• Een literair laboratorium

    Een literair laboratorium

    Een verhaal dat ‘werkt als een talisman, een enigszins eigenaardig literair object dat hem nooit mag verlaten als de schrijver die hij is zijn koers wil bewaren, de klippen wil mijden’. Véronique Chovin geeft in haar voorwoord precies aan wat voor Louis-Ferdinand Céline de betekenis was van zijn wonderlijke ‘middeleeuwse’ verhaal over De legende van koning René en de latere uitwerking daarvan tot De wil van koning Krogold: een literair kompas dat hem in tijden van schrijfnood altijd weer op pad kon helpen. 

    Het manuscript van De wil van koning Krogold was tachtig jaar geleden door de schrijver achtergelaten in zijn appartement in Montmartre toen hij er hals-over-kop vandoor moest vanwege zijn foute houding in de oorlog. In 2021 dook het weer op en werd eindelijk gepubliceerd, samen met zijn voorloper De legende van koning René. De twee verhalen zijn meesterlijk vertaald door Tatjana Daan. Céline vertalen is hoe dan geen sinecure, maar hier gaat het ook nog eens om een taal die doordrenkt is van een soort eigengemaakte nabootsing van het Oudfrans. Waar nog bijkomt dat Céline zich in deze verhalen te buiten gaat aan een verteltrant die alle kanten opvliegt en waar soms geen touw aan vast te knopen is. Een willekeurig voorbeeld, bedoeld om zowel Célines exuberante schrijfstijl als Daans virtuoze vertaalkunst te illustreren (de stad Christiana wordt belegerd, het fragment gaat over de impact op de inwoners): ‘Burgers, ambachtslieden, provoosten, zure oude mannetjes, helemaal onder hun slijpstenen gekromde scharensliepen, blinden en klagers met ratel, mooipraters met ledige reiszakken, neuzelende menestrelen, bij de kookpot weggerukte, dikbuikige huismoeders, berenleiders en messenmakers schaarden zich in groepjes, diep weggedoken in de portieken, donkerder dan de nacht.’ 

    Frivool

    Voor de liefhebbers van het werk van Céline zal deze curieuze uitgave een sensationele verrassing zijn. Het laat een tot dusverre onbekende kant van zijn schrijversschap zien. Niet de pessimistische, cynische, zwartgallige misantropie van Dood op krediet, Oorlog en Londen, maar een middeleeuws, frivool sprookjesverhaal vol mystiek en tovenarij. Eigenlijk zijn het dus twee vertellingen, maar de personages, de thematiek en de motieven van De wil van koning Krogold vloeien direct voort uit De legende van koning René.

    In beide gevallen gaat het om de belegering van een stad ergens in Midden-Europa (alhoewel er ook Scandinavische elementen zijn), ten tijde van de middeleeuwen. Tegen die achtergrond volgen we de lotgevallen van een rondtrekkende minstreel (Thibaut – de spelling van de namen wil nog wel eens afwijken, geheel in de fictieve traditie van de middeleeuwse literatuur), zijn vriend Joad, koning Krogold (René in het bronverhaal) van de stad Christiana, diens dochter Wanda en zijn grote tegenstander prins Gwendor, geliefde van Wanda. De verhaallijnen zijn te gecompliceerd en uiteenwaaierend om hier in kort bestek samen te vatten, en in feite doen ze er ook niet zoveel toe. Het gaat veel meer om de betoverende, soms haast hallucinerende kracht van Célines taal (en nog maar eens, want haar prestatie kan niet genoeg geprezen worden, de vertaling van Tatjana Daan).

    Lees maar: ‘Op het eind van de dag kwam de koning de overwinning toe. Nog lang zag je aan de horizon de koninklijke cavalarie, met woeste lansbewegingen in alle richtingen, het gebied uitkammen, en de laatste vluchtende soldaten tot aan de bossen najagen. Het verzwakte en versnipperde leger van de prins liet zich aan flarden sabelen. Later op de avond veranderde het tumult van de gevechten en het geschrei van het strijdgewoel in een machtig, deerlijk weeklagen. Vervolgens viel tegen de nacht de stilte, die de aldoor zwakkere, aldoor doffere kreten en doodsreutels een voor een versmoorde.’

