• God noch Duivel kon er wat aan verhelpen

    God noch Duivel kon er wat aan verhelpen

    De geëngageerde Louis Paul Boon bleef zijn hele leven verknocht aan het stadje Aalst waar hij het levenslicht zag. Als ultralinkse socialist bleef hij altijd begaan met de arbeiders en was hij gefascineerd door de mogelijkheden van het socialisme in een tijd van grote industriële omwentelingen. Dat hij eigenlijk enorm pessimistisch was over de samenleving lees je voortdurend terug in zijn werk. Hij bleef altijd hopen op een soort utopisch anarchisme, dat dit zich nooit manifesteerde was voor hem geen reden om het erbij te laten. Hij stortte zich op de gemeente- en politiearchieven van Aalst en schiep daaruit het drietal Pieter Daens, De zwarte hand en Het jaar 1901, waarin hij zich met goesting en smaak uitleeft op ‘die gore klerezooi´ in Aalst.

    In het kloeke negentiende deel van zijn verzamelde werk zijn De zwarte hand en Het jaar 1901 samen uitgegeven door het Louis Paul Boon documentatiecentrum en de Arbeiderspers. In het omvangrijke oeuvre van Louis Paul Boon is de strijd tegen armoede en onrecht een rode draad. Beide thema’s komen sterk naar de voorgrond in De zwarte hand, een bundeling fragmentarische verhalen over een bende anarchisten in Aalst rond 1900. Hoofdpersoon is daarbij de ruwe en waarschijnlijk corrupte smeris Johan Dabbers die bij de jacht op de bende van de Zwarte Hand volledig verstrikt raakt in allerlei andere zaken. Daarbij wordt hij steeds op de hielen gezeten door zijn antagonist en plaatsgenoot, de stokebrand Aart Nielsen. Nielsen en Dabbers waren beiden gebaseerd op echt bestaande personen, al heeft Boon de meeste feiten verfraaid of naar zijn hand gezet. Veel van de beschreven incidenten hebben daadwerkelijk plaatsgevonden maar er was nooit sprake van een bende. De Zwarte Hand is dus niet te vergelijken met Pieter Daens dat wel een documentaire roman is. Weliswaar komen sommige personages uit Pieter Daens terug in De zwarte hand maar dan als bij-personage.

    Giftige adem van de stad

    In de krottenwijken van Aalst ziet niet alleen Johan Dabbers het licht, ook het communisme en anarchisme vinden er vruchtbare voedingsgrond volgens Boon. Er zijn stakende arbeiders, opstandige socialisten, er worden anarchistische vlugschriften verspreid en het stadsbestuur ontvreemdt geld uit de kas. De arbeiderswijken staan volgestampt met krotten die onder de fabrieksrook als zwammen opschieten. Er is ontluisterende armoede in de industriestad en alles wat los en vast zit wordt gestolen. ‘Welke giftige adem hing boven het stadje?’ De misdaad floreert volop en Dabbers kan het aantal dieven nauwelijks bijhouden, overal wordt hij ingehaald door de feiten. In korte tijd drukt de Zwarte Hand al snel een stempel op de gebeurtenissen in Aalst. ‘De Zwarte Hand lag op de stad gedrukt, alles verstikkend, alles worgend.’ De wapenfeiten van de Zwarte Hand zijn vooral diefstal en vandalisme, waarbij ze de politie graag op het verkeerde been zetten.

    De bende wordt zo genoemd vanwege de zwarte handafdruk die op de plaats delict wordt achtergelaten als teken. Ze dragen kapmantels en vrouwenrokken en overvallen voornamelijk welgestelde lieden en fabrieken. Als spoken verdwijnen ze na de slag geslagen te hebben in de omliggende landerijen. De politie van Aalst grijpt keer op keer mis en verdenkt zowat het halve stadje. Zijdelings stipt Boon hierbij veel zaken aan; het reilen en zeilen van de Belgische socialisten, misstanden in de behandeling van arbeiders, corruptie van de heersende macht en machtsmisbruik. Vaak neemt hij het op voor de benadeelde arbeiders. Hij suggereert dat de armoede de arbeiders uit behoeftigheid aanzette tot misdaad, de omstandigheden ‘verbeesten’ hen zodat ze tot alles in staat zijn. Gefrustreerd door het socialisme in België maakt Boon van de politieverslagen een soort crime noir vertelling waarin allerlei louche figuren zich verdringen om elkaar een loer te draaien. Mogelijk was hij daarbij ook geïnspireerd door het werk van de Amerikaanse schrijver John Dos Passos.

    Aan de hand van de politieverslagen zien we de ondergang van Dabbers als hij in een zedenzaak verstrikt raakt. Het gaat zelfs zover dat de rechtbank de politie in Aalst medeplichtig verklaart. Telkens is er het dubbelspel waarbij de politie zelf de grootste bandieten zijn en de misdadigers als een soort Robin Hood het onrecht blootleggen. Een thema waar Boon in De bende van Jan de Lichte al mee schermde.

    Volksverhalen met de Franse slag

    Boon beschrijft de liederlijke toestanden en uitwassen in Aalst met een onverbeterlijk romantische inborst. Tussen de twee boeken ontwikkelt zijn verteltrant zich in een meer minimalistische richting. Waar in De Zwarte Hand de verteller nog aanwezig is om regelmatig commentaar te geven op de gebeurtenissen staan in Het jaar 1901, dat voornamelijk over dezelfde zaken gaat, alleen de kale verslagen uit het archief. Het is een bloemlezing of een krans los van elkaar staande kolderieke of meer serieuze scènes die uit het dagelijks leven zijn gegrepen. De volgorde lijkt willekeurig en er zijn geen vaste personages, wel een paar bekende gezichten. Vaak lijkt er wel een bedoeling achter te zitten, al was het maar om de mensen ‘een geweten te schoppen’ en te tonen hoe het er werkelijk aan toeging aan de onderkant van de maatschappij. Alles bij elkaar biedt het een panoramisch beeld op het leven rond de eeuwwisseling.

    In De Zwarte Hand volgen de gebeurtenissen elkaar heel snel op en is er veel herhaling. De stad Aalst is eigenlijk het hoofdpersonage en alles grijpt min of meer coherent in elkaar. Dan is er nog de enorme lijst van personages waarbij sommigen maar een of twee keer worden genoemd. Boon speelt ook met het verhaal van de socialistische anarchist Frans van der Niepen, de inspiratie voor Aart Nielsen. Waarbij hij een mysterieus dagboek noemt en zogenaamde jeugdherinneringen van zijn moeder. Kortom, hij gaat met de Franse slag te werk, wat ook blijkt uit de stadsarchieven waar hij met ruwe hand doorheen is gegaan, aantekeningen makend en met rode pen onderstrepend. Ook moet zijn eigenzinnige kijk op spelling genoemd worden, waarbij hij veel volks- en streektaal bezigt en steevast de c voor de k gebruikt bijvoorbeeld. Iets wat de redactie er bewust in heeft gehouden.

