Een heel jaar lezen en wat je daar van bijblijft, welke scène komt nog wel eens bovendrijven, welke vertalingen vielen op. Literair Nederland kijkt terug op een jaar vol boeken, wat waren de beste boeken, poëzie, jeugdboeken, fictie en non-fictie die in 2023 verschenen of gelezen zijn.
Verder kijken – Esther Kinsky
Roman over een poging een leegstaande bioscoop in een Hongaars provinciestadje nieuw leven in te blazen. Citaat: ‘De bioscoop is een ruimte vol verwachtingen die zelden worden beschaamd, zelfs niet door een slechte film, want het parool is altijd: verder kijken, verder dan eerst, een horizon verkennen die er zonder het witte doek niet is.’ Prachtig.
His Natural Life – Marcus Clarke
Australische oerklassieker. Monumentale, 927 pagina’s dikke, oorspronkelijk als feuilleton gepubliceerde avonturenroman over het leven in de strafkolonie, in 1874 (volgend jaar dus 150 jaar geleden) voor het eerst in boekvorm verschenen en nooit integraal in het Nederlands vertaald. Meeslepend. (Hans Heesen)
Zogkoorts – A.F.Th. van der Heijden
Ik ontkom niet aan het net verschenen deel 13 van De Tandeloze Tijd, zijn grandioze reeks over leven in de breedte. Het is een vervolg op Stemvorken en met dezelfde hoofdpersonen.
Alkibiades – Ilja Leonhard Pfeijffer
Alkibiades moet genoemd worden. Er is al veel over geschreven en ik blijf het een geweldig boek vinden, zeker in de politieke constellatie waarin we ons nu bevinden. (Martenjan Poortinga)
De donkere kamer van Aly Freije en Anne-Marie van Buuren
Deze gedichtenbundel is een bijzondere samenwerking tussen dichter en fotograaf. Freije weet met symbolen en beelden een landschap op te roepen dat vol is van dreiging, verlies en rouw. Landschappen en de elementen van lucht en water zijn betekenisdragend in deze gedichten. Een spel van associëren en reageren op elkaars werk, een interactie van beeld en taal.
Het boek van de kinderen – A.S. Byatt
Een prachtig beeld van de decennia voor en na de wisseling van de 19e en de 20e eeuw door het wel en wee van diverse kunstenaarsfamilies te beschrijven, die met elkaar verbonden zijn.. Een groots werk van de onlangs overleden Byatt, niet zo bekend als haar ‘Obsessie’, maar zeker net zo goed. (Hettie Marzak)
Nirwana – Tommy Wieringa
Afgelopen herfst luisterde ik naar Nirwana van Tommy Wieringa, voorgelezen met zijn eigen welluidende stem. Wieringa schreef een rijke familiegeschiedenis met vele verhaallijnen die zo ongeveer een eeuw bestrijken en waarin de pater familias een uiterst dubieuze rol speelt in WOII. Wieringa presenteert zichzelf in het verhaal als een cameo, niet onverdeeld sympathiek, maar wel een boeiende toevoeging.
Het hart van de ever – Baltasar Porcel
Het hart van de everis de bijzondere familiegeschiedenis van de Catalaanse schrijver Porcel, dat zich deels op Mallorca afspeelt ten tijde van de Spaanse burgeroorlog. Er komen veel bijzondere personages voorbij die allemaal te maken hebben met de oom van de schrijver, een uiterst kleurrijk en controversieel figuur. Het boek werd vertaald en heruitgegeven door uitgeverij Nobelman. (Marjet Maks)
Ruitjesblues – Jan Beuving
Het zijn kleinkunstteksten die weliswaar bedoeld zijn voor het gehoor, maar ook op papier plezieren. Sterker nog, de teksten in Ruitjesblues worden na herlezing alsmaar beter in hun eenvoud. Hij ontroert, vermaakt en verrijkt. Prachtig! (Daan Lameijer)
Luister – Sacha Bronwasser De roman Luister van Sacha Bronwasser speelt tegen de achtergrond van de aanslagen in Parijs. De hoofdpersoon ‘moet luisteren, er is geen andere optie (…) om erger te voorkomen’, maar toch voorvoelt hij een aanslag die nog plaats moet vinden. ‘Het is gezien, het is verteld, en nu bestaat het’. Een prachtig vormgegeven en vertelde roman.
Een schitterend wit – Jon Fosse Een schitterende kleinood van Nobelprijswinnaar Jon Fosse. Een mooi opstapje om met diens stijl en thematiek kennis te maken, vertaald door Marianne Molenaar. Op het titelblad van dit boek wordt het omschreven als ‘een vertelling’, maar voor hetzelfde geld zou je het een gelijkenis, een parabel met Bijbelse reminiscenties kunnen noemen. Over levenden en doden. (Els van Swol)
Das Spinnennetz – Joseph Roth Ik las Das Spinnennetz als jubileumuitgave, vorig jaar opnieuw uitgebracht. Roth’s debuut stond in het najaar van 1923 als feuilleton in de Wiener Arbeiter-Zeitung. Nog vóór de Bierkellerputsch en derhalve griezelig profetisch. Toen ik het kocht in januari van dit jaar, kon niemand vermoeden dat het ook nog eens griezelig urgent en actueel zou worden.
