• Een koortsige reis door rouw en ballingschap

    Een koortsige reis door rouw en ballingschap

    In Het inferno van Slauerhoff reconstrueert Luuk Imhann een cruciale en pijnlijke periode uit het leven van Jan Jacob Slauerhoff (1898–1936): de tijd na de doodgeboorte van zijn zoon in 1932. Dit verlies ontwricht niet alleen zijn huwelijk, maar ook zijn verhouding tot zijn werk en zijn plaats in de wereld. In een poging aan zijn verdriet te ontsnappen vertrekt Slauerhoff uit Nederland en laat hij zijn vrouw Darja achter. Hij vestigt zich als arts in het Marokkaanse Tanger, toen een neutrale, internationale zone. Zijn vlucht is zowel een poging het onbegrijpelijke verlies te doorgronden als een manier om zijn schuldgevoel en gemis met zich mee te dragen. De roman volgt hoe deze emoties zijn denken en handelen voortdurend kleuren.

    Tanger vormt in het boek een dynamisch decor vol contrasten. De stad is druk, chaotisch en onvoorspelbaar; veel culturen en vluchtelingen maken de omgeving levendig én belastend voor iemand die midden in een rouwproces zit. Slauerhoff vindt er zowel afstand als overprikkeling. De anonimiteit van Tanger biedt hem ruimte om te observeren en reflecteren, terwijl de drukte hem confronteert met een wereld die ongehinderd doorgaat. In zijn medische praktijk krijgt hij te maken met patiënten en passanten die elk hun eigen verhaal en problemen hebben. Zo wordt de stad een spiegel van zijn innerlijke onrust.

    Een etmaal dat uitzet

    Hoewel het verhaal zich in slechts één dag afspeelt, weet Imhann deze vierentwintig uur te rekken tot een volledig universum. De opeenvolging van incidenten, ontmoetingen en gedachten maakt de tijd onwezenlijk intens. De Nederlandse consul Eduard vat het kernachtig samen: ‘Wat een puinhoop is alles in amper vierentwintig uur geworden.’ Die opmerking geeft aan hoe snel het leven kan kantelen en hoe overweldigend een enkele dag kan aanvoelen wanneer emoties, professionele verplichtingen en onvoorspelbare gebeurtenissen door elkaar lopen.

    Slauerhoff beweegt zich door dit etmaal met een vermoeidheid die hem fysiek en mentaal parten speelt. Terwijl hij patiënten behandelt, door de stad loopt en gesprekken voert, wordt hij telkens teruggetrokken naar zijn verlies. De roman geeft de lezer toegang tot deze innerlijke bewegingen door de gesprekken die Slauerhoff in gedachten met Darja voert. Deze stille dialogen laten zien hoe schuld, verlangen en gemis een constante rol spelen. De afstand tussen beiden wordt voelbaar, niet alleen in fysieke zin, maar vooral doordat hun gedeelde verdriet hen in stilte uit elkaar drijft.

    Literatuur als laag bovenop de werkelijkheid

    Een belangrijk onderdeel van Imhanns aanpak is het citeren van originele teksten en gedichten van Slauerhoff. Door poëziefragmenten en literaire verwijzingen toe te voegen, plaatst hij Slauerhoffs emoties in een bredere culturele en historische context. De hoofdpersoon verschijnt hierdoor ook als schrijver, iemand die zijn ervaringen voortdurend door een literaire lens bekijkt. Deze intertekstualiteit verrijkt de roman en benadrukt hoe nauw persoonlijk leven en literair denken voor Slauerhoff verweven waren.

    De verwijzingen naar het interbellum — de periode tussen de twee wereldoorlogen, waarin grote culturele verschuivingen plaatsvonden — maken duidelijk hoe Slauerhoff in zijn tijd stond. Het geeft inzicht in zijn psychologische profiel en laat zien hoe zijn gedachten, angsten en verlangens passen binnen de intellectuele sfeer van die jaren. Door literatuur en biografie te combineren, ontstaat een roman waarin kunst en leven elkaar voortdurend beïnvloeden.

    Tanger als arena van confrontaties

    De stad Tanger speelt in de roman een cruciale rol als plaats waar Slauerhoff niet langer kan ontsnappen aan zichzelf. De onverwachte en soms bizarre situaties waarin zijn patiënten belanden, de ontmoetingen met avonturiers, vluchtelingen en excentrieke figuren, en de onafgebroken beweging van de stad confronteren hem voortdurend met zijn onzekerheden. De chaos en diversiteit van Tanger weerspiegelen de fragmentatie die hij van binnen voelt, terwijl het ritme van de stad – het rumoer van markten, de geuren van specerijen, de stroom van mensen en voertuigen – hem voortdurend herinnert aan een wereld die ongehinderd doorgaat. In deze constante wisselwerking tussen overprikkeling en persoonlijke reflectie ontstaat een spanning die de roman voortstuwt en die Slauerhoff dwingt zijn verdriet, schuldgevoel en onzekerheden onder ogen te zien, zonder ooit de kans op ontsnapping te bieden.

    Ritme en helderheid in stijl

    Imhann schrijft in een stijl die tegelijk rijk en helder is. Zijn taal heeft ritme en blijft toegankelijk. Poëtische passages worden afgewisseld met scherpe observaties. Imhann structureert de veelheid aan gebeurtenissen zorgvuldig zodat de lezer niet overweldigd raakt en wordt meegenomen in een gelaagd verhaal.

    Het ritme van de roman wordt bepaald door de afwisseling tussen actie en reflectie. Slauerhoffs gedachten, herinneringen en emoties vormen de rode draad die de opeenvolgende scènes met elkaar verbindt. Zo ontstaat een manier van vertellen waarin de buitenwereld dienstbaar is aan de ontwikkeling van het personage.