    Het boek is wel een flinke kluif waarbij het nawoord van honderd pagina’s nog wat olie op het vuur gooit met vermiste manuscripten die opeens weer opduiken, het gaat allemaal op zijn onnavolgbare Booniaans. Al slaagt hij misschien niet helemaal in zijn opzet, de fictionele stad Aalst blijft een indrukwekkend bouwsel. Het is bewonderenswaardig hoe hij tracht om het vergeefse streven van een antiheld en het reilen en zeilen van een stad met elkaar te verbinden. Het idealisme van de cultuurpessimist doordrenkt de hele levendige boel. ‘Zo was de stad, en geen God, geen Duivel, die er wat aan verhelpen kon.’

     

     

  • Louis Paul Boon een wandelroute door Aalst, zijn vriendschappen

    Louis Paul Boon een wandelroute door Aalst, zijn vriendschappen

    De eerste editie van De Parelduiker (2020) is gewijd aan de Vlaamse schrijver Louis Paul Boon (1912-1979). Een blik op leven, werk en omgeving van een illustere schrijver waarbij de vraag rijst: wie kent hem nog, wie leest De Kapellekensbaan en Zomer te Ter- Muren (ook wel anarchisten Bijbel genoemd) of de schelmenromans van De bende van Jan de Lichte nog? Doet Louis Paul Boon, schrijver van duizenden cursiefjes, de zogenaamde ‘Boontjes’, de romancier die tijdens zijn leven de belofte van een Nobelprijswinnaar in zich droeg, nog ergens een bel rinkelen? Die Nobelprijs had hij naar verluidt bijna gekregen, maar voor het bekend werd gemaakt, overleed hij. 

     Oud-journalist Bert Ummelen bracht een bezoek aan Aalst, de geboortestad van de schrijver. Hij wandelde door de stad, op zoek naar herkenning uit de boeken en het leven van Boon. Langs verschillende standbeelden van romanfiguren en de schrijver zelf. Alleen een standbeeld van de bandiet Jan de Lichte ontbreekt, dat werd in 1979 onder druk van de Christelijke Volkspartij zo’n 65 km verderop naar Antwerpen verbannen, waar het een toepasselijke plek kreeg voor het justitiegebouw. 
    Van de drie Boon-routes die in Aalst zijn uitgezet, voor wandelaar en fietser, zijn er twee in de aanbieding vermeldt Ummelen, ‘Ze moeten uit een kast worden opgediept, dus veel vraag zal er niet naar zijn.’
    In het westelijk deel van de stad vindt Ummelen nog het geboortehuis van Boon, aan de Dendermondsesteenweg, nr. 38, alsook de latere hoekwoning waarnaar het gezin verhuisde aan de Sinte-Annalaan er nog staat. Het station van Aalst toont zich nog hetzelfde, waar Boon op het stationsplein na vijftien jaar de huishoudelijke hulp van zijn vrouw tegenkwam, toen een meisje waar hij hopeloos verliefd op werd. In zijn novelle Menuet (1955) komt ze voor als Lolita. Men krijgt voorwaar zin de stad Aalst te bezoeken.

    Boon en zijn vriendschapsbanden

    De schrijver en de betekenis van vriendschappen in zijn leven, wordt beschreven door letterkundigen Jos Muijres en Kris Humbeeck. Ieder op zich deed onderzoek naar een belangrijke vriendschap in het leven van Boon. Muijres schrijft over jeugdvriend Karel Colson, en Humbeeck -die ook aan een biografie van Boon werkt- over diens beste vriend, Maurice Roggeman. Muijres schrijft, ‘De jonge Boon was een eenzaat met een (getormenteerde) romantische inborst en een hunanitair-exprssionistische uitingsdrang.’ Fascinerend is om in het verloop van de vriendschappen -veelal getoond aan de hand van briefwisselingen- te zien hoe gedreven en gemotiveerd Boon was om zijn eigen weg te gaan. Vriendschap moest een zeker nut hebben. Waarbij Boon van hen gebruik maakte en ze in zijn romans een plaatsje gaf. Zo is het karakter Morris, uit Boons debuut De voorstad groeit, en Tippetotje, een schilderes in De Kapellekensbaan ontleend aan de schilder Maurice Roggeman.

    Erik van Veen sprak met vertaalster Zweeds, Ingrid Wikén Bonde. Zij vertaalde meer dan twintig boeken uit het Nederlands van verschillende schrijvers. Het eerste boek dat ze van Boon vertaalde was De Kapellekensbaan, uitgegeven bij Forum. Saillant detail: nadat Boon in 1979 was overleden, de kans op de Nobelprijs verkeken was, stopte de Zweedse uitgever met het uitgeven van Boons werk. 

    Jo Boon (1939), de zoon van Boon, komt in een stuk van Kris Humbeeck aan het woord over de band met zijn vader. Daar kan hij kort over zijn, Op de vraag of het niet moeilijk was in de schaduw van zo’n groot schrijver op te groeien, zegt hij, ‘Louis deed zijn ding en ik deed het mijn.’ En, ‘Dat zijn vader altijd maar schreef en schreef, en andere vaders dat niet deden, besefte Jo in die jaren wel, maar dat Louis toen al een auteur met aanzien was, realiseerde hij zich natuurlijk niet. Louis was er gewoon en schreef.’
    Zijn eigen zoon, David (1969) en kleinzoon van Boon, kreeg meer aandacht van zijn vader dan hij ooit van hem had gekregen. Maar last heeft Jo daar nooit van gehad. De enige keer dat de zoon zich met het leven van zijn vader bemoeide was toen een drinkgelag van zijn vader uit de hand dreigde te lopen, toen heeft hij hem het glas afgenomen. Zoals bij alle artikelen, is ook dit artikel geïllustreerd met foto’s, mooi beeld daarbij van een ontspannen Boon die met zijn vierjarige kleinzoon in de tuin zit en ze zich vrolijk onderhouden met elkaar. 

    Langverwachte biografie komt eraan

    In de rubriek ‘Laagwater’ een bijdrage van Martine Cuyt waarin ze een overzicht geeft van werk van Boon dat opnieuw wordt uitgeven (Verzameld werk), of waaraan gewerkt wordt dit uit te geven, zoals de biografie waaraan gewerkt wordt door Kris Humbeeck. Deze zal onder de titel Gelijk de vis zwemt, moet ik schrijven, op Boons 110e geboortedag, 15 maart 2022 verschijnen.
    Cuyt verklaart ook waarom de biografie tot een ‘langverwachte’ biografie benoemd werd, maar lees daarvoor De Parelduiker zelf.

