• Een schitterende lawine van woorden

    Een schitterende lawine van woorden

    De Franse schrijver Louis-Ferdinand Céline (1894-1961, pseudoniem van Louis Ferdinand Destouches) werd in 1932 beroemd met zijn Voyage au bout de la nuit. Céline bleek een literair genie. Reis naar het einde van de nacht behoort tot de belangrijkste boeken uit de wereldliteratuur. Door in 2021 boven water gekomen onbekende manuscripten staat Céline weer volop in de belangstelling. 

    Zijn jeugd is met een gewelddadige vader niet erg gelukkig. Als hulpje van een uitgever-uitvinder-zwendelaar heeft hij de enige gelukkige tijd van zijn leven, schrijft hij in de roman Dood op krediet. Na de zelfmoord van de uitgever meldt personage Ferdinand (Célines alter ego) zich bij het leger, zoals Céline dat in werkelijkheid deed in 1912. Hij is dan zeventien jaar. In 1914 breekt de Eerste Wereldoorlog uit. Céline raakt ernstig gewond, wordt oorlogsinvalide, krijgt twee hoge militaire onderscheidingen en houdt er een oorlogstrauma aan over. 

    In 1915 werkt hij voor het Franse consulaat in Londen, de periode waarop de roman Londen is gebaseerd. In 1924 studeert hij af als arts en na enige tijd vestigt hij zich als zodanig in Parijs. Daar begint hij ook te schrijven. Reis naar het einde van de nacht is zijn eerste, succesvolle, publicatie. In 1936 volgt Dood op krediet, dat minder succes heeft. Pas in 1944 komt er een volgende roman. 

    Pamfletten

    In de tussenliggende jaren schrijft Céline pamfletten met onder meer radicaal antisemitische en anticommunistische boodschappen, tirades tegen wijn, de film, de neergang van de Franse staat, enzovoort. Zelf zei Céline na de Tweede Wereldoorlog dat zijn pamfletten bedoeld waren om Frankrijk uit de oorlog te houden. Hij had er een panische angst voor. Hij beschouwde zichzelf niet als collaborateur, want verbond zich niet met de collaborerende Franse overheid of de Duitse bezetter. Tijdens de Tweede Wereldoorlog weet hij bijvoorbeeld dat zijn onderburen lid zijn van het verzet maar voorziet hij hen en de bij hen ondergedoken geallieerde piloten van geneeskundige hulp. Ook verstrekt hij medische attesten aan Fransen die de arbeidsdienst in Duitsland willen ontlopen. Niettemin is hij een nazi-sympathisant. 

    In 1944 vluchten Céline en zijn vrouw Lucette met hun kat Bébert het land uit, om via Duitsland en een lange gevaarlijke treinreis Denemarken te bereiken. Daar wordt hij toch opgepakt en ruim twee jaar gevangen gezet (Frédéric Vitoux — Bébert, de kat van Céline, 1976.) Over deze periode, 1944-1948, schrijft Céline de ‘Duitse’ trilogie: Van het ene kasteel naar het andere, Noord en Rigodon. In 1951 keert hij naar Frankrijk terug waar hij zich beklaagt over het feit dat zijn manuscripten zijn gestolen. Nadat het echtpaar gevlucht was, is er een verzetsman in hun appartement gaan wonen en hij en zijn nazaten hebben de manuscripten ‘bewaard’. Er is nog steeds discussie over zowel Célines diefstalslachtofferschap als over zijn persoon, maar gestolen of bewaard, bij de rechtmatige eigenaar zijn de manuscripten niet teruggekomen. 

    Londen

    In 2021 duiken ze op. Een journalist kreeg de ruim vijfduizend pagina’s decennia eerder van de nazaten van de verzetsman, op voorwaarde dat ze pas openbaar zouden worden gemaakt na de dood van Célines weduwe. Ze werd 107 en stierf in 2019. Eerst werd Guerre uitgebracht (Oorlog, 2023) en nu is er Londen, in ongepolijste vorm. 

    In het voorwoord van Londen legt Arnold Heumakers uit dat Céline vermoedelijk aan meerdere boeken tegelijk schreef. Stukken over zijn Londense periode zouden eerst zijn bedoeld voor de Voyage, maar ze waren toch bestemd ‘voor een “later vervolg”, dat zou moeten uitlopen “op theater, op gekkigheid (bouffonnerie)”. Met dat vervolg kan alleen Londres zijn bedoeld en — uiteindelijk — Guignol’s band, allebei romans met een verrassend hoog slapstickgehalte,’ schrijft Heumakers. 

