• Korte verhalen

    Korte verhalen

    Enkele maanden geleden verscheen Mijn documenten, een bundel met 11 verhalen van de Chileense schrijver Alejandro Zambra; geboren in 1975, groeide hij op onder dictator Pinochet, die tot 1990 aan de macht was. Het wantrouwen en het onuitgesprokene tussen de Chilenen waren kenmerken van het dagelijkse leven ten tijde van het dictatorschap van Pinochet. De militaire dictatuur is voelbaar in deze verhalen maar zelden expliciet aanwezig.

    Zambra’s debuutroman Bonsai (uit 2006) werd alom geprezen. Uitgever Karaat van Luc de Rooy heeft inmiddels al het werk van deze meester-stilist vertaald. Zoals bijvoorbeeld de korte roman met de intrigerende titel Het verborgen leven van bomen (2010), over een literatuurdocent die merkt dat zijn vrouw niet terugkeert van haar tekencursus. Hij wacht de hele nacht en begint te fantaseren over een leven zonder zijn vrouw. De lezer blijft in het ongewisse over de afloop.
    Zijn hoofdpersonen zijn mannen die vaak strompelend en struikelend door het leven gaan; vaak eenzaam en alleen zijn, moeite hebben relaties met anderen aan te gaan, maar toch altijd wel een vrouw tegenkomen die ‘ze te grazen nemen’, om met de woorden van Zambra te spreken.

    De verhalen in Mijn documenten hebben iets mysterieus en zijn niet allen even sterk.
    In het eerste verhaal haalt Zambra herinneringen op aan zijn jeugd, aan zijn vader – die hij typeert als een computer- en zijn moeder – die hij typeert als een schrijfmachine-, aan de pastoor met wie hij ‘bevriend’ raakt. Het zijn allemaal losse gedachten uit de jaren tussen 1980 en 2008 die weinig samenhang vertonen, maar die Zambra wil publiceren: ‘Ik was een leeg schrift en nu ben ik een boek.’ Maar als lezer zeggen die losse notities je niet zoveel.

    Hilarisch is ‘Familieleven’ waarin een veertiger die een beetje van het padje is geraakt, op het huis van zijn neef gaat passen. Die neef, literatuurdocent, gaat voor zijn werk voor enkele maanden naar Europa, en neemt zijn aantrekkelijke echtgenote en kind mee. Ze zijn niet echt neven, hun vaders waren dat. Mooi is hoe de oppasser zich geleidelijk aan steeds verder in de nesten werkt en in het huis een chaos schept. Wanneer het moment daar is dat de eigenaar weer naar huis komt, vertrekt de oppasser met de noorderzon en laat niets meer van zich horen.

    Het verhaal over zijn jeugdvriend Camilo die hij zeer bewondert en als zijn broer beschouwt, is ook mooi. Camilo’s vader is in 1974 door de Chileense junta opgepakt maar weet naar Parijs te ontkomen. Camilo groeit op zonder vader. Die woont inmiddels in een dorpje even buiten Amsterdam. Wanneer Camilo is omgekomen bij een verkeersongeluk, besluit Alejandro ‘de grote Camilo’ te gaan opzoeken, om een beeld te krijgen van de vader en zijn zoon. Ze kijken samen voetbal: Frankrijk tegen Chili. Het is met veel invoelingsvermogen geschreven.

    Alejandro Zambra is een meesterverteller en taalstilist. Heel precies, met veel empathie en de nodige ironie beschrijft hij het leven in het huidige Chili. Niet alle verhalen zijn even mooi, maar er staat genoeg in dat waard is om te worden gelezen.

     

  • Smeulende en opvlammende taal in Revisor #18

    Smeulende en opvlammende taal in Revisor #18

    Niets dan proza en poëzie in de eerste editie van dit jaar van het halfjaarlijks tijdschrift Revisor. Eenvoudiger kan het niet en volgens het introducerende redactioneel door Daan Stoffelsen, wordt er eens niet met thema’s gewerkt of anderszins gekaderd. Zo blijft er voor de lezer ruimte om zelf zijn thema’s te ontdekken. Stoffelsen sluit af met: ‘(…), Revisor is geen gezelligheidsdier. De lucifers zijn opgebrand. Maar we bewaren ze, want de taal smeult na en vlamt weer op, 64 pagina’s lang.‘ Zie de cover met het leeggeschudde doosje afgebrande lucifers op mediterraan blauw; of die nog ooit zullen ontvlammen is de vraag.