De wintersoldaat – Daniël Mason
In De wintersoldaat wordt het verhaal van WOI nu eens niet vanuit ‘ons’ perspectief vertelt, maar gezien door de ogen van een jonge arts uit het Habsburgse Wenen. En wat blijkt: ook aan het oostelijk front nichts Neues. Vastgedraaide bureaucratie, haperende communicatie, incompetente leiding, en mensen die daartussen vermalen worden. Maar wat een verhaal, en wat prachtig geschreven! (Juul M. Williams)
Het lied van ooievaar en dromedaris –Anjet Daanje
Dit boek stijgt toch echt boven alle Nederlandse literatuur uit. Vorig jaar eraan begonnen, begin dit jaar uitgelezen. In de elf novellen weet zij hele werelden en steeds weer verrassende gebeurtenissen op te roepen. Voordat je bedenkt wat Daanjes volgende stap kan zijn heeft zij hem in een paar zinnen al gezet en ben je weer overdonderd door haar enorme verbeeldingskracht en inlevingsvermogen.
De eerste romantici en de uitvinding van het ik – Andrea Wulf Ademloos las ik dit jaar Rebelse genieën.. Grote denkers als Schelling, Fichte, de Schlegels, Goethe, Schiller, de Humboldts, Novalis en Hegel ontmoeten elkaar van 1794 tot 1806 in Jena, een kleine, vrije Duitse universiteitsstad. De leden van deze Jena-kring inspireren elkaar tot de ideeën die het begin van de Romantiek vormen. Wulf voert je mee naar hun gedachten, gedichten, gesprekken, hun grootse filosofieën en kleinzielige roddels. Haar taal laat je deelnemen aan hun leven. (Anky Mulders)
Scherven – Bret Easton Dit jaar las ik Scherven de nieuwste roman van Bret Easton Ellis die met zijn boeken Less than Zero, American Psycho en Glamorama mijn leven in de jaren tachtig en negentig kleur gaf. In Scherven wederom merkkleding, pittige seks, een lekkere soundtrack en natuurlijk een seriemoordenaar; opnieuw kleurrijke, Amerikaanse fictie.
In het huis van de dichter – Jan Brokken Bij lezing van dit boek uit 2008 voelde ik me een kenner van klassiek pianospel, gezeten op de eerste rang, precies zoals de schrijver zelf. Brokken herbeleeft zijn vriendschap met de briljante Youri Egorov (1954-1988), een op 22-jarige leeftijd gevluchte homoseksuele Russische concertpianist, geplaagd door schuld, angst en mateloosheid. Een smartelijk boek. (Jan Kloeze)
Met deze derde roman zet Douwesz de lezer aan het denken over alle mogelijke actuele en existentiële onderwerpen. De roman is het werk van een rebelse, wijze en evenwichtige geest die de wereld tot in detail wil leren kennen en voor de lezer openbaart in het mooiste proza dat momenteel in Nederland geschreven wordt.
De laatste witte man – Mohsin Hamid Hamid schreef met De laatste witte man een gedachtenexperiment dat verrast, uitdaagt, verrukt, vertedert en aan het lachen maakt. Hamid bevestigt met deze fantastische en utopische roman dat hij een van de belangrijke schrijvers van deze tijd is. Een tijd waarin toenemende polarisatie verhult dat we als mensen meer gemeen hebben dan we door opvoeding, frustratie, vervreemding en achterstelling willen en kunnen toegeven. (Michiel van Diggelen)
Zo worden jaren tijd – Cees Nooteboom Als poëzierecensent wil ik allereerst deze verzamelde gedichten van Cees Nooteboom noemen. Ze geven een compleet overzicht van zijn merendeels erudiete en veeleisende poëzie die door de jaren heen steeds persoonlijker is geworden. Nooteboom is gaandeweg dichter bij zichzelf gekomen. Zijn veelzijdige poëzie verdient het om meer gelezen te worden.
Balts – Luuk Gruwez In deze bundel brengt Gruwez indringend in beeld van wat we ons bewust zijn, niet bewust kunnen zijn, en bewust zouden willen zijn van onszelf en/of van de ander. Hij lijkt zich daarin te verliezen, maar gelukkig is er dan zijn poëzie die ons de gelegenheid biedt aan de benauwenis van het vergankelijke te ontkomen. (Johan Reijmerink)
Arkadia – Sipko Melissen Een boek waarin het leven goed is. Ko, een dertienjarige jongen uit een warm nest vertelt over een onvergetelijke zomer uit zijn jeugdjaren, de jaren vijftig. Hij ontdekt zijn homoseksuele geaardheid, is daar iets van in de war, maar niet noemenswaardig. Grote zorgen heeft de jongen niet. Beetje braaf? Misschien, maar dat is ook weleens lekker! En daarbij,Arkadia is prachtig geschreven!
