• Flarden van herinneringen

    Flarden van herinneringen

    ‘Ik ben zestien en leg mijn armen gekruist op de hoge tafel, ik laat mijn wang op mijn ene arm rusten en kijk in de camera. Op de foto, die niet meer bestaat en die waarschijnlijk niemand behalve ik zelf zich nog herinnert, zie je een stukje van mijn blote schouders. Ik denk dat de foto is bedoeld om naaktheid te suggereren, dat een jonge vrouw alleen maar een paar lange oorbellen nodig heeft om de wijde wereld in te gaan.’

    Met deze paragraaf opent Linn Ullmann, Noorse schrijfster, columniste en literatuurcriticus, haar nieuwe roman. Zij is de dochter van de actrice Liv Ullmann en filmmaker Ingmar Bergman. Niet de eerste de beste dus. Haar roman De rustelozen, die in 2015 verscheen, is ook autobiografisch. Ze schrijft hierin over een kind dat niet kan wachten om volwassen te worden en over ouders die het liefst kind zouden zijn. Het gaat om herinneringen en vergeetachtigheid en de vele verhalen waar een leven uit bestaat. In Meisje, 1983, onderzoekt de schrijfster wederom zichzelf, vooral haar jeugd en haar relatie met haar moeder en haar eigen dochter. Ze roept tal van vragen op en nieuwsgierigheid naar de antwoorden doet doorlezen.

    Caleidoscoop van gebeurtenissen

    Het is 1983. Een zestienjarig meisje zwerft in een winternacht door de straten van Parijs. Ze is die dag aangekomen vanuit New York voor een fotoshoot met de dertig jaar oudere fotograaf A. Ze kan haar hotel niet meer vinden, maar in haar jaszak zit een briefje met het adres van de fotograaf. Midden in de nacht belt ze bij hem aan, en ze belandt bij hem in bed. Bijna veertig  jaar later verkeert de volwassen vrouw in een depressie. Ze heeft het steeds uitgesteld om in haar herinnering te duiken om het meisje dat ze toen was te zoeken, en te begrijpen waarom ze deed wat ze deed. Ze wil erover schrijven om erachter te komen wat er destijds precies gebeurd is in Parijs.

    Het verhaal speelt zich af in Oslo, New York en Parijs in verschillende tijdsegmenten. Het is een caleidoscoop van gebeurtenissen vroeger en nu, aan het begin van de pandemie, en Ullmann verkeert in een depressie. De wandelingen met de zwarte hond geven enige verlichting. ‘De hond likte aan mijn hand. Dank je, zei ik, en ik schrok toen ik mijn eigen stem hoorde. Dank je wel voor je grote natte snuit, dank je wel voor je poten, dank je wel omdat je echt bent, en toen zei ik, zacht, zodat alleen hij het kon horen, ik denk dat we hier even moeten blijven wachten tot het weer overgaat.’

    Het geheim

    De relatie met haar moeder (Liv Ullmann) speelt een rol, evenals de relatie met haar eigen dochter, die net zo oud is als zij was in 1983 en nu klimaatactiviste is, waarmee de schrijfster een web van lijnen trekt door drie generaties heen. De herinneringen aan haar pubertijd echter bepalen het verhaal. Ze herinnert zich een gesprek met een man in het vliegtuig naar Parijs, haar moeder die haar niet wilde laten gaan, de autorit van het vliegveld naar het hotel. Haar eerste vriendje vlak voordat ze naar Parijs ging en het spijbelen van school. Ze manoeuvreert in gedachten door de lagen van haar herinnering en ontdekt dat ze ook veel vergeten is. Linn Ullmann onderzoekt de kracht van haar geheugen, en zoekt naar het geheim dat moet worden verteld.

    Dat geheim is haar reactie op wat er met haar gebeurde, zonder dat ze iets concreet benoemt. Het geheim zou de macht kunnen zijn die de fotograaf en zijn team over haar hadden. Daar gaat een lichte dreiging vanuit en doet aan #MeToo denken, al wordt dat nergens benoemd. Het meisje staat machteloos, ze wordt begeerd en verlangt zelf ook naar de aanraking en de spanning. Toch herinnert ze zich als oudere vrouw vooral dat ze voortdurend misselijk was en moest overgeven van de angst en het ongemak waarin ze verkeerde.

