• Schilderes van stillevens in woorden

    Schilderes van stillevens in woorden

    Het beroemdste korte verhaal in de literatuur is waarschijnlijk dat van Ernest Hemingway: ‘For sale: baby shoes, never worn’. Zes woorden en in Nederlandse vertaling (‘Te koop: babyschoentjes. Nooit gedragen’) zelfs maar vijf. Het is de vraag of Hemingway het zelf bedacht heeft, want er bestaan vrijwel gelijkluidende advertenties uit oude kranten. In elk geval zág hij er het verhaal in.
    Eén van de verhalen uit het eind vorig jaar verschenen Onze vreemden van Lydia Davis is getiteld ‘Excuses voor het storen’. Het beslaat twintig pagina’s met zo’n tweehonderd van dergelijke zinnen uit oproepen in kranten, buurtapps of Facebook.  Ze zijn door Davis verzameld omdat ze steeds weer een verhaal doen vermoeden. De adverteerders beginnen hun vraag af en toe met een excuus voor de storing van de lezer – vandaar de titel van deze verzameling. Davis rangschikt de oproepen bovendien zo dat ze onderling samen lijken te hangen door een chronologie: ‘Mahoniehouten sopraan-ukelele van Ohana met koffer. In perfecte staat, nauwelijks aangeraakt’ wordt bijvoorbeeld gevolgd door ‘Ukelele weg! Dank u.’  Ook deze verbindingen doen weer verhalen vermoeden: waarom werd de ukele afgedankt? Wie nam hem over? Leerden de twee personen elkaar kennen?

    De Amerikaanse Lydia Davis (1947) is naast schrijver vertaler van Franse literatuur (onder andere Proust). Haar eigen werk omvat voornamelijk essays en korte verhalen. In die laatste categorie geldt zij min of meer als ‘the Queen of the short story’. Dat wordt bevestigd door de talloze prijzen die ze ontving. Ook in het Nederlands is veel werk van haar verkrijgbaar.

    Boekenlegger

    Onze vreemden is opnieuw een sterk staaltje van hoe ze met een paar woorden een hele wereld of een karakter weet neer te zetten. Bijvoorbeeld in ‘Smachtende oude vrijster’ dat er in zijn geheel zo uitziet:

    Wat is het
    dat haar heel licht aanraakt in het bad
    terwijl ze achterover ligt in het warme water?
    Ach,
    een drijvende boekenlegger…

    Dat lukt Davis ook in de wat langere stukken, zoals ‘Winterbrief’, met zijn veertien pagina’s het langste in de bundel. Het is een brief van een moeder aan haar ‘kinders’. Ze is met haar man op een vakantie en ze schrijft ‘wat we zoal hebben uitgevoerd’. De dagen brengen weinig opwinding met zich mee, maar onderhuids komt de lezer van alles te weten over de relatie tussen haar en de vader van haar kinderen zonder dat daar over wordt uitgewijd. Dat gebeurt hooguit in verzuchtingen als ‘Ik weet dat dit niet erg boeiend is, maar zo is ons leven.’

    Zoutkorrel

    Veel van de verhalen bevatten niet echt een pointe. Het zijn eerder sfeerschetsen of observaties, die vaak poëtisch zijn. Hoe sterk is bijvoorbeeld deze bijna-haiku (zowel in het Engels als in het Nederlands wordt niet strikt aan het aantal vereiste lettergrepen voldaan) ‘Achternamiddag’:

    Zo lang als de schaduw is,
    die over het aanrecht valt,
    van deze zoutkorrel.