Drengr – Aron Dijkstra Een echte Viking is drengr, stoer, onverschrokken en dapper. De ouderloze Sigi is niet drengr, en hij denkt dat hij het nooit zal worden. Toch moet hij bewijzen dat hij het wel is, en hij krijgt een spannende opdracht. Drengr, is prachtig geschreven en geïllustreerd door Aron Dijkstra. Het is een spannende vertelling die elke lezer gekluisterd houdt. (Carolien Lohmeijer)
Jij zegt het – Connie Palmen Ik had het boek al jaren in huis, maar las het pas deze zomer. Palmen is volledig opgegaan in het leven van Ted Hughes, ex-man van Sylvia Plath waarvan gezegd werd dat hij, door haar te verlaten, haar aanzette tot zelfmoord. Palmen laat een kant van een huwelijk tussen twee gepassioneerde mensen zien die de creativiteit in beide schrijvers vernietigde. Dit boek deed me nadenken over de negatieve kracht van het huwelijk. Toen ik het uit had, dacht ik: ‘Dit had ik veel eerder gelezen willen hebben.’
Goudjakhals – Julien Ignacio
Zeer indrukwekkend boek. Een roman in verhalen over de strijd van de mens op zoek naar een menswaardig bestaan. Een reis langs verschillende levens, spelend in verschillende tijden. Scherp en goed geschreven. Berichten uit de werkelijkheid vormen de aanleiding. Indrukwekkend is het verhaal, ‘Nader tot jou’. Een door woede gedreven brief aan Gerard Reve als antwoord op zijn Nader tot u uit 1966. Ik moet er nog geregeld aan denken. (Ingrid van der Graaf)
Marente de Moor – De schoft
Over weinig onderwerpen wordt meer zwart-wit gedacht dan migratie. Ideaal materiaal dus voor een romanschrijver. De jonge, voornamelijk vrouwelijke bemanning van een vluchtelingenschip ontdekt dat de meevarende journalist – een oude, witte man – zich vroeger kritisch over migratie heeft uitgelaten. Is hij daarom meteen een schoft? Prachtig verweven met oude legendes over heilige vrouwen die zich in hetzelfde Middellandse Zeegebied afspelen.
Tomas Lieske – Niets dat hier hemelt
Tomas Lieske kan als geen ander sfeer oproepen. Ditmaal van een zompig moerasdorp in de jaren dertig dat wordt opgeschud door de komst van een welvarende familie. Vijf broers uit dit kinderrijke gezin vinden in het veen een ruiter op een paard. Rond dit sterke beeld bouwt Tomas Lieske in poëtische zinnen een magisch verhaal over macht en verdringing. (Mathijs van den Berg)
Niet geschikt voor publicatie – Gabrielle la Rose
Een prachtig indrukwekkende debuutromanvan de Amsterdamse schrijfster Gebrielle la Rose. Het boek beschrijft een rauw en heftig milieu, toch heb je als lezer vanaf het begin sympathie voor de hoofdpersoon-beroepscrimineel en wordt bovendien op een indrukwekkende manier tot zelfreflectie gedwongen.
Rugzwemmen – Marc ter Horst
Dit jeugdboek is een pas verschenen pareltje. Het is een actueel, rebels, humoristisch en prachtig geschreven boek over klimaat en corona, dood en depressiviteit en vooral volwassen worden, zelfstandig willen zijn, vriendschap en de wereld van een tienermeisje thuis en op school. Het betere jeugdboek dat ook voor volwassenen zeer lezenswaardig is. (Joke Aartsen)
Een kleine weldaad – Raymond Carver
Mijn twee beste boeken van 2023 zijn in zekere zin een ode aan twee vertalers. Sjaak Commandeur vertaalde alle tot dusver verschenen verhalen van Raymond Carver, maar voegde aan dat al indrukwekkende geheel nog zo’n 200 pagina’s toe. Zijn vertaling is zo scherp dat deze meesterlijke verhalen echt net zo goed zijn in het Nederlands als in het Amerikaans. Een boek om van te houden. Ik ben een liefhebber, en geheel bevooroordeeld want ik werk bij de uitgeverij waar dit boek uitkwam.
De minnaar – Marguerite Duras
Het tweede is vertaald door Kiki Coumans. Wanneer je je wel eens afvraagt wat de kracht van een roman nog kan zijn, dan moet je dit maar eens lezen. Een ongelofelijk sterk verhaal dat je volledig meesleurt. Maar ook hier is het opvallendst de vertaalprestatie. Ik denk niet dat ik eerder een roman las waar elke zin zo goed is, ritmisch, semantisch, syntactisch: de vertaling volledig in dienst van een zo waardig mogelijk in onze taal overbrengen van dit tijdloze meesterwerk. (Menno Hartman)
Terwijl de premier van het Verenigd Koninkrijk zijn ambt voortijdig moet neerleggen, gaat Het liegend konijn zonder veel ophef of rumoer zijn twintigste jaargang in. Een jubileumjaar in poëzie, een gekroond konijn siert de cover. Sinds 2003, publiceerde HLK meer dan vijfduizend vers geschreven hedendaagse, Nederlandstalige gedichten van meer dan vierhonderd dichters. Dat betekent dagelijks iets meer dan één nieuw gedicht per dag, twintig jaar lang, verzameld, gekozen, geredigeerd door een persoon, dichter Jozef Deleu. Die dit alles jaar in jaar uit als eenmans redactie tot stand bracht, en gestaag doorvoerde. In een redactioneel stuk, bedankt Deleu de dichters, uitgever, lezers en mecenassen voor hun inzet. HLK twintig jaar als een vrijplaats voor dichters in alle maten en soorten, een vrijplaats voor al wat niet ongenoemd kon blijven. Menig dichter maakte zijn debuut in HLK.
