• Eén alinea!

    Eén alinea!

    Slechts één alinea weet De Zieners te boeien. Dit klinkt negatief, maar is het grootste compliment dat de schrijver kan krijgen. De Zieners bestáát namelijk uit die ene alinea. Deze roman van Sulaiman Addonia lees je uit in een ademteug, een ruk, een avondje overgave aan de koortsdroom van Hannah uit Eritrea. Als vluchtelinge die moet wachten op een goedgekeurde asielaanvraag, doorkruist ze nachtelijk Londen. Altijd met het dagboek van haar jong gestorven moeder bij zich.

    Een verhaal, opgebouwd uit een enkele alinea… Iedere schrijver, kunstenaar, veellezer of literatuurwetenschapper zou dit van tevoren een onmogelijke opgave noemen. Addonia neemt niet eens de moeite deze monnikenklus op een degelijke typemachine of computer te doen: hij schreef De Zieners op een iPhone. Weg romantiek? Integendeel. De Zieners zindert van liefde, sensualiteit en gevoel. Tegelijk bezorgt het ons Europese lezers regelmatig het schaamrood op de kaken. Niet vanwege de expliciete seksscènes – we zijn allang murw gebeukt door de lichamelijkheid van types als Houellebecq – maar vanwege het besef: eigenlijk kijken we allemaal massaal weg van vluchtelingen.

    Kullu yihalif, fiqri yiterif

    Panta rhei, ouden menei. Alles stroomt, niets blijft, luidt de wet van Herakleitos. Eritreeërs hebben hun eigen variant: kullu yihalif, fiqri yiterif. Alles verandert, de liefde blijft. Bijna hetzelfde. Bijna. Aanvankelijk staat het motto er in het Tigrinya (de Eritrese taal) én in het Nederlands. Later in het boek wisselen de talen van plaats, en uiteindelijk verdwijnt de variant van het Tigrinya volledig. Zelf verloor Addonia zijn moedertaal, toen zijn moeder voor werk naar Saoedi-Arabië vertrok. Ook Hannah wordt Engelser en Engelser in haar ballingschap; waar ze eerst beledigingen naar het hoofd krijgt, omdat ze niet Brits genoeg klinkt, verdeftigt haar accent met rasse schreden. Maar echt gek wordt ze nooit op Engeland, waar haar tante haar heen stuurde: ‘Die avond werd ik vanuit Keren weggestuurd naar het land dat mijn vader een neger had genoemd. Het spijt me dat ik je naar dat land toestuur, zei mijn tante.’

    Hannah’s vader hielp het Engelse leger de Italiaanse bezetting beëindigen en werd hiervoor beloond met meer vernedering. Hij was een analfabeet die leerde lezen en zielsveel van boeken hield en stierf – net als zijn echtgenote – veel eerder dan Hannah lief was. Het liefst zou hij zijn hele boekenverzameling hebben ingescand in het brein van zijn slimme dochter. En die bibliotheek zeult ze in het Verenigd Koninkrijk figuurlijk met zich mee. Ook gebruikt ze het dagboek van haar moeder om zich staande te houden in de regen, kou en grauwigheid. ‘Ik keerde terug naar mijn boeken, en discussieerde met Neruda over het feit dat hij in zijn gedichten de liefde telkens liet terugkomen als troost. Liefde is net zo onbeduidend als lucht voor een lijk, zei ik tegen Neruda, een citaat uit mijn moeders dagboek, iets wat hem kennelijk met afkeer vervulde omdat ik daarna een tijdlang niets van hem hoorde.’ Even later merkt Hannah op: ‘Serieus, niets zo krachtig als dode, verwaten dichters die tegen je uitvaren.’ Want ze praat niet alleen met Pablo Neruda.

    Hampstead Heath, Fitzroy Square en Bloomsbury

    Hannah voert gesprekken met allerlei dichters die in Hampstead Heath gedenktekens hebben. Denk aan Keats, Coleridge, Shelley, Byron en Cummings: ‘Ik pakte zijn bundel, liep terug naar mijn boom en begon er leunend tegen de stam in te lezen. Dat boek bespoedigde de relatie tussen de boom en mij: ik las telkens een gedicht voor mezelf en dan een voor de boom. Doordat de boom waaronder ik sliep zich laafde aan de Londense regen en zich voedde met de wellustige poëzie die ik voorlas, werd het de meest doorvoede en vrije boom van heel Londen.’ De dode dichters genieten bovendien mee van haar vrijpartijen met land- en lotgenoot Bina Balozi: ‘Mijn hoofd klaarde op toen het genot zich aandiende in de armen van het donker. O B.B. De O die stond voor de roos tussen zijn zwarte billen die openbarstte in mijn slapeloze nachten en kleur gaf aan mijn avonden, de B die stond voor de balletdanser op de bodem van mijn schoot.’ De lovende kritieken die de roman kreeg, richten zich met name op deze lichamelijkheid. Volgens de critici is die fysieke realiteit het enige wat Hannah echt ‘heeft’. De seksualiteit wordt breeduit gevierd, inclusief orgasmes, squirts en voorbinddildo’s. Toch biedt De Zieners meer dan erotiek. En ergens is het ook kwalijk dat vluchtelingen en asielzoekers tot hun lichaam worden gereduceerd – verhalen waarin zij niets anders hebben dan hun lijf, zijn er al voldoende.

    Het boek is niet alleen opgebouwd uit één alinea, alle dialogen missen aanhalingstekens. Dit leidt tot onduidelijkheid over wie er precies spreekt. Hannah’s identiteit wordt tijdens een gesprek met Engelse douaniers zowel letterlijk als figuurlijk aan flarden gescheurd: ‘Maar de tolk ging verder: Hannah, ik moet je vragen naar je paspoort. Als het dan moet, zei ik, en ik masseerde mijn voorhoofd. Waar is je paspoort? Dat heb ik verscheurd en doorgespoeld in het vliegtuig. Waarom? Dat moest van de smokkelaar.’ Zo wordt het verhaal van Hannah langzaamaan het verhaal van meer vluchtelingen, lotgevallen die ambtenaren al of niet moeten verleiden tot een gehonoreerde asielaanvraag: ‘Hannah, zei ze. Dit is pas het begin. Let goed op jezelf. Wat een rare waarschuwing, zei ik. Als ik geen ruimte in mijn hoofd heb, heb ik geen ruimte in mijn hoofd. Je bent niet de eerste immigrant die dat tegen me zegt, zei ze. Laat je niet overweldigen door herinneringen. Maar het komt goed, je zult het verleden leren loslaten.’ Maar hoe lukt dat haar, als haar toegewijde, Engelse voogd juist in het verleden blijft hangen?