    Davis beschrijft situaties die je aandacht vestigen op eigenaardigheden van de taal of van  intermenselijke contacten. In het titelverhaal ‘Onze vreemden’ lezen we onder andere (de verteller is verhuisd en heeft dus een nieuwe buurman): ‘door wat we met elkaar gemeen hebben worden we samen een soort familie. We lijken op een familie en niet op een familie, aangezien we als vreemden bij elkaar zijn gekomen en een tijdelijk verbond vormen, terwijl familieleden vaak vreemden voor elkaar worden en alleen nog verbonden blijven door bloed. Een buurman wordt een soort neef of ouder. En anders wordt een buurman een bittere vijand, een ondraaglijke aanwezigheid die je grondgebied belegert’. Waarna in dit verhaal nog eens tien andere schetsen van mogelijke verhoudingen tussen buren volgen.

    Commotie

    In enkele verhalen laat Davis zien hoe zij / haar personages betrokken zijn bij bijvoorbeeld het milieu. Dat gebeurt bijvoorbeeld in het verhaal ‘Brief aan de Amerikaanse Posterijen inzake een affiche’ waarin de verteller zich druk maakt over verzending van bestellingen in te grote verpakkingen – zeer herkenbaar; en in ‘Best Who gives a C’, een brief die gaat over de opdruk van zo’n tekst op verpakking van WC-papier. Daarmee word je als koper liever niet gezien (‘Who gives a C’ betekent ‘Iedereen heeft er sch*** aan’), schrijft ze de fabrikant.

    Davis schrijft geen letter teveel. In haar verzameling beschouwingen De schoonheid van weerbarstig proza uit 2019 staat een essay waarin ze uitlegt hoe ze soms maanden kan doen over één zin. Aan de hand van een voorbeeld laat ze zien hoe die ene zin steeds weer werd bijgeslepen. Dat leidt tot een beknoptheid en kernachtigheid waarin alle overbodigheid is weggesneden. Een prachtig voorbeeld is het verhaal ‘Treinincident’. Daarin wordt met humor en zonder opgeklopte bewoordingen de commotie beschreven die de ik-figuur in een treincoupé veroorzaakt als ze naar het toilet moet en wil voorkomen dat haar spullen worden gestolen.

    Wellicht het mooiste stuk in Onze vreemden is ‘Hoe hij in de loop van de tijd is veranderd’. Het is de beschrijving van de teloorgang van een voormalige geleerde die steeds meer van de zinvolle invullingen van zijn leven verliest waar hij een grote waarde aan hechtte. Zonder dat Davis uit is op effectbejag voel je steeds meer compassie met de man.
    Een paar jaar geleden zei Davis in een interview met The Guardian dat ze in dit verhaal (toen nog alleen los gepubliceerd in een Amerikaans magazine) een fictieve gedaanteverandering van Thomas Jefferson in Donald Trump voor ogen had. Dat wetend wordt de beschrijving zoveel groter en tragischer: in nog geen acht pagina’s lezen we hier het mentale verval van de VS.

    Onze vreemden is meesterlijk en overrompelend.

     

     

  • Oogst week 9 -2024

    Mijn moeder lacht

    De Belgische regisseur Chantal Akerman (1950 – 2015) begon al op jonge leeftijd met films maken, en is vooral bekend van de film die zij op 25-jarige leeftijd maakte en die wordt beschouwd als een van de eerste en grootste voorbeelden van de feministische film: Jeanne Dielman, 23 Quai du Commerce, 1080 Brussel uit 1975. De film werd in 2022 door het Britse Film Institute uitgeroepen tot ‘beste film aller tijden’.

    Daarvóór had zij al diverse films op haar naam staan waaronder Hotel Monterey (1972) en Je, Tu, Il, Elle (1974), maar ook daarna heeft zij nog tal van films gemaakt. Akerman was en bleef een inspiratie voor een hele generatie regisseurs.

    Akerman kwam uit een Joods-Pools gezin. Haar moeder met wie zij een hechte band had, was een overlevende van Auschwitz. Haar grootouders stierven daar. De band met haar moeder en de oorlogsgeschiedenis van haar familie zijn terugkerende thema’s in haar werk.