    Schaduwzuster

    Het is een verontrustend verhaal, er wordt geen oordeel geveld en er wordt niets benoemd. Ullmann stelt vragen, maar zijzelf en de lezer krijgen nauwelijks antwoorden. Is er wel gebeurd wat ze zich herinnert? Het schimmige meisje verschijnt aan de volwassen vrouw als een schaduwzuster en speelt een belangrijke rol in het verhaal. Soms spreekt de volwassen vrouw tegen haar, vaak is ze er gewoon, en zit ze zwijgend in de vensterbank. Als lezer vraag je je af of de volwassen vrouw misschien een andere persoonlijkheid heeft ontwikkeld om de gebeurtenissen van toen te verdringen.

    Het boek is ingedeeld in drie hoofdstukken met de titels Blauw, Rood en Wit. Blauw verwijst naar de blauwe jas die het meisje droeg in Parijs. Rood is haar muts. Wit zijn de lakens en de handdoeken van A. waarin het meisje zich wikkelt en op de badkamervloer ligt om tot bezinning te komen. Gedachten heeft het meisje niet. Er zijn slechts flarden herinneringen van de volwassen vrouw, en misschien is dat ook wel het enige wat telt, schrijft Ullmann.
    Er staat nogal wat herhaling in het verhaal, weliswaar doelbewust ingezet en noodzakelijk om de verschillende tijdslijnen te verbinden – wat overigens heel transparant gedaan is – en de auteur geeft ook veel mooie observaties over ouderschap, jeugd, herinneringen en vergetelheid. Toch stoort het dat er vragen onbeantwoord blijven. Meisje, 1983 is rauw en brutaal, het raakt soms, maar lang niet altijd, wat het eigenlijk tot een prettig zeurboek maakt.

     

  • Er was eens in Noorwegen…

    Er was eens in Noorwegen…

    We zijn opgegroeid met sprookjes. Maar in Nederland dan toch vooral met de verzamelingen van de Gebroeders Grimm, Hans Andersen en Charles Perrault. Als volwassenen maakten we bovendien kennis met volksverhalen en literaire sprookjes van bijvoorbeeld Frederik van Eeden en Godfried Bomans. Maar weinigen van ons zullen zich hebben vermaakt met de sprookjesverzameling van Asbjørnsen en Moe. Dat gemis kan nu worden ingehaald met een uitgave van Wilde aardbeien, een imprint van Stichting Scandinavisch Vertaal- en Informatiebureau Nederland (SVIN). Het is na 70 jaar weer de eerste vertaling in het Nederlands rechtstreeks uit het Noors.

    De sprookjes zijn, zoals Janke Klok in haar Nawoord schrijft, vertaald in begrijpelijk modern Nederlands, maar niet vergaand bewerkt. En ‘het behoud van het karakteristieke Noorse element’ is ‘een belangrijk criterium’ geweest. Het zal wel, zou je kunnen denken, als je – niet noemenswaardig bekend met de Noorse literatuur en geschiedenis – eerst dit nawoord hebt gelezen. Maar er voltrekt zich bij onderdompeling in deze sprookjes een klein wondertje: je proeft, ook al heb je je nooit met Noorwegen bezig gehouden, toch iets dat onmiskenbaar Noors moet zijn.

    Het Nawoord is trouwens een interessante toelichting op de betekenis van deze sprookjes voor de Noorse taal en identiteit. Asbjørnsen en Moe, kwamen elkaar in 1826 tegen in het gehucht Norderhov. Hun beider belangstelling voor volksverhalen leidde tot een vriendschap en een  zoektocht naar varianten van sprookjes, volksverhalen, sagen en balladen. Ze probeerden er niet alleen de ‘oervorm’ van te achterhalen, maar wilden er ook een Noors verleden mee reconstrueren; een romantisch idee dat in vruchtbare aarde viel omdat Noorwegen tot 1814 een provincie van Denemarken was geweest en Deens nog steeds de officiële schrijftaal was. Hun verzamelwerk en herschrijving van de overgeleverde orale traditie (uit een soort dialect dat wél Noors was) heeft er in geresulteerd dat ze diverse typisch Noorse woorden aan de schrijftaal hebben toegevoegd. Ze zorgden daarmee niet alleen voor een taalrevolutie, maar ook voor een literaire. Noorse schrijvers lieten zich op zoek naar een eigen landsliteratuur door de verhalen inspireren.