    Lady Diana

    Een personage dat verrassend weinig aandacht krijgt in de lovende kritieken, is Diana. Als tijdelijke voogd vangt zij Hannah op in een buitenwijk, stevig drinkend, rokend en mijmerend over wat achter haar ligt. Hannah, ondertussen, wacht tot Binnenlandse Zaken haar asielaanvraag goedkeurt: ‘Terwijl ik in afwachting van de volgende postbezorging terugliep naar mijn kamer, vroeg ik me af wat er zo dringend zou zijn in haar leven.’ Daarom vraagt Hannah op een druilerige, ijskoude avond in de walm van Diana’s sigarettenrook: ‘Diana, wat heb je gestudeerd toen je op de universiteit zat? Ze snoof achteloos en viel stil. Niets. Sorry dat ik het vroeg, zei ik na een poosje. Nee, nee, Hannah. Dat is het niet. Je deed me alleen denken aan… Nou, eens even denken… ze zweeg.’ Tijdens de avondwandeling probeert Hannah Diana nogmaals uit haar zwijgzaamheid te halen: ‘Haar ogen gaven toe aan de stilte van een zwak verlichte steeg, waar een man met een slaapzak om zijn schouders een kat aaide op de motorkap van een auto. Gaat het wel goed, Diana? Stilte. Haar ogen stonden vol gedachten die ik niet kon ontcijferen. Ik wilde net wegkijken toen ze zei: Het gaat zo wel weer. Het is allemaal niks vergeleken bij wat jij hebt doorstaan.’

    Anders dan in Addonia’s vorige roman, Stilte is mijn moedertaal, werkt stilte hier verstikkend. Dat laat De Zieners zien met een personage als Diana. Hannah vindt het leven in literatuur, taal, woord en geschrift, ondanks (en dankzij) haar verleden. De laatste scène, extatisch en speels, doet denken aan Het leven is vurrukkulluk. Alleen spreekt hier geen Vijftiger, maar een twintiger, in de bloei van haar leven.

     

  • Elizabeth Strout en haar bijzondere verhalen

    Elizabeth Strout en haar bijzondere verhalen

    Met de tiende roman van Elisabeth Strout is iets interessants aan de hand. De levens van verschillende personages uit haar vorige, op zichzelf staande boeken, raken in Vertel mij alles sterk met elkaar verweven. Dat gebeurt niet vaak in de literatuur. Nooit liet Agatha Christie haar Hercule Poirot en Miss Marple samen een moord oplossen. Hermans’ Onder professoren en Uit talloos veel miljoenen spelen in hetzelfde Groninger academisch milieu, maar het enige personage dat in beide romans optreedt is marginaal, de psychiater Eddie Barend. Recentelijk liet A.F.Th. van der Heijden zijn twee prozacycli De Tandeloze Tijd en Homo Duplex in elkaar overvloeien met Stemvorken (2021) en Zogkoorts (2023). Elisabeth Strout weeft haar werelden subtieler ineen, pas gaandeweg valt het de lezer op.

    Zoals William Faulkner met Yoknapatawpha County een omgeving schiep – herkenbaar als zijn geboortegrond, als ook volkomen fictief gezien de verzonnen namen van de locaties in zijn romans en verhalen – doet Elizabeth Strout dat met de omgeving van Sabbanock Valley in Maine. Dit universum ontplooide zich vanaf haar debuut Amy en Isabelle (1998). Het stadje Shirley Falls in Maine kent een arm en een rijk deel, gescheiden door de Sabbanock rivier. Alleenstaande moeder Isabelle Goodrow woont met haar tienerdochter Amy in een bouwvallig huis aan de rand van het welvarende deel. Isabelle werkt in een fabriek als secretaresse. Amy gaat naar de middelbare school, waar haar kleding afsteekt bij die van haar welvarender klasgenoten. Moeder en dochter zijn elk op hun eigen manier eenzaam en raken van elkaar verwijderd.

    Oliver Kitteridge

    Olive Kitteridge (2008) is een verhalencyclus die bij Shirley Falls speelt in het kuststadje Crosby. Met personages voor wie het leven hard is, maar zelf ook harteloos tegenover anderen zijn. Olive Kitteridge is wiskundelerares, echtgenote van drogist Henry en moeder van Chris. Ze is onafhankelijk. Niet echt aardig, eerder direct en impertinent, maar met compassie voor de zwakkeren. Tegenover haar zoon, die twee keer trouwt en wiens keuze ze afkeurt, speelt ze geen mooi weer. De verhalencyclus neemt een decennia in beslag. Uiteindelijk is Olive weduwe, gepensioneerd en ontmoet ze weduwnaar Jack. Het boek werd in 2014 bewerkt tot een tv-serie voor HBO met de briljante Frances McDormand in de hoofdrol.

    In 2013 verscheen The Burgess Boys, dat nog niet vertaald is. Bob en Jim Burgess groeiden met hun zuster Susan op in Shirley Falls, voor ze beiden naar New York vertrekken. Bob werd een sociale advocaat, zijn broer een beroemde misdaadadvocaat. Zijn tweelingzuster Susan bleef in Maine wonen. Hun vader stierf toen ze kinderen waren door een vreemd auto-ongeluk. Wie heeft aan de versnelling geprutst, Bob, Jim of Susan. De sympathieke Bob heeft er een trauma aan overgehouden. Naast de broers, zijn er hun echtgenotes, Pam en Helen. In deze roman zien we, zoals in haar andere romans, huwelijksbedrog, echtscheiding en vervreemding van de kinderen. Beschadigde mensen, maar ook ex-partners die met elkaar bevriend blijven.

    Werden deze drie boeken in de derde persoon geschreven, met Ik heet Lucy Barton (2016) slaat Strout een andere weg in. Geen samenhangende verhalencyclus, maar een roman in de eerste persoon, zodat we dicht bij de verteller blijven. De kern van het boek is een ziekenhuisopname van Lucy in New York in de jaren tachtig. Lucy ontwaakt en ziet haar moeder, waar ze geen goede relatie mee heeft, naast haar bed zitten. Ze is overgekomen uit het gehucht Amgash in Illinois. Lucy is beginnend auteur, getrouwd met William en ze hebben twee jonge dochters. Met haar moeder praat ze over mensen uit Amgash, hoort ze wat er van hen geworden is en herinnert ze zich hoe straatarm ze waren. Als kind zochten ze naar voedsel in afvalbakken. Hun vader gedroeg zich vreemd en haar moeder was afstandelijk. Of Lucy door het ziekenhuisbezoek van haar moeder nader tot haar gekomen is, is de vraag. Ze verzint een dode moeder die wel lief voor haar is en haar op belangrijke momenten nuttige adviezen kan geven.