    Dat Louis Paul Boon in het literaire geheugen leeft, getuige in ieder geval een lezersreactie in dagblad Trouw enkele weken terug. Een reactie op een artikel over ‘hufters en graaiers’ die de corona crisis aangrijpen om er hun voordeel mee te doen. Deze lezer herinnerde zich de gevleugelde woorden waarmee Boon het boek De kleine oorlog afsloot, ‘Schop de mensen tot zij een geweten krijgen.’ Hij schrijft ook dat Boon dit in latere drukken veranderde in, ‘Wat heeft het alles voor zin?’, en deze verandering desgevraagd verklaarde met, ‘Ook al schop je 99 mensen een geweten, er blijft dan nog één smeerlap over en die wordt president. En als je naar die durft te schoppen, vlieg je de gevangenis in.’
    Als er iets gelezen wordt dat de wereld beroerd, er dan een boek uit het geheugen opduikt, een schrijver herinnerd wordt, dan leeft die schrijver nog. En dat (blijkt maar weer), is de opgaaf die De Parelduiker zich gesteld heeft, het tot leven wekken van schrijvers door ze in herinnering te brengen en nieuw materiaal dat boven water komt te publiceren. En hoe fijn het dan is om een auteur vanuit verschillende gezichtspunten opnieuw belicht te zien.

    Vaste rubrieken

    In ‘Schoon & Haaks’ waarin Jan Paul Hinrichs marginale uitgevers en drukkers bespreekt, aandacht voor onder meer de uitgave van literair tijdschrift Terras nr. 17, en de speciale uitgave Natan, geschreven portretten door Mirjam Rotenstreich van haar vader, met acht portrettekeningen van Sam Drukker. Voor de drukliefhebber kunnen deze mooie gegevens niet onvermeld blijven, ‘Jaap Schipper van de Satenhofpers liet het toepasselijk zetten in de elegante Elisabeth (1938) van de Joodse ontwerpster Elisabeth Friedlander (1903-1984).
    ‘De laatste pagina’ is bewaard voor Rob Molin (1947-2019), een in memoriam door Ben van Melick, die tegen hem opkeek toen hij in de jaren tachtig zijn buurman was, omdat Molin er voor koos helemaal voor de literatuur te gaan. Hoe Molin dagen in de tuin zat te lezen in Het verdriet van België. Hij belicht de vele literaire interesses van Molin, die een oprecht literaire duizendpoot bleek.

     

     

  • Oogst week 18 – 2018

    Kliffen

    Op 31 mei aanstaande is de bekendmaking van de dr. Elly Jaffé Prijs 2018, een driejaarlijkse prijs voor de beste vertaling van een Frans literair werk in het Nederlands.
    Vertaalster Kiki Coumans is met 6 titels genomineerd. Ze vertaalt proza en poëzie uit het Frans, onder andere werk van Colette, Boris Vian en Yves Bonnefoy.
    Coumans is ook verantwoordelijk voor de vertaling van Kliffen van de Franse schrijver Olivier Adam, dat binnenkort in de Franse reeks bij uitgeverij Vleugels verschijnt.
    Olivier Adam (1974) debuteerde in 2000 met Je vais bien, ne t’en fais pas, dat ook werd verfilmd. Sindsdien schreef hij twaalf romans en een aantal jeugdboeken. Kliffen werd genomineerd voor zowel de Prix Médicis als de Prix Goncourt.

    Volgens uitgeverij Vleugels is Kliffen een melancholieke coming of age-roman die terugblikt op een grauwe jeugd in de jaren 80 en 90, over een stelletje dolende vrienden dat elkaar vindt onder de klanken van Lou Reed, The Cure en The Smiths.

    Verschijnt 14 mei

    Kliffen
    Auteur: Olivier Adam
    Uitgeverij: Uitgeverij Vleugels

    Vrouwen

    Ook bij uitgeverij Vleugels verschijnt Vrouwen van de Roemeense schrijver Mihail Sebastian (1907-1945). 

    Sebastian was in Roemenië een van de succesvolste schrijvers uit het interbellum, maar werd vooral na de val van het communisme alom bekend en geliefd. Zijn internationale doorbraak heeft hij aan de publicatie van zijn Dagboek 1935-1944 te danken. Arthur Miller: ‘Zijn proza had door Tsjechov kunnen zijn geschreven – dezelfde ingetogenheid, openheid en scherpzinnigheid in de waarneming. Hier staan we voor een leven en een absurde dood die ons nog lang in de ban zullen houden.’
    Een absurde dood, inderdaad: De joodse Sebastian kwam de Tweede Wereldoorlog door zonder deportatie maar kwam na de bevrijding in mei 1945 in Boekarest onder een Russische vrachtwagen.

    Vrouwen, – het boek bestaat uit vier novellen die hun eenheid vinden in hetzelfde hoofdpersonage dat als jongeling de vrouw en de erotiek ontdekt – is vertaald door de Vlaming Jan H. Mysjkin die zich al jaren toelegt op de vertaling en promotie van de Roemeense poëzie en literatuur. Omgekeerd heeft hij in duo met dichteres Doina Ioanid ook Nederlandstalige dichters in het Roemeens vertaald. Voor zijn vertalingen zowel in als naar het Roemeens en Frans is hij veelvuldig bekroond.

    Vrouwen
    Auteur: Mihail Sebastian
    Uitgeverij: Uitgeverij Vleugels (2018)

    De Kapellekensbaan

    De Kapellekensbaan van de Vlaamse schrijver Louis Paul Boon verscheen voor het eerst in 1953. Sindsdien is het vele malen opnieuw uitgegeven. Het wordt inmiddels beschouwd als een van de hoogtepunten van de Nederlandstalige literatuur uit de vorige eeuw, maar veroorzaakte ophef bij verschijnen van de eerste druk. Het week in vorm, structuur, inhoud en taalgebruik teveel af van wat tot dan gemeengoed was. 

    Maar ook heden ten dage worden lezers gewaarschuwd èn aangemoedigd: De Vlaamse schrijver Tom Lanoye schrijft (Revue Lanoye, 2016, p. 43): ‘Bijt op Uw tanden, schattebouten, en zet door. Vooral tijdens de eerste paar bladzijden. Laat U niet afschrikken en geniet juist van deze onverwachte woorden hier, dat gekke voorzetsel ginds, die maffe uitdrukking daar. U went er snel aan – lees voort, lees voort! De context geeft de betekenis wel prijs en wees gerust, Uw beloning is niet min. U krijgt een boek te lezen zoals U er nog nooit een las.’