    Een mens in rouw in een wereld die doorgaat

    Het verlies van zijn zoon vormt de kern van het verhaal. Het beïnvloedt hoe Slauerhoff naar de mensen om hem heen kijkt, hoe hij zijn werk doet en welke keuzes hij maakt. Imhann laat zien dat rouw geen afgesloten fase is maar een toestand die permanent alles doordringt; een lens waardoor de wereld wordt bekeken, en die de betekenis van dagelijkse gebeurtenissen verandert.

    Het inferno van Slauerhoff is een portret van iemand die tracht om te gaan met een verlies dat te groot is om eenvoudig te verwerken. Door literatuur, geschiedenis en emoties met elkaar te verbinden, creëert Imhann een rijk en overtuigend geheel. Voor lezers die geïnteresseerd zijn in psychologische romans of interbellum-literatuur, en voor liefhebbers van de grote dichter Slauerhoff, biedt dit boek een diepgaande en meeslepende ervaring.

     

     

  • Vrouw met woordhonger

    Vrouw met woordhonger

    Je moest ergens heen, er was een afspraak , dan toch treuzel je. Hoezo? De man wachtte al in de auto. Je was uitgehongerd (ontbijt was erbij ingeschoten). Maar je hebt het over woordhonger, dat bestaat, net als huidhonger. Je was dus begonnen aan De Parelduiker, die je stukje bij beetje verorberde en de man wachtte. Je begon aan ‘Een schielijke oplichter? – Over de betekenis van Bertus Swaanswijks oorlogsbrieven, (de latere Lucebert) door Graa Boomsma. Lucebert die eens zulke mooie brieven wisselde met Frieda Koch, de vrouw van Bert Schierbeek. Maar in zijn jonge jaren geloofde (en liet dat weten in zijn brieven) in de Duitse bezetters. Boomsma vraagt zich af of het bijvoorbeeld werkelijk zo was dat de latere kunstenaar en dichter in de zomer van 1942 met vrienden een bijeenkomst van het Nationaalsocialistisch Studentenfront bezocht. En waarom schreef hij in een bief aan een vriendin zo neerbuigend over Joden, omdat de vriendin pro Duits was?  Er is sprake van ‘knielzuchtige momenten’, als zijnde onderdanig, met alle winden meewaaiend. Er is sprake van een labiel karakter. Boomsma onderzoekt de omgeving waarin Swaanswijk opgroeide, de vrienden, alles wat invloed heeft op een labiele jongeman. Hoe de beweegredenen van een 16/17-jarige jongeman te begrijpen? Lees het, en je ontdekt dat het niet zo eenduidig is, of toch weer wel.

    Toen moest je echt gaan, de man in de auto enzo. Snel bladerde je nog door, naar de rubriek ‘In gesprek met de vorigen’ waarin jonge schrijvers vertellen over welke schrijvers hen zijn voorgegaan, wie zij bewonderden, door wie zij het lezen lief kregen. Je leest als een hongerige veelvraat. Weten hoe schrijvers aan het schrijven raakten, wie ze op een spoor zette. Deze keer is het Luuk Imhann (Thomas Heerma van Voss, Julie Ignacio – hè, het is toch Julien? – Alma Mathijssen en Merijn de Boer gingen hem voor in deze rubriek) die over zijn voorgangers schrijft. ‘De wereld was al oud toen ik geboren werd, in de herfst van 1986, in het bed van mijn ouders in een klein dorp in het Westland. Ik wist natuurlijk niet hoe oud de wereld was en ik ontdekte alles voor het eerst.’, begint Imhann.

    En daar ga je, het tijdschrift mee de auto in. Er is haast (kans op te laat komen door vrouw met onbedwingbare woordhonger). Maar dat interesseert je niet. Imhanns leren aan literatuur wel. Hoe Vestdijk, Haasse, de grote drie, De avonden van Reve hem niet konden bekoren (gewoon toegeven), en dan eindelijk via Campert en Slauerhoff het te pakken krijgt. ‘Campert was mijn startschot.’ En later Slauerhoff, die hem verder hielp de vaderlandse literatuur te ontdekken. Hoe hij zich een weg zocht door de Nederlandse literatuur, die lijn van voorgaande schrijvers  ontdekte. Hij schrijft, ‘Zie je, je kunt schrijvers in twee categorieën opdelen: zij die zich bewust zijn van de schrijvers die hen voorgingen of zij die denken uniek te zijn, alsof de (literaire) geschiedenis begon met hun geboorte. En daar maakt hij een prachtige vergelijking met de zalm, die al millennia met duizenden de rivier opzwemmen. ‘Ze volgen hun blinde intuïtie om terecht te komen op een plek waar hun ouders al waren. Een reis naar de plek waar ze vandaan kwamen.’

    En lees dan ook ‘Stichter Luc Coorevits blikt terug op veertig jaar literair ondernemen’, een interview met Coorevits door Martine Cuyt. Samen met zijn vrouw Marianne Janssen stichtte Coorevits in 1984 ‘Behoud de Begeerte’, kunstencentrum voor literatuur. Vraag: ‘Waar en wanneer viel u voor literatuur op het podium?”
    Antwoord: ‘De coup de foudre was in 1983, Nacht van de Poëzie, Utrecht. Hugo Claus las zijn “Jan de Lichte” zo majestueus en bezwerend dat ik voorgoed in de ban kwam van schrijvers die uit eigen werk lezen.’ Prachtige verhalen uit veertig jaar aan schrijvers een podium bieden.
    Neem het in memoriam ‘Nergens bang voor geweest’ aan Lisette Lewin (1939-2024) door Vic van de Reijt nog even mee. Hoe Lewin ooit bij uitgeverij Nijgh en Van Ditmar kwam. Over haar oeuvre en haar overlijden in het Sarphatihuis, waar ze op een ‘verborgen’ kamertje lag, ‘met de stukgelezen exemplaren van Tsjechov en Carmiggelt naast haar bed’.
    En er is meer. De Parelduiker heeft altijd meer te bieden dan je denkt aan te kunnen. Voor een woordhongerige zijn dat beslist geen parels  voor de zwijnen. Lees De Parelduiker!