Dat ook de raadselachtige tekst die elke editie de achterflap siert, in al die jaren nog niet heeft doen vervelen, geeft weer eens aan hoe sterk poëzie kan zijn. Het fragment is uit ‘Diergaarde voor kinderen van nu’ van Paul van Ostaijen (1896-1928). Ostaijen zal welhaast de enige dichter zijn van wie een tekst zo veelvuldig gelezen wordt. Wie nooit een achterflap leest, moet in dezen geadviseerd worden dit wel te doen, waarmee gelijk de kans geboden wordt een literair tekst uit het hoofd te leren. Om u op weg te helpen hier de eerste regels uit het wonderlijke fragment.
‘Lang heeft het konijn de lach gezocht. Zo zielsgraag had het konijn gekend de luide lach. Waarom het de lach zo graag had gekend, weet ik niet. Zoiets kan men niet weten. Het konijn heeft de lach niet gevonden. Maar het was de lach zeer nabij. Dat het het geheim van de lach zo nabij was, weet het konijn niet. Vlak vóór de lach hield de kennis van het konijn halt. Daar vond het in plaats van de lach die het zocht, de verwondering die het niet zocht. Dit is nu iets wat buiten het begrijpen van het konijn valt; hoe je in plaats van het gezochte iets anders vindt. (…)’ een tekst die onze nieuwsgierigheid scherpt en ‘zet onze zekerheden op de helling,’ schrijft Deleu in zijn inleiding.
Het bladeren, hardop voorlezen, namen noemen
Honderdzevenentachtig nieuwe gedichten van veertig dichters in deze laatste editie. Het bladeren kan beginnen, regels hardop lezen, namen noemen, coupletten souperen, met de smaak van poëzie in elke regel.
‘Ik zie dat u dapper noteert. / Vreemd genoeg beschouw ik wat ik uitkraam / als volstrekte nonsens.’ (Edwin Mortier) ‘zij kent geen ingekeerd / en treurend buigen / als wat met haar verbonden is / uit handen glipt / en van haar schoot afglijdt / zij recht het hoofd -’ (Ludwien Veranneman, gelijk als het personage Veranneman uit een verhaal van Campert). ‘Nergens hebben dingen het zo voor het zeggen / als in de zoldering, in sponning en gebinte / van een huis. Zij zingen herinneringen uit / die groots en nobel blijven nazinderen.’ (Luuk Gruwez) ‘licht veranderde in zand / en regende zachtjes bedekte / niemand in het bijzonder / en nestelde en // alles wachtte’ (Linda Veldman) ‘De ree in het veld stapt achter een bosje / net als ik haar aanwijs. Nee echt zeg ik, / mijn wang tegen het glas.’ (Isa Altink) ‘Aan de badkamerdeur staat zij doodstil / te luisteren. Ze hoort in de geluiden / de vreemde onrust die zijn wangen kleurt’ (Charles Ducal) ‘in alle potjes zalf van mijn moeder / ontstaat in het midden een bergje / terwijl die van mij een dal krijgen / nu het nog kan verzamel ik dat / het blijkt dat alle vogels duiven zijn / in de ogen van mijn moeder’’ (Bianca Boer)
Het kortste gedicht is van K. Michel:
Op de Dam
(klimaatmars 6-11-21)
als het zonlicht doorbreekt en valt op twee flaporen voor mij in de menigte zie ik twee dieprode vlinders
Het langste gedicht, van Michael Tedja ‘Het uitgelezen deel’ beslaat vijf dichtbeschreven pagina’s. Indringend en overrompelend, niet eenvoudig te betreden, met overstelpende regels over uitsluiting, plichten en verboden. Poëzie die trekt en duwt, niet altijd te bevatten, maar het moet gelezen worden.
‘De ongebreidelde expansiedrift werd van bovenaf bestuurd. Jij gaat katoen plukken, zeiden wij in koor. Sta op en pluk de dag door die in toom te houden. Hier kwam het kader in beeld. Het is mooi vandaag. Ik trek mijn T-shirt aan. Door de driften te contextualiseren ontstond er betekenis. (…)’ Wij waren één ding en isoleerden alle dingen om ons heen.
Er groeien plukkers aan de takken van het verkoolde houdt.’ (…)
Poëzie die aan de randen van je comfort zone trekt
Er zijn stromende gedichten, overvloedige en niet helemaal te begrijpen gedichten, die trekken aan de randen van je comfort zone. Neem deze van Eva Gerlach, het vierde uit een serie van vijf gedichten.
‘Hoe krijg ik je samen heel stil mag je zijn hier breekman schreeuwend in dromen schreeuwend in het diepe dagwater in, schreeuwend om losgelaten vastgehouden te zijn
Hoe zwijg je zo hoog schreeuwend in me hartman hoe snij je je klem in me, kraak je je schrap, hoe krijgt elke amper
begonnen schreeuw van je zwijgende lichaam het mijne elke dag meer zoals jij raasman elke dag stiller.’