    Het boek gaat over het meisje Ondineke Bosmans dat wil ontsnappen aan het grauwe bestaan in de fabrieksstad Aalst, ‘de stad van de 2 fabrieken waar het altijd regent, zelfs als de zonne schijnt’, – en de geboortestad van Boon.
    Het lukt haar echter niet. Een bonte stoet aan personages geeft voortdurend commentaar waardoor een chaotisch geheel ontstaat.
    Die stad blijkt onze eigen naoorlogse wereld te zijn, waarover de schrijver van Ondinekes verhaal en enkele huisvrienden heftig debatteren. Over één ding zijn ze het niettemin eens: het is de hoogste tijd om met zijn allen op zoek te gaan naar ‘de waarden die waarlijk tellen’ in ons kortstondige bestaan.

    De Kapellekensbaan
    Auteur: Louis Paul Boon
    Uitgeverij: Athenaeum (2018)

    Sampler

    Tot slot aandacht voor een even opmerkelijk als sympathiek initiatief: Uitgeverij Das Mag geeft een bundel uit met acht verhalen van jonge, onbekende en nog nergens onder contract staande schrijvers. Zij mochten geheel vrij een verhaal schrijven en werden alleen gehouden aan een maximumlengte. En omdat het erom gaat dat zoveel mogelijk mensen kennis kunnen nemen van de inhoud van Sampler, is de prijs ook laag gehouden: € 5,- voor een papieren editie, gratis als e-boek.

    In Sampler staan verhalen van: Sarah Arnolds, Peter Buurman, Jacco Doppenberg, Rashif El Kaoui, Sofie Lakmaker, Carl Plaisier, Fenna Riethof en Pete Wu.

    Sampler
    Auteur: Sarah Arnolds ; Peter Buurman ; Sofie Lakmaker ; Rashif El Kaoui ; Jacco Doppenberg ; Pete Wu ; Carl Plaisier ; Fenna Riethof
    Uitgeverij: Uitgeverij Das Mag (2018)
  • Filmessay Langs de Kapellekensbaan

    Filmessay Langs de Kapellekensbaan

    Langs de Kapellekensbaan, naar het beroemde boek van Louis Paul Boon ging in 2016 in première tijdens het Nederlands Film Festival Utrecht. Het filmessay wordt in de komende maanden nog op verschillende plaatsen vertoond.

    En wel op 14 – 21 en 28 september in Eindhoven in BROET
    Waarschijnlijk in oktober in Breda (Chassee) en Amsterdam (Ketelhuis)
    Op 21 januari 2018 in Deventer.

    Voor een actueel overzicht van bekende data kijk hier

     

     

  • Literaire periodieken: Hollands Maandblad, Nynade en Zacht Lawijd

    Recensie: Ingrid van der Graaf

    Met het vallen van een literair tijdschrift op de deurmat, begint een heimelijk voorgenieten; nieuw leesvoer, schenk de koffie in of zet de wijn koud! Eerst wordt er gebladerd: onbevangen surfen door het blad, op zoek naar een debutant, een veelzeggend gedicht of een boeiend essay. Om onverwacht te stuiten op een voordracht, bijvoorbeeld De geschiedenis van mijn haar van F. Starik in Hollands Maandblad no. 4. dat  snel tussen keuken (koffie) en leestafel naar binnen wordt gewerkt. Heerlijk! Soms wil de lezer overtuigd worden, zoals bij het minder bekende blad  Nynade (Kunst & Letteren). De in historische context  gevatte artikelen in Zacht Lawijd vragen om een stevige leestafel waaraan de documenten uiteen gevouwen kunnen worden en het consumeren beginnen kan. 

    Zacht Lawijd is een literair historisch tijdschrift en publiceert gedocumenteerde informatie met een regelmaat van vier keer per jaar. Hoewel het blad de indruk wekt voor academici te zijn uitgegeven is het zeer aanbevelingswaardig voor de breed georiënteerde lezer die zijn klassiekers kent, (of wil kennen).

    Het 3e nr. (2010) van Zacht Lawijd  is een themanummer en gewijd aan Reinold Kuipers (1914-2005). In Zacht Lawijd nr. 1 van dit jaar komt Kuipers opnieuw voor en wel als  fondswerver van De Arbeiderspers. Kuipers was in 1949 in Gent op bezoek bij de dichter Richard Minne (1891-1965). Hij was op zoek naar niet eerder gepubliceerde gedichten. Minne moest hem teleurstellen maar  attendeerde Kuipers op een ‘onmogelijk’ manuscript van de jongeman Louis Paul Boon (1912-1979). In 1949 komen Kuipers en Boon voor het eerst met elkaar in contact, maar pas in 1953 verscheen De Kapellekensbaan van Louis Paul Boon in het fonds van de uitgever. Want: Deze titel was enkele jaren de inzet van een machtspel tussen Minne en Boon. Zo het zich laat verklaren wilde Boon een ‘vadermoord’ (Minne) plegen om zich zodoende een eigen stek onder de zon te verwerven. Dit had een heftige polemiek tussen beide heren tot gevolg. Wanneer Richard Minne is overleden toont Boon openlijk (ietwat pathetisch aandoend) zijn grote waardering en liefde voor een man als Minne. Waarvan in Kuipers meets Minne en Boon, door Yves T’Sjoen (docent van de Vakgroep Letterkunde aan de Universiteit te Gent) en Els van Damme (bereidt een proefschrift voor over het literatuurkritische werk van Richard Minne en verbonden aan diezelfde Universiteit) in een uitvoerig artikel verslag gegeven wordt.

    Zeer goed gedocumenteerd is ook het artikel Driemaal is scheepsrecht! (Over S. Vestdijks romandebuut), door H.T.M. van Vliet. Voordat Vestdijk debuteerde met Terug tot Ina Damman, had hij de twee modernistische romans Meneer Visser’s hellevaart en Kind tussen vier vrouwen geschreven maar geen uitgever durfde zich aan publicatie daarvan te wagen. Hoewel de schrijver met Kind tussen vier vrouwen had willen debuteren bleef de roman tijdens zijn leven ongepubliceerd. In een prettig leesbaar stuk, geïllustreerd met kladbladen (ah, dat handschrift! welke schrijver wordt nog om zijn handschrift herkend), een portretfoto van de schrijver, van zijn typemachine en een afbeelding van de cover van Meneer Visser’s hellevaart zoals uitgegeven door Nijgh & Van Ditmar.
    Van Vliet publiceerde in november vorig jaar zijn editie van S. Vestdijks Kind tussen vier vrouwen, en ontving daarvoor de Ina Dammanprijs.