    Akerman schreef Mijn moeder lacht toen ze haar moeder verzorgde toen die in 2013 op sterven lag. Mijn moeder lacht gaat over haar jeugd, de ontsnapping van haar moeder uit Auschwitz, haar liefde voor haar vriendin C. en de angst voor de tijd na het overlijden van haar moeder.
    Niña Weijers schreef het voorwoord bij Mijn moeder lacht.

    In het Paleis voor Schone Kunsten in Brussel is vanaf half maart t/m half juli 2024 een expositie over het werk van Chantal Akerman te zien.

    Meer informatie over Chantal Akerman is terug te vinden op de website van de Chantal Akerman Foundation.

    Mijn moeder lacht
    Auteur: Chantal Akerman
    Uitgeverij: Uitgeverij Koppernik (2024)

    Starfighter

    Binnenkort verschijnt er bij uitgeverij Palmslag het boek Starfighter van Jan Kloeze.
    Op de flaptekst is te lezen: ‘Aanvankelijk is Job een dromerige jongen die in de jaren tachtig opgroeit met een onverdraagzame vader en een behoeftige moeder. Hij is bereid ver te gaan om zijn ouders het hoofd te bieden; hij kruipt in de grond, brengt een offer, strijdt letterlijk tegen het leger, dreigt bij partnerruil zijn vaders plaats in te nemen en schaart zich aan de kant van het zwarte schaap in de familie. Steeds echter blijft hij met lege handen achter.

    Jaren later kenmerkt zijn volwassen leven zich door voorzichtigheid. Hij durft niet meer voluit te leven. Gedwongen door zijn vrouw treedt hij toe tot een therapiegroep aan de Waal. Daar wordt hij als het ware wakker geschud. Hij verandert in een handelende man die na het overlijden van een vriendin besluit tot een radicale actie. Dat zet een reeks gebeurtenissen in gang, alsnog leidend tot de confrontatie met zijn verleden.’

    Jan Kloeze (1959) studeerde met Starfighter af aan de ‘Schrijversvakschool’ Amsterdam.

    Starfighter
    Auteur: Jan Kloeze
    Uitgeverij: Uitgeverij Palmslag (2024)

    Onze vreemden

    Onze vreemden is een verhalenbundel van de Amerikaanse Lydia Davis. Daarin treffen de mensen elkaar kortstondig, op allerhande plaatsen en in allerlei situaties. Davis observeert en constateert. Ze schrijft over toevalligheden en over gewone dagelijkse zaken.

    Davis (1947) schrijft (ultra) korte verhalen, romans en essays. Met haar The Collected Stories (in het Nederlands in twee delen verschenen als Bezoek aan haar man en Varianten van ongemak), brak ze internationaal door. In 2013 ontving ze voor haar oeuvre de Man Booker International Prize.

    Davis is ook vertaler. Ze vertaalde o.a. werk van Proust, Foucault en Flaubert al dan niet met haar eerste echtgenoot Paul Auster. Ook selecteerde en vertaalde ze korte verhalen van ‘onze’ korteverhalenschrijver A.L. Snijders die in 2016 in de bundel getiteld Grasses and Trees verschenen.

    Haar verhalen zijn heel kort, 1 tot 3 pagina’s, soms zelfs alleen een paar zinnen, zoals op pagina 14 het verhaal ‘Een klein beetje’ over Agnes Varda:

    ‘Agnes Varda, de Franse filmregisseur,
    zei tijdens een interview
    dat ze het leuk vond om een beetje te naaien
    een beetje te koken, een beetje te tuinieren, een beetje voor de
    baby te zorgen,
    maar alleen een klein beetje.’