    Het leven van een groepje outcasts in het verhaal ‘Leven’ van de Amerikaanse schrijver David Ray Pollock (zoek die naam op) (vertaling Luc de Rooy) is een kwijnende toestand. Een verhaal met een hooggespannen verhaallijn over outcasts die niets meer te eten en te roken hebben (voornaamste levensbehoeften). Bij de eerste twee regels weet je al dat vanuit niets een vuur kan ontvlammen: ‘Randy was alweer door zijn peuken heen, en hij trok het niet langer. Godverdomme niet een van hen had nog een baan; en nu was in het voorjaar ook nog moeder overleden en zat hij, de oudste, met verantwoordelijkheden opgezadeld die te hoog voor hem gegrepen waren, tering ja.
    Schrijnend en rauw, daar schijnt Pollock een patent op te hebben. Hij beschrijft de levens van mislukte zielen. Met trefzekere en krachtige stijl werpt hij het de lezer voor de voeten. Prachtig!

    De personages van Sanneke van Hassel, nu we het toch over patent hebben, hebben een uitzonderlijke voorkeur ‘voor dingen die niet gebeuren’. In het verhaal ‘Nederzettingen’ waarin een schrijfster met een archeoloog samenwerkt aan een boek, houdt de schrijfster bij alles wat ze doet rekening met de archeoloog, zonder echt deel uit te maken van zijn leven. Op elke moment van de dag maakt zij zich een voorstelling van wat hij aan het doen is. In de slotzinnen van het verhaal wordt de betekenis van deze non-relatie duidelijk: ‘We bestonden in wat we achterlieten. We bestonden in wat we verkozen niet te doen. We konden vrienden worden.’ Maar dat werden ze niet. En dat niet worden; dat wordt gekoesterd in het verhaal. Betoverend proza.

    ‘Ik ben de hond’ van Jente Posthuma, gaat over een kunstenares, die bezoek krijgt van de volwassen dochter van een overleden vriendin. De oude kunstenares heeft een weekend daarvoor open atelier gehouden; ze had tien cakes ingeslagen. Er waren tweehonderd mensen langs geweest, de cake bleef onaangeroerd. ‘Iedereen had het over het uitzicht, zei ze. Niemand zei iets over mijn aquarellen.’ Een verhaal met ongelukkige handelingen en verkeerd geplaatste opmerkingen, als waren ze zo uit de werkelijkheid van het dagelijkse leven opgetekend.

    ‘Wafelbakker’ is een bijdrage van Merijn de Boer die tegenwoordig vanuit New York zijn verhalen de wereld instuurt.
    Over Ole, die op een begrafenis van een oud collega is genodigd maar niet begrijpt waarom. De man in kwestie negeerde hem altijd en heeft hij in drie jaar niet meer gezien. Waarom werd hij uitgenodigd en mag hij ook nog in het huis van de overledene wonen? Een verhaal waarin personages op knappe wijze gespiegeld worden en langzaamaan elkaars gedaante aannemen, waardoor een verrassende apotheose volgt (in traditie van klassiekers in de wereldliteratuur). Zeer Boeriaans kunnen we zeggen.

    Vincent Merjenberg schreef het weergaloze verhaal ‘Het water’. Over een relatie waarin een groot verdriet gedeeld wordt om het verlies van een kind, en een bosmeer dat ontstaan is door een massagraf uit de Tweede Wereldoorlog. Merjenberg verstaat de kunst een verhaal te vertellen door juist niet alles te beschrijven. Met zinnen als, ‘Ik wist, kortom, van niets en zag alle veranderingen aan voor aarzelend terugkerend geluk.’ Een stevig verhaal waar je van moet bekomen als van een stevig maal.

