maar interessant genoeg gaat Gornick ook in op de meedogenloze verhouding tussen moeder en dochter. ‘Van Oedipus tot Freud wordt de strijd om een plaats in de wereld naar ons idee bepaald door een vader-zoonconflict, een geschiedenis van geweld en dadendrang die de verbeeldingsvolle handeling die zelfbeschrijving heet eeuwenlang heeft gevoed.’

    Gornick laat, eerdere denkers zoals D.H. Lawrence volgend, zien dat juist de moeder-dochterrelatie, in het bijzonder het (niet of moeizaam) loskomen van de dochter van de moeder, betekenisvol is in de literatuur. Volgens Gornick ligt dit aan de ‘dubbelzinnigheid’ die de vrouw eigen is. Hier schiet haar analyse wat tekort. Deze bestempeling doet geen recht aan de vrouw, het duwt haar weer in het hokje met connotaties als ‘onpeilbaar’, ‘grillig’ en ‘mysterieus’, waar we juist zo graag vanaf willen. Hoewel Gornick zich ervan bewust is dat er nog heel wat vastgeroeste patronen tussen man- en vrouwbeeld bestaan, stelt ze op andere momenten in de bundel de scheiding tussen man en vrouw strikter voor dan nodig, wat afbreuk doet aan haar algehele analyse.

    Betwistbaar standpunt

    De prikkelende titel van de bundel zien we terug in de titel van het laatste hoofdstuk, waarin ze betoogt waarom de liefdesroman niet langer zal bestaan. Het hele werk beweegt namelijk richting deze stelling: de liefde had niet het effect op ons dat we verwacht hadden, of waar we op hadden gehoopt, en daar getuigen vele romans van. De liefde maakte ons niet zachtaardig of empathisch, zij belemmerde ons in de zoektocht naar onszelf. We moeten volgens Gornick onder ogen zien dat het liefdesverhaal ons geen inzicht oplevert; het is niet het enige verhaal dat ertoe doet.

    Hoewel Gornick goede punten aandraagt, helder schrijft en meestal goed te volgen is, is het goed mogelijk dat ze je niet overtuigt van haar standpunt over de stand van de liefdesroman en de liefde in het algemeen. Het werk laat immers maar één zijde van de munt zien: die van ongelukkige huwelijken en relaties, van voornamelijk vrouwen (uit bijna louter Engelstalige literatuur) die er niet in slagen zichzelf te vinden dankzij de ander. Ook is het karakter van de hedendaagse literatuur met Gornicks inzicht in tegenspraak, omdat deze jongste literatuur juist laat zien dat personages op zoek zijn naar (niet zelden romantische) verbinding met anderen. De liefde leidt wellicht inderdaad niet altijd tot een geïntegreerde persoonlijkheid, toch is het vaak de relatie met anderen die tot zelfinzicht leidt.

    Denken als doel

    Het einde van de liefdesroman stelt interessante vragen, waarop Gornick gewaagde antwoorden geeft. Naast het feit dat je veel leert over Engelstalige auteurs en hun romans, leer je ook veel over Gornick. De zoektocht naar jezelf, en de realisatie van je innerlijke zelf, wordt volgens haar niet langer gevonden in de romantische liefde: eeuwenoude romans getuigen daar van. Een interessante stelling, en of je het er mee eens bent of niet het zet je hoe dan ook tot denken aan. En dat kan nooit kwaad.

     

     

  • Vertel me wie je kent en ik zeg je wie je bent

    Vertel me wie je kent en ik zeg je wie je bent

    Lisa Huissoon (1995) won de Nieuwe Types Afstudeerprijs voor een vroege versie van Alle mensen die ik ken, die ze schreef als literair eindwerk van de schrijfopleiding Creative Writing aan ArtEZ. Het debuut, met als ondertitel ‘Een leven verzameld’ laat je even verrast als perplex achter. Dit is iets anders dan je ooit eerder hebt gelezen. We hebben met Alle mensen die ik ken niet te maken met een roman of traditionele non-fictie. Het houdt je vast en laat je tegelijkertijd telkens weer keihard vallen. Het boek bevat namen, om precies te zijn gaat het om 2131 namen, van mensen die de schrijfster van het werk kent. Deze namen zijn gerangschikt volgens alfabetische volgorde.