    Schrijfplezier

    Taal die vlamt en flonkert; in het oorspronkelijke relaas over koning René relatief nog toegankelijk en vertrouwd, in De wil van koning Krogold (‘waarvan het lezen enige concentratie’ vergt, aldus Alban Cerisier in zijn verhelderende nawoord) soms nauwelijks te volgen. Het is Céline nooit gelukt zijn middeleeuwse legende gedrukt te krijgen. Cerisier laat in zijn nawoord echter zien dat de stof wel degelijk zijn weg naar de drukpers heeft gevonden, als essentiële thematische ingrediënten in zijn grote romans Dood op krediet, Oorlog en Londen. Daarnaast is de legende, volgens Cerisier, ‘ook een laboratorium, waarin Céline in het geheim zijn romaneske taal ontwikkelt op een ander substraat, waarin hij zijn effecten uitbreidt, of het nu gaat om interpunctie of lexicale en syntactische inventiviteit.’ Zo is koning Krogold altijd een hoofdrol blijven spelen in het schrijversschap van Céline. Los van dat experimenteren met de taal en de verwerking van de stof in latere romans zal het creëren van zijn legende Céline veel schrijfplezier hebben bezorgd. Al hoeft dat niet per se tot léésplezier te leiden. 

     

     

  • Een schitterende lawine van woorden

    Een schitterende lawine van woorden

    De Franse schrijver Louis-Ferdinand Céline (1894-1961, pseudoniem van Louis Ferdinand Destouches) werd in 1932 beroemd met zijn Voyage au bout de la nuit. Céline bleek een literair genie. Reis naar het einde van de nacht behoort tot de belangrijkste boeken uit de wereldliteratuur. Door in 2021 boven water gekomen onbekende manuscripten staat Céline weer volop in de belangstelling. 

    Zijn jeugd is met een gewelddadige vader niet erg gelukkig. Als hulpje van een uitgever-uitvinder-zwendelaar heeft hij de enige gelukkige tijd van zijn leven, schrijft hij in de roman Dood op krediet. Na de zelfmoord van de uitgever meldt personage Ferdinand (Célines alter ego) zich bij het leger, zoals Céline dat in werkelijkheid deed in 1912. Hij is dan zeventien jaar. In 1914 breekt de Eerste Wereldoorlog uit. Céline raakt ernstig gewond, wordt oorlogsinvalide, krijgt twee hoge militaire onderscheidingen en houdt er een oorlogstrauma aan over. 

    In 1915 werkt hij voor het Franse consulaat in Londen, de periode waarop de roman Londen is gebaseerd. In 1924 studeert hij af als arts en na enige tijd vestigt hij zich als zodanig in Parijs. Daar begint hij ook te schrijven. Reis naar het einde van de nacht is zijn eerste, succesvolle, publicatie. In 1936 volgt Dood op krediet, dat minder succes heeft. Pas in 1944 komt er een volgende roman. 

    Pamfletten

    In de tussenliggende jaren schrijft Céline pamfletten met onder meer radicaal antisemitische en anticommunistische boodschappen, tirades tegen wijn, de film, de neergang van de Franse staat, enzovoort. Zelf zei Céline na de Tweede Wereldoorlog dat zijn pamfletten bedoeld waren om Frankrijk uit de oorlog te houden. Hij had er een panische angst voor. Hij beschouwde zichzelf niet als collaborateur, want verbond zich niet met de collaborerende Franse overheid of de Duitse bezetter. Tijdens de Tweede Wereldoorlog weet hij bijvoorbeeld dat zijn onderburen lid zijn van het verzet maar voorziet hij hen en de bij hen ondergedoken geallieerde piloten van geneeskundige hulp. Ook verstrekt hij medische attesten aan Fransen die de arbeidsdienst in Duitsland willen ontlopen. Niettemin is hij een nazi-sympathisant. 