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem, ze schrijft wekelijks over haar lezende leven.

     

     

     

  • Het gevaar van het ego

    Het gevaar van het ego

    Laat je leiden door wat anderen van je vinden, en je verliest jezelf. Dat leert de roman Loutering van Luuk Imhann. Hoofdpersoon is de Mexicaanse Paco Castelán, Guerrero voor intimi, die zijn vader zoekt. Deze ‘pendejo’ verliet Paco’s moeder, voordat hun zoon geboren werd. Koste wat kost wil Paco groots worden, opdat zijn vader hem opmerkt en erkent. Hij beproeft zijn geluk in de schilderkunst, de geneeskunde, de revolutie en het katholieke geloof. Telkens kruisen daarbij de grootheden van het Mexico van rond 1920 zijn pad: David Siqueiros, Frida Kahlo, Diego Rivera en zelfs Leon Trotski, die de Sovjet-Unie verlaten heeft. In de schaduw van zo veel mastodonten blijkt Paco een lichtgewicht: ‘… u bent volstrekt onbelangrijk, niño Guerrero.’

    De titel suggereert dat Loutering een coming-of-ageverhaal is, maar Paco ontwikkelt zich amper. Hij voegt zich louter naar andermans wensen en volhardt in volgzaamheid. Als zoon van een Mexicaanse vrouw en Europese kolonist is Paco een ‘mesties’. Enerzijds bevindt hij zich daarom aan de rand van de maatschappij, anderzijds streeft hij naar een hogere positie. Om deze te bereiken, luistert hij slechts naar wie hem geweldig vinden en zijn ego opkrikken. Zijn zelfzuchtige geldingsdrang sijpelt sporadisch door in Imhanns vertelstijl. De auteur mikt wat verwijzingen betreft op levensgrote namen, geheel in Paco’s geest. Het boek is vooral waardevol vanwege zijn aandacht voor machismo en radicalisering. Langzaam ziet Paco’s moeder, Eustaquia, haar zoon afglijden naar het moordlustige stalinisme. Hierover zegt ze hoofdschuddend: ‘Naïevelingen zijn de instrumenten van het kwaad.’

    Eigendunk en trots

    ‘Waarom wil je toch altijd dat iemand je vertelt hoe alles werkt, Paco?’ Dit vraagt kunstenaar en stalinist Siqueiros, die een radeloze Paco kalmeert na een zoveelste mislukte poging iets van zijn leven te maken. Jongeren mogen makkelijk te beïnvloeden zijn, Paco spant de kroon. Eén compliment van dokter Salinas over zijn medische kennis doet de jongen dromen over de Nobelprijs. Frida Kahlo prijst een vogelschetsje van Paco en hij fantaseert over exposities in het Louvre. Siqueiros onderwijst hem in de Russische Revolutie en de pupil waant zich een historische sleutelfiguur. Padre Jorge, priester in Coyoacán, bewondert Paco’s religiositeit en de discipel prevelt het Urbi et Orbi. Niet de liefde voor een vak stuwt Paco voort, maar de liefde voor loftuitingen. Zijn blinde ambitie, die aanvankelijk door zijn zoektocht naar een vaderfiguur te billijken valt, irriteert op den duur.

    Opvallend genoeg lijkt het onophoudelijke geweeklaag van Paco bedoeld om medelijden met hem op te wekken. Pujol, een met Siqueiros bevriende schilder, geeft Paco halverwege het boek eindelijk de verbale optater waarnaar hij solliciteert. Over Paco’s kitscherige muurschildering is hij vernietigend: ‘Je wilt geprezen worden. Je wilt horen dat je muurschildering goed is. (…) Je zult nooit een schilder worden.’ Afhankelijk van wie hem veren in de kont steekt, vlucht Paco van roeping naar roeping en breekt hij bezigheden voortijdig af. Zelfs boezemvriend Evelio en vriendin Luisa, die gek op hem zijn, verwaarloost hij. ‘Wat wil je dan bewijzen?’ vraagt Siqueiros hem. ‘Wat voor man ik ben!’ zegt Paco. Deze bewijsdrang van het mannelijk ego beïnvloedt naarmate het boek vordert, Imhanns schrijfstijl. Dit zit hem met name in de ontelbare, ellenlange clichés over Mexico en de wat pompeuze metaforen.

    Niet te missen schatplichtigheid

    ‘De portier is een invalide.’ ‘Ogenblik!’ ‘Mijn vrouw is dood en al begraven.’ Dit zijn beroemde openingszinnen van Nederlandse meesterwerken. Aan het begin van talloze hoofdstukken poogt Imhann Mexico legendarisch te introduceren: ‘In elke Mexicaan schuilt een katholieke kracht die zelfs de paus zou kunnen verblinden, zo overtuigd houden ze van hun Mexicaans-katholieke Maagd van Guadalupe en zo oprecht geloven ze in haar liefde en vermogen hen te redden.’ Zulke algemeenheden over Mexico, waarvan het boek er pakweg dertig bezit, zijn voor aforismen wel erg lang.

    De NRC noemde Imhanns debuut – Paradijs – een ‘poging om op de schouders van literaire reuzen te staan’. Door hoogdravende openingszinnen, overdadige beeldspraak en intertekstuele knipogen verdient Loutering eigenlijk dezelfde conclusie. De schatplichtigheid aan Grote Literatuur is niet te missen. Welke functies de intertekstuele verwijzingen hebben in het verhaal zélf, behalve dat ze vagelijk doen denken aan een belangwekkende literaire traditie, blijft een raadsel.