    Verder het artikel ‘Zie daer de trekken van een Nederlandsch penseel!‘ van de historicus en schrijver Jan Lampo. Lampo werkt aan een boek over de relatie tussen kunsttheorie, literatuur en schilderkunst in en om de Antwerpse Academie voor Schonen Kunsten van circa 1750-1850. Hierbij stuitte hij op de kunstopvattingen van Jan-Frans Willems (1793-1846).

    En een document getiteld: De brieven van Alice Nahon aan Emmanuel de Bom, over de Antwerpse auteur Emmanuel de Bom (1868-1933) en zijn vriendschappelijke en joviale levensinstelling door Manu van der Aa. Van der Aa is publicist over voornamelijk Nederlandstalige literatuur van het interbellum.

    Hollands Maandblad heeft twee auteurs die trouw elk nummer een bijdrage leveren, en dat schept een band. Je wilt de nieuwe bijdrage van deze coryfeeën direct lezen, ik in ieder geval. Zoals in de Groene Amsterdammer de bijdragen van Marja Pruis, Perquin en Opheffer mijn ‘leessnacks’ zijn, zijn Vroman en Brandts Corstius dat in Hollands Maandblad.  Hieronder een bespreking van de nummer 4 en 6/7.

    In het zomernummer 6/7 van HM  twee debuterende auteurs, Machiel Jansen en Jochem van den Dijssel. Jansen schreef een vermeldenswaardig stuk ‘over het redeneren van Karel van het Reve’. Jansen ‘verorberde’ alle tweeduizend pagina’s van het Verzameld werk van Karel van het Reve, wat op zich nogal een opgave is en verwerkte dit tot het stuk Helderheid voor beginners. Daarbij volgde hij twee lijnen die hij ontwaardde in het Verzameld werk. En wel de lijn Schopenhauer en de lijn Popper.  Waarin de gedachte van Van het Reve – dat het beter is zelf na te denken dan te lezen wat anderen over een onderwerp te melden hebben – als meanderende draad doorheen loopt. In de eerstvolgende nummer van Tirade zal Machiel Jansen overigens een stuk over de Welwillenden van Jonathan Littell publiceren.

    Jochem van den Dijssel schreef het kortverhaal Bruto Stedelijk Geluk. In helder proza wordt het enigszins absurdistische verhaal verteld van een gemeente ambtenaar die bewoners in een achterstandwijk moet interviewen om te meten hoe gelukkig men is. Natuurlijk denkt niemand in zo’n wijk in gradaties van geluk. De ambtenaar heeft dit snel door, laat de moed niet zakken en verzint zelf een mate van geluk voor elke bewoner, aan de hand van zijn observaties. De uitkomst is niet relevant voor het verhaal, wel de wijze waarop het verteld wordt. Van den Dijssel is een goed waarnemer en een evengoed schrijver.

    In nummer 4 een verhaal van Vrouwkje Tuinman Quo Vadis 1. Over Golders Green Crematorium in Noord-Londen waar onder meer de as van Sigmund Freud, Peter Sellers en Ian Durry is bijgezet. De beheerder Eric Willis kende in zijn vorige loopbaan als loodgieter geen vrienden. Golders Green is voor hem een plek voor de levenden, van de doden heeft hij nooit iets vernomen. Net als in haar laatste dichtbundel schrijft Tuinman over het leven na de dood, waar je vrienden aan overhoudt.
    In Een vorm van troost, van Anke Scheeren komt een schoonmaakster klem  te zitten tussen de georganiseerde zorg en haar eigen behoefte een oude, hulpbehoevende vrouw uit een benarde positie te redden.
    Verder het gedicht Indian winter van Gerry van der Linden en in het zomernummer het kortverhaal Wit van haar. Van der Linden is goed in het toevoegen van mooie zinnen die de werkelijkheid in het verhaal een extra demensie geven. Zoals: ‘De maaltijd verliep met een conversatie die haast zweeg van voorzichtigheid.’ Daarmee aangevend dat alles niet zo duidelijk is als het lijkt. ‘Wit. Maar niet smetteloos.’

    Van Arnon Grunberg werd opgenomen de (licht) bewerkte versie van een lezing over literatuur en traumaverwerking die hij gaf op 11 mei dit jaar aan de Radboud Universiteit te Nijmegen. Na lezing van Welkom thuis, wordt het vermoeden bevestigd dat het verschil in de belevingswereld van man en vrouw, ervoor zorgt dat zij gedoemd zijn elkaar nooit te begrijpen. Naast Leo Vroman gedichten van Wim Brands, Krijn Peter Hesselink, Jos Versteegen en Pieter Grootendorst. Verder nog het verhaal Supermarkt, van Revka Bijl. En in nr. 4 ook een verhaal van Philip Huff, Er breekt altijd wel iets. En van David Pefko, Pijn is iets heel persoonlijks. De tekeningen werden gemaakt door Trille Bedarrides (nr. 4) en Elise van Iterson (nr. 6/7).

    Op de omslag van Nynade (nr. 14 2011) een afbeelding van een schilderij van Ruslan Vashkevich, One of the two, uit 2009. Twee zwart glimmend gepoetste schoenen op een vel gelinieerd papier, met in de rechter schoen een in vele plooien vertrokken babygezichtje met wijd opengesperde mond. Een prachtig schilderij. Het blad bevat twee interviews, een met de schilder Vashkevich (uit het Russisch vertaald door Barney Agerbeek) en Karel Wash tekende een gesprek op met schrijfster Janneke Holwerda over haar roman Zeesteen. Met deze interviews wordt de ondertitel Kunst & Letteren inhoud gegeven. Er zijn veel gedichten opgenomen waarvan de zeggingskracht niet altijd overtuigt. Verrassend is het verhaal over het leven van de kleurrijke Amsterdamse kunstenaar (met foto) Henk de Jong. Een bespreking van A single man van Christopher Isherwood, het boek en de film, door Rita Spigt is ook een mooie bijdrage. Sommige bijdragen ogen wat prematuur. De loop der dingen van Jan Ruward lijkt daardoor een niemandalletje terwijl er wel degelijk een gedragen inhoud inzit. Het tijdschrift is geïllustreerd met vele kleurige illustraties. De redactie van Nynade heeft zeker ‘smaak’, maar de bijdragen verschillen nogal van kwaliteit en lijkt er sprake te zijn van een te willekeurig keuzebeleid.

     

    Voor verdere informatie en abonnementen kijk op de betreffende websites.

    Hollands maandblad: Ga naar website

    Zacht Lawijd: Ga naar website

    Nynade: http://www.nynade.nl/.

  • Recensie: Niets gaat ten onder – Louis Paul Boon

    Recensie door: Machiel Jansen

    Uitgeverij de Arbeiderspers is enige tijd geleden begonnen met het uitgeven van het verzameld werk van Louis Paul Boon. Deel negen is onlangs uitgekomen en bevat de roman Niets gaat ten onder uit 1956, samen met een uitgebreid nawoord.