    Succesvol schrijfster

    Niets is onmogelijk (2017) gaat ook over Lucy, maar nu in de derde persoon geschreven en in de vorm van een verhalencyclus. Lucy is inmiddels hertrouwd en een succesvol schrijfster geworden. Sommige personages uit Amgash krijgen een eigen verhaal, onder wie Lucy’s broer en zuster. Andere verhalen gaan over mensen die Lucy ontmoet. Ze brengt een bezoek aan haar broer en zuster en dat loopt niet goed af. Want Lucy mocht studeren, maar zij bleven als outcasts in Amgash wonen.

    Opnieuw Olive (2019) is een verhalencyclus met Olive Kitteridge als verbindende figuur. Soms heeft ze een cameo. Zoals in het verhaal ‘Ballingen’, waarin Jim Burgess met zijn vrouw Helen op bezoek gaat bij broer Bob en diens echtgenote Margaret in Crosby. Olive ontmoet later een voormalige leerlinge die de Amerikaanse Poet Laureate is geworden en beseft dat zij alleen maar om die reden op de vrouw is afgestapt. Aan het begin is Olive gelukkig getrouwd met Jack, aan het eind is ze 86 en woont ze als weduwe in een bejaardentehuis. Daar leert ze Isabelle Goodrow (uit Amy en Isabelle) kennen. De twee ontwikkelen een bijzondere vriendschap. En Olive begint haar memoires op te tekenen.

    Knap van Strout is hoe zij de essentiële gebeurtenissen die wij over de personages uit vorige romans kennen, zo gedoseerd weet samen te vatten dat ze zowel duidelijk genoeg zijn voor de nieuwe lezer als niet hinderlijk voor degene die haar werk kent. Eigenlijk wordt de kern van haar romans niet zozeer door een plot bepaald, als door de ketting van verhalen die de personages aan elkaar vertellen, over zichzelf en de merkwaardige mensen die ze ooit hebben ontmoet.

    In Het verhaal van William (2021) vertelt Lucy wat meer over haar huwelijk met William en over diens moeder bij wie ze zich nooit op haar gemak voelde. Na hun scheiding trouwde ze met de musicus David. Als David is overleden en William is verlaten door zijn veel jongere vrouw trekken ze weer naar elkaar toe. Williams blijkt een halfzus  in Maine te hebben. Om allerlei redenen is Lucy degene bij haar op bezoek gaat en een schokkende ontdekking doet over Williams moeder. Ze geeft ook meer details over de scheiding en de slechte relatie met haar dochters in de periode daarna. Ondanks het verleden voelt Lucy zich merkwaardig genoeg veilig bij William. In Lucy aan zee (2022) – een echte covid-roman met de pandemie als rode draad – verhuist ze dan ook met William naar Maine, in Crosby. Twee mensen die in hun jeugd met elkaar trouwden, slechts hun in New York gebleven dochters als verbindende factor hebben, zitten tijdens de lockdown opeens in een onbekend huis aan zee. Het is fascinerend hoe Strout het proces van een groeiende vertrouwdheid tussen beiden weet te schetsen.
    Ze zien de gruwelen van de pandemie in New York op tv, maar ook de moord op George Floyd en de Trumpiaanse bestorming van het Capitool. Mensen die zij kennen worden ziek, sommigen sterven. De communicatie met de dochters wordt problematisch, en niet alleen door de pandemie.

    Programma voor haar romans

    Vertel mij alles begint zo: ‘Dit is het verhaal van Bob Burgess, een grote, stevig gebouwde man, die in Crosby, Maine woont, en op het moment van schrijven is hij vijfenzestig. Bob heeft een groot hart, maar dat weet hij niet van zichzelf; zoals zovelen van ons kent hij zichzelf minder goed dan hij denkt, en hij kan zich onmogelijk voorstellen dat hij iets in zijn leven heeft dat het waard is om te worden opgetekend. Maar dat heeft hij wel, net als wij allemaal.’ Dit kan worden opgevat als een programma voor de hele roman: het leven van ieder mens is de moeite waard om te vermelden, ondanks zijn of haar onvolkomenheden. Strout is hierin verre van klef, in een bepaalde mate liegen, bedriegen en manipuleren haar personages partners, vrienden en familieleden en als dat niet het geval is schuren hun betrekkingen voortdurend. Net als in haar vorige romans. Waardoor dit citaat uit Vertel mij alles ook het programma is voor haar hele oeuvre.

    In dit boek ontmoet Lucy Olive voor het eerst. De bedoeling is dat Lucy haar bezoekt om elkaar verhalen te vertellen over de mensen die ze in hun leven hebben gekend. Olive heeft de boeken van Lucy gelezen, maar anders dan Bob en zijn vrouw Margaret is ze kritisch. En van de verhalen die Lucy – de beroemde schrijfster – haar vertelt, is ze niet altijd onder de indruk. Omgekeerd vindt Lucy de levensverhalen die Olive haar vertelt wel interessant: ‘Vertel mij alles!’

    Een terugkerend genoegen voor Lucy  zijn haar wandelingen met Bob, op wie ze zeer gesteld is. Tijdens hun wandelingen praten ze over mensen uit hun respectievelijke verleden. Lucy over mensen uit haar jeugd, over haar dochters en Olive. Bob over zijn broer en zuster en hun partners, over zijn ex-vrouw Pam en zijn huidige vrouw Margaret. Bovendien heeft hij de verdediging op zich genomen van een man die ervan wordt verdacht zijn moeder te hebben vermoord. Moe als Bob is en twijfelend of hij zijn advocatenkantoor nog moet aanhouden, heeft hij medelijden met de man die verdacht wordt, en wiens families elkaar kennen vanaf hun middelbareschooltijd.

    Alles is een vorm van liefde

    De verwikkelingen rond de moord op de moeder vormen een boeiende rode draad in Vertel mij alles, maar het bepaalt nooit de andere verhaallijnen. Zoals de nieuwe relatie van Bobs zuster, de alcoholproblemen van zijn ex en de relatieperikelen van Lucy’s dochters. Of het gevaar dat Olive’s boezemvriendin Isabelle door dochter Amy naar California wordt gehaald.

    Misschien omdat Lucy uit New York komt, valt in dit boek sterk op hoe belangrijk de natuur in Maine voor de personages is, met name bij de wisseling van de seizoenen. Wel en wee, lief en leed, maar bij Strout geen eind goed, al goed. Enerzijds zorgt het ‘lot’ ervoor dat eenzame personages een partner krijgen en sommige zelfs uit de armoede geraken. Of dat een wanhopige vrouw na een serie miskramen een gezond kind krijgt. Anderen verliezen hun partner en zien de relatie met hun kinderen onherstelbaar verslechteren of blijken als kind misbruikt en kunnen het leven niet meer aan.