     

     

    Onze vreemden
    Auteur: Lydia Davis
    Uitgeverij: Uitgeverij Atlas Contact (2023)
  • Geschikte verhalen

    Geschikte verhalen

    In Brummen wordt de krant onregelmatig bezorgd, vaak helemaal niet. Eigenlijk zijn we zo gewend dat er geen krant komt, dat we verrast zijn als hij er wel is. De krantenjongen krijgen we nooit te zien. Een keer hoorde ik hoe hij de krant door de brievenbus duwde. Het was of ik voor het eerst een ijsvogel, waarvan ik wist dat die er was, te zien zou krijgen. Ik snelde naar beneden, trok de voordeur open, riep “Hé, hallo! maar weg was hij. De afgelopen week was er geen krant. Eerst omdat het sneeuwde, toen omdat het dooide. In plaats van de krant doornemen aan de keukentafel, zijn we overgegaan tot het elkaar voorlezen van verhalen. Hoewel, ik lees voor. Mijn lief luistert, gedwee. Als ik zeg, ‘zal ik een verhaal voorlezen?’, zegt hij, ‘…Toe maar’, alsof ik hem een trucje wil laten zien. Soms lees ik een zeer kort verhaal, soms een wat langer. Afhankelijk van de hoeveelheid geduld die er in de lucht zit. 

    Het is als samen een modewinkel binnengaan (waar ik nooit kom, maar stel je voor), ik weet welke jurk ik wil, deze pas, koop, en klaar. Ga ik daarentegen besluiteloos wat kleerhangers heen en weer staan schuiven in rekken met blouses en truien, dan verdwijnt de gedweeheid. Tijdens het voorlezen van een lang verhaal ben ik daarop bedacht, of er niet teveel in gedraaid wordt, het ergens heengaat. Of, liever nog, je ergens mee laat zitten. Dan zijn het geschikte verhalen. Gister las ik ‘Projecties’ van F.B. Hotz voor. Over een man die voor twee nachten zijn vijfjarige kleinzoon, wiens ouders aan hun relatie moeten werken, te logeren heeft. De tijd moet om, ze gaan een middagje naar het strand. Daar, terwijl de man zijn colbert uittrekt, deze met precisie  opvouwt, in een tas legt, daarna een schoen uittrekt, verdwijnt het kind. Ik lees: ‘Mark was weg.’ ( Mijn liefs adem stokt een tel) ‘Hij was verdwenen; door de grond verzwolgen, weggeblazen.Van hieruit door een duivel in zee gekwakt en, niet gewend aan golf en branding, meteen verdronken. Of een meer aardse gruwel had hem in een tent gesleurd. Misschien vermaakte een morsige krankzinnige zich giechelend met hem in de kleedhokjes verderop.’ (een diepe zucht).

    Ik lees verder: ‘Grote kwaadheid kwam over me. Klootzak! dacht ik; al in de eerste minuut verspeel je het kind dat je toevertrouwd is. Je hebt meer belangstelling voor je colbertje. Dat moest zo nodig in een tas; opgevouwen nog wel.’ Het kind wordt ongeschonden teruggevonden. Het ging om de man die zichzelf niet meer kon zijn in bijzijn van het kind.

    Vanmorgen las ik leunend tegen het aanrecht dit zeer, zeer korte verhaal van Lydia Davis voor: ‘In een belegerd huis woonden een man en een vrouw. Vanwaar ze ineengedoken in de keuken zaten, hoorden de man en de vrouw kleine ontploffingen. “De wind,” zei de vrouw. “Jagers,” zei de man. “De regen,” zei de vrouw. “Het leger,” zei de man. De vrouw wilde naar huis maar ze was al thuis, daar midden op het land in een belegerd huis.’ Een geweldig verhaal voor bij het aanrecht.

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem, leest de krant als die er is, zoekt naar verhalen.

     

     

     

  • Kloppen op deuren

    Kloppen op deuren

    Het was vroeg in de ochtend, warm en veelbelovend. Een veelbelovendheid die plakkerig en teleurstellend door de stroperige hitte zou wegsijpelen, zoals altijd. Ik was op weg naar huis. Vanuit de verte zag ik een vrouw staan die met onderzoekende blik de voorgevel van een huis afzocht. Een vrouw zoals je ze niet zo vaak meer ziet. Groot en bevallig, het kastanjebruine haar, met grijs doorschoten als een in één vloeiende beweging opgedraaide suikerspin om het hoofd gevormd en vastgezet met ivoren kammetjes. Dat laatste verzin ik, want ik kon niet echt zien of de kammetjes van ivoor waren. De donker houten voordeur van het huis zag er niet uit alsof die plotseling geopend zou worden. Het onkruid stond hoog opgeschoten. Verraad van een desolaat leven.