    Digitaal namenboek

    Dubbele namen (Tim komt bijvoorbeeld wel twaalf keer voor) krijgen een klein cijfertje erbij, als een kwadraatteken. Onder de vetgedrukte naam staat in het klein waar de schrijfster deze persoon van kent. Op deze manier komen we te weten dat de schrijfster op korfbal heeft gezeten, Taal- en cultuurstudies heeft gestudeerd aan Universiteit Utrecht, bij verschillende vestigingen van de Albert Heijn heeft gewerkt, lid is van een facebookgroep die zichzelf ‘Babypinguïn’ noemt, en ga zo maar door. Vaak blijft het bij een zakelijke opsomming van gegevens: ‘Michiel. Begeleider. Slow Writing Lab. Nederlands Letterenfonds, Amsterdam.’ Sommige namen krijgen na de opsomming van objectieve gegevens echter een extra stukje tekst waarin de schrijfster herinneringen deelt die te maken hebben met die specifieke persoon.

    Op deze manier ontstaat er een uitgebreid netwerk van namen van mensen die Lisa Huissoon allemaal op de één of andere manier kent. De vormgeving doet denken aan een digitaal namenregister. Namen die onderstreept zijn, verwijzen naar eerder genoemde of nog te noemen namen in het boek, alsof het hyperlinks zijn waar je op kunt klikken. Dit digitale netwerk van onderstreepte of becijferde namen past goed bij het Facebooktijdperk waarin we leven: het web houdt bij wie we kennen en hoe we iemand kennen, om ons vervolgens allerhande voorstellen van vriendschaps- connectie- en volgverzoeken voor te schotelen.

    Relationeel zelfportret

    In het juryrapport van de Nieuwe Types Afstudeerprijs stond zeer treffend: ‘Ze creëert een zelfportret door zelf afwezig te zijn.’ Lisa Huissoon leren we kennen door de mensen die zíj kent: hoe zij ze kent, wat ze over hen vertelt en of ze iets over hen vertelt. Het boek past helemaal bij wat tegenwoordig het ‘relationele paradigma van de literatuur’ wordt genoemd. Jonge schrijvers schrijven over wat het betekent om een mens te zijn of er een te worden, ‘in een wereld vol met anderen die met hetzelfde bezig zijn’ (Van Dijk en Olnon 2015). Er wordt een constructie van een ‘ik’ gemaakt door in te gaan op de relaties die de ‘ik’ heeft met anderen, omdat de ‘ik’ mede door al die anderen gevormd wordt. Dat is precies wat er in dit werk gebeurt. De lezer leest over ontmoetingen die de schrijfster heeft gehad, over relaties met haar vrienden, buren, collega’s en geliefden.

    Maar niet die buren, vrienden of geliefden staan in de spotlight, het is de schrijfster zelf die in het middelpunt van de belangstelling staat. Daarmee is dit werk ontzettend interessant, een gewaagd experiment, dat geslaagd is in het neerzetten van een nieuw type verhaal waarin de lezer steeds brokjes nieuwe informatie over de schrijfster krijgt. Ze is immers overal te vinden. Bij Matthijs (1) schrijft ze bijvoorbeeld onder anderen: ‘Ik vind het lief dat iemand dat [een traan door een lach] de grootste tegenstelling vindt’.
    Dat betekent echter nog niet dat alles wat de lezer voorgeschoteld krijgt ook daadwerkelijk boeiend is. Over Olivia (1) komen we, ter illustratie, te weten: ‘Olivia had twee vlechten tot aan haar heuptasje met regenboogprint.’ Deze informatie kan dan wel een herinnering van de schrijfster zijn, voor de lezer voegt het niet echt iets toe. Vaak moet je het helaas met gelijksoortige informatie doen.

    Komisch en intiem

    Huissoons droogkomische schrijfstijl werkt vaak op de lachspieren. Zo schrijft ze bij Paul een complete skincare routine van acht stappen uit die zijn huisgenoot Robin dagelijks doorloopt, of vermeldt ze bij Lucas (3): ‘Ik heb zijn tong in mijn mond gehad en zijn nummer aan mijn contactenlijst toegevoegd’.
    Het geheel is eerlijk en minimalistisch opgeschreven. Sommige keuzes die de schrijfster gemaakt heeft roepen vragen op: waarom krijgt beste vriend Bart geen extra tekstje en de klant in de Albert Heijn of de rijinstructeur wel? Waarom krijgt haar broer een uitgebreide tekst en haar zusje alleen het woord ‘Liefste’?