    Als uiteindelijk de mogelijkheid voor een heerlijk leven met hun grote liefde in het verschiet ligt, zijn er mensen die terugschrikken voor de ‘collateral damage’ die dat in hun omgeving zou veroorzaken. Dat is een verhaal dat Lucy aan Olive vertelt aan het slot van het boek. De strekking is volgens haar dat het belangrijkste principe tussen mensen, of het nu partners, vrienden, kennissen of familieleden zijn, een vorm van liefde is. Strouts hele oeuvre laat dit zien, maar in deze roman stelt ze het heel expliciet. ‘Telling’, maar ze laat het natuurlijk vooral zien, ‘Showing’. In de laatste regels kijkt Olive Kitteridge, 91 jaar oud, naar haar slapende vriendin Isabelle en constateert dat Lucy gelijk heeft. Liefde. Voor wie nooit iets van Strout heeft gelezen, kan zonder meer beginnen met Vertel mij alles. Het zal ongetwijfeld aanzetten tot het lezen van haar voorgaande romans.

     

     

  • Schrijvend aan haar zuster Virginia

    Schrijvend aan haar zuster Virginia

    Susan Sellers schreef in 2009 de historische roman Vanessa & Virginia, een roman over de zusters Vanessa Bell en Virginia Woolf. Het boek verscheen vorig jaar in Nederland in een vertaling van Lucie van Rooijen. Het is een prachtig geconstrueerde roman waarin Sellers Vanessa na de zelfmoord van haar zuster Virginia een boek laat schrijven aan haar, waardoor de lezer inzicht krijgt in beider levens.  

    Het boek toont vanuit het perspectief van Vanessa hoe belangrijk de zusters voor elkaar zijn geweest, al was het niet altijd pais en vree. Hun relatie doorloopt alle schakeringen van afgunst, troost, mededogen, liefde, haat, trots, verdriet, verlangen en bewondering. Ze geven elkaar warmte en laten elkaar soms in de kou staan. Warmte bijvoorbeeld als Vanessa haar zuster bezoekt in het rusthuis waar ze vanwege overspanning verblijft en ze naast elkaar in bed kruipen: ‘De muren van het rusthuis verdwijnen en we keren terug naar de tijd dat wij tweeën de meisjesslaapkamer deelden. Jij bent mijn geitje, mijn wombat, mijn muis, Ik streel je zijdezachte vacht en voel je neus over mijn wang wrijven.’ Kou bijvoorbeeld als blijkt dat Virginia flirt met Vanessa’s man Clive Bell als Vanessa een kind gebaard heeft. Vanessa is vaak jaloers op haar zus die als kunstenaar meer succes heeft. Maar uiteindelijk kunnen ze niet zonder elkaar, in ieder geval niet voor lange tijd. 

    Ontstaan Bloomsburygroep

    Virginia en Vanessa leefden in een periode van enorme sociale verandering. Ze maakten het einde van het Victoriaanse Tijdperk mee, Eerste Wereldoorlog, de opkomst van de nazi’s en behoorden tot de eerste generatie vrouwen die mochten stemmen. In deze context speelde hun leven zich af. Het boek bestaat uit korte hoofdstukjes: scènes uit een zusterschap. Zusters die samen ontsnappen uit een laat-Victoriaans gezinsreservaat met alle conventies en seksuele geremdheid van dien. Vanessa is de oudste, de minst bekende, de serieuze en meest conventionele, niet intellectuele. Virginia (koosnaam Billy) is de extreme en briljante schrijfster die tot op de dag van vandaag gelezen wordt. Virginia heeft diepe depressies gekend, had een groot gevoel voor humor en deed baanbrekend werk als vrouwelijke auteur. 

    Samen kopen ze, na het overlijden van hun ouders, een huis in Bloomsbury (Londen). Dat huis wordt de pleisterplaats van een groep geleerden en kunstenaars die bekend is gebleven als de Bloomsburygroep. Bekenden in deze groep zijn de econoom John Maynard Keynes, schrijver en criticus Lytton Strachey en de schrijfster Vita Sackville West. Relativerend is hoe Sellers Vanessa in deze roman laat terugkijken op de aankoop van dat huis. Het huis was voor hen betaalbaar en lag ver genoeg af van hun tantes die na het overlijden van hun ouders toezicht op hen wilden houden. Achteraf was het huis een keerpunt in Vanessa’s leven. In de roman zegt ze: ‘Hier kan ik zeggen en doen wat ik wil. Het hele bouwwerk van conventies is met de grond gelijkgemaakt. Ik zal de grenzen van mijn kunst opzoeken.’ De inzet is veelbelovend, maar in de loop van haar leven wordt het Vanessa vaak onmogelijk gemaakt zich volledig aan de schilderkunst te wijden.

    Schilderen versus schrijven

    Schilderen is voor Vanessa even belangrijk als schrijven voor Virginia. Als ze een dag niet geschilderd heeft voelt ze zich ontevreden. Het is echter niet altijd bevredigend, af en toe, zoals alle kunstbeoefening, is het ook een hel. De herinnering aan het samen schrijven en schilderen in hun jeugd geeft haar dan de kracht om door te gaan. De herinnering aan hun jeugd, samen met hun jongere broertje Thoby, is in het boek een vast punt van terugkeer voor Vanessa. 

    Ze ergert zich aan haar man Clive Bell, – van wie ze overigens nooit zal scheiden – een slapjanus die geen zitvlees heeft en op kunstzinnig gebied nergens toe komt terwijl hij zo talentvol is. Na hun eerste kind verliest Clive zijn belangstelling voor Vanessa. Ze geeft het schilderen er een tijdje aan en troost zich met de gedachte dat haar zus Virginia als schrijfster wel succesvol is. Ze beseft dat ze Clive niet mag verstikken als ze hem wil behouden. De schilder en kunstcriticus Roger Fry dingt naar haar liefde en trekt haar bij de afgrond weg als ze een miskraam heeft, maar ze geeft hem niet echt een kans.

    Een eigen huis

    Als ze twee kinderen hebben, onttrekt ze zich wat meer aan haar man Clive en koopt ze Charleston. Een prachtig huis in de provincie waar ze volgens haar eigen ritme gaat leven. Ze beschildert alle vertrekken van het huis. Het bestaat nog steeds en is een bezoek meer dan waard. Het huis werd een nieuw centrum voor de leden van de Bloomsburygroep. Maar een eigen ritme is ook hier moeilijk te vinden voor Vanessa. Ze raakt namelijk hevig verliefd op de schilder Duncan Grant, de geliefde van haar broer Adrian. Duncan voeltt zich aangetrokken tot mannen. Dat misgunt ze hem niet, maar ze is halfdood van verlangen naar hem. De vrijheid die ze hem wil geven gaat ten koste van haar eigen vrijheid en kunstbeoefening.