    Slapstick

    In Londen is de twintigjarige verteller en oorlogsinvalide Ferdinand met zijn vriendin en prostituee Angèle naar Londen gereisd, waar Angèle in een villa van haar vaste klant majoor Purcell gaat wonen. Ferdinand wordt ondergebracht in een ‘prachtig gelakte zolder’ in Leicester Street in een pension waar illegale pooiers en hun hoeren wonen. Cantaloup is de leider van de groep en ziet erop toe dat er naast prostitutie niet ook nog diefstal of oplichting plaatsvinden — de politie is al alert genoeg. Hij is ook degene die ‘de reizen verzorgt’, ‘de meiden’ uit het buitenland haalt of ze bij problemen laat vertrekken. 

    Het door Heumakers genoemde slapstickgehalte is al meteen aanwezig als Ferdinand in het begin van het boek met de groep in optocht langs theaters en cafés gaat. Het uniform met voor de oorlogsverwondingen gekregen militaire orde draagt hij niet meer. Behalve een oorlogstrauma heeft hij ‘een been dat slecht liep’, ‘een arm die niet meer kon buigen’ en ernstige oorsuizingen die soms aangroeien tot een ‘oorverdovend gebrul’ en ‘een allejezus luid gedender diep in m’n oor, die m’n hele hoofd gebruikte om een tunnel te maken en nooit wegging.’

    Door toedoen van een aan lager wal geraakte adellijke gentleman, ‘de kapitein’, komen ze zelfs in het Savoy en in een chic Engels landhuis. Ferdinand maakt lol met de anderen, doet mee, lacht mee, drinkt mee, neukt mee, praat mee. Of zwijgt. Met de groep houdt hij zich staande. Toch is hij ook terughoudend, reden waarom Cantaloup hem waardeert en vertrouwt. Maar hij voelt zich vaak raar. ‘Ik was gestoord, net als Angèle, en al langer. Ik werkte niet meer vanbinnen. Ik kon zwijgen. Je kan al wel gek zijn en toch weten hoe je je gedragen moet tegenover de wereld.’ 

    Argot

    Céline bedient zich in zijn boeken van het Franse argot (dat in het Nederlands geen equivalent heeft, Bargoens en straattaal zijn wat anders), compleet met vloeken en scheldwoorden, dat een breuk is met de dan gangbare literaire mores. Hij is ook de waarnemer die mensen doorziet, het leven, de waanzin van oorlog. Met absurditeit en hypocrisie, humor, nihilisme en pacifisme vergroot hij dat alles uit.  

    De groep moet voortdurend oppassen voor de politie. Op een van hun uitgaansavonden komen ze in een havenkroeg terecht waar een enorm gevecht uitbreekt en Bijou, een van hun ‘maten’, zwaargewond raakt. Ferdinand en Borokrom, de intellectueel van het stel, denken dat hij dood is en sjouwen dagenlang rond met het lichaam in een kar op zoek naar een mogelijkheid om er vanaf te komen. Na veel omzwervingen belanden ze bij de joodse arts Yugenbitz en zijn gezin, waar Bijou wordt opgelapt. Ferdinand gaat met Yugenbitz mee op huisbezoek en leert enige medische handelingen. Daar ontdekt hij dat hij dokter wil zijn. ‘De troost dat ik Yugenbitz had gevonden en de weg en de manier waarop hij me hoop had gegeven om zijn mooie werk te begrijpen, dat had me zo ongeveer bedwelmd (…),’ vertelt Ferdinand. 

    Met koortsachtige snelheid en een lawine van woorden uit hij zijn walging over het leven. 

    Door de rauwheid en de grofheden is het soms even doorbijten, al is onmiskenbaar dat Céline niet zomaar onbeschaafd zijn gal spuwt. Hij weet precies welk verhaal hij wil vertellen. ‘Ik dacht dat alles van het ene op het ander moment zou veranderen, de aard van de mens. Op je twintigste weet je niet dat er niks verandert.’ Achter de uitvergrote gebeurtenissen en potsierlijke scènes schuilt de ernst van iemand die weet heeft van het menselijk gebrek, en van het lijden. Ferdinand is ‘vaak somberder dan een opgejaagde hond als ik te veel duizelig en aan het suizen was geweest (…) Ik werd aan een stuk door gemarteld.’