    Verder verhalen van Jan van Mersbergen, Klaas Knooihuizen en Robin Kramer. Poëzie van Luca Hirsch, Runa Svetlikova, Simone Atangana Bekono en Marwin Vos.

    Mooie verhalen en gedichten van auteurs die eerdere publicaties op hun naam hebben staan. In die zin geen ‘echte’ debutant te bespeuren. Een tijdschrift die het niet om nieuwe oogst gaat, maar de verhouding tussen schrijver en lezer gaande houd terwijl de eerste werkt aan een nieuw boek en even van de radar is. Revisor houdt met niet eerder gepubliceerd werk de lezer en schrijver bij de les, opdat ze elkaar niet uit het oog verliezen.’

     

     

  • Een boek als een magneet

    Een boek als een magneet

    Weinig boektitels dekken de lading zo treffend als dit Begrijpend lezen van Alejandro Zambra. En even weinig lezers zullen de uitdaging kunnen weerstaan om te proberen bij de multiplechoicevragen het juiste antwoord te kiezen.

    Tussen 1967 en 2002 moesten Chileense jongeren in het laatste jaar van de middelbare school een toets maken om toegelaten te worden tot een universiteit. Het taalgedeelte daarvan heette Prueba de Aptitud Verbal, en bestond uit een meerkeuzetoets met negentig vragen. In 1993, toen Alejandro Zambra de toets moest maken, was er nog niets veranderd bij schoolleiding, docenten en lesmethoden sinds twee jaar tevoren de Transición a la democracia (de overgang van dictatuur naar democratie) was ingezet. Jaren later werkte Zambra aan een roman over zijn schooljaren en besloot dat er geen betere manier was om die overgang in het Chileense onderwijs en de Chileense samenleving te beschrijven dan in de vorm van de genoemde Prueba. Zo ontstond Facsímil, in het Nederlands vertaald als Begrijpend lezen.

    Zambra’s schooljaren
    De keuze voor deze vorm is gewaagd. Anderzijds is Zambra wereldwijd al zo’n gelauwerd auteur dat hij zich een experiment als dit best kan veroorloven. Of hij hierin evenveel heeft kwijt gekund – zo hij dat al wilde – als in een gewone roman, is twijfelachtig. Door de gekozen vorm en de beknoptheid van de informatie blijft het gissen naar wat de schrijver precies wil overbrengen. Omdat we op het omslag lezen dat het boek over Zambra’s schooljaren gaat en de teksten gesteld zijn in de eerste persoon enkelvoud, kunnen we echter aannemen dat het vertelde een hoog werkelijkheidsgehalte heeft. Het hele boek staat dan ook in het teken van ‘zoeken’ naar Zambra’s werkelijkheid.

    Humoristisch
    De meerkeuzevragen beginnen simpelweg met opgaven als: “Welke term hoort in het rijtje niet thuis? Het gegeven woord is ‘Begrijpen’, de antwoorden: a) kennen, b) herkennen, c) erkennen, d) bekennen, e) vergrijpen.” Het lijkt allemaal eenvoudig, maar gaandeweg blijken de antwoorden steeds vaker ook allemaal ‘goed’ te kunnen zijn.
    Naarmate het boek vordert worden de teksten langer. Sommige teksten zijn humoristisch, zoals opgave 33: 1. Je bent op zoek naar woorden die op je naam rijmen. 2. Je bent op zoek naar woorden die op je achternaam rijmen. 3. Je naam rijmt niet op je achternaam, maar je zoekt woorden die tegelijkertijd op je voornaam en op je achternaam rijmen. 4. Je bent op zoek naar woorden die noch op je voornaam, noch op je achternaam rijmen. 5. Je bent niet gestoord. De vraag is dan wat de juiste volgorde van de zinnen is en de antwoorden a, b, c, d en e zijn allemaal 1-2-3-4-5.