    Ze is verantwoordelijk voor de opvoeding van Angelica, het meisje dat uit haar verhouding met Duncan wordt geboren. Ze wil Duncan niet al te veel op zijn verantwoordelijkheden wijzen: ‘Ik ben bang dat als Duncan het gevoel krijgt dat er iets van hem wordt verwacht als vader, hij helemaal niet meer komt.’ De angst om hem te verliezen, maakt haar tot een sloof. Ze is niet in staat om de conventionaliteit van haar jeugd volledig overboord te gooien. Virginia troost haar dan vaak en roept haar op zich niet in te graven in haar rol als moeder.

    Kloof tussen kunst en biografie 

    Vanessa wordt door Sellers in deze roman beschreven als een vrouw die in staat is om tegenslag en pijn zo te verwoorden dat het navoelbaar is voor de lezer. In deze roman spreekt ze alles uit: haar angst om alleen te komen staan, om afgewezen te worden. Ze is bang als schilderes niets voor te stellen. Vanessa’s angsten zijn in dit boek invoelbaar door de prachtige schrijfstijl die Susan Sellers imiteert van Virginia Woolf. Alsof Sellers daarmee wil laten zien hoezeer Vanessa zich inleefde in haar zuster, na haar zelfmoord.

    Sellers is de editor van het werk van Virginia Woolf bij Cambridge University Press. In deze roman geeft zij aan Vanessa de aandacht die zij verdient. Deze historisch roman is een poging de kloof tussen kunst en biografie te overbruggen. Sellers zegt: ‘As a novelist I want to do justice to the real-life figures I am writing about, but I am also telling a story, with all that this implies in terms of world and character building, drama, a sense of puzzles solved or mysteries unravelled.’ Een biografie geeft haar niet de mogelijkheden die een roman haar wel geeft, namelijk vragen niet alleen te stellen, maar ook te beantwoorden door te speculeren en in te vullen. Daardoor kan zij lijn aanbrengen in het leven van beide zusters. Hiermee wil ze laten zien dat de relaties tussen kinderen onderling vaak belangrijker is dan die van ouders met hun kinderen. Waarmee zij haar twijfel over de psychologie van Freud kenbaar maakt.

    Vanessa beweert in de roman een paar keer dat haar zuster veel mooier schrijft dan zij. Maar Sellers laat Vanessa na Virginia’s dood de schrijfstijl van haar zuster gebruiken. Het is haar manier om verbinding te zoeken, waardoor ze definitief afscheid van haar kan nemen.



  • Oogst week 47 – 2023

    Mannen in de zon

    De Palestijn Ghassan Kanafani is schrijver en politiek activist. Hij werd geboren in 1936 in Akko, in het noorden van Israël, en kwam in 1973 in Beiroet om door een autobom. In de drie jaar voor zijn dood – hij had toen al meer romans en verhalen gepubliceerd – was hij woordvoerder van het Volksfront voor de bevrijding van Palestina. Zijn debuutroman verscheen tien jaar vóór zijn dood: Mannen in de zon. De roman, nu vertaald in het Nederlands, is het gruwelijke vluchtverhaal van drie Palestijnse mannen uit drie generaties, die in de jaren 50 van de vorige eeuw vanuit Basra in Irak illegaal naar Koeweit willen om daar werk te vinden. Dat vluchtmotief blijkt ook andere achtergronden te hebben die geleidelijk in de roman duidelijk worden. De drie mannen, Abu Qais, de oudste van de drie, Assad, de middelste en de tiener Marwan hebben elk hun eigen redenen die overigens in alle drie gevallen ook te maken hebben met de gezinssituaties waaruit ze komen en de verantwoordelijkheid die ze daarvoor voelen. Daarnaast staan ze symbool voor verschillende politieke houdingen onder de Palestijnen, van behoudend tot activistisch. Hun reis wordt verzorgd door een smokkelaar, deels in een watertank (afgebeeld op de omslag van de roman), en kent een gruwelijk einde.

    Mannen in de zon
    Auteur: Ghassan Kanafani
    Uitgeverij: Jurgen Maas

    Winterverhalen

    Ingvild H. Rishøi (Oslo, 1978) begon als journaliste, maar ging vanaf 2007 als schrijver publiceren, eerst twee kinderboeken en daarna korte verhalen en novellen. Drie van die novellen zijn gebundeld in Winterverhalen.  In het Nederlands verscheen vorig jaar haar Stargate, een sprookjesachtige Kerstvertelling over twee meisjes die graag een kerstboom willen hebben, maar te maken hebben met een dronken vader (zie de recensie ).
    Winterverhalen dateert al uit 2014 en is nu eveneens in het Nederlands te lezen. De drie verhalen gaan over mensen die steeds weer de rug rechten als het leven tegenzit. Het langste gaat over Rebekka, een 17-jarig meisje dat na de vondst van een onheilspellende brief die gericht lijkt te zijn aan haar instabiele moeder samen met haar broers en zussen het gezin wil redden. De interactie tussen de kinderen speelt zich af tijdens een wandeling door de winterse kou naar een schuilplaats. Via flashbacks krijgt de lezer een beeld van hoe het in het gezin zo mis kon gaan.

    Winterverhalen
    Auteur: Ingvild H. Rishøi
    Uitgeverij: Koppernik

    Vanessa en Virginia

    Vanessa Bell en Virginia Woolf waren twee zussen uit een typisch Victoriaans gezin van ouders Leslie Stephen en Julia Sackson. Na de dood van hun ouders verhuisden ze beiden naar Bloomsbury waar ze deel werden van de groep intellectuelen, schrijvers en kunstenaars die bekend is geworden als de Bloomsburygroep. Ze trouwden in die tijd met respectievelijk Clive Bell en Leonard Woolf. Schilderes Vanessa en schrijfster Virginia namen een levensstijl aan die nogal verschilde van wat hen thuis was opgedrongen, niet in de laatste plaats met betrekking tot seksuele vrijheid. Hoe ze in die wereld terecht kwamen en vooral hoe hun onderlinge rivaliteit zich ontwikkelde wordt door Susan Sellers (een van de bezorgers van de uitgaven van Virginia’s boeken door Oxford University Press) verhaald in de nu verschenen roman Vanessa en Virginia. Het boek heeft de vorm van dagboekaantekeningen van Vanessa, die drie jaar ouder was dan Virginia. Ze beginnen met herinneringen aan hun kindertijd in het gezin Stephen (waarin de twee zusjes seksueel werden misbruikt door hun stiefbroers) en gaan over in hun ontwikkeling na de dood van de ouders en hun komst naar Bloomsbury. De jaloezie tussen de twee zussen richt zich wat Vanessa betreft op het succes dat haar zus had met boeken als Naar de vuurtoren en Mrs Dalloway. Omgekeerd is Virginia jaloers op Vanessa’s gezinsleven. Uiteraard worden ook de depressies waar ze beiden last van hadden beschreven.