    Ontspoord

    De oorlog in Frankrijk wordt heviger. Voor de abortussen en geslachtsziektes — voorheen reisden de vrouwen gewoon naar Boulogne en terug — wordt Yugenbitz erbij gehaald, wiens gezin al overzee is gevlucht. Vanaf dan woont ook hij in het pension. De uitwijkmogelijkheden worden minder, de pooiers steeds banger voor de politie en prostituees lopen weg. Op bepaald moment kan de troep niet meer naar het pension terug. Ze zwerven rond, slapen gezamenlijk overal en nergens, dragen kat Mioup die bij hen woonde mee in een mand. Célines aandacht voor dieren is al vroeg aanwezig. 

    Ferdinand vraagt zich af of hij zijn ‘maten wel weer zou opzoeken. (…) Dat als ik uiteindelijk ondanks alles door de juten in m’n kraag werd gepakt, als deserteur op verzoek van hogerhand of als kleine spijtoptant, ik veel minder gevaar liep dan als ik de fatale weg koos om op mijn bek te gaan uit solidariteit met die hele bende die schijnbaar voor de lol grossierde in redenen om achter de tralies te worden gezet (…)’. Sommige pooiers belanden in de gevangenis, Purcell en de kapitein gaan ten onder, er vallen doden. Als Ferdinand met Mioup alleen achterblijft is de zaak totaal ontspoord en blijkt hoe goed Céline zijn verhaal in de hand had. Londen, alle liederlijkheid en rauwheid ten spijt, is een ademloos te lezen, schitterend boek.

     

     

  • Buitenlezen

    De zomer begon vroeg dit jaar. In de tweede week van april dwong hij mij al om van schaduwschots naar schaduwschots te springen. Ik deed dat zo goed en zo kwaad als dat in Londen ging.
    Niet alleen ik, maar ook de Londenaars werden door het weer overvallen. Toch lieten zij de boel de boel. In no time namen zij bezit van de parken en squares om er te luieren of te lezen.
    Er werd opvallend veel gelezen, die eerste dagen dat de zon scheen. Op bankjes lazen mannen kranten. Groepjes studenten, stapels studieboeken torsend, bezetten het gazon. Wie alleen wilde zijn met zijn of haar boek nestelde zich tegen een boom of ging languit in het gras liggen. Dat laatste deden ook degenen die zich bedienden van een e-reader of smartphone.

    Niet in alle parkjes werd even intensief gelezen, constateerde ik tijdens mijn vijfdaagse verblijf in de stad. Russell Square – daar deed ik mijn eerste waarnemingen – is zeker niet representatief voor het Londense buitenlezen. Zelfs vergeleken met andere parkjes in de Bloomsburybuurt is het aantal en het percentage lezers er hoog. Tavistock Square moet het zo goed als zonder lezers doen, en dat geldt ook voor het daar weer dichtbij gelegen Gordon Square. Terwijl de universiteit om de hoek zit.
    Dat deze beide parkjes bezoekers minder beschutting bieden zal een rol spelen. Dat de afwezigheid van een parkcafé doorslaggevend is, kan ik me niet voorstellen. Ook op Russell Square nuttigen lezers vooral zelf meegebrachte etenswaren.

    Er wordt in Londen overigens niet overal zo literair gelezen als op Russell Square. De her en der verspreid zittende lezers – vooral vrouwen van een zekere leeftijd – in het veel grotere Hyde Park lezen aanzienlijk lichtere kost.

    Twee jaar geleden deed ik een soortgelijk onderzoek in Lissabon. Tegen mijn verwachtingen in – ik was op het verkeerde been gezet door iemand die al jaren in Portugal woont en beweert dat Portugezen niet lezen – is lezen, ook in de publieke ruimte, daar heel normaal. Natuurlijk vertekende de populatie lezers in de buurt van de parkbibliotheek in het Jardim da Estrela het beeld, maar het was zeker niet de enige plek in de stad waar ik mensen lezend aantrof. Tot ver in de binnenstad signaleerde ik mensen verzonken in een boek. Ik zag er zelfs één aan de voet van het standbeeld van Luís de Camões. Dat de grote dichter over zijn schouder mee kon lezen, leek hem niet te deren.