    Onder meer Het Groene Huis komt voorbij, een bordeel uit Mario Vargas Llosa’s gelijknamige boek; Paco’s gewelddadige opa Don Aureliano verwijst naar Honderd jaar eenzaamheid van Gabriel García Márquez; Trotski’s epiloog in Loutering appelleert aan Lev Tolstojs Oorlog en vrede. Tegelijk wordt de lezer continu murw gebeukt met een oneindige reeks homerische vergelijkingen. Zo is de stem van Padre Jorge ‘een stuk zachter en lager dan Paco had verwacht en contrasteerde met de stem van Paco, die zich door de klank ervan omhelsd voelde en hem deed denken aan hoe zijn moeder hem vroeger omhelsde, haar armen lang en mager als van de slingerapen in de jungle van Quintana Roo en warm als het water in de Golf van Mexico, waar de lamantijnen zwommen.’ Het verhaal bezwijkt regelmatig onder het gewicht van te gretig opgezochte bombast.

    ¡Viva la… matriarcada!

    Gelukkig maakt de maatschappelijke relevantie van Loutering een hoop goed. De echte krachttoer leveren Eustaquia en Luisa. Beiden hebben een hekel aan mannen en feitelijk zijn zij de grote Mexicanen aan wie Paco een voorbeeld zou moeten nemen. Eustaquia trekt geregeld tegen hem van leer over haar eigen vader: ‘Hij was gierig en vals zoals alleen patriarchen dat kunnen zijn, een diablo die zijn vrouw sloeg.’ Toch erft ze van don Aureliano een koloniaal pand, maar zij besluit ‘curandera te worden en het huis van een wrede macho te veranderen in een toevluchtsoord voor vrouwen.’ Bovendien heeft ze seks met wie ze maar wil. Als Paco haar betrapt met zijn grootste criticaster, Pujol, noemt hij haar een hoer. Na haar repliek druipt hij bedeesd af. ‘Ik had naar je vader moeten luisteren en je moeten laten aborteren,’ voegt Eustaquia hem toe.

    Luisa is datzelfde patriarchaat helemaal beu. Haar vader geeft slechts om zijn carrière, voor haar broer Evelio is zij mantelzorger en vriendje Paco vindt zijn weg naar succes belangrijker dan hun relatie. Naarmate mannen hun invloed op haar leven verliezen, voelt ze zich bevrijd: ‘(…) in die tijd om na te denken die veel vrouwen niet gegund is, merkte ik hoe moe ik was, van hem, van werk en van mijn vader. En van jou.’ Even lijkt de loutering zich dan toch te voltrekken bij Paco: ‘Niets had hij meer en niets was hij geworden.’ Als klein mens in de marge van de samenleving levert hij zich uit aan Siqueiros, die letterlijk over lijken gaat. Hoe hard Eustaquia haar zoon ook waarschuwt voor de stalinist, Paco zwicht voor de goedkeuring van de surrogaatvader: ‘”Ik aanvaard de opdracht!” (…) Siqueiros greep zijn schouders beet, trok hem naar zich toe. “Ik wist dat we op je konden rekenen.” Paco had moeite zijn tranen in te houden en voelde een warmte in zijn borstkas opwellen.’

    Loutering waarschuwt ons voor het gevaar van het ego. En al helemaal wanneer dat ego gestreeld wordt door de verkeerde handen.

     

  • Oogst week 3 – 2023

    De Polderjapanner – Een Japanse in Nederland

    Van sommige televisieprogramma’s ben je blij dat ze ter ziele zijn. Zo kroop Wendy van Dijk pakweg 20 jaar geleden in de huid van de poppige, ietwat domme Ushi (want dat rijmt op sushi, ‘haha’). Deze karikatuur op wat Japan zou belichamen, was van het niveau Hanky-panky Shanghai, sambal bij en eenlettergrepige kungfu-imitaties. Fumiko Miura, schrijfster van De Polderjapanner – Een Japanse in Nederland, schrijft in haar biografie onder andere over deze culturele vooroordelen.

    Miura, in 1972 geboren te Shinsiro, begint in 2001 haar studie sociologie aan de Erasmus Universiteit. Vanaf dat moment blijft ze af en aan terugkeren naar Rotterdam. Naast sociologe is de auteur gecertificeerd taaldocent Japans, die heel de wereld doorkruist en workshops organiseert. Aangezien dit haar culturele bagage aanvult, wordt de Nederlander een nog merkwaardiger fenomeen. En dat blijft niet alleen bij het broodje kaas.

     

    De Polderjapanner - Een Japanse in Nederland
    Auteur: Fumiko Miura
    Uitgeverij: Uitgeverij Van Oorschot

    Loutering

    Op dertigjarige leeftijd maakt Luuk Imhann in 2016 zijn prozadebuut. Paradijs gaat over een expeditie door Maleisië heen, die na een vlaag van krankzinnigheid in gevaar komt. Al in 2012 echter verscheen Imhanns eerste poëziebundel, getiteld De onverschilligheid van rozen. Bovendien schrijft hij essays voor het platform Plat//Hoofd én is hij toneelschrijver bij NOX. Zijn genrerepertoire breidt zich uit, want kort geleden is zijn historische roman verschenen over communistisch Mexico: Loutering.

    Loutering vertelt het verhaal van Paco de Guerrero, die zijn vader verliest. Om hem terug te vinden, stelt hij zichzelf ten doel de grootste Mexicaan aller tijden te worden. Dit wringt natuurlijk met het communistische idee dat eenieder gelijk hoort te zijn. De beschrijving van De Schrijverscentrale over Luuk Imhann zal vast ook opgaan voor Paco de Guerrero: in zijn oeuvre verliest de mens zichzelf in grote ideeën, zelfzucht en geweld. Niet voor niets betekent ‘guerrero’ oorlogsvoerder. ¡Viva la revolución!