    Niets gaat ten onder is een kleine roman, in deze uitgave nauwelijks 100 bladzijden lang. De roman verscheen drie jaar na Boons meesterwerk De Kapellekensbaan, maar lijkt hier in bijna niets op. De taal is een stuk minder Vlaams, de stijl zakelijker, minder uitbundig en de constructie is conventioneler en veel minder experimenteel. Het verhaal is bovendien uiterst zwaar en donker, wat je van De Kapellekensbaan toch echt niet zeggen kunt.

    Dat uitermate donkere en duistere verhaal wordt ons verteld door de hoofdpersoon Frans Ghoedels. Frans is een man zonder ruggengraat, blijkt al snel. Hij is niet in staat zich te verzetten of in te gaan tegen de wil van anderen. Zelf lijkt hij geen wil te hebben en is hij voortdurend speelbal van krachten die buiten hem omgaan en hem dreigen te verpletteren. Het is de voortdurende vervreemdende atmosfeer die dit verhaal beheerst.

    Het decor wordt gevormd door de technische jongensschool Constructa waar Frans eerst leerling en later leraar is. De naam van de school doet een beetje denken aan de gewapende betonnamen van Bordewijk en er gaat van dit instituut iets dreigends uit. Frans is er leraar tegen wil en dank. Hij kijkt op tegen zijn meerderen in de school die hem al met blikken kunnen vermorzelen. Er is de directeur Henry die door zijn uiterlijk en macht Frans doet ineenkrimpen. De vroegere eigenaar van de school, een man die de kaalkop wordt genoemd, lijkt alleen al door zijn verschijning een verschrikking voor Frans.

    Hij trouwt met Agnes, een vrouw vele malen sterker en oneindig ambitieuzer dan hij zelf. Want Frans bestaat zelf uit niets, of bijna niets. Het enige wat hem drijft is een verlangen naar rust en het zijn zijn spermatozoïden die hem bij vlagen dwingen actie te ondernemen. Frans lijdt onder de ambitie van echtgenote Agnes. Zo wordt hij er op uit gestuurd om loonsverhoging te vragen. Een taak waar hij nauwelijks de kracht voor lijkt te hebben en waar hij zich desondanks maar nauwelijks tegen verzet.

    ‘Nu was zij daar weer met iets nog wreder. Ik moest eindelijk meneer Henry over een hoger loon spreken. Het bloed bevroor in mij toen ik haar dat hoorde uitspreken.
    “Gij zijt wreed, Agnes!” fluisterde ik schor.
    “En gij… gij…!” Zij sprak het niet uit. Haar met vlekken bezaaide gelaat bracht ze integendeel dicht bij het mijne. Haar hand kwam eveneens op de mijne te liggen. In een plooi van haar voorhoofd zat een kleine, zwarte maai.’

    Constructa is een broeinest voor gefnuikte ambities, machtspelletjes en uiterlijke schijn. Deugd wordt gepredikt maar pornografie beheerst de fantasie. Orde en gehoorzaamheid worden geëist maar ondertussen woedt er een voortdurende strijd om de macht. In die strijd is Frans een speelbal van de wil van anderen. Hij is in de kern leeg en zonder wil, ‘over niets en over niemand’.

    Het duistere verhaal doet existentialistisch aan. Dat is ook niet zo vreemd, gezien de tijd waarin het geschreven is. Begin jaren vijftig was het existentialisme zo populair dat iedereen, niet alleen intellectuelen, zich ermee bezig hield. Je kon existentialistisch dansen, je existentialistisch kleden en existentialistisch naar Franse chansons luisteren. Je kocht de boeken van Sartre, de Beauvoir en Camus en beweerde die te begrijpen. Ondertussen rookte je sigaretten op existentialistische wijze.

    Maar Boon was een veel te goed schrijver om alleen maar een mode te volgen. In Niets gaat ten onder speelt de vervreemding weliswaar een grote rol, maar Boon voegt er een element aan toe. De vervreemding zit hem hier in de leegte, de kunstmatige, harde ambities van echtgenote Agnes die er alles, ja alles, voor over heeft haar Frans directeur van Constructa te maken. De vervreemding toont zich ook in de onmacht van Frans, die zich niet kan verzetten tegen de krachten die op hem inwerken. Volgens existentialisten moet de vervreemding ons aantonen dat het leven geen zinvolle kern heeft; het leven is absurd en alles van waarde is weerloos.

    In Niets gaat ten onder kom je ook zinnen tegen die de menselijke toestand existentialistisch beschrijven. Zoals deze: ‘De mens is een ontspoord wezen. Deze hersenen van hem zijn iets hinderends, iets onnatuurlijks. De mens gaat ten gronde aan het wapen, waarmee hij de andere dieren heeft overwonnen.’

    De vervreemdende leegheid is sinds Kafka vaak uitgewerkt maar, zoals gezegd, Boon voegt er iets aan toe. Frans wordt ook voortgedreven door seksuele krachten, door Boon de ‘macht van de spermatozoïden’ genoemd. Wie Boons werk kent, kan zich daar niet echt over verbazen. Seks als belangrijke, primitieve drift is net zoals schijten en pissen een oerbehoefte waar gerust over gepraat en geschreven kan worden. Het hoort bij het leven, net als ademen, praten en, in Boons geval, schrijven. Zo ook in Niets gaat ten onder: Frans bevredigt zichzelf, zijn vrouw Agnes biedt haar lichaam aan om haar ambities te verwezenlijken en in een merkwaardige scene wordt Frans door zijn geilheid de straat opgedreven om zich daar bijna als een exhibitionist te gedragen. Seks, erotiek is hier net als de ambitie van Agnes en de belanghebbenden in Constructa, een donkere vervreemdende kracht die zelfs overgaat in een ongezonde doodsdrift. Het bevredigen van de meest primitieve verlangens gebeurt in het geheim en wordt bedekt met de sluier van fatsoen. Achter de nette façade van Constructa broeit het, gieren de ambities, het egoïsme en de geilheid door de lichamen.

    Het moet in de jaren vijftig een schokkende ervaring zijn geweest dit werk te lezen. De provocatie is er in de loop der jaren afgesleten. Wat overblijft is een verhaal dat doet denken aan Kafka, Camus en Bordewijk maar vooral toch erg van Boon is. Ondanks enkele zwakheden blijft het verhaal overeind. Boon is een geweldig schrijver en daarom kun je hem veel vergeven.