    In 1944 vluchten Céline en zijn vrouw Lucette met hun kat Bébert het land uit, om via Duitsland en een lange gevaarlijke treinreis Denemarken te bereiken. Daar wordt hij toch opgepakt en ruim twee jaar gevangen gezet (Frédéric Vitoux — Bébert, de kat van Céline, 1976.) Over deze periode, 1944-1948, schrijft Céline de ‘Duitse’ trilogie: Van het ene kasteel naar het andere, Noord en Rigodon. In 1951 keert hij naar Frankrijk terug waar hij zich beklaagt over het feit dat zijn manuscripten zijn gestolen. Nadat het echtpaar gevlucht was, is er een verzetsman in hun appartement gaan wonen en hij en zijn nazaten hebben de manuscripten ‘bewaard’. Er is nog steeds discussie over zowel Célines diefstalslachtofferschap als over zijn persoon, maar gestolen of bewaard, bij de rechtmatige eigenaar zijn de manuscripten niet teruggekomen. 

    Londen

    In 2021 duiken ze op. Een journalist kreeg de ruim vijfduizend pagina’s decennia eerder van de nazaten van de verzetsman, op voorwaarde dat ze pas openbaar zouden worden gemaakt na de dood van Célines weduwe. Ze werd 107 en stierf in 2019. Eerst werd Guerre uitgebracht (Oorlog, 2023) en nu is er Londen, in ongepolijste vorm. 

    In het voorwoord van Londen legt Arnold Heumakers uit dat Céline vermoedelijk aan meerdere boeken tegelijk schreef. Stukken over zijn Londense periode zouden eerst zijn bedoeld voor de Voyage, maar ze waren toch bestemd ‘voor een “later vervolg”, dat zou moeten uitlopen “op theater, op gekkigheid (bouffonnerie)”. Met dat vervolg kan alleen Londres zijn bedoeld en — uiteindelijk — Guignol’s band, allebei romans met een verrassend hoog slapstickgehalte,’ schrijft Heumakers. 

    Slapstick

    In Londen is de twintigjarige verteller en oorlogsinvalide Ferdinand met zijn vriendin en prostituee Angèle naar Londen gereisd, waar Angèle in een villa van haar vaste klant majoor Purcell gaat wonen. Ferdinand wordt ondergebracht in een ‘prachtig gelakte zolder’ in Leicester Street in een pension waar illegale pooiers en hun hoeren wonen. Cantaloup is de leider van de groep en ziet erop toe dat er naast prostitutie niet ook nog diefstal of oplichting plaatsvinden — de politie is al alert genoeg. Hij is ook degene die ‘de reizen verzorgt’, ‘de meiden’ uit het buitenland haalt of ze bij problemen laat vertrekken. 

    Het door Heumakers genoemde slapstickgehalte is al meteen aanwezig als Ferdinand in het begin van het boek met de groep in optocht langs theaters en cafés gaat. Het uniform met voor de oorlogsverwondingen gekregen militaire orde draagt hij niet meer. Behalve een oorlogstrauma heeft hij ‘een been dat slecht liep’, ‘een arm die niet meer kon buigen’ en ernstige oorsuizingen die soms aangroeien tot een ‘oorverdovend gebrul’ en ‘een allejezus luid gedender diep in m’n oor, die m’n hele hoofd gebruikte om een tunnel te maken en nooit wegging.’

    Door toedoen van een aan lager wal geraakte adellijke gentleman, ‘de kapitein’, komen ze zelfs in het Savoy en in een chic Engels landhuis. Ferdinand maakt lol met de anderen, doet mee, lacht mee, drinkt mee, neukt mee, praat mee. Of zwijgt. Met de groep houdt hij zich staande. Toch is hij ook terughoudend, reden waarom Cantaloup hem waardeert en vertrouwt. Maar hij voelt zich vaak raar. ‘Ik was gestoord, net als Angèle, en al langer. Ik werkte niet meer vanbinnen. Ik kon zwijgen. Je kan al wel gek zijn en toch weten hoe je je gedragen moet tegenover de wereld.’ 

    Argot

    Céline bedient zich in zijn boeken van het Franse argot (dat in het Nederlands geen equivalent heeft, Bargoens en straattaal zijn wat anders), compleet met vloeken en scheldwoorden, dat een breuk is met de dan gangbare literaire mores. Hij is ook de waarnemer die mensen doorziet, het leven, de waanzin van oorlog. Met absurditeit en hypocrisie, humor, nihilisme en pacifisme vergroot hij dat alles uit.  