    Loutering
    Auteur: Luuk Imhann
    Uitgeverij: Uitgeverij Querido

    De liefdesavonturen van Willy the Shake – sonnetten

    Engeland beschouwt zichzelf als de absolute elite op vele terreinen. Het bezat ’s werelds grootste gemenebest, ziet zichzelf als bakermat van het moderne voetbal en heeft volgens The Observer ook nog eens de ‘funniest man that ever lived’ aan boord: Ricky Gervais. Bovendien mag Duitsland dan wel het land van de Dichter und Denker zijn, Engeland heeft qua literaire invloed meer dan genoeg aan één meester. William Shakespeares hoogdravende, alom geprezen en gelezen sonnetten zijn uiteraard al vaak vertaald, ook in het Nederlands.

    In De liefdesavonturen van Willy the Shake kiest vertaler Marien de Bruijn eerder voor toegankelijkheid en eenduidigheid dan grandeur en semantische rijkdom. De titel is veelzeggend. De Bruijn, eveneens schrijver van het vuistdikke Met zijn grote gonzende hoofd, hanteert het vrije vers om Shakespeare naar het Nederlands over te zetten. En hoewel vele puristen deze ontheiliging De Bruijn zullen verwijten, kunnen ze er maar beter de humor van inzien. Zit de kracht van Engelse humor namelijk niet in de zelfspot?

    Auteur: Marien de Bruijn
    Uitgeverij: Uitgeverij Brave New Books
  • Een aanrader, behalve als je van plan bent naar Borneo te gaan

    Een aanrader, behalve als je van plan bent naar Borneo te gaan

    Boas is een jonge student die met vier biologen en twee inheemse gidsen op expeditie gaat in de jungle bij de Gunung Kinabalu, de op één na hoogste berg van het Maleisische deel van Borneo. De Gunung Kinabalu bestaat echt en voor de bevolking van Borneo is dit een heilige berg. Hij was in 2015 nog in het nieuws, toen een groep van tien toeristen hier heiligschennis pleegde door naaktfoto’s van elkaar te maken en door op de berg te urineren. Een paar dagen later werd precies dat gebied getroffen door een aardbeving, waarbij minstens twintig mensen omkwamen. Volgens de bewoners van het getroffen gebied was er geen twijfel mogelijk: de berg nam wraak.

    Het zal dus geen toeval zijn dat debutant Luuk Imhann deze berg heeft verkozen als plek waar Boas en het groepje biologen op expeditie gaan. Precies op deze berg vindt het ene na het andere mysterieuze voorval plaats. Is dat de schuld van de berg of zorgt de afzondering van de buitenwereld hiervoor?

    Mysterieuze verdwijningen
    De roman start op dag twaalf van de expeditie. De twee inheemse gidsen van de expeditie hebben de deelnemers al herhaaldelijk op het hart gedrukt dat de berg, waarop zij zich bevinden, leeft en ademt. Mythen over kannibalistische stammen zetten dit kracht bij en maken voelbaar dat hier een totaal andere flow heerst dan in de westerse wereld – door wetenschap en kapitaal gedreven maatschappij – gewoon is. Deze raadgevingen worden door de expeditieleden afgedaan als mooie verzinsels, ze lachen erom. Maar dat lachen vergaat ze langzaam als de één na de ander bezwijkt, gek wordt of verdwijnt.

    Naarmate de dagen vorderen, neemt de baardgroei van de mannen toe en de hygiëne neemt in dezelfde mate af. De hoeveelheid ongedierte wordt steeds groter en groter. Continu lopen er beestjes over de tenten, de ledematen en de gezichten van de expeditieleden. Soms in zulke grote kolonnes dat het de strijdkrachten van de Gunung zelf lijken. De toenemende hinderlijke aanwezigheid daarvan gaat gelijk op met de toenemende zorg om de veiligheid van de expeditieleden. Wat door Imhann goed is uitgewerkt; want het zijn vooral die continu terugkerende krioelende insecten die de verstikkende en warme lucht van de jungle beleefbaar maken. De leider van de groep heet niet voor niets Konraad Golding waardoor de link met Lord of the Flies van William Golding snel is gelegd.

    Ver van beschaving
    De expeditieleden worden teruggeworpen op zichzelf  in grillige omstandigheden. Er is geen beschaving om ideeën en gebeurtenissen aan te staven. De menselijke gekte lijkt de maatstaf; wordt een ziek geworden collega geholpen of wordt hij aan zijn lot overgelaten?  De abnormale omstandigheden en de individuele overlevingsdrang zorgt er in ieder geval voor dat er weinig keuzes vanuit compassie met de ander worden gemaakt. Wat uiteraard niet zonder gevolgen blijft.

    Door de beklemmende sfeer dringt de vraag zich op wat je zelf zou doen in zulke situaties. Net als Boas weet je niet precies wat er nu echt is en wat niet. Er wordt precies genoeg verteld (en weggelaten) om de spanning erin te houden. Deze roman doet je nadenken over de snelheid waarmee een mens kan veranderen van een weldenkend – in een paranoïde mens, als de omstandigheden maar vervreemdend genoeg zijn. Het laat zien wat het wegvallen van iedere vorm van beschaving en maatschappelijke kaders met mensen doet.