    Vanessa en Virginia
    Auteur: Susan Sellers
    Uitgeverij: Orlando
  • Liefde is een opstandig beest

    Liefde is een opstandig beest

    De openingszinnen zijn een aardige illustratie van wat De zaak aan Highway 62 van Laila Lalami goed en tegelijk minder sterk maakt. De eerste zet het verhaal meteen op scherp: ‘Mijn vader kwam om het leven op een voorjaarsavond, vier jaar geleden, terwijl ik aan een hoektafel van een nieuwe bistro in Oakland zat’. Maar daarop volgt: ‘Telkens als ik aan dat moment terugdenk, dringen zich twee tegengestelde beelden aan me op: mijn vader snakkend naar adem op het gebarsten asfalt, en ik aan de champagne met mijn huisgenote Margo’. De eerste zin roept voldoende vragen op om je het boek in te trekken, maar waarom moet in de tweede worden benóémd dat het ‘twee tegengestelde beelden’ zijn? Dergelijke schendingen van show, don’t tell komen helaas te veel voor en dat doet afbreuk aan een boek dat om zijn thematiek wel degelijk lezers verdient.

    Achter de openingszinnen zit een schuldgevoel van Nora, de dochter die hier aan het woord is. Ze heeft kort voor het ongeluk haar vader Driss aan de telefoon gehad en heeft beloofd hem terug te bellen. Maar op het moment dat ze daar tijd voor heeft doet ze het niet en gaat ze rustig een kopje koffie drinken. Daarmee heeft ze haar laatste kans laten schieten.
    Driss Gerraoui heeft op 28 april rond half elf zijn restaurant ‘The Buffet’ afgesloten en is bij het weggaan geschept door een auto die is doorgereden. De politie komt niet verder dan een aanrijding met dodelijke afloop door een onbekende, maar Nora laat het daar niet bij. Waarom sloot haar vader die avond ‘The Buffet’ af, iets dat hij altijd over liet aan een personeelslid? Heeft de politie wel genoeg gedaan om getuigen te vinden? Was het haat en was het ongeluk moord? Het verhaal wordt zo een whodunnit, die de boog gespannen houdt, maar dat is niet wat de roman het lezen waard maakt. Juist daarom is de oorspronkelijke titel The Other Americans eigenlijk beter. Daarin gaat de aandacht niet primair uit naar een mogelijk misdrijf, maar naar de fricties en problematische verhoudingen in de smeltkroes Amerika.
    De omgekomen Driss is een Marokkaanse immigrant en dat maakt ‘de zaak’ anders.

    Zondebok

    Auteur Laila Lalami zelf is ook geboren in een arbeidersmilieu in Marokko en is nu universitair docent creative writing in Californië. Haar vorige roman uit 2014, in 2020 in het Nederlands vertaald als La Florida, werd bekroond met de American Book Award en haalde de shortlist van de Pulitzer Prize. In die roman stond de vermeende superioriteit van de witte man tegenover andere culturen centraal.
    Nu, in De zaak aan Highway 62, is het de hardnekkige achterdocht van de witte Amerikaan jegens immigranten sinds 9/11. Dat trauma zoekt nog steeds een zondebok waarop een diepgewortelde angst kan worden afgereageerd.
    De roman is bijna helemaal gesitueerd in de Mojavewoestijn in het zuiden van de VS. Veel van de personages zijn immigranten. Driss Gerraoui is in de jaren 70 met zijn vrouw Maryam en dochter Salma de repressie in Marokko ontvlucht. In Amerika wordt hun dochter Nora, de belangrijkste stem in het boek, geboren. De confrontatie met de Amerikaanse cultuur leggen een zware druk op het gezin. Driss wordt atheïst terwijl zijn vrouw juist gehecht blijft aan de islam en haar moederland. Nora, die in Amerika is geboren, wil componiste worden en wordt daarom door haar moeder gekleineerd: waarom bouwt ze geen carrière op, net als haar zus Salma? Ze heeft het gevoel dat alleen haar vader haar begrijpt. Daarom heeft zij er de meeste moeite mee zijn dood te aanvaarden als louter een verkeersongeval.

    Irak

    Er is wel degelijk een getuige van het ongeluk. Dat is de Mexicaanse immigrant Efraín Aceves. Die durft zich niet te melden omdat hij geen verblijfsstatus heeft en bang is te worden uitgezet.
    Dan is er nog de Afro-Amerikaanse rechercheur Erica Coleman, geen immigrante, maar ook zij krijgt te maken met raciale bejegeningen.
    Daarnaast zijn er de Amerikanen Jeremy Gorecki en zijn marinemaatje Brian Fierro. Zij verwijzen op een andere manier naar 9/11. Ze hebben gevochten in Irak. Ze gingen er vol overtuiging naar toe om de daders van de aanslagen op de Twin Towers uit te schakelen. Ze dragen de last van hun missie op verschillende manieren met zich mee. Fierro is veranderd in een bullebak met woede-aanvallen, terwijl Jeremy zich aan een nieuw leven heeft weten aan te passen door zijn gevoelens weg te stoppen. Dat lukt hem niet meer als hij een verhouding krijgt met Nora die tot spanningen leidt. Bij haar ziet hij in dat hij en zijn maten in de politieke drogredenen van Bush en de zijnen zijn getuind om in Irak dood en verderf te zaaien.
    Aan de andere kant staan de Amerikanen als Anderson Baker en zijn zoon, die heilig geloven in de VS als brenger van gerechtigheid. Ze exploiteren naast het restaurant van Driss een bowlingbaan en reageren zich voor alles wat tegenzit af op de moslims; in hun geval natuurlijk vooral de Marokkaanse buurman.

    Compassie

    Lalami kiest voor haar roman een vorm die zorgt voor een veelzijdig narratief. Alle hoofdstukken dragen als titel de naam van één van de personages: zij vertellen steeds hun kant van het verhaal: Nora, Maryam, Salma, Coleman, Jeremy, Efraín, Baker enzovoort. Zelfs de overleden Driss wordt als verteller opgevoerd.
    In ieders verhaal draait veel om hun herinneringen, die duidelijk maken wat hen in hun leven heeft gevormd. Juist daarin komen helaas nogal wat ontsierende platitudes voor die in de vertelstijl afbreuk doen aan de kracht van het verhaal: ‘Het geheugen is een merkwaardig iets. Wat de een voorgoed bijblijft, is de ander zo weer vergeten’. Of: ‘Wat was het hart toch een kwetsbaar iets. Zo makkelijk voor de gek te houden’.