    De groep moet voortdurend oppassen voor de politie. Op een van hun uitgaansavonden komen ze in een havenkroeg terecht waar een enorm gevecht uitbreekt en Bijou, een van hun ‘maten’, zwaargewond raakt. Ferdinand en Borokrom, de intellectueel van het stel, denken dat hij dood is en sjouwen dagenlang rond met het lichaam in een kar op zoek naar een mogelijkheid om er vanaf te komen. Na veel omzwervingen belanden ze bij de joodse arts Yugenbitz en zijn gezin, waar Bijou wordt opgelapt. Ferdinand gaat met Yugenbitz mee op huisbezoek en leert enige medische handelingen. Daar ontdekt hij dat hij dokter wil zijn. ‘De troost dat ik Yugenbitz had gevonden en de weg en de manier waarop hij me hoop had gegeven om zijn mooie werk te begrijpen, dat had me zo ongeveer bedwelmd (…),’ vertelt Ferdinand. 

    Met koortsachtige snelheid en een lawine van woorden uit hij zijn walging over het leven. 

    Door de rauwheid en de grofheden is het soms even doorbijten, al is onmiskenbaar dat Céline niet zomaar onbeschaafd zijn gal spuwt. Hij weet precies welk verhaal hij wil vertellen. ‘Ik dacht dat alles van het ene op het ander moment zou veranderen, de aard van de mens. Op je twintigste weet je niet dat er niks verandert.’ Achter de uitvergrote gebeurtenissen en potsierlijke scènes schuilt de ernst van iemand die weet heeft van het menselijk gebrek, en van het lijden. Ferdinand is ‘vaak somberder dan een opgejaagde hond als ik te veel duizelig en aan het suizen was geweest (…) Ik werd aan een stuk door gemarteld.’

    Ontspoord

    De oorlog in Frankrijk wordt heviger. Voor de abortussen en geslachtsziektes — voorheen reisden de vrouwen gewoon naar Boulogne en terug — wordt Yugenbitz erbij gehaald, wiens gezin al overzee is gevlucht. Vanaf dan woont ook hij in het pension. De uitwijkmogelijkheden worden minder, de pooiers steeds banger voor de politie en prostituees lopen weg. Op bepaald moment kan de troep niet meer naar het pension terug. Ze zwerven rond, slapen gezamenlijk overal en nergens, dragen kat Mioup die bij hen woonde mee in een mand. Célines aandacht voor dieren is al vroeg aanwezig. 

    Ferdinand vraagt zich af of hij zijn ‘maten wel weer zou opzoeken. (…) Dat als ik uiteindelijk ondanks alles door de juten in m’n kraag werd gepakt, als deserteur op verzoek van hogerhand of als kleine spijtoptant, ik veel minder gevaar liep dan als ik de fatale weg koos om op mijn bek te gaan uit solidariteit met die hele bende die schijnbaar voor de lol grossierde in redenen om achter de tralies te worden gezet (…)’. Sommige pooiers belanden in de gevangenis, Purcell en de kapitein gaan ten onder, er vallen doden. Als Ferdinand met Mioup alleen achterblijft is de zaak totaal ontspoord en blijkt hoe goed Céline zijn verhaal in de hand had. Londen, alle liederlijkheid en rauwheid ten spijt, is een ademloos te lezen, schitterend boek.

     

     

  • De Reis

    De Reis

    Achter het station van Leiden werden R. en ik afgehaald voor een verjaardagsfeestje van een emeritus hoogleraar. Op de passagiersstoel zat een man met wit haar die ons scherp en glimlachend opnam, achter het stuur zijn vrouw. We reden Oegstgeest in, althans ik geloof dat het Oegstgeest was, want ik kwam eigenlijk nooit in deze omgeving. Het was ook donker, het regende licht. De ramen waren beslagen. De man op de passagiersstoel had wel zijn naam genoemd, maar ik had hem niet goed verstaan. Het was geen doorsneenaam. En hij week af van de naam van zijn echtgenote, die ik wel kende. Hij sprak op een enthousiaste en aanstekelijke manier, een beetje staccato, met humor, half naar ons omgedraaid, tot de auto werd ingeparkeerd en zij tegen ons alle drie zei dat we konden uitstappen. 