Ach, wie twintig jaar aan Het liegend konijn bijeen op de plank heeft staan, heeft de poëzie in pacht. Die kan zich niet ander dan een verguld mens voelen.
In Vlaanderen komt elke jongere voor het eerst in contact met Luuk Gruwez aan het eind van het middelbaar onderwijs, waar zijn (vroege) gedichten gelezen worden als de voorbeelden bij uitstek van de neo-romantiek. Ondertussen is de Vlaamse schrijver, dichter en essayist geëvolueerd, maar is zijn werk nog steeds doordrenkt van de geest van de romantiek. In 1998 verscheen in de reeks Privé-domein zijn Het land van de wangen, een ode aan Limburg, de nieuwe heimat waar West-Vlaming Gruwez zich sinds 1976 had gevestigd en enigszins een afrekening met zijn geboortestreek. Het werk kreeg die titel verwijzend naar het feit dat de mensen in Gruwez’ ogen daar onophoudelijk glimlachen. Ruim twintig jaar later brengt hij nu de pendant daarvan uit, Het land van de handen, een citaat uit zijn vorige boek waarin hij stelt: ‘West-Vlaanderen is het land van de handen. Daarmee kan men wurgen, daarmee kan men strelen, daarmee kan men zijn centen tellen.’ Hij verwees daarmee naar het mercantiele karakter van zijn streek en het feit dat mensen daar in de eerste plaats alleen aan geld denken.
Vervat tussen het Introïtus en de Benedictio, verwijzend naarhet begin en einde van een katholieke eredienst, zitten in Het land van de handen meer dan vijfhonderd bladzijden brieven, dagboekfragmenten en mijmeringen uit het leven van Gruwez tussen 28 september 2016 en 28 januari 2019. Hij brengt een ontroerend relaas over die periode in zijn leven, een periode waarin hij voelt dat het einde dichterbij is dan het begin. In zijn eigen poëtische en dagdromende stijl wijst hij bevriende auteurs als Hester Kribbe en Miriam Vanhee op zijn dagelijkse beslommeringen en deelt hij filosofische gedachten. Het werk is geschreven op verschillende plaatsen die een belangrijke rol spelen in zijn leven: zijn woning Huize Sehnsucht in Hasselt, maar evenzeer ook zijn vakantieplaatsen in Griekenland en Zuid-Frankrijk, en verschillende plaatsen in West-Vlaanderen waar hij nog steeds naartoe trekt.
Heimwee en dood
Rode draad door Het land van de handen is een zekere nostalgie en heimwee. De openingsscènes spelen zich af in Het Lijsternest in Ingooigem, voormalige woning van een van Vlaanderens grootste literatoren, Stijn Streuvels, en op amper een boogscheut van Gruwez’ geboortedorp Deerlijk. Met weemoed denkt hij terug aan oude tantes en nonkels, en bezoekt hij hun graven. Zijn vader, die in het eerste deel van de autobiografie nog een veeg uit de pan kreeg als weinig betrokken, lijkt hij nu in een heel ander daglicht te plaatsen nadat hij na diens dood knipselboeken met krantenartikelen over zijn zoon vond.
De dood is trouwens alom aanwezig in het werk, wellicht ook omdat hij zelf het einde voelt naderen, maar het lijkt alsof hij ook een soort van pact met de dood wil sluiten. Hij heeft het katholieke geloof afgezworen, maar tegelijk heeft hij het als agnost of atheïst (hij is er nog niet uit) opvallend vaak over het leven na de dood. Bijzonder aangrijpend is zijn brief aan Benno Barnard na het bericht dat diens dochter is omgekomen in een auto-ongeval. Ook vriend Rob ontvalt hem ondertussen. Hij wordt met de dood van de hond Malu en de Vlaamse Reus Oblokov de Derde geconfronteerd en laat niet na daarover bedenkingen neer te pennen in zijn werk. Opvallend is de (voor)laatste brief aan zijn voormalige vriend en schrijver Eriek Verpale. Ze raakten in onmin en toen stierf Verpale. In een postume brief probeert Gruwez de plooien nog glad te strijken.
Poëtische mijmeringen
Gruwez lijkt een eeuwige twijfelaar en verlangt naar bevestiging. Hij geeft dat ook grif toe. Hij zwijgt niet over zijn depressie en gaat graag in debat met zijn oude klasgenoot, broeder Godfried, abt van de abdij van West-Vleteren waar hij het slotwoord van zijn werk schrijft. Leven en dood, en gerede twijfel, maar ondertussen ook wegdromen… het lijken wel de typische elementen van de romanticus en hij refereert ook zelf graag aan Miltons Paradise Lost en Waughs Brideshead Revisited. De stijl is soms aandoenlijk, vrij poëtisch, maar Gruwez blijft zichzelf en schuwt ook geen harde woorden, op het arrogante af, als hij het niet eens is met bepaalde uitspraken of schrijfsels van collega-auteurs waarvan hij geen hoge pet op heeft.