    De leegheid van hoofdpersoon Frans en de vernederende toon waarop hij herhaaldelijk zichzelf beschrijft, zijn zwaar aangezet. Soms te zwaar. Herhaaldelijk vergelijkt hij zichzelf met een wurm die als enig verlangen heeft ‘een vrucht te mogen binnendringen en kapotknagen’. Die zelfvernedering gaat soms ver omdat Frans niet in staat is enig initiatief te nemen, en kun je je tegen het einde van de roman wel aan hem gaan ergeren. Ook kun je kritiek hebben op het aantal personen dat in de top van Constructa een plaats heeft. Behalve directeur Henry en Agnes komen voor: meneer Broecks, de deken Van Houtte, een ijzerhandelaar, de Kaalkop, een arts, een homofiele boekhouder, een collega leraar en de jonge vrouwen Eva en Margaret. De noodzaak om zoveel mensen een plaats te geven in een roman van nauwelijks 100 pagina´s lijkt te ontbreken.

    De schrijvers van het nawoord van deze ‘wetenschappelijk’ verantwoorde uitgave denken daar trouwens heel anders over. Zij beweren dat Niets gaat ten onder een heuse allegorie is, en dat sommige personen symbool staan voor een instituut in de moderne maatschappij. Zo zou de naam van de directeur van Constructa Henry verwijzen naar de letters INRI, die je in de meeste katholieke kerken kunt aantreffen. De bijnaam die Frans op de allerlaatste bladzijde krijgt, de Kurk, zou volgens de schrijvers van het nawoord ook een verwijzing zijn naar de kerk. Helaas wordt verder geen enkele poging gedaan deze interpretatie aannemelijk te maken. Het lijkt me een volstrekt uit de lucht gegrepen poging om Boons werk symbolisch te duiden.

    Datzelfde nawoord geeft overigens nog wel aardige informatie. Het toont foto’s van de technische school waar Boon ooit zelf leerling was en beschrijft de totstandkoming en de ontvangst van de roman door geschokte en soms bewonderende critici. In eerste instantie stonden zelfs Boons vrienden afwijzend tegenover publicatie van de roman. Hubert Lampo had het er moeilijk mee, zoals blijkt uit een afwijzingsbrief die hij namens de redactie van het Nieuw Vlaamsch Tijdschrift aan Boon stuurde. ‘Ik vind dat men geen Boon weigert’, schreef hij en voor die houding is veel te zeggen. Louis Paul Boon behoort tot de allerbeste schrijvers in het Nederlandse taalgebied. Niets gaat ten onder, is niet zijn meesterwerk, maar wel waard herondekt en gelezen te worden.

    Niets gaat ten onder

    Auteur: Louis Paul Boon
    Verschenen bij: Uitgeverij De Arbeiderspers
    Prijs: € 19,95

  • Op naar de anarchistische vrijstaat

    Op naar de anarchistische vrijstaat

    Het derde deel van het Verzameld Werk van Louis Paul Boon dat 24 delen zal tellen handelt geheel over de roman Vergeten straat die kort na de oorlog werd gepubliceerd. Behalve het verhaal zelf bevat het ook een uitgebreid nawoord, een tekstverantwoording, een bibliografie en noten.

    Het is interessant om in het nawoord, dat uit het L.P.Boon-documentatiecentrum komt, te lezen hoe dit boek tot stand gekomen is. De optimistische thematiek moest eigenlijk neergezet worden in een tweede deel van Abel Gholaerts, maar onder invloed van vrienden uit het verzet koos Boon voor een aparte roman. In de verschillende versies verschuift een zonnige kijk op de mens naar pessimisme en volgens Willem Elsschot, die de laatste versie van het manuscript las, waren de personen schemerig. Het was inderdaad lastig om de verschillende lieden uit elkaar te houden. Het boek vraagt toch al een langzame lezing die wellicht te verklaren is uit de filmische verteltrant, waarbij de camera als in een Dogma-film losjes heen en weer zwenkt tussen de personen. Boon hangt als een alwetende verteller boven het verhaal en manipuleert zijn personages dusdanig, dat het, volgens een andere criticus in het nawoord, teveel unisono wordt.

    Desalniettemin is het verhaal over de straat, die tijdens de bouw van de Noord-Zuidlijn tijdens de Tweede Wereldoorlog in Brussel wordt afgesloten, prachtig. Ik moest meteen denken aan de bouw van de metro in Amsterdam met waarschijnlijk vergelijkbare ongemak en onzekerheid voor de stadsbewoners. De afsluiting van de straat biedt de schrijver de mogelijkheid om, met Koelie als vertolker daarvan, een anarcho-communistisch experiment te wagen. De personages in die microkosmos zijn volkse types, allen met hun eigen sores, die vaak een seksuele achtergrond hebben. Ouders spreken tegen hun kinderen over hun liefdesleven en hun frustraties. Boon beschrijft hen allen met mededogen; de ziekelijke jongen André, die steeds het onderspit delft en ervan droomt om dameskapper te worden; Gaston, een snotneus van 14 jaar, die als een dolle opvoedkundige de ideeën van Koelie aan de man probeert te brengen en geschokt is als een vrouw die nochtans zijn boeken leest, toch van het genoegen van het ogenblik, het leven van vandaag kan genieten; en Hermine, die de zorg voor de zwakzinnige Peu op zich neemt en vaak twijfelt, bijvoorbeeld of ze door André in de krullen gezet wil worden. ‘Zij weet niet meer of ze voldoet aan een natuurlijke neiging, waar de mensch, volgens Gaston, zou MOETEN aan voldoen; dan wel aan een belachelijke persoonlijke neiging, waar moet tegen gevochten worden.’
    Dan zijn er onder meer nog de koopman Sadeleer die steevast niet naar vergaderingen komt, de laffe Nonkel die altijd werkeloos toekijkt en de bedelaar Vieze die steeds op zoek is naar kost voor zijn maag en voor zijn ogen en die droomt van zijn vroegere verblijf in Zuid-Frankrijk. Koelie, die de kost verdient door zijn bloed te laten aftappen als het moet, is enerzijds een welwillend hervormer, maar houdt in het begin zijn dochter Rosa voor zichzelf en kijkt later nauwelijks meer naar haar om, waardoor Rosa met haar lege ziel langzaam omkomt in haar almachtsfantasieën.

    ‘Het is de strijd uit het oerwoud, niet naar rechtvaardigheid,’ zo peinst Koelie als hij op een vergadering de vakbondsman Alfred hoort spreken. Hij wil geen andere poppetjes, maar zint op echte verandering. Hij wil de hemel op aarde, dus geen pasters, facteurs of politie, maar solidariteit en vrijheid, zoals dat in het libertair socialisme heet.