    Uit de keuken van het appartement kwam de geur van kruidige tomatensoep. Op tafel dampte vers gebakken stokbrood. Naast de man met het witte haar wilde ik wel een avond soep lepelen, brood en Franse kazen eten, en praten, heel veel praten… en lachen, want daarin, dacht ik, was er verwantschap. Niet dat hij zo om mijn grappen moest lachen, ik durf wel te zeggen, integendeel. Vaak als ik in zijn spervuur aan woorden en vloeken – hij was ongegeneerd grof in zijn taal zonder dat het iets obsceens kreeg – een grapje inbracht, keek hij mij met een licht verbijsterde blik aan, viel even stil, om dan verder te vertellen. Over Frankrijk. Over geschiedenis. Over politiek. Over literatuur. En hoe hij sprak, wendbaar van het ene verhaal naar het andere, met een bulderende lach, hypnotiserend en vurig, dacht ik: het is dat Louis-Ferdinand Céline Frans is en jaren dood, maar anders zou hij spreken als deze man die ondertussen in een toastje beet, en verontschuldigend vertelde dat hij erg doof was. Vandaar die verbijstering in zijn ogen, soms.

    Toen verstond ik alsnog zijn naam. ‘Heeft u De Reis vertaald?’ vroeg ik. Hij kreeg iets verlegens, iets van een jonge jongen, en antwoordde bevestigend. Emanuel (Mani) Kummer*, vertaler van Voyage au bout de la nuit van Céline. Hij won er in 1972 de Martinus Nijhoffprijs mee. Als er een boek is dat je de waanzin van oorlog binnensleurt, dan toch dit. Als er één schrijver is die mij met zijn stijl in trance brengt, dan hij. Als er één schrijver is die mij (en zo bleek in het gesprek, ook zijn vertaler) een meer dan ongemakkelijk gevoel geeft… hij! Antimilitarist na de Eerste -, antisemiet in de Tweede Wereldoorlog. Een getormenteerde man. Angstig, gek, geniaal, maar zo ontzettend fout.

    Ik zat misselijk van opwinding en bewondering naast de vertaler. Kummer had zelf twee romans geschreven. ‘Het hadden er meer mogen zijn. Moeten zijn!… Je moet je minder door allerlei verplichtingen laten afleiden, doe wat je graag wilt doen. Dat heb ik nagelaten.’ Hij gaf me Afscheid in Meudon cadeau met een opdracht, die ook iets verlegens had: Ik hoop dat je ’t leuk vindt. Zeker, heel leuk! Maar vooral zijn levensles heb ik in mijn oren geknoopt.

     

    *Emanuel Kummer overleed in 2016.


    Eric de Rooij (1965) is schrijver, dichter en humanistisch geestelijk begeleider. In 2020 verscheen zijn debuutroman De wensvader bij uitgeverij kleine Uil. In zijn columns schrijft hij over boeken die iets voor hem betekend hebben.

     

     

  • Tour langs kunst en wetenschap


    Begin december vorig jaar was ik in Parijs. ’s Avonds bezocht ik het Louvre, een magisch moment. Op de een of andere manier spreken musea meer tot de verbeelding als het buiten schemert of donker is. Misschien is een beeldhouwwerk van Canova of een schetsboek van Delacroix in de avonduren wel gebaat bij de schemering. Zelf beperken kunstenaars zich niet tot het maken van kunst tijdens kantooruren. Jammer dat bijna geen enkel Nederlands museum zijn deuren in de avonduren openhoudt. Ik zou het toejuichen als het wel gebeurt. Hoewel je me tijdens de museumnacht juist niet ziet. Te massaal, te weinig gericht op kunst. Maar dat is mogelijk een bekrompen visie van mijn kant. Kunstenaars maken hun kunst te midden van het leven, al hebben ze er vaak afgeschermde werkplekken voor nodig om in zekere beslotenheid tot een creatie te komen.