    Het werk is, vanzelfsprekend, geconstrueerd: er zijn strategische keuzes gemaakt waarvan de resultaten bijdragen aan een beeld dat de schrijfster over zichzelf wil neerzetten door dit werk. Een belangrijke keuze lijkt het om een vrolijk boek te willen schrijven. Het is een leuk boek; blije ontmoetingen en relaties hebben bijna alle ruimte van het werk ingenomen. Aan nare ontmoetingen of relaties zijn weinig woorden gewijd.
    Een nadeel is echter dat het boek nog voordat het verscheen al niet meer compleet was, niet meer up to date. Alle nieuwe mensen die Huissoon nog ontmoet zullen moeten hopen dat ze nog een boek zal schrijven, om ook hun naam vereeuwigd te zien staan in haar werk.

    Literair experiment

    Een leestip: lees dit boek niet als een roman. Het is niet spannend, bevat louter cliffhangers die niet worden ‘opgelost’ en is niet geestverrijkend. Kort gezegd: je leest geen verhaal zoals je het gewend bent, en het kan daarmee behoorlijk vervreemdend werken. Ook al krijg je een beeld van wie Lisa Huissoon is, je krijgt nooit helemaal grip op haar, zelfs niet als personage van haar eigen verhaal. Je raakt verstrikt in een labyrint van relaties, proberen het te ontwarren loont niet omdat het werk niets méér wil zijn dan wat het is: een register van namen van mensen die de schrijfster kent. Het boek past bij het tegenwoordig veel gelezen en gewaardeerde genre van de life writing waarin een schrijver over het eigen leven schrijft, maar is tegelijkertijd ook weer van een heel andere aard. Kortom: een geslaagd literair experiment, mits je door de goede leesbril leest.

     

     

  • Personificaties en opgeheven zwaartekracht in romandebuut

    Personificaties en opgeheven zwaartekracht in romandebuut

    Dat Marije Langelaar (1978) zich al lange tijd thuis voelde in de poëzie is duidelijk te merken in haar romandebuut In het jaar van de rode os. Het verhaal staat bol van de personificaties: ‘De schemer trok alle kleuren weg, legde ze elders weer neer’ en de beeldspraak is levendig: ‘eensklaps was het alsof ik in haar lichaam kon kruipen, dwars door de stramme stof van haar jurk.’ Dit maakt haar schrijfstijl intrigerend en opvallend. Ook al wordt er in de roman een verhaal verteld, de schrijfstijl richt de aandacht tevens op de taal waarin het poëtische is terug te zien. Eerder schreef Langelaar de poëziebundels De rivier als vlakte (2003), De schuur in (2009) en Vonkt (2017) waarvoor zij meerdere malen in de prijzen is gevallen.

    De roman bestaat uit de drie delen, ‘Land’, ‘Lasso’ en ‘Brieven aan de condor’, die allemaal zo’n 45 pagina’s beslaan en samen een ‘drieluik’ vormen. Het eerste deel wordt verteld vanuit het ik-perspectief van een jong meisje. Haar moeder is zwanger en moet veel rusten. In de vakantie wordt het meisje naar het huis van haar oma gebracht, die daar samenwoont met haar vriendin Pien. Het meisje, wiens identiteit wat in het verborgene blijft, is veel buiten te vinden, soms met haar vriend Jacob. Ze gaat op zoek naar wormen, zwerft over het land of schommelt hoog in de lucht. Een hevige, maar kortdurende storm teistert het land waardoor niemand naar buiten durft te gaan.

    Een met de natuur

    We volgen het perspectief van het jonge meisje en zo ook haar gedachten, die doordrongen zijn van ernst. Ze denkt na over het kind in haar moeders buik, over haar moeder zelf, en als ze danst met Jacob denkt ze: ‘Ik bedacht dat we net twee holle buizen waren, nauw tegen elkaar aangedrukt, met in elk daarbinnen een trom. Ik dacht aan zijn luchtpijp. Zijn slokdarm.’ Deze diepzinnige en aparte gedachten zorgen ervoor dat je zoekt naar meer, wellicht naar een symbolische betekenis in het verhaal. Het is immers ongeloofwaardig dat een jong meisje over zoiets nadenkt. Het realistische gehalte van het verhaal schuift naar de achtergrond. De vele personificaties in dit deel van het verhaal brengen tevens een diepere betekenislaag tot leven. De natuur krijgt hierin namelijk menselijke eigenschappen toegeschreven: ‘Wanneer dit onbesuisde groeien niet zou stoppen dan kon het niet anders dan dat de tuin dichtslibde op dezelfde manier als de aders vlak voor een hartaanval’. Aan de andere kant zien we ook het omgekeerde gebeuren: ‘We gedroegen ons als struiken’. Mensen worden als natuur voorgesteld. De ik-figuur voelt zich één met de natuur: ‘Ik werd me bewust van de plek waar ik de aarde raakte. Ik voelde elke teen.’ Het dieperliggende niveau van het eerste deel lijk te draaien om de verhouding tussen mens en natuur en de versmelting daarvan in de taal.