    Van participerend onderzoek was in Londen en Lissabon geen sprake: ik ben zelf namelijk niet zo’n buitenlezer, al kan ik me de laatste boeken die ik buiten las nog heel goed herinneren: De naam van de roos van Umberto Eco. Dat was in 1981. Ik las het in afwachting van de uitslag van mijn eindexamen op het terras achter ons huis. Ik deed heel lang over de eerste zeventig bladzijden. Daarna ging het beter.
    Angela’s Ashes van Frank McCourt las ik in 1988 op de grens van binnen en buiten in een tent tijdens een verregende fietsvakantie in Canterbury en omstreken. Ik kan niet ontkennen dat de weersomstandigheden in positieve zin bijgedragen hebben aan mijn beleving van die roman.

     



    Liliane Waanders komt wel eens ergens, ontmoet wel eens iemand en leest wel eens wat. Als dat met literatuur te maken heeft, schrijft ze er columns over.

     

  • Aanrijtijd

    Terwijl ik me in Londen verbaasde over het geringe aantal boekwinkeltjes dat er nog over is op Charing Cross Road, verscheen hier De daad bij het woord, het rapport waarin de Raad voor Cultuur – het wettelijke adviesorgaan van de regering en het parlement op het terrein van kunst, cultuur en media – de letteren- en bibliotheeksector onder de loep neemt.
    Voor de Raad voor Cultuur is het belang van geletterdheid de leidraad, maar de Raad ziet in zijn aanbevelingen de letteren niet louter als een vorm van toegepaste kunst. Naast de maatschappelijke waarde stelt hij de artistieke én economische waarde van de sector aan de orde.

    ‘Zorg dat iedere Nederlander onbelemmerd toegang heeft tot de culturele producten van de letterensector’ is de derde van de vier ‘overkoepelende aanbevelingen’ die de Raad doet. Om dat te bereiken is een fijnmazig netwerk van boekhandels en bibliotheken noodzakelijk. De Raad stelt zich daarbij het volgende voor: ‘De “aanrijtijd” tot boekhandels en bibliotheken zou nergens in Nederland groter mogen zijn dan de aanrijtijd tot een bakker of supermarkt. Kennis, informatie en de schone letteren vormen net zo goed een eerste levensbehoefte: voedsel voor de geest.’
    Een Raad voor Cultuur heeft makkelijk praten. Hij hoeft alleen maar te inventariseren, te analyseren en te adviseren. Knelpunten oplossen laat hij aan anderen over, al heeft hij wel ideeën over de richting waarin die gezocht moet worden. In het geval van de spreiding van boekhandels krijgen gemeenten een duidelijke opdracht: ‘Onderzoek in overleg met retail-brancheorganisaties hoe winkels met een cultureel profiel zich gemakkelijker zouden kunnen vestigen binnen stedelijke winkelgebieden.’

    De opdracht van de Raad voor Cultuur aan gemeenten veronderstelt dat het gemeenten iets kan schelen welke winkels zich waar vestigen. Dat zij het belang van een pluriform aanbod inzien en er wat voor over hebben om ‘winkels met een cultureel profiel’ in de gelegenheid te stellen zich op prominente – dus dure – plekken te vestigen. Dat zij vervolgens bereid zijn hun bestuurlijke invloed aan te wenden om een ondernemingsklimaat te scheppen waarin ook het culturele midden- en kleinbedrijf dat niet in staat is om marktconforme huurprijzen te betalen gedijt.

    Dat Charing Cross Road niet langer dé boekenstraat van Londen is, heeft met het gebrek aan een gemeentelijk winkellocatiebeleid te maken. De meeste winkels waren gevestigd op de begane grond van panden die eigendom waren van een woningbouwvereniging. Boekverkopers betaalden een huur ver onder de marktwaarde van de op een A-locatie gelegen panden.
    Toen de eigenaar van de panden de huurprijs fors wilde verhogen, kwamen de boekverkopers in verzet. Ze beriepen zich op hun toegevoegde waarde voor de buurt. Ze vonden weliswaar gehoor bij hun achterban, maar trokken toch aan het kortste eind.
    Het verhogen van de huur was het begin van het einde van wat ‘Charing Cross Road’ zo lang geweest was: een mekka voor boek(ver)kopers. De recessie deed de rest.

     

     



    Liliane Waanders komt wel eens ergens, ontmoet wel eens iemand