Groots en monumentaal is het einde van het boek, gesitueerd in de abdij van West-Vleteren. Gruwez heeft net voor het slapengaan het kerkhofje nog eens bezocht en kan de slaap niet vatten. Hij schrijft zijn vrouw een brief die eigenlijk het hele boek samenvat: een mijmering over de angst voor de dood, de lof van het leven, de heimwee naar zijn bakermat en het verlies van zovele vrienden, en waarin hij zich afvraagt hoe het hen nog verder zal vergaan. ‘Want er is geen ander paradijs dan Paradise Lost’ eindigt hij opnieuw met een diep-romantische gedachte.
Christine Lavant (1915-1973), pseudoniem van Christl Thonhauser, was een Oostenrijkse schrijver. Vanaf haar geboorte kampte ze met verschillende gezondheidsproblemen. Toen ze aan longtuberculose en als gevolg daarvan scrofulose leed, werd ze behandeld met röntgenbestraling. De tuberculose genas, maar ze hield er afschuwelijke verbrandingen in haar hals en gezicht aan over. Onder meer haar ogen en oren waren beschadigd en daarnaast werd ze na de behandeling gekweld door zenuwpijnen.
Deze ervaringen vormden de inspiratie voor Lavants novelle Het kind, nu naar het Nederlands vertaald door Ria van Hengel. Ondanks Lavens fysieke en later ook psychische problemen was ze gelukkig zolang ze schreef en dat geluk maakt deze novelle heel levendig.
Auteur: Christine Lavant
Uitgeverij: Uitgeverij Vleugels
Sensorium etc.
De eveneens Oostenrijkse auteur Friederike Mayröcker (1924) publiceert proza en poëzie. Daarnaast werkt ze mee aan hoorspelen en schreef zelfs een libretto. In het Duitse taalgebied won ze talloze prijzen en in 2001 kreeg ze een eredoctoraat van de Universiteit van Bielefeld. Ze staat bekend als de grand dame van de Oostenrijkse literatuur.
In Sensorium etc. is voor het eerst een groot aantal gedichten van haar hand gebundeld het Nederlands. Annelie David en Lucas Hüsgen waren verantwoordelijk voor de vertaling. Het oeuvre van Mayröcker, en dus ook deze poëzie, wordt gekenmerkt door haar liefde voor het leven en de wereld. Zelf beschrijft ze haar werk als afbeeldingen die ze in taal verandert door in de afbeelding te klimmen en erin rond te lopen tot die taal wordt.
Auteur: Friederike Mayröcker
Uitgeverij: Uitgeverij Vleugels
Het land van de handen
Luuk Gruwez (1953) schrijft proza, poëzie, korte verhalen en columns. Deze columns werden onder meer gepubliceerd in De Standaard en De Morgen. Eén van de bekendste werken van Gruwez is het in 1998 verschenen Het land van de wangen. In dit autobiografische verhaal staat het Oosten van Vlaanderen centraal.
Nu, meer dan twintig jaar later, schrijft hij over de plaats waar zijn wortels liggen: het Westen van Vlaanderen. Het resultaat hiervan is Het land van handen, een mengeling van brieven, dromen en dagboekaantekeningen, allemaal geschreven met een nostalgische ondertoon. Critici loven Gruwez’ stijl, compositie, humor en mededogen.
De bundel Celinspectiesvan de dichter Ester Naomi Perquin werd door de jury van de VSB Poeziëprijs verkozen tot de beste dichtbundel van het afgelopen jaar.
Ester Naomi Perquin (1980) genoot grote bekendheid in betrekkelijk kleine kring. Daar maakte het winnen van de VSB Poëzieprijs een einde aan. Vanaf nu zal men in heel het Nederlandstalig gebied weten wie Ester Naomi Perquin is, en dat werd tijd ook.
De jury van de VSB Poëzieprijs verkoos Perquin boven H.H. ter Balkt, Sybren Polet, Menno Wigman en Luuk Gruwez te plaatsen. En was meer dan te spreken over de ‘verraderlijk luchtige toon en de onvoorspelbare wendingen waarmee Perquin een gelaagde ruimte in haar bundel schept.’ Men roemde haar taalgebruik: ‘soms soepel als spreektaal, dan weer geraffineerd en virtuoos. De dichter neemt de lezer aan de hand en laat hem net zo gemakkelijk struikelen, wanneer haar woorden dat nodig hebben.’
De jury was verder van mening dat: ‘Als de dichter al een taak heeft, laat het dan die zijn die Perquin zich heeft opgelegd: het zichtbaar maken van wat obscuur en meestal verborgen blijft. (…) In het geval van Celinspecties levert het een bundel op van noodzaak, verlangen en schitterend mislukken.’
Sinds 2007 publiceerde Perquin drie dichtbundels waarvan de eerste twee werden onderscheiden met verschillende prijzen. Haar werk wordt nogal eens beoordeeld als verontrustend. Als dichter heeft ze een scherp gevoel voor het alledaagse waaruit, wanneer zij haar poëzie erop richt, bevreemdende en schokkende voorstellingen ontstaan. In Perquins bundel Celinspecties zijn de duistere kanten van het leven op zijn scherpst verdicht. Wekelijks schrijft zij voor de Groene Amsterdammer een column waarin zich dezelfde, soms ontluisterende, ontrafeling van alledaagse gebeurtenissen voltrekt als in haar gedichten.