    Er is nog een laatste aspect dat De zaak aan Highway 62 goed maakt. Dat is de compassie die Lalami bij de lezer weet te wekken voor haar personages. Uiteindelijk begrijp je dat ieder van hen, óók de agressieve Fierro of vreemdelingenhater Baker, in zekere zin de pech hebben gehad te belanden in een leven en denkwereld die voor een groot deel door ongelukkig toeval werden bepaald. Uiteindelijk kunnen werkelijke belangstelling en aandacht voor elkaar, ja liefde, daaruit een uitweg bieden. Het is zoals Nora concludeert waar ‘dat liefde geen tam of passief wezen was, maar een opstandig beest, chaotisch en onvoorspelbaar, ruimhartig en vergevingsgezind’. Laten we Lalami haar paar stilistische zwakheden vergeven en ons openstellen voor haar werkelijke verhaal.

     

  • Oogst week 2 – 2021

    Shuggie Bain

    De Schotse auteur Douglas Stuart (1976) wilde als jongvolwassene graag Engelse literatuur studeren, maar een van zijn leraren raadde dat af omdat Stuart uit een ‘slecht milieu’ kwam. Daarom koos hij voor The Scottish College of Textiles en werd modeontwerper, waarna hij voor verschillende grote merken werkte. De liefde voor literatuur bleef sluimeren. In 2020 verscheen zijn debuutroman Shuggie Bain. Het boek werd een enorm succes en leverde zelfs hem de Booker Prize op.

    De hoofdpersoon in Shuggie Bain is Hugh, een jongen die opgroeit bij zijn alcoholistische moeder. Ze hebben een sterke band, maar haar verslaving wordt steeds erger. Wat is er belangrijker voor haar: haar zoon of de drank? Douglas Stuart baseerde dit boek op zijn eigen jeugd, zijn moeder overleed toen hij zestien was aan de gevolgen van jarenlang alcoholmisbruik.

    Shuggie Bain
    Auteur: Douglas Stuart
    Uitgeverij: Nieuw Amsterdam

    De vooravond

    Een ander boek dat gebaseerd is op ware gebeurtenissen, is De vooravond van Rashid Novaire (1979). Geïnspireerd door zijn familiegeschiedenis neemt Novaire de lezer mee naar 1939, wanneer Adolf Hitler alle Duitse dienstbodes oproept om terug te keren naar het vaderland. De jonge dienstbode Trude wil graag in Nederland blijven, maar dat kan alleen als ze binnen een maand trouwt. Gelukkig kan ze zich verloven met Johannes. Alles lijkt goed te komen, tot hij de bruiloft steeds langer uitstelt en jonge vrouwen ontmoet boven een café. Wanneer Trudes broer Rudi op bezoek komt, dreigt de bom te barsten. Novaire schreef meerdere romans, waaronder Zeg dat we niet thuis zijn, en werd tweemaal genomineerd voor de Libris Literatuurprijs.

    De vooravond
    Auteur: Rashid Novaire
    Uitgeverij: Ambo|Anthos

    De vrouw in het maanlicht

    Uitgeverij Podium heeft besloten om het werk van Herman Pieter de Boer (1928-2014) opnieuw uit te geven. Daarom verschijnt zijn succesvolle verhalenbundel De vrouw in het maanlicht en andere zonderlinge verhalen uit 1973 weer. De Boer verhuisde in dat jaar van Amsterdam naar Giethoorn, een cultuurshock. Dat uitte zich in zijn werk: zijn verhalen zijn soms ongewoon, soms bedriegend simpel, met vaak een vleugje occultisme. De vervreemdende vertellingen, geschreven in glasheldere taal, worden al decennialang door een grote groep lezers gewaardeerd.

    De vrouw in het maanlicht
    Auteur: Herman Pieter de Boer
    Uitgeverij: Podium Uitgeverij
  • ‘Voor ons bestond er geen buitenwereld’

    ‘Voor ons bestond er geen buitenwereld’

     

    Geheel in de traditie van de joodse storytellers, als Isaac Singer, Amos Oz, Chaim Potok die door het vertellen van magische verhalen kracht putten om de verschrikkingen van pogroms en wereldoorlogen aan te kunnen, vertelt Ausubel het levensverhaal van haar Roemeense grootmoeder die halverwege de Tweede Wereldoorlog wist te vluchten naar de Nieuwe Wereld. Zij woonde in het lange tijd vergeten dorpje Zalischik, in het onherbergzame Noord-Roemenië. Dit dorpje werd destijds gesticht door overlevenden van de laatste pogrom. In 1939, als dit verhaal begint, woonden er 9 joodse families, zo’n 100 inwoners, die bijna geheel van de buitenwereld waren afgesloten. Er was geen tempel, maar alleen het huis van de genezer om samen te komen voor de Sjabbat. Ausubel kruipt als de 11-jarige Lena in de huid van haar grootmoeder en vertelt haar levensverhaal. Het is een soort parabel geworden waarin herhaaldelijk de vraag naar de bedoeling van God aan de orde komt, en het diepe verlangen naar de komst van een Messias.

    Het boek begint met de brief aan de moeder van Ramona Ausubel. De brief is niet gedateerd en niet ondertekend.

    ‘Lieve Chaya,

    Ik zit met jou op schoot bij het raam. (…) Hoewel je nog maar een paar dagen oud bent, is je verhaal, ons verhaal, lang geleden begonnen. Ons verhaal is er een dat ik ken, zowel de dingen die ik met eigen ogen heb gezien als de dingen die ik niet heb gezien. Die kennis zit ergens in mijn botten, ergens in mijn hart. Op een dag zullen jouw kinderen vragen wat er is gebeurd en dan zul jij een nieuwe versie vertellen, en op die manier zal het verhaal blijven voortleven. De waarheid ligt in het vertellen. (…)

    Het begon in 1939 bij de noordgrens van Roemenië, op een klein schiereilandje omarmd door een troebele rivier. In die tijd waren de dagen stil en vredig.’

    Daarna lezen we het verhaal van de wereld voordat Chaya bestond.