    Asbjørnsen en Moe maakten ook zelf literatuur van de volksverhalen en sprookjes. Ze bouwden hun vertellingen op volgens een helder schema dat leidt naar de climax en hanteerden een beeldende woordenschat. Opvallend zijn de talrijke herhalingen in de opbouw. Ooit waren die voor volksverhalenvertellers handige kapstokjes om het verhaal goed te onthouden, maar Asbjørnsen en Moe zetten ze ook als eigen stijlmiddel in.

    Wat meehelpt om een Noorse sfeer te creëren is het gebruik van Noorse namen en landschappen. Geen enkel sprookje van de twee verzamelaars begint met ‘Er was eens, in een land hier ver vandaan een molenaar, die…’. Nee, het eerste verhaal al speelt in Dovrefjell. En de hoofdpersoon heet Halvor. Dezelfde landstreek komt in meer verhalen terug, bevolkt door beren en trollen (ze ontploffen als ze aan zonlicht worden blootgesteld) en beheerst door de elementen als wind en storm die over weidse vlakten waaien.

    Maar de verhalen zijn ook universeel. Natuurlijk zijn ze dat in hun thema’s van goed tegenover kwaad, slimheid tegen rijkdom en liefde tegenover jaloezie en de overwinning van rechtvaardigheid, maar ook in hun relaas. De ettelijke malen opduikende Askeladd die door zijn twee broers als een slonzige sul wordt beschouwd die alleen maar in de as kan poken, slaat bijvoorbeeld een prinses aan de haak, zoals zijn vrouwelijke evenknie Assepoester in de sprookjes van Perrault en Grimm uiteindelijk lang en gelukkig leeft met de prins wiens hart haar zussen zo begeerden. Waar Assepoester een glazen muiltje als bewijsstuk kon overleggen, zijn het bij Askeladd gouden appels. Waarbij je bovendien meteen aan de twistappel van de Griekse godin Eris kunt denken.

    Zo gaan je gedachten bij het varken dat een beter leven wil dan tussen de schillen en het spoelwater, maar zich uiteindelijk toch verzoent met zijn bestaan, onwillekeurig naar de parabel van de Japanse steenhouwer in de Max Havelaar.

    En er zijn meer van dit soort herkenbare interculturele verbanden. Krijgt Catootje in het lied Ik ben met Catootje naar de botermarkt gegaan…  een steeds langere stoet functionarissen achter zich aan, in het sprookje uit deze Noorse bundel over de kip die de ondergang van de wereld wil ontvluchten door naar Dovrefjell te gaan, wordt haar aanhang alsmaar groter als haantjepaantje, eendjebeentje, gansjepansje enzovoort zich ook aansluiten.

    Er is zelfs een sprookje dat aan De verkeerde wereld van Pieter Breughel doet denken, het beroemde schilderij uit 1559 waarop een veelheid aan spreekwoorden is verbeeld. Dat is het verhaal van de ram en het varken die op zichzelf wilden wonen. Alle dialogen in dat sprookje bestaan uit spreekwoorden en gezegden.

    Het is tevens een van de beste staaltjes van humor die Asbjørnsen en Moe afleveren. Humor inderdaad, want hun verhalen bevatten vaak wel een moraal, maar die wordt altijd luchtig en met een relativerend sausje overgoten.

    Hoe speels en dartel zet de fabel over ‘de haas die getrouwd was geweest’ in, in vergelijking met een soortgelijk verhaal van de Gebroeders Grimm. Bij hen begint de fabel van de kat en de muis met: ‘Een kat had kennis gemaakt met een muis en haar zoveel voorgespiegeld over haar grote liefde en vriendschap, dat de muis er vriendelijk in toestemde, met haar samen in één huis te wonen en samen ’t huishouden te doen.’ Asbjørnsen en Moe laten hun haasfabel zo beginnen: ‘Er was eens een haas die vrolijk door de velden dartelde. “Hoera, hela, hopla” riep hij. Hij rende en sprong en maakte er af en toe een salto achteraan om vervolgens weer op twee poten in het gras terecht te komen.

    Toen kwam er een vos aangeslopen.’

    Wie dat leest wil die haas meteen volgen. Grimms kat en muis moeten dan maar even wachten.
    En dat de haas voorrang krijgt zal ongetwijfeld ook een verdienste van de vertalers van SVIN zijn.

    De bundel bevat trouwens ook nog eens fraaie oorspronkelijke illustraties.