    De volgende dag bezocht ik de Grande Galerie d’Evolution. De geschiedenis van de wetenschap en kennis over de aarde en onze afkomst worden in dit schitterende gebouw op een fijne manier getoond. Heerlijk, zo’n majestueus negentiende-eeuws bouwwerk waar we er in Nederland te weinig van hebben, al moet je tegenwoordig oppassen met het uitspreken van je voorkeur voor een dergelijk tijdvak. Want toen, in de eeuwen voor de onze, gebeurden er ook vreselijke dingen die tegelijk plaats hadden met de ontwikkeling van de rationele wetenschap. Sterker nog, kolonialisme, imperialisme en dus ongelijkheid, uitbuiting en racisme gingen hand in hand met het zoeken naar bouwstenen voor het ontwikkelen van een rationalistische, technologische en empirische visie op het leven. Dat is zeker waar, maar ik blijf die geschiedenis fascinerend vinden, ondanks alle fouten die plaatsvonden en die ik zeker niet goedkeur. Maar we moeten door.

    En dus reed ik nog diezelfde dag naar een zuidelijk voorstadje van Parijs, Meudon. Daar, al bijna opgeslokt door de hedendaagse metropool, waar ook Céline woonde en werkte, bouwde De Stijl-voorman Theo van Doesburg zijn befaamde atelierwoning in 1929/1930. Van Doesburg die, net als Mondriaan, Parijs als standplaats had in de jaren twintig van de 20ste eeuw, heeft er weinig van kunnen genieten. Terwijl de laatste hand werd gelegd aan het huis, vertrok Van Doesburg voor een astma-kuur naar Davos alwaar hij zou komen te sterven. Zijn weduwe Nelly van Doesburg zou in zijn naam de internationalisering en de verbreiding van de kunst van haar man voortzetten tot aan haar dood in 1975.
    Het is nog steeds een kunstenaarswoning. In de wens van Theo van Doesburg verblijven er geregeld kunstenaars als Artists in Residence. Nu verblijven Thomas Raat en Daniëlle van Ark er. Vooral Thomas wist veel te vertellen over de geschiedenis van het huis en de kunsttheorie van Van Doesburg. Hij werkt als kunstenaar in de beeldtaal van De Stijl en in zijn werk kun je zien dat hij een ware erfgenaam is. Treffend: hij werd zelfs geboren in Leiden naast het oude atelier van Van Doesburg.

     

    Bevind je je in de atelierwoning dan sta je midden in een belangwekkend brok kunstgeschiedenis. Elke eerste zaterdagmiddag van de maand. Meld wel even je komst op info@vandoesburghuis.com.


    Stefan Ruiters  begon in 2001 zijn eigen tweedehands boekhandel, JOOT (Just Out Of Time). Eerst in de Amsterdamse binnenstad en vanaf 2014 als webshop. Boeken inkopen is voor hem een van de fascinerendste facetten van het boekenvak. Daarnaast maakt hij graag uitstapjes naar andere kunstvormen en schrijft daar dan over.

     

  • Essays over literatuur, beeldende kunst en muziek

     

     Het beschouwende proza van Kundera is zonder meer fascinerend. Hij noemt het zelf een ontmoeting van zijn bespiegelingen en zijn herinneringen en ook van zijn oude thema’s en oude (literaire) liefdes.
    Het is voor de geïnteresseerde lezer wel even doorbijten want de auteur veronderstelt een uitgebreide kennis van de Franse literatuur en ook legt hij dikwijls dwarsverbanden met de schilderkunst en de muziek. Een goede encyclopedie biedt in de meeste gevallen uitkomst. Het is in dit verband opvallend dat heel veel onderwerpen die Kundera in zijn essays ter sprake brengt, kort na het verschijnen, op de vrije internetencyclopedie Wikipedia zijn bijgewerkt. Het is alsof de uitgever en zijn medewerkers er een vermoeden van hadden dat sommige schrijvers en vooral ook dichters niet zo erg bekend zouden zijn bij het Nederlandse lezerspubliek. Doordat Martin de Haan met zijn voortreffelijke vertaling de aandacht heeft gevestigd op het werk van Kundera, komt hier wellicht verandering in.