Juryleden Maria Barnas, Geert Buelens, Patrick Lateur, Anthonya Visser en Saskia J. Stuiveling selecteerden in november 2012 de vijf genomineerden uit vijfenzeventig ingezonden bundels die allen tussen 1 september 2011 en 31 augustus 2012 verschenen.
Aan de prijs is een bedrag van 25.000 euro verbonden.
Uit alle ingezonden bundels koos juryvoorzitter Saskia J. Stuiveling haar 100 favoriete gedichten voor de bloemlezing De 100 beste gedichten VSB Poëzieprijs 2013. De uitgave van De Arbeiderspers en Stichting VSB Poëzieprijs werd tijdens de uitreiking gepresenteerd.
In Krombeke retour / Deerlijk retour bundelde Gruwez oude en nieuwe stukken – brieven, een dagboek, beschouwingen, verhalen, herinneringen – over zijn voorouders. Het boek is bileesbaar. Wie het openslaat aan de Krombeke-kant krijgt het verhaal van vaderszijde. Wie het omdraait en opnieuw opent belandt acht kilometer verderop in Deerlijk, aan moederszijde. In het eerste deel wordt herinnerd en herdacht, in het tweede vooral geleden en gestorven.
Het Krombeke deel is lichter verteerbaar dan dat van Deerlijk. Gruwez puzzelt in ‘Fantoomzaad’ het verleden van zijn betovergrootmoeder Regina bijeen en gebruikt zijn fantasie om de aanzienlijke gaten in het archiefmateriaal op te vullen: een analfabete maar zinnelijke dame, die ongehuwd een kind kreeg en stug verzweeg wie de vader was. Het kind kreeg haar eigen achternaam: Gruwez. Zes jaar later trouwt ze alsnog met ene Cornelis Theeten, naar wie haar volgende zes kinderen worden vernoemd. Haar ‘eigen’ kleinzoon wordt de grootvader van de schrijver, en die legt ‘de maand dat mijn grootvader zal sterven’ vast in Het bal van opa Bing’. De oude man vocht in de Eerste Wereldoorlog, is vlashandelaar in ruste en probeert zijn overleden broers en zussen in kleurrijke verhalen in leven te houden. Gruwez onthoudt voornamelijk hun einde. De zus die zo mooi zong dat ze voor de Brusselse opera werd gevraagd krijgt kanker. Een leuke oom die zo lollig uit de hoek kon komen zit met vrouwlief in de achtertuin als een bom op zijn hoofd valt, een andere kwijnt weg nadat zijn vrouw met de noorderzon is vertrokken en een derde keert als berooide malariapatiënt terug uit Amerika, waar hij het helemaal gemaakt had – zei hij.
Historisch materialistische troost
Ook aan zijn eigen onsterfelijkheid timmert opa Bing. Hij zegt tegen zijn kleinzoon: ‘Later moet jij over mij schrijven’ en doet hem Het juiste woord van dr. L. Brouwers cadeau. Het is de eerste steen van Gruwez’ schrijverschap. Het verhaal over de laatste dagen van opa Bing heeft ook hilarische kanten. Gruwez, die studeert in Leuven, zoekt troost bij ene schele Annie. Op haar studentenkamer stort hij eerst zijn hart uit over opa, waarna hij historisch-materialistisch verantwoord de liefde met haar mag bedrijven – want de tijden zijn vervuld van Marx en studenten zijn nog warrige idealisten die mensheid willen redden. Het levert een raak tijdsbeeld op. Als opa de dood in de ogen kijkt, gaat Gruwez nog één keer naar Annie, bezorgt haar d’r eerste orgasme en neemt schielijk de benen. In een korter stuk wordt Oma Margriet herdacht; een vrouw op de achtergrond, die altijd maar schoonmaakte en verder zo min mogelijk wilde bestaan. Het is ‘het verhaal van wie nooit een verhaal heeft gehad. Of een dat nooit meer volledig te achterhalen is. Het verhaal van een leven dat net zo goed dat van een dag zou kunnen zijn. Zo monotoon, zo schimmig, zo doezelig.’