    Dystopische werkelijkheid

    In het tweede deel van het verhaal zijn we terechtgekomen in een voorstadium van de Apocalyps, waarin de zwaartekracht voor een groot deel van de tijd niet meer werkt. De lezer wordt meegenomen in een dystopische werkelijkheid: ‘Een zwiep in het zwaartekrachtveld, zo ging die dag de geschiedenis in. Het was raar, ineens viel ik naar boven. Het was een radeloze val in de lucht. Het was een afgrond en een hemel tegelijk.’ In dit deel is de ik-figuur een vrouw geworden. Ze is in de ban van een man, Roan, die ze ‘Vogel’ noemt omdat ze hem op een vogel vindt lijken. Samen met deze Vogel zoekt ze naar houvast. De ik-figuur, die zich in dit deel voorstelt aan de Vogel als ‘Effi’, komt in aanraking met een radicale milieuactiviste, Julia. Deze Julia ziet in het verdwijnen van de zwaartekracht een schreeuw van de aarde; de menselijke wetten moeten weer plaats maken voor die van de natuur. De ik-figuur geeft haar gelijk: ‘We hadden met onze roofklauwen alles wat miljoenen jaren nodig had gehad om op te bouwen uit de aarde gegraaid, gestrooid met de giftige resten om er nu in te stikken.’ De storm uit het eerste deel van het verhaal is in dit deel uitgegroeid tot een regelrechte nachtmerrie. De verhouding tussen mens en natuur is hier in de figuur ‘Vogel’ verder tot een versmelting gekomen. De taal die in dit deel klinkt, vraagt ook weer aandacht voor zichzelf door de vele Engelse zegswijzen: ‘no kidding’, ‘face’, ‘whatever’. Het laat zien dat de ‘ik’ is opgegroeid.

    In ‘Brieven aan de condor’, ziet de wereld er weer anders uit. De ‘ik’ maakt nu gebruik van Spaanse woorden, heeft een baby en is in Zuid-Amerika beland, op een plek waar ze zich niet vrij voelt. Ze schrijft brieven aan een condor, een vogel, omdat ze gelooft dat ze zelf ook ten diepste een vogel is, dat ze bij de condor hoort. De werkelijkheid waarin de ‘ik’ met haar baby leeft is een postmoderne, maar haar realiteit is anders dan die van anderen. Het postmoderne zien we terug in de grensvervaging tussen mens en dier en de onbepaaldheid van tijd en ruimte. Haar dochter is ook meer dan mens alleen. De hoofdpersoon zegt over de regels die horen bij de menselijke systemen het volgende: ‘Niet dat ik me aan die restricties ga houden natuurlijk. Ik zou een steen worden, een stuk hout of een stuk papier krakend in de wind.’ De systemen die op aarde regeren zouden de ik-figuur in een levenloos object doen veranderen, mits ze zich daaraan onderwerpt. Het laatste verhaaldeel lijkt zo nog meer de nadruk te leggen op de eenheid van mens en natuur, mens en dier. De mens gaat aan de door mensen gemaakte, niet-natuurlijke wetten en systemen ten onder en moet zich aan de natuur geven, iets dat de hoofdpersoon ons voordoet.

    Engagement en ecokritiek

    Dit alles maakt het romandebuut van Langelaar een geëngageerde roman, die oproept anders om te gaan met de natuur en de aarde. Het werk is goed te lezen vanuit de theoretische benadering ecocriticism, die de natuur centraal stelt en in onderzoek steeds meer terrein wint. ‘Niets op dit stukje land was zeker, de grond slechts geleend van het arme water dat aan ons trekt, dat aan de dijken vreet, het gras ontwortelt en zwammen in het hout jaagt.’ Ga goed om met wat aan je uitgeleend is. Een indrukwekkende roman die prettig leest, aandacht vraagt voor de taal waarin het is geschreven en de lezer prikkelt na te denken over de relatie tussen mens en natuur. Een knap debuut waar nog tal van interessante dingen over te zeggen zijn en doet verlangen naar meer.