    Tijdens de viering van de Sjabat, als de genezer een oud krantenartikel voorleest, dat gedateerd is op 3 september 1939 en dat gaat over de nadering van de oorlog, horen de dorpelingen plotseling een geweldige dreun, gevolgd door een explosie. Niet ver van hun dorp is een testbom gegooid. Ze gaan op onderzoek uit bij de rivier. Er spoelt een levende vrouw aan, in het vervolg ‘de vreemde’ genoemd. ‘Wie bent u?’ vraagt men. ‘Niemand zei het woord profeet, maar iedereen dacht het.’ Het is dan ook vanzelfsprekend dat deze vreemde de leiding krijgt en neemt en Lena heeft meteen een band met haar en legt de anderen uit wat de vreemde bedoelt met ‘we beginnen opnieuw’. Men besluit een perfecte nieuwe wereld te gaan scheppen en de oude, boze buitenwereld buiten te sluiten. De link naar de bijzondere titel van dit boek is duidelijk. Als een bang kind dat op het punt staat ontdekt te worden, besluit het hele dorp ‘verstoppertje’ te spelen. Ze voeren dit plan heel rigoureus door!

    De dorpelingen willen zich niets meer van de oude tijd herinneren. Klokken, radio’s e.d. worden in de rivier gegooid. Voor het verleden is geen plaats meer. Ze beginnen hun eigen nieuwe wereld waarvan we het complete scheppingsverhaal te lezen krijgen. Zo zijn ook de hoofdstukken genoemd. De eerste dag, de tweede dag, enz. Het verhaal wordt steeds fantasierijker en ongelooflijker en op de vijfde dag vindt er zelfs een herverdeling van de kinderen plaats. Lena gaat naar haar kinderloze oom Hersh en zijn gestoorde vrouw Kayla en accepteert zelfs, hoe intelligent zij ook is (!), dat zij daar alle stadia van het kind zijn opnieuw moet meemaken. Van baby tot huwelijk…. Gelukkig wel in sneltreinvaart! Lena speelt het spel mee. ‘Ik had een nieuwe wereld bedacht; nu zat er niets anders op dan hem te overleven.’ De deur van het huis van haar eerste ouders zit op slot. Lena wordt uitgehuwelijkt aan Igor, de onnozele, nietszeggende, dromerige oudste zoon van de bankier. Hoe oud is Lena dan? Twaalf? Igor is vijftien. Voor de 2e keer in haar leven wordt Lena doorgegeven. Dit zal niet de laatste keer zijn.

    We maken een tijdsprong. Salomon die geboren is als eerste baby in de nieuwe wereld is vier jaar. En er is een tweede baby, ook een zoon, zonder naam. Lena en Igor zijn de gelukkige ouders.

    De vreemde heeft al het nieuws van de wrede buitenwereld steeds buiten het dorp weten te houden, maar ontdekt dan dat de juwelier nog een radio heeft en ’s nachts heimelijk naar het BBC-nieuws luistert. Ze luisteren voortaan samen en doen meer dan dat. Lena betrapt hen en is woedend. ‘De metalige geur van de liefde kleefde aan haar huid.’ Een van de vele fraaie zinnen!
    Het vertrouwen in de vreemde is weg. Het was een leugen. De hele nieuwe wereld stort in elkaar. Het is het einde van een mooi verhaal dat bijna vier jaar duurde.

    Hierna krijgt het verhaal een andere wending. Het is niet meer mogelijk om buiten de werkelijkheid te leven en Lena vlucht met haar kinderen. We volgen haar op een gruwelijke tocht waarop zij veel offers moet brengen. Op haar weg naar de echte Nieuwe Wereld komt zij erachter dat de oorlog al enige tijd voorbij is ….. Waren haar offers dan niet nodig geweest?

    Tijdens haar tocht ontmoet zij in de trein naar Odessa een oude vrouw. Zij legt Lena uit:  ‘Ik weet dat God bestaat, want – nou ja, kijk maar om je heen. Alleen God kan een plek bedenken die zo krankzinnig en zo prachtig is als deze. Maar het probleem is dat hij geen ja en geen nee zegt. (…) God houdt gewoon van een goed verhaal’. En de wijze Lena voegt er aan toe: ‘Meer nog dan van goed of slecht moet onze God hebben gehouden van contrast.’

    Na een wekenlange bootreis komt Lena in het veilige Amerika aan en wordt liefdevol opgenomen door een joodse familie. Ontroerend is dan de volgende passage: ‘Ik had het gevoel dat ik naar mezelf stond te kijken, op de tweede dag van de wereld, voordat alles was veranderd. De schok sidderde door mijn huid. “Tralala”, zongen alle geesten, “er is hier niemand, behalve wij allemaal.” (…) Ik was de vreemde en dit was mijn thuis’.

    Aan het eind van het boek schrijft Lena een brief aan haar nieuwe Amerikaanse baby, Chaya. ‘Chaya, wat leven betekent in een taal die er misschien niet meer toe deed’ zo lezen we. De eerste alinea van de brief is hetzelfde als die van de beginbrief tot en met ‘De waarheid ligt in het vertellen…’. Daarna richt zij zich rechtstreeks tot haar baby en verwondert zich erover dat de afstand tussen verdriet en vreugde zo klein is. Ze besluit haar brief: ‘Nu lig je te slapen in je mandje, Je kan over van alles dromen, werkelijk alles. Moeder’.

    Alle verschrikkingen zijn voorbij. Een welkom in weer een nieuwe wereld!

    Een opvallende parallel met de joodse Tora is dat Ausubel dezelfde indeling hanteert. Vijf delen, samen 26 boeken. Vanaf de komst van de vreemde en het scheppen van de nieuwe wereld tellen we eveneens 5 delen en 26 hoofdstukken. En Ausubel kiest er eveneens voor om de titel van elk hoofdstuk te beginnen met ‘Het boek van …’. Bijvoorbeeld: ‘Het boek van de rivier, ‘Het boek van het begin, opnieuw’, zoals in de Tora.

    Ausubels boek blijft lang in je gedachten. Niet alleen door het thema van de Holocaust maar zeker ook door de manier waarop dit bizarre vluchtverhaal verteld wordt, in een prachtig proza dat getuigt van kinderlijke eenvoud, onschuld en rijke fantasie van een jong meisje. Ondanks alle gruwelijkheden en vreselijke ontberingen, blijft Lena positief, en lijken hevig verdriet en onmenselijke acties haar niet te raken. De woordkeuze blijft te allen tijde simpel en puur, geen schokkende taal, maar desondanks zijn de vele beschrijvingen even beeldend als een schilderij. En dat verraadt het meesterschap van Ausubel,

    Een absolute aanrader voor liefhebbers van Jiddische literatuur!

    Ramona Ausubel studeerde aan de University of California en publiceerde korte verhalen in o.a. The New Yorker. Hiermee won ze diverse literaire prijzen. Ze baseerde deze roman op de geschiedenis van haar eigen familie. Haar grootmoeder ontvluchtte het geweld van de Tweede Wereldoorlog.