Vreemde wezens in de lamp
In het ‘Deerlijk’-deel wordt de sfeer grimmiger. Alleen het begin al. Na zijn geboorte wordt de kleine Luuk ondergebracht bij zijn grootouders, omdat zijn moeder geelzucht heeft gekregen. Het jongetje weet daar een schuldcomplex van te brouwen waarin geboorte en dood elkaar de hand reiken: ‘Louter en alleen door geboren te worden was ik de moordenaar van het meisje in haar en vervolgens had ik dat postume meisje in geel geverfd, waarna ik haar geleidelijk aan had opgeblazen tot een weldoorvoede matrone.’ Dat komt nooit meer goed, denk je dan, dat wordt vast een schrijver. En inderdaad; als in 1983 zijn moeder in coma raakt en sterft, besluit Gruwez iedere twee weken een weekend door te brengen bij de grootouders waar hij in zijn jeugd gelukkig was. Tien jaar later – beide zijn nog in leven – begint hij een dagboek bij te houden. De textielfabriek is verkocht, de stoffen liggen te vergaan in een magazijn, en de oudjes hebben zich teruggetrokken op de benedenverdieping van hun versleten huis. ’s Avonds trekt Gruwez zich terug in de badkamer op de eerste verdieping, waar hij op de wc rokend en schrijvend vastlegt wat zich beneden heeft afgespeeld. Daar is het een en al verkalking en aftakeling. Ooit was grootmoeder Liesje een droom van een oma, zeer geliefd bij het personeel van de textielfabriek – in tegenstelling tot haar man de directeur. Nu heeft ze Alzheimer, is steeds minder aanspreekbaar, herkent steeds minder mensen, ziet vreemde wezens door de lamp kruipen, en uiteindelijk ziet ze en begrijpt ze vrijwel niets meer. Verschrompeld en verwezen bladert ze door oude tijdschriften, waarin ze de prinsen en filmsterren nog wél herkent. Ook grootvader Lucien – een brompot die ‘Knor’ wordt gedoopt – sukkelt achteruit. Hij sleept zich van attack naar valpartij naar maagbloeding, is schaamteloos incontinent en kan geen wind binnenhouden – en drinkt gestaag door. De oudjes leven langs elkaar heen in schimmelende en stinkende kamers, waar opa’s pyjamabroeken nat gezeken over de verwarming hangen. ’s Avonds gaan de rolluiken vroeg naar beneden en moet de tuindeur gebarricadeerd met een stofzuiger, als om de dood buiten te houden. De jaren verstrijken en er wordt nauwelijks meer geleefd, maar ook niet gestorven.
Klootzakken van ogen
De zwarte strontsporen door het huis na een maagbloeding van Knor, de doorligplekken en verdorde borsten van Liesje, geen detail wordt overgeslagen. Gruwez schrijft dat hij zelf op het preutse af gesteld is op zijn privacy, maar een groot liefhebber is van intimiteit: ‘Intimiteit heeft grote ogen nodig. Pas wanneer die dichtgaan en niemand nog naar Liesje kijkt, houdt zij werkelijk op.’ Het klinkt goed, maar verklaart niet alles, niet de obsessieve aandacht voor ziekte, dood en waanzin. De beklemming die de lezer bekruipt wordt af en toe opgeschort door een scheldkanonnade van Knor, een moment van helderheid van Liesje, of het verslag van een bezoek aan een schizofrene tante. Maar ook daarin klinkt de grondtoon van het boek door. Lezend in een weekblad stuit Gruwez op een citaat van Roland Topor: ‘De natuur is tegen mij, want ze leidt tot de dood. De natuur heeft geen humor.’ Desondanks zijn er de schaarse heldere en ontroerende momenten van oma, een bespiegeling over een literair optreden van de schrijver in eigen dorp, en er is goddank het schilderachtige gevloek waarmee grootvader Knor de wereld te lijf gaat. Als hij de ondertiteling op tv niet meer kan lezen scheldt hij: ‘Gij stomme klootzakken van ogen.’ Aan weermannen heeft hij een hekel: ‘Die denken allemaal dat ze madame Soleil zijn. Maar die heeft tenminste nog een glazen bol. Zij hebben alleen maar lucht.’ In 1997 stopt Gruwez met zijn dagboek en een jaar later overlijdt Liesje. Knor verzucht: ‘Ze is verdwenen zoals een wolkske soms verdwijnt.’ In 1999 sterft ook hij.
Het boek eindigt hoe dan ook met het verhaal Zilverbrokaat, over de moeder van Gruwez. Het staat tweemaal middenin het boek, spiegelbeeldig tegenover elkaar. Ooit liep het hele dorp uit, toen Gruwez’ moeder – de mooiste vrouw van het dorp – trouwde, in een jurk van zilverbrokaat. Uit die jurk wordt een doopkleed gemaakt voor Luuk. En weer veel later, als zijn moeder is overleden en zijn grootmoeder op de drempel van de dementie staat, doet die hem het ding cadeau. ‘En ik wist wat zij bedoelde. Haar eigen einde, het einde van haar dochter, mijn begin – alles ineen.’ Geboorte en dood grijpen in elkaar en de cirkel is rond. Hoe autobiografisch en fragmentarisch Krombeke retour… ook is, op de binnenpagina wordt het boek ‘een roman’ genoemd. Dat is het niet. Maar wat wel? Gedenkschrift of dagboek? Levensberichten of doodstijdingen? Van alles een beetje, bijeengehouden door de blik en de stijl van de auteur, en de kringloopachtige structuur. Gruwez richt al fijnschrijvend een monumentje op voor het bijna niet-meer-bestaan van zijn voorouders. De lezer blijft geraakt achter, maar ook wat ontredderd. In Krombeke en Deerlijk is leven nauwelijks nog te onderscheiden van sterven.
Krombeke retour / Deerlijk retour
Auteur: Luuk Gruwez
Verschenen bij: Uitgeverij De Arbeiderspers (2011)
Aantal pagina’s: 166 + 80
Prijs: € 19,95, e-book € 15,95.