    Al met al is Paradijs een geslaagd en knap debuut. Wel blijf je gissen naar de achtergrond van de personages om de detective in jezelf meer te bevredigen, maar het antwoord op de vraag ‘wie heeft waar schuld aan?’ is hier niet de hoofdvraag. Wat aan de orde wordt gesteld is het psychologische effect van vervreemdende situaties op weldenkende mensen. Het is een raadselachtige onderneming en bij vlagen spannend. Waar de beeldende schrijfstijl zeer aan bijdraagt en waarin ook de theatermaker Imhann te herkennen is. Een aanrader, behalve misschien als je van plan bent naar Borneo te gaan.

     

     

  • De ambitie iets teweeg te brengen

    Mark Opfer is optredend dichter en organisator van Salon op de dijk, een jaarlijks poëziefestival. Hij interviewde voor Literair Nederland Luuk Imhann die in oktober debuteerde met de roman Paradijs.

    Interview door Mark Opfer

    Soms kom je beginnende schrijvers tegen waar de werklust van afspat. Schrijvers waarvan je gelijk weet, deze persoon gaat iets bijzonders maken. Of anders sterft ie op zijn achtentwintigste.
    Luuk Imhann (1986) is gelukkig al ouder dan 28 jaar en onlangs presenteerde hij zijn debuutroman Paradijs, een boek over waanzin. Tijdens de presentatie werd Imhann geflankeerd door jonge vrouwen die voorlazen uit Shakespeare’s King Lear. Zijn debuut is deel van zijn eigen Divina Tragedia, en op de omslag noemt hij het boek zelf , ‘een hedendaags antwoord op William Goldings Lord of the Flies, wat, ‘leest als een prequel op Joseph Conrads Heart of Darkness’. Tijd om eens te praten met deze debutant die zich vrijelijk schaart tussen literaire groten.

    Wanneer ik Luuk Imhann vraag hoe hij het vindt om gedebuteerd te zijn zegt hij schamper; ‘Jezus, als je met zo’n vraag begint kan ik alleen maar zeggen dat ik het leuk vind.’ Een ongemakkelijk begin. Maar volgens Imhann is elk interview ongemakkelijk. Niet dat je daar iets van merkt als je met hem praat. Met trefzekere bewoordingen heeft hij voor elke vraag een antwoord waarvan je voelt dat er over is nagedacht.

    Grootse bewoordingen
    Tijdens je presentatie noemde je Paradijs een deel van je Divina Tragedia.
    ‘Ja, al moet je altijd een beetje uitkijken als je dat soort grootse bewoordingen gebruikt. We leven in een land waar dat eigenlijk niet wordt gewaardeerd. Je mag niet zeggen, ’ik doe maar wat’, en je mag ook niet zeggen, ‘ik ben van plan echt iets heel moois te maken.’ Ik ben daar niet zo goed in, en ik werk zelf het beste als ik mezelf een groots doel stel. Dan ga ik echt nietsontziend hard aan het werk.’
    Niet dat je de verwijzing naar Dante moet zien als een kwaliteitsoordeel. ‘Het is meer een structureel ding. Ik heb niet de illusie dat mijn tragedia daadwerkelijk zijn comedia qua kwaliteit zal evenaren. Maar streef naar het grootste, weet je wel. Mijn volgende twee romans worden Vagevuur en Hel.’

    Ambitieuze schrijver
    Je wilt 24 boeken schrijven. Je bent vijf jaar bezig geweest met Paradijs.
    Lachend; ‘Ja, klopt. Dat had ik ook geroepen. Als ik het allemaal voor het zeggen had, dan zou dat het zijn.’ Dan moet het wel wat sneller gaan. ‘Het gaat ook sneller. Omdat je met zo veel beginnersproblemen worstelt bij je eerste boek. Je hebt gewoon een verhaal wat je wilt vertellen en dat schrijf je op en dan merk je dat er totaal geen structuur in het verhaal zit. Het ritme en tempo zijn chaos. Dat kan mooi zijn als dat het doel is, maar als dat niet zo  is, zie je het er heel erg in terug. Daar moet je toch een handigheid in krijgen.’
    Die handigheid heeft hij zeker. Eén van de opvallende punten van Paradijs is de heldere structuur. Het is een bijna klassiek spookverhaal. Een auto rijdt door een storm over een verlaten landweg als opeens de band ploft. Gelukkig is er een vervallen huis in de buurt waar de inzittenden kunnen schuilen. Natuurlijk raken de mensen elkaar één voor één kwijt, en contact met de buitenwereld is onmogelijk. En dat alles met perfecte eenheid van plaats, handeling en tijd.

    Acht voorgaande versies
    Aan die structuur is hard gewerkt. ‘Het begon als los zand, en dat bleef het , de eerste vier jaar dat ik eraan werkte. Moet ik het verhaal al thuis beginnen, of begint het in het vliegtuig, of begint het als het verhaal nog verder is? Met meer schrijfervaring ga je steeds beter begrijpen wat wel en wat niet werkt. Op de flashbacks na is Paradijs een heel vatbaar ding. Drie dagen. Maar het koste dus wel even om er geen totale chaos van te maken. Er zijn versies geweest waar heel veel in de tijd gesprongen werd. Dat is onleesbaar. Je moet zorgen dat de lezer eerst precies weet waar hij of zij is voor je kan gaan springen. Anders ben je totaal verloren. Dat was met de eerste acht versies het geval.’

    Op deze site werd Paradijs aangekondigd met de woorden, ‘klinkt voorwaar als een avonturenroman.’ Naast dat Luuk Imhann heel blij is met het gebruik van het woord ‘voorwaar’ is hij ook te spreken over die typering.
    ‘Op het moment dat je een boek schrijft over mensen die een jungle in gaan met een vreemde berg en vreemde dieren om daar onderzoek te doen, dan zit je daar wel aan vast. Ik wil dat er wat gebeurt in een boek. Ik lees zelf het liefst boeken van bijvoorbeeld Hemmingway waarin op leeuwen wordt gejaagd, met stieren wordt gevochten en met haaien gestreden. Dat spel van op leven en dood heeft een soort grootsheid die ik zelf graag zie in een boek.’