    Kundera houdt er, volgens eigen zeggen, een denkbeeldige eregalerij op na. Als eerste daarin verschijnt de opmerkelijke kunstenaar Francis Bacon die uitspraken doet die aanzetten tot nadenken zoals: ‘Als ik naar de slager ga, verbaas ik mij erover dat ik daar niet hang in plaats van het dier’.
    Zo nu en dan is er wat somberheid in de betogen, bijvoorbeeld wanneer hij zegt nog steeds door te gaan met de zoektocht naar het van zin verstoken toeval dat het leven is. Geestverwanten als Francis Bacon en Samuel Beckett hebben gezegd getuige te zijn van de ondergang van een beschaving. Ook wordt gerefereerd aan het werk van de van oorsprong Roemeense toneelschrijver Eugene Ionesco die in zijn absurdistische stukken voortdurend thema’s als de dood en de zinloosheid van het leven behandelt.
    Heel bijzonder is ook de door Kundera aangehaalde uitspraak van Samuel Beckett: ‘De kunst wordt vaak besmeurd door een theoretische ondoorzichtige woordenbrij waardoor een kunstwerk niet meer in contact word gebracht met de kijker of luisteraar zonder pre- interpretatie’. Een boodschap die sommige recensenten van concerten en tentoonstellingen zich aan zouden moeten trekken.

    Nooit is Kundera scherp kritisch in zijn beschouwingen. Als hij al kritiek uit is deze zeer mild. Zo maakt hij gewag van de grote literaire kwaliteiten van Louis-Ferdinand Céline zonder aandacht te schenken aan zijn antisemitische pamfletten en zijn tijdens de Tweede Wereldoorlog zeer laakbare gedrag. In de volgende hoofdstukken worden steeds kunstenaars ten tonele gevoerd (vooral veel schrijvers) wiens werk door Kundera van commentaar wordt voorzien. Soms lijkt zijn boek op een bundel boekrecensies en op een ander moment heeft het iets van een ‘Dode dichters almanak’ omdat hij soms heel ver terug gaat in het verleden.
    Grote verdienste van Milan Kundera is onder andere dat hij steeds bij zijn lezers belangstelling weet te wekken voor de meest uiteenlopende literaire onderwerpen. Zo vestigt hij de aandacht op het werk van Jacques Anatole François Thibault, beter bekend onder de naam van Anatole France. Nieuwsgierig geworden zullen er onder de lezers van Kundera’s ontmoetingen, velen zijn die zich naar de boekhandel spoeden om zijn werk Les dieux ont soif in een Nederlandse vertaling te bemachtigen.
    Ook interessant, voor vooral de Nederlandse lezers is de briefwisseling met de Mexicaanse schrijver Carlos Fuentes. Hij hield in 2006 de Huizingalezing aan de universiteit te Leiden. Nog nieuwsgieriger worden we als Kundera vermeldt dat tijdens een door de Frankfurter Algemeine Zeitung in 1999 gehouden enquête, de trilogie, Die Schlafwandler van Hermann Broch, door Fuentes als grootste van deze eeuw wordt aangemerkt.
    De literatuur in de verschillende voormalige Franse gebiedsdelen zoals Martinique komen ter sprake. Het Frans wordt nog steeds op scholen onderwezen maar het alledaagse taalgebruik (la parole immédiate) is het Creools. Patrick Chamoiseau heeft zijn romans verrijkt met Creoolse uitdrukkingen en heeft daarmee de unieke historische en culturele wortels van het Caribische gebied willen benadrukken. Kundera zegt dat hij dat gedaan heeft omdat ze grappig, betoverend en onvervangbaar zijn.

    Een opera van landgenoot Janacek wordt besproken. En daarna komt Theresienstadt ter sprake. Herinneringen worden opgehaald aan een ontmoeting die Kundera had in zijn jonge jaren met een Joods echtpaar dat tijdens hun verblijf in deze ‘vitrine’, waarmee nazi Duitsland zijn misdaden trachtte te verhullen, de herinnering aan Mahler en Schönberg levendig probeerde te houden.

    Tenslotte wordt er nog vrij uitvoerig aandacht besteed aan het werk van Curzio Malaparte en zijn twee meest bekende romans, Kaputt en De huid. Alweer een aanbeveling.
    Eigenlijk wordt er door Kundera aan ons te veel aangereikt om in één keer te verwerken. Regelmatig zal dit boek moeten worden herlezen. Lees maar goed want er staat veel meer dan er staat.