    Eigen keuzes
    Nieuwsgierigheid en de hoop een begrijpelijk verhaal uit de teksten te kunnen distilleren drijven je voort te blijven zoeken naar de juiste antwoorden. Vaak zijn alle verschillende antwoorden mogelijk en zegt een goed-/foutkeuze, waar altijd wel een positieve of negatieve strekking in te ontdekken valt, meer over het wereldbeeld van de lezer dan over de schrijver en zijn bedoelingen. Met het nadenken over de antwoorden word je gedwongen je eigen keuzes, indrukken en gevoelens te onderzoeken en ook te erkennen dat pertinente overtuigingen niet leiden tot een beter begrip van andermans aangelegenheden.

    Vader-zoon
    Het thema vader-zoon komt enkele keren terug. De ene keer is een vader aan het woord, de andere keer een zoon. Constant rijst de vraag welk realiteitsgehalte deze stukken hebben, terwijl dat er eigenlijk niet toe doet. Wat Zambra verwoordt is hoe zonen en vaders elkaar kunnen zien, welke algemeen geldende meningen ze kunnen hebben over elkaar en over zichzelf in relatie tot de ander. Het zijn gedachten die vele zonen en vele vaders zouden kunnen uiteenzetten.
    Dat dit thema in het leven van Zambra speelt is wel zeker, op welke manier wordt niet onthuld. Op het einde van het boek is een tekst van zes pagina’s een brief van een vader aan een zoon. De vader lijkt zich te verontschuldigen voor de fouten die hij heeft gemaakt. Een van de opgaven is dan: “Welke is, naar jouw oordeel, de meest geschikte e-mailmap voor een tekst als deze? a) Verzonden berichten b) Concepten c) Inbox d) Spam e) Niet verzonden berichten.” Iedere keuze stemt tot nadenken, want iedere map is een gerechtvaardigde optie.

    Oordeel van de lezer
    Zambra als autobiograaf ontglipt je telkens weer, hoewel toch de indruk blijft hangen dat er een zoon is die vindt dat zijn vader tegenover hem danig is tekortgeschoten. Desondanks laat Zambra zien dat iemands handelen altijd vanuit verschillende invalshoeken bekeken kan worden, wat een bevredigend antwoord op de vragen – dat niets meer of minder dan een oordeel van de lezer is – lastig maakt.
    Tegelijkertijd spuit hij zijn gram over ‘die ouwe’, die in het betreffende stuk tekst even goed een willekeurige oudere man zou kunnen zijn bij wie de ‘ik’ als chauffeur en biograaf in dienst is. Ze gaan door Chili reizen. “Ik vroeg hem waar we zouden beginnen, in het noorden of in het zuiden. In het noorden, sukkel, in het noorden, hoe wil je nou in het zuiden beginnen. Deze teringzooi loopt van het noorden naar het zuiden.” En verder: “Wanneer hij wakker was hield hij er niet van om naar muziek te luisteren, het enige wat mocht waren de cassettes met moppen van Coco Legrand. Zo ben ik Coco Legrand gaan haten: zijn moppen, zijn stem, alles.” Hoe ongrijpbaar dit boek ook is, originaliteit kan het niet ontzegd worden. Voor de geïnteresseerde lezer is het een magneet; het laat pas los als je er flink aan getrokken hebt.

    Prijzen
    Alejandro Zambra wordt gezien als een van de belangrijkste Spaanstalige auteurs van het moment. Hij won meerdere internationale prijzen, waaronder in 2013 de Nederlandse Prins Claus Prijs. Zijn eerdere boeken zijn allemaal in het Nederlands vertaald.

     

     

     

  • Het vervormende aspect van de nostalgische herinnering

    Het vervormende aspect van de nostalgische herinnering

     

    Manieren om naar huis terug te keren van de Chileense schrijver Alejandro Zambra (1975) gaat over herinneringen en de grenzen tussen feit en fictie, over het combineren van fantasie en het echte leven tijdens het schrijfproces. Een op de schrijver lijkende literator vertelt onder meer over zijn jeugd. Hij bespreekt de non-politieke houding van zijn ouders tijdens het regime van Pinochet, een houding waar hij later kritisch over is. Zambra schrijft dat het niet onproblematisch is dat de ik-figuur (in navolging van zijn ouders) niet goed en niet slecht was: ´het was moeilijk dat te zijn: niet goed en niet slecht. Ik vond dat dat eigenlijk betekende dat je slecht was.´ (80)

    De stijl van Zambra is niet gekunsteld. Deze stijl is dienstbaar aan het vertelde en kan als sober worden omschreven. Soms is het uit veel korte hoofdstukjes bestaande boek grappig, al is het eerder een ernstige roman, dan een komische.

    Zambra gaat onder meer in op het vervormende aspect van de nostalgische herinnering: ´Waar je ook kijkt is er wel iemand die banden aanhaalt met het verleden. We herinneren ons liedjes waar we nooit echt van gehouden hebben, we komen onze eerste vriendin opnieuw tegen, klasgenootjes met wie we nooit echt bevriend waren, en mensen die we vroeger uitkotsten ontvangen we met open armen.´ (73/74) Het eigen verleden wordt mooier gemaakt dan het eigenlijk was, de herinnering wordt herschikt en opgepoetst. Zo schept men een fundament voor het positief beleven van het zelf in het heden.

    De auteur verwijst hier en daar naar andere schrijvers en stelt zo de fictionaliteit van zijn verhaal aan de orde. Zo citeert hij Tim O´Brien: ´Wat zich aan ons geheugen vastklampt dat zijn die kleine en vreemde fragmenten zonder begin of eind.´ (176)  Herinneren is een oproepen van flarden en flitsen uit de eigen geschiedenis. De schrijver kan deze vervolgens componeren tot iets nieuws. Zambra spreekt  hierbij van ´arbitraire selectie´ (176). Volgens hem biedt fictie vanwege deze selectie een keerzijde van het beleefde in het eigen bestaan: ´Daarom is een boek altijd de andere zijde van een ander immens en zeldzaam boek. Een onleesbaar en echt boek dat we vertalen, dat we verraden met gangbaar proza als voorwendsel.´ (176)

    De visie van Zambra is bijna steeds interessant. Slechts een enkele keer komt hij met een  vondst die niet zo origineel is. Zo schrijft hij: ´Omdat we een boek zo graag wilden lezen, dachten we dat wij de aangewezen persoon waren om het te schrijven. We waren het zat erop te moeten wachten dat iemand het boek zou schrijven dat wij graag wilden lezen.´ (181) Dat is een denkbeeld dat ook in andere teksten vaak wordt gegeven als motivatie voor het schrijven.

    De bespiegelingen over herinneringen zijn boeiender dan het verhaal an sich, al is de beschrijving van een jongetje van negen dat zijn politiek actieve buurman bespiedt, omdat een vriendinnetje hem dat heeft gevraagd goed beschreven. Het laat je je afvragen wat de impact is van het leven in een dictatoriaal land, wat Chili toen nog was, op een kind.

    Manieren om naar huis terug te keren (vertaald door Luc de Rooy) is een toegankelijk en lezenswaardig boek. Het doet je nadenken over het verband tussen politiek en literatuur, over de rol van schrijven in het leven van een schrijver en over de grenzen tussen waarachtige herinneringen en de vormgeving of vervorming ervan in fictie.

     

     

     

  • Nasmeulend vuur 

    Nasmeulend vuur 

    Recensie door Heleen Rippen

    De opening van de roman Het grote vuur, voor het eerst in het Nederlands vertaald, lijkt een zinnelijke klassieker: ‘De laatste keer dat ik met Silvia naar zee ging, kleedde ze zich tussen de jeneverbesstruiken om. Ik zag hoe ze vooroverboog en het badpak langs haar rood-bruin verbrande benen afstroopte; haar gezicht verborgen achter haar haren’.

    Giovanni, een Italiaanse journalist beschrijft een zonnige augustusdag met Silvia. Maar al snel blijkt deze liefde een spel met het onmogelijke. Het is een verliefdheid die op een ziekte lijkt, hij lijdt eraan.
    ‘We gingen naar huis en de volgende dag zei ze dat ze niets meer van me wilde weten. Ik bleef alleen achter en dagenlang at ik niets, op fruit en kliekjes na. Het enige waar ik nog behoefte aan had was naar buiten te gaan en te wandelen’.
    Hij zal haar pas eind december terugzien. Silvia heeft dan een telegram gehad waarin ze wordt verzocht om met spoed af te reizen naar haar ouderlijk huis in Maratea, een badplaats in de provincie Basilicata.
    Ze vraagt Giovanni mee te gaan naar het zuiden. Eigenlijk beveelt ze hem met haar mee te gaan. Meegaan of niet, voor Giovanni is het niet eens een keuze. Want wat we willen wordt bepaald door hoe we diep van binnen zijn, door ’wat er in ons bloed zit’ volgens Giovanni.

    Een typerende uitspraak van Silvia is: ‘Ik kan niet verliefd worden, maar jij geeft me hoop’. Daarom nemen ze op kerstochtend de trein naar Maratea en wordt in de roman door beiden beurtelings verslag gedaan van het verblijf in het geboortedorp van Silvia.

    In het huis wonen de moeder van Silvia, haar stiefvader Dino, de tienjarige Giustino en de twee bedienden Catina en Peppe. Giovanni wordt gedurende de paar dagen die ze in het huis doorbrengen, langzaam ingewijd in de familiegeheimen van Silvia.

    De jonge Giustino blijkt op sterven te liggen en daarom is Silvia ontboden. Silvia zegt hierover:
    ‘Te veel dingen waren vermengd met die dood, waardoor ik het niet echt besefte. Geboorte, dood, alles, ook de meest ontstellende gebeurtenissen, leken willekeurig plaats te vinden. Er was een vuur dat altijd brandde en geboorte, dood, oorlogen en overstromingen gingen op in die vlammen. Ik zei: ‘Catina, hier sta je altijd in het vuur’.
    ‘Een groot, groot vuur’ zei Catina. En gedurende de nacht voelde ik dat mijn moeder brandde, dat Dino brandde en dat ik ook weer had vlamgevat’.
    Huis en haard bieden meestal beschutting en warmte. In Silvia’s familiehuis knettert niet alleen de haard, de bewoners doen dat ook.

    Als er iets ambigu is, is dat wel vuur. In het vuur kijken is het leven en tegelijkertijd de vernietiging zien. Alle kamers, de bewoners, hun maaltijden, gesprekken en hun zwijgen zijn zo beklemmend en dubbelzinnig beschreven dat je steeds meer van een spookhuis gaat spreken. Elementaire tegenstellingen als warm en koud en stad en platteland worden gebruikt om de eenzaamheid, de vervreemding en de onmacht van de bewoners voelbaar te maken.

    Stiefvader Dino, ook wel ‘de advocaat’, bestiert dit huis en noemt de familie een bolwerk tegen de dood. Door het overlijden van Giustino (betekent: ‘de rechtvaardige’!) blijkt dat hooguit een tijdelijke waarheid.
    Daags na de begrafenis van Giustino blijkt opnieuw dat het familievuur je kan verminken en dat deze familie zelfs een synoniem voor vernietiging en dood is.
    Giovanni blijft niet lijdzaam toezien. Bij wijze van test, om te zien of en hoe ze reageert, valt hij Silvia letterlijk aan en bijt haar in haar nek.

    Aan het einde van de roman is Giovanni veranderd. Zijn blik is gekanteld omdat hij doorziet dat Silvia hem heeft gebruikt om de verschrikkelijke waarheid van haar familie onder ogen te zien. Een familieschandaal heeft haar zo ingrijpend beschadigd dat ze zich aan niemand meer kan binden. Vroeg in de morgen ontvlucht Giovanni het huis richting zee.

    Deze roman heeft trekken van een psychologische thriller en zou zich uitstekend lenen voor een Fellini-achtige verfilming.
    De Nederlandse vertalers Evalien Rauws en Luc de Rooij schreven een fraai nawoord waarin zij veel achtergrondinformatie geven over Pavese en Garufi en de geschiedenis van deze roman.

    Het manuscript werd een paar jaar na de zelfmoord van Pavese in 1950, door Italo Calvino, schrijver en vriend van Pavese, gevonden. Op het omslag stond Viaggio nel sange (Reis door het bloed). Calvino zorgde voor de eerste Italiaanse uitgave in 1959, getiteld Fuoco Grande.
    De vertalers hebben er nu Het grote vuur van gemaakt. Die titel is wat beperkt. Groot vuur zou massiever en daardoor toepasselijker zijn voor het verhaal van Giovanni en Silvia dat tenslotte in meerdere opzichten allesverzengend is.

    Het co-auteurschap van Cesare Pavese en de tien jaar jongere Bianca Garufi was destijds niet bepaald een strakgepland en stabiel project.
    Ze werkten beiden voor de gerenommeerde Turijnse uitgeverij Einaudi en startten in het najaar van 1945 met de eerste hoofdstukken. Pavese schrijft de hoofdstukken waarin Giovanni aan het woord is en Garufi schrijft die waarin Silvia haar verhaal doet. Tussendoor hebben ze een stormachtige relatie, maar de liefdes van Pavese waren altijd kort en ongelukkig. Zo ook deze. Garufi wijst een huwelijksaanzoek van Pavese af en daarna corresponderen ze verder over de roman. Eind februari 1946, nadat hij van haar per post het zevende hoofdstuk heeft ontvangen, schrijft Pavese het volgende:

    ‘Lieve Bianca,

    (…) Op het ogenblik ben ik ten onrechte geobsedeerd door de persoonlijke ‘onthulling’ die jouw hoofdstuk bevat – de wrede dingen die de domme wreedheid van Silva me laat doen. Ik wist, toen ik met dit boek in zee ging, wel dat deze onderneming alle etter die wij in ons hebben, naar buiten zou brengen, en ik ben niet bang voor woorden maar ik weet ook dat die woorden een onderbewustzijn uitdrukken dat voor ons een niet alleen literaire betekenis heeft gehad en heeft.’

    Is de roman onvoltooid en dus ook ongepubliceerd gebleven omdat er tussen beide schrijvers geen ‘verder’ meer was? Die vraag maakt dit onafgemaakte boek met terugwerkende kracht zo raadselachtig en schrijnend. Andere nasmeulende vragen zijn: in hoeverre schreven de auteurs over zichzelf?
    En wat beoogden ze precies met deze roman behalve het voelbaar maken van de zwaarte van het verleden?

    Paveses oeuvre is in hoge mate autobiografisch en Garufi was een belangrijke vrouw voor Pavese; de vertalers noemen haar zelfs zijn muze. De titel van zijn lievelingsboek Gesprekken met Leuco verwijst rechtstreeks naar haar, want Leuco is ‘wit’ in het Grieks, net als Bianca wit in het Italiaans is.
    Van en over Pavese is veel terug te lezen in de postume uitgave van zijn brieven en dagboekfragmenten opgenomen in Leven als ambacht.
    Over Garufi weten we dat ze werk heeft gemaakt van haar verleden. Ze ging in psychoanalyse en werd zelf psychoanalytica.

    Bekend is dat de uitgave van Fuoco Grande destijds veel stof deed opwaaien in Italië. Of Garufi, die in 2006 overleed en Pavese dus ruim een halve eeuw overleefde, ooit de behoefte voelde om iets over hun (schrijf)relatie te openbaren is misschien te achterhalen in haar nog onvertaalde vervolgroman Il Fossile uit 1962. Haar correspondentie is onlangs ook voor het grote publiek beschikbaar gesteld.

    Wie door nasmeulende brokstukken van deze roman nog geestelijke nazorg nodig heeft, doet er goed aan het voorwoord van de filosofe Patricia de Martelaere te lezen in Leven als ambacht en haar essay over Pavese’s dagboek in Een verlangen naar ontroostbaarheid.

    Pavese zag het leven als een wreed spel waarin alles al voorbeschikt is. De Martelaere weet Paveses frustraties en de soms huiveringwekkende vooruitwijzingen naar zijn eigen dood hanteerbaar te maken en bijna troostrijk te beschrijven.