    De onderzoekende vrouw stapte naar achteren de straat op, legde haar hoofd in haar nek en keek naar de bovenverdieping. Hopende op dat, wat bij de voordeur niet verscheen, daarboven kon worden verwacht. Dat ze iets verwachtte was duidelijk. Een gordijn dat licht bewoog, een schim die zich terugtrok, een raam op een kier. Ik fietste de onderzoekende vrouw voorbij en keek opzij naar de woekerende heg, de smalle doorgang naar de voordeur, een groencontainer half op, half naast het pad. De onderzoekende vrouw moet iets met het leven in dat gesloten huis te maken hebben gehad, begreep ik. Want dat zie je tegenwoordig niet meer. Mensen die voor een dichte deur staan. Of het moet de pakketbezorger zijn. We weten tegenwoordig altijd waar iedereen die tot ons leven behoort, zich bevindt. We gaan elkaar niet zomaar meer bezoeken. Daar gaan dagen van planning aan vooraf.

    De onderzoekende vrouw had iets herkenbaars, iets traditioneels en strijdbaars, als een suffragette van voor de oorlog. Of als van een moeder die zich door niets laat tegenhouden als het om het welbevinden van haar kind gaat. Of als de vrouw die er van overtuigd is dat haar man, die haar verlaten heeft, nog van haar houdt. Zoals de vrouwen uit de verhalen van Lydia Davis. Vrouwen die kloppen op deuren van appartementen, argwanend rond het huis sluipen op zoek naar een spoor van hun vroegere bestaan. Die achteruit lopend het huis waar ze dachten welkom te zijn, onderzoekend en verwachtingsvol afspeuren op een aanwezigheid die hen verwelkomt. Vrouwen die steeds opnieuw hun eigen handelen en dat van hun (ex)-man analyseren om daarmee de uitkomst naar hun hand te kunnen zetten. En terwijl ze  beter weet, komt ze er al analyserend op uit dat hij, die ze zoekt, een goede reden heeft om er niet te zijn.

     

     

     

  • Een roman in een roman die maar geen roman wil worden

    Een roman in een roman die maar geen roman wil worden

    Lydia Davis is een veel geprezen schrijfster van (ultra) korte verhalen. In 2013 ontving ze voor haar bundel verzamelde verhalen de Man Booker International Prize. Twintig jaar geleden schreef ze haar eerste en tot nu toe enige roman, die nu heel mooi in het Nederlands is vertaald door Peter Bergsma. Lydia Davies schrijft prachtige zinnen, is een taalkunstenares, maar slaagt er niet in de lezer 250 pagina’s lang te boeien.

    In dit boek doet de vertelster minutieus verslag van een verloren gegane liefde. Al direct in het begin is duidelijk dat de relatie is verbroken en gaat het verhaal vooral over de obsessie van haar voor haar ex-geliefde. Zij is docente aan een universiteit, waar zij een 12 jongere student ontmoet: ook een dichter, boekenwurm (liefhebber van Faulkner) die in zijn onderhoud voorziet door te werken als pompbediende. Over hem komen we verder weinig te weten: centraal in het verhaal staan de zielenroerselen van haar en de manier waarop zij probeert met de verbroken relatie om te gaan. Zowel vertelster als ex-geliefde hebben geen naam omdat dat niet van belang is voor het verhaal dat Davis wil vertellen. Daarin staat haar obsessie centraal. Het verhaal eindigt wanneer zij erin is geslaagd die te beteugelen.

    Eén van de kenmerken van een roman is de ontwikkeling van een karakter, de loop van een verhaal. In deze ‘roman’  gaat het evenwel vooral om de herinneringen van de vertelster waarmee ze probeert haar verhouding te (re)construeren. Daar  heeft zij veel woorden voor nodig: ze probeert na te gaan wat er in haar is omgegaan, wat ze op diverse momenten in die relatie heeft gedacht, ze loopt alle ruzies na om te achterhalen aan wie het lag, ze twijfelt vaak aan de juistheid van haar herinnering, gaat zich gebeurtenissen inbeelden, etcetera. Als lezer  raak je in verwarring: wat eerst als een feit werd gepresenteerd, blijkt later in haar herinnering misschien toch anders te zijn. Ze gaat relaties aan met andere mannen om zo haar ex-geliefde te kunnen vergelijken. Ondanks dit alles krijgen de twee naamloze hoofdpersonen nauwelijks karakter en van een ontwikkeling is in het verhaal geen sprake. Kauwen en herkauwen en daarmee verwerken, dat is waar we pagina na pagina over lezen.

    Zoals gezegd kan Davis prachtig schrijven; een voorbeeld:

    ‘Nadat hij me zo abrupt had verteld dat het uit was, had ik voor niets anders meer belangstelling. Wat hij me nu aandeed, het feit dat hij niet bij mij was maar bij iemand anders, was een substantie geworden die door mijn hersenen sijpelde, die wegebde, weer oprees, aanwezig was en dan verdwenen, als een geur of smaak. Hij vervaagde een tijdje, en dan was ik me ervan bewust dat hij niet in me was. Dan rees hij plotseling, zonder enige reden, weer op en liet zijn bitterheid overal uitwaaieren en in doordringen.’

    Dat haar taal soms te ver is doorgevoerd , moge blijken uit het volgende citaat:

    ‘Die avond opnieuw op hem te moeten wachten, zonder dat hij kwam, creëerde een donkere ruimte als een grote kamer, een kamer die zich vanuit mijn kamer opende voor de nacht en hem vulde met donkere luchtstromen. Omdat ik niet wist waar hij was, leek de stad groter, en regelrecht mijn kamer binnen te komen: hij was op een of andere plek, en die plek, hoewel mij onbekend, was aanwezig in mijn gedachten en school als iets groots en duister in mijn binnenste. En die plek, die onbekende kamer waar hij was, waar ik me voorstelde dat hij was, met iemand anders, werd ook een deel van hem, zoals ik me hem voorstelde, zodat hij anders werd, hij omvatte die onbekende kamer en ik omvatte die ook, omdat ik hem in die kamer omvatte en die kamer hem.’

    Een tweede laag in het verhaal heeft te maken met het feit dat de hoofdpersoon een roman aan het schrijven is over…een verdwenen liefde! En die roman wil maar niet vlotten, ze is onzeker over de opzet, ze weet niet welke ervaringen ze wel en welke ze niet in die roman wil opnemen. Die onzekerheid wordt gevoed doordat ze onzeker is of haar herinnering de juiste is. Zo haalt ze verschillende van haar telefoontjes aan hem aan, maar weet dan niet meer of het een of meer telefoontjes waren. Ze wil daarover iets in haar roman zeggen en schrijft dan:

    ‘Ik schijn twee verslagen van een van deze telefoontjes en de dagen eromheen te hebben geschreven. Het eerste heb ik net weer opgedoken, en het lijkt minder nauwkeurig en sentimenteler. Ik zeg bijvoorbeeld dat het me pijn deed dat hij me vertelde dat hij met een andere vrouw omging omdat ik hem nog steeds in een hoekje van mijn hart droeg. Nu zit het idee dat mijn hart een hoek zou hebben me dwars, zoals ook andere dingen in de zin me dwarszitten. Ik zei ook dat ik me herinnerde hoe gelukkig het me maakte hem te horen lachen en hem te zien glimlachen, wat beslist niet waar was.’

    Het verwarrende is dat in het verhaal de telefoontjes een betekenis toegedicht krijgen, maar door de afweging of ze opgenomen zouden moeten worden in haar roman komt die betekenis in de lucht te hangen.

    De relatie tussen feit en fictie is erg dun, duidelijk is dat die roman moet gaan over de verdwenen liefde waar het verhaal ook over gaat. Dat brengt je als lezer in de war omdat de waardering van een gebeurtenis tweeledig is: wat in het verhaal gebeurt, sneuvelt in de fictieve roman en andersom. Voeg daarbij dat het verhaal geschreven is vanuit de herinnering van de vertelster die regelmatig twijfelt of ze het zich wel goed herinnert en de verwarring is compleet. Deze constructie maakt het verhaal moeilijk te verteren.

    Het eind van het verhaal wordt gepresenteerd als een roman, maar daarvoor zit er te weinig ontwikkeling in. Het is een monotoon, gedetailleerd en procesmatig beschreven verhaal over het zelfonderzoek van een vrouw met een obsessie.

    Wie van taal houdt, kan zijn of haar hart ophalen. Wie wil worden meegevoerd door een verhaal, kan er beter niet aan beginnen.

     

     

  • Lydia Davis wint twee jaarlijkse Man Booker International Prize

    Gisteren werd in Londen bekendgemaakt dat de Amerikaanse korte verhalen schrijfster en Frans vertaalster Lydia Davis de prestigieuze Man Booker International Prize 2013 gewonnen heeft. Voor haar hele oeuvre werd zij bekroond en won daarmee een bedrag van 60.000 Engelse pond. Davis publiceerde zeven bundels korte verhalen en een roman.Zij vertaalde werk van Marcel Proust, Michel Foucault en Gustave Flaubert. Sedert augustus 2011 werkt Lydia Davis aan Engelse vertalingen van de zeer korte verhalen (zkv’s) van A.L. Snijders.

    De Amerikaanse Davis (65) is bekend door haar korte verhalen die soms niet meer dan een paragraaf beslaan. Haar verzamelde verhalen werden in Nederland door uitgeverij Atlas Contact in twee delen uitgebracht: Varianten van ongemak en  Bezoek aan haar man.

    “Haar schrijfsels zijn omschreven als verhalen, maar kunnen ook gedefinieerd worden als miniaturen, anekdotes, essays, grappen, parabels, fabels, teksten, gebeden of simpele observaties”, aldus de juryvoorzitter.

    De prijs werd dit jaar voor de vijfde keer uitgereikt. Eerdere winnaars zijn Ismail Kadare (2005), Chinua Achebe (2007). Alice Munro (2009) en Philip Roth (2011).

     

     

  • Exclusief interview met Lydia Davis

    door Ingrid van der Graaf

    Onder kenners is de Amerikaanse schrijfster Lydia Davis de koningin van het korte verhaal en een must voor studenten proza van de Schrijversvakschool Amsterdam. Annemieke Bos, student Schrijversvakschool, volgt het leesblok Korte verhalen. In het kader van dit leesblok interviewde zij de Amerikaanse schrijfster Lydia Davis.

    Lydia Davis was onlangs in Nederland vanwege de vertaling van haar Collected Stories verscheen die in twee delen werd uitgegeven. Deel 1 met de titel Bezoek aan haar man (2011) en deel 2 Varianten van ongemak (2012), beiden verschenen bij uitgeverij Atlas.

    Lydia Davis laat weten dat ze ‘The collected stories’ geschreven heeft over een periode van veertig jaar. De dikte van haar boek is dus te danken aan het feit dat het over een lange periode is geschreven. ‘Er waren vele perioden dat ik helemaal niks of nauwelijks schreef, dat ik bijvoorbeeld bezig was met een vertaling, en ik had ook een familie en twee kinderen om voor te zorgen.’

    Het interview, ‘hoe kom je tot schrijven, waar haal je je materiaal vandaan en is een schrijfritme noodzakelijk’ is een mooi inkijkje in de keuken van een ras schrijfster.

    Lees hier het hele interview.