    Niets met literatuur
    Op zijn arm staat een quote van Remco Campert getatoeëerd. ‘Ja, dat is natuurlijk ironisch’, erkent hij. Remco Campert is de meester van het alledaagse verhaal. Maar kijk, Campert is de reden dat ik ben gaan schrijven. Op de middelbare school had ik niets met literatuur tot ik Campert las. Hij gebruikt alleen maar woorden die je op je twaalfde al kent maar toch is het literatuur. Het is diep zonder moeilijk te zijn, licht zonder vluchtig te zijn. Op het moment dat je hem leest krijg je het gevoel – zeker als vijftien, zestienjarige – O, dat kan ik ook wel. En dan ga je dat proberen en kom je erachter dat je het helemaal niet kunt, waardoor je alleen maar meer respect voor zijn werk krijgt. Nadat ik Liefdes schijnbewegingen had gelezen, dacht ik, literatuur is wat ik wil doen.

    Imhann leest nu De Harpij – een boek van ruim 700 pagina’s – van A. N. Ryst, wat zichzelf ‘een kleine geschiedenis van het Paradijs’ noemt. ‘Ik heb een grote voorliefde voor mensen die dit soort dingen beginnen. Omdat het zo groots is valt er natuurlijk genoeg op aan te merken, maar Ryst gaat ervoor. Het is geen fictieve versie van mijn eigen leven van de afgelopen 25 jaar, nee, het is grootsheid. Liever dat je probeert de tweede Sgt. Pepper te maken en dat je op je bek gaat, dan dat je zegt ‘ik heb een beetje tien liedjes gemaakt en die zet ik maar op een plaat.’ Ik raad iedereen De Harpij aan. Op de achterkant staat dat het een Nederlandse versie van 100 Jaar eenzaamheid is, maar ik denk niet dat ik Ryst beledig wanneer ik zeg dat hij geen Marquez is. Alleen al die keus voor de hele vertelling als een monoloog. Dat is een superheldere keuze waarvan je je af kan vragen of het de beste manier was om dit te vertellen, maar ik ga daar gewoon helemaal in mee. Het is heel anders opgebouwd dan de meeste boeken’.

    Shakespeare vertalingen
    ‘Ik voel me niet zo verbonden met de Nederlandse gewoonte om de plot totaal niet belangrijk te laten zijn en je vooral op het innerlijk van de personages te storten.’ Als hij dat zegt, moet ik lachen, maar ik zal niets verraden. Daarvoor moet Paradijs maar gelezen worden. Iets wat sowieso aan te raden is.

    Vorig jaar heeft hij alle stukken van Shakespeare vertaald en bewerkt (‘Eén stuk had niet gekund. Dan was ik daar nu nog mee bezig. Ik heb grote megalomane projecten nodig’) en vier jaar geleden schreef hij een poëziebundel, De onverschilligheid van rozen. ‘Dat is een klein conceptueel werkje. Ik had heel erg het gevoel dat er iets naar buiten moest.’
    Toch is deze bundel niet één van de 24 boeken die hij wil schrijven.
    ‘Ik heb er uiteindelijk een soort performance, een theaterstuk van gemaakt, en zo werkt het eigenlijk het beste. Met toneel en muziek eronder. Toen realiseerde ik me dat sommige teksten veel beter werken zonder papier. Zo ben ik theater gaan maken.’

    Poëzie, toneel en nu dan een roman. Maar het is niet de bedoeling om met essays te gaan eindigen. ‘Ik heb een haat/liefde verhouding met non-fictie. Ik lees het weinig omdat het me tegenstaat. En ik maak het weinig om dezelfde reden. Ik zie het als het mindere broertje van fictie.’

    Schrijven kun je niet leren
    Op het moment is Imhann bezig met – naast het schrijven van zijn tweede roman – de vraag, ‘hoe kom je als theatermaker weg uit het theater’. Dat doet hij aan het Sandberg Instituut, de postdoctorale opleiding van het Rietveld. Daarvoor heeft hij vier jaar op de Schrijversvakschool gezeten. Dat roept natuurlijk de vraag op of Luuk denkt dat je kan leren schrijven.
    ‘Nee, maar als je al kan schrijven dan kan het je wel helpen heel veel beter te worden. Ik vond het heerlijk om elke week iets in te kunnen leveren waarvan ik dan hoorde hoe het beter kon. Natuurlijk schold ik die persoon wel eerst uit in mijn hoofd, maar thuis dacht ik, ‘oké, hoe kan ik dat nu gaan gebruiken?’. Ik heb vooral heel veel over de structuur geleerd. Ook door  aandachtig te lezen, en te kijken naar toneelvoorstellingen.’

    ‘Ik wil dat literatuur drie dingen bewerkstelligt. Je leeft mee met de personages op de pagina’s, het leert je iets nieuws over jezelf en het leert je iets nieuws over hoe mensen zijn. Dat teweeg brengen, is wat ik wil. Elke schrijver is een soort van docent. Maar wel de leukere soort van een docent. Het soort waardoor je vergeet uit de trein te stappen, of waardoor je ’s avonds laat in bed vergeet dat je ’s ochtends weer vroeg op moet.’

    9200000060486816

     

     

     

     

     

     

     

    Uitgeverij Querido
    ISBN 9789021401614
    €18,99

    Foto auteur: Lionne Hietberg

     

  • Oogst week 41

    Noodweer

    Twee debuten, (Casper Luckerhof en Luuk Imhann), de tweede roman van Marijke Schermer en de nieuwste editie van poëzie tijdschrift Het liegend konijn onder redactie van Jozef Deleu vormen een aantrekkelijke stapel en een goede aanleiding om bij de kachel te kruipen en deze literaire najaarsoogst er eens bij te pakken.

    Van de stapel als eerste Noodweer van Marijke Schermer (1975). Schermer debuteerde in 2013 met Mensen in de zon, wat een nogal donker maar ingenieus verteld verhaal is en zeer goed besproken werd. Jaap Goedegebuure noemde het zelfs het beste debuut van dat jaar. Noodweer is haar tweede roman waarin de hoofdfiguur, de veertig jarige statisticus Emilia, door een ogenschijnlijk onbeduidend incident wordt teruggeworpen op een verdrongen episode uit haar verleden. Ze heeft haar uiterste best gedaan houvast te vinden in een gemiddeld leven en gelukkig te zijn maar uiteindelijk lukt haar dat niet: onverwerkte dingen uit het verleden vragen haar aandacht.
    En zoals alle leed, komt het nooit alleen. Emilia woont met haar gezin buitendijks en door een noodweer stijgt het water rond het huis. Schermer schetst een scherp en meedogenloos portret van een vrouw die zich vastdraait in goede bedoelingen en de onwil zich door een trauma in de luren te laten leggen. Een aanrader dus voor bij die kachel.

    Noodweer
    Auteur: Marijke Schermer
    Uitgeverij: Van Oorschot

    Een eenzame bruggenbouwer, Reizen door het India van P.A.S. van Limburg Brouwer

    Casper Luckerhof (1988) was boekverkoper, zat in het boekenpanel van DWDD en is redacteur bij Hollands Diep. Tijdens zijn studie indologie las hij de ideeënroman Akbar (1872) van de vergeten schrijver en indoloog P.A.S. van Limburg Brouwer (1829-1873) die een pleidooi voor een opener en toleranter wereldbeeld schreef. En een spannende liefdesgeschiedenis ineen. Voor Luckerhof was er een fascinatie geboren. Waarbij hij zich afvroeg waarom  juist India, dat Van Limburg Brouwer nooit zelf bezocht heeft, het literaire decor voor diens progressieve boodschap moest dienen.

    Met Akbar in zijn rugzak en liefdesverdriet in zijn hart reisde Casper af naar India, het land dat hem al vanaf zijn vroege jeugd bezighoudt. Daar begint een fascinerende speurtocht naar de opkomst van de indologie, de wereld van de negentiende-eeuwse vrijdenkers, en de eenzame strijd die Van Limburg Brouwer voerde, gespiegeld in zijn eigen eenzaamheid. Hij ontmoet wonderlijke medereizigers, maakt kennis met de toeristenindustrie, woont een tijd in huis bij een gepensioneerde hoogleraar literatuur – en eenmaal terug schrijft hij over het hedendaagse India dat hij heeft ervaren. Volgens Kester Freriks maakt de lezer dankzij dit boek ‘een adembenemende entree in India’.

    Een eenzame bruggenbouwer, Reizen door het India van P.A.S. van Limburg Brouwer
    Auteur: Casper Luckerhof
    Uitgeverij: Athenaeum

    Paradijs

    Luuk Imhann (1986) is schrijver en theatermaker. Hij bewerkte verhalen van Franz Kafka en het gehele toneeloeuvre van William Shakespeare en niet te vergeten, hij is een groot bewonderaar van Remco Campert. Zijn debuut Paradijs gaat over een expeditie in het oerwoud van een afgelegen berg in Azië door de jonge student, Boas, vier biologen en twee gidsen. Er wordt onder meer onderzoek gedaan naar de zich in het oerwoud schuilhoudende neusaap, de Narsalis larvatus. Als de gidsen hen noodgedwongen voor enkele dagen alleen laten, raken ze afgesloten van de buitenwereld. Worden de vijf expeditieleden langzaam waanzinnig of leeft de berg en probeert hij zich van hen te ontdoen?

    Volgens de uitgever is Paradijs is een hedendaags antwoord op William Goldings Lord of the Flies, en leest het als een prequel op Joseph Conrads Heart of Darkness. Klinkt voorwaar als een avonturenroman.

     

    Paradijs
    Auteur: Luuk Imhann
    Uitgeverij: Querido

    Het liegend konijn 2016/2

    Het Liegend Konijn, halfjaarlijks boekwerk voor hedendaagse Nederlandstalige poëzie heeft sinds de eerste uitgave van dit jaar een nieuwe uitgever. Voorheen werd HLK uitgegeven door Van Halewyck die omwille van zijn voortbestaan onderdak heeft gezocht bij uitgeverij Pelckmans. Deze Pelckmans richtte kort daarvoor uitgeverij Polis op waar Deleu een goed heenkomen vond voor HLK. De uitgaven zijn niet meer zo kleurig maar even stevig en mooi uitgevoerd als voorheen, de geur tussen de bladzijden is er een van de verleiding.
    In de 2e editie van dit jaar 167 nieuwe gedichten die nog nergens anders geparkeerd werden en dus min of meer in HLK ‘debuteren’. Waaronder Froukje Arns, Yannick Dangre, Anna Enquist, Ingmar Heytze, Geert van Istendael, Roland Jooris, Gerry van der Linden, Sebastiene Postma, Marieke Rijneveld, John Schoorl, Peter Theunynk, Dorien De Vylder, Henk van der Waal. Hier alvast een voorproefje van Anton Korteweg:

    ‘k Heb altijd graag verstoppertje gespeeld.
    Bestond ik niet. Dat was toen al een feest.

    Alles dus nieuw werk, meer dan tweehonderd gedichten. Binnenkort meer hierover.

     

    Het liegend konijn 2016/2
    Auteur: Onder redactie van Jozef Deleu
    Uitgeverij: Polis