    De welwillendheid van Koelie staat tegenover de dogmatiek van Gaston, die niet weet dat de wereldbeschouwing van een jongen niet die van menschen-op-jaren kan zijn. ‘Wat voor hem naar de anderen oever roeien beteekende, was voor hen misschien verdrinken in een veel te wijde zee.’
    De verteller heeft wel oog voor de onvolmaaktheid van het leven. ‘Och, dat iets zou volmaakt zijn, het is een dwaas die dat wensen zou. Het ware niet meer om te leven, altijd en overal in de perfectie te moeten handelen en spreken en denken.’ En wat later: ‘Neen, het gaat niet zoo gemakkelijk om iets nieuws op te bouwen.’
    De verteller heeft ook zijn bedenkingen over de ideeën van Koelie. ‘Misschien dacht Koelie een oogenblik dat de mensch zich nooit meer vervelen zal, later als de tijd gekomen is.’ Hij stelt vervolgens dat men zich met ‘gansche hoopen’ aan de vensters zal verdringen, om de eersten te zijn die door het raam springen en naar beneden storten en geeft daarmee duidelijk een voorbeeld van de pessimistische visie in een latere versie.

    Boon is een tovenaar met woorden, iemand met een bijzonder poëtisch vermogen; zijn stijl is bedwelmend; de taal is, ook door het Vlaams, rijk en beeldend. De klaterende lach van Hermine in de tuin bijvoorbeeld doet André vermoeden dat er ergens een fontein moet zijn.
    Boon is iemand die speelt met de werkelijkheid zoals Roza met haar poppen. Hij laat graag wijsgerige bespiegelingen los over de mens en de maatschappij, toont zich bezorgd over de botsing tussen natuur en beschaving en is uiteindelijk ook niet tevreden over zijn boek omdat Koelie teveel holle zinnen bezigt.
    Boon las Aantekeningen uit het ondergrondse waarin Dostojveski stelt dat de mens zichzelf als levend wezen bevestigt door van tijd tot tijd in wellust alles kapot te slaan wat ten koste van grote gemeenschappelijke inspanningen is opgebouwd. Hij leerde daarvan dat de enkeling zich spontaan verzet tegen systemen die hem en zijn medemensen het perfecte geluk voorspiegelen, ook als hij daar zelf niet meteen gelukkiger van wordt en zichzelf uiteindelijk misschien wel in de vernieling helpt. Het is als kinderen die in de avonduren een hut weer gaan afbreken, alleen zijn de gevolgen veel erger. De toename van het irrationele geweld aan het eind van Vergeten straat toont dat we in duizenden jaren nog steeds niet in staat zijn onze natuurlijke destructiedrift te sublimeren in een min of meer harmonieuze samenlevingsvorm. Aan dat inzicht en de bezieling om daarover te berichten kunnen tegenwoordige schrijvers, in een tijd van opkomst van een partij die haat wil zaaien tussen mensen, een voorbeeld nemen.

    Door Rein Swart

    Louis Paul Boon, Vergeten straat. De Arbeiderspers, paperback, 296 p., € 22,95

  • De Noord-Zuid-lijn en Vergeten straat

    Vrijwel dagelijks staan de kranten anno 2009 vol met nieuws over de problemen rondom de aanleg van de Noord-Zuid-lijn in Amsterdam. Deze maand verscheen bij de Arbeiderspers Vergeten straat, van Louis Paul Boon. Een roman uit 1946. Onderwerp: De Noord-Zuid-lijn.

    De volgende fragmenten komen uit Vergeten straat, maar zouden zo geplukt kunnen zijn uit Het Parool van de afgelopen maanden…

    * De laatsten tijd hoort ge ook het vaag gerommel, het verre kappen en breken voor de Noord-Zuid-verbinding. En soms, heel dof: boem.

    * Koelie […] leest de gazet. Het is over de Noord-Zuid. Dat het lang genoeg geduurd heeft eer het Noord-station met het Zuid-station verbonden kon worden. Dat het een grootsch werk is.

    * …. Honderden krotwoningen gaan er door verdwijnen; aan duizenden werklozen, die nu in bandeloosheid en misplaatsten wrok leven, zullen arbeid en brood verschaft worden.

    * …. Die Noord-Zuid-verbinding is een lap op een versleten broek.

    * Ze stapt een eind met Koelie mee en spreekt over de Noord-Zuid. Iedereen spreekt daar over.

    * Iedereen peinst dat het ongeveer zal uitkomen aan het café van Louisken.

    * Het bonzen van haar hart overstemt het trillen van het pakhuis, het naderend gerommel voor de Noord-Zuid. Het ‘boem’ is niet meer enkele straten af, het is midden in haar hart.

    * Straks komen de mannen van de Noord-Zuid hier toe, en ze zullen bij mij het stof en de kalk uit hun keel komen spoelen, zegt ze.

    * Dat de mannen, die aan de Noord-Zuid werken en bij mij moesten frit met mosselen eten, nu bij u hun laatsten cent zullen verdrinken.

    * De mannen die aan de Noord-Zuid werken komen toe in de morgen, smijten hun kabas tegen den muur, spuwen in de handen en herbeginnen. De ploegbaas kijkt hun op de vingers. Hij kijkt naar de lucht of het vandaag niet regenen zal, naar het halve huis van Louisken, en naar den overkant waar ze weer al een door moeten.

    * Ik wenschte dat de Noord-Zuid hen naar de hel voerde, dat ieder die er een cent aan verdient vandaag nog dood viel.

    * We moeten een petitie indienen bij de regeering, bij de meesters van de Noord-Zuid.

    De roman Vergeten straat is grotendeels geschreven tijdens de bezetting in Brussel. Het uitgangspunt van dit derde werk van Boon is eenvoudig: een doodlopende straat in een naamloze grote stad wordt tijdens de aanleg van de Noord-Zuid-lijn helemaal van de buitenwereld afgesneden. Vervolgens wordt er op initiatief van ene Koelie een commune uit de grond gestampt. Om de kansen op welslagen van die Nieuwe Gemeenschap te kunnen beoordelen, heeft de schrijver een Brusselse impasse waar hij wel eens was geweest, bevolkt met mensen die hij kende uit zijn eigen omgeving. Het sociaal experiment van Koelie mislukt jammerlijk, het nieuwe gemeenschapsleven implodeert. Maar Boons literaire experiment fascineert tot op de dag van vandaag. Dat is mede te danken aan het beklijvende portret van Koelies dochter Roza, die onder Boons pen is uitgegroeid tot één van de meest destructieve kindvrouwtjes uit de moderne literatuur. Vanwege onvergetelijke figuren als Roza, haar vader Koelie en de bedelaar Vieze, maar ook Hermine, Peu, Gaston, Alfred, Marie en dikke Wis, Louisken en haar kinderen is Vergeten straat een feest om te lezen.

    Louis Paul Boon, Vergeten straat. De Arbeiderspers, paperback, 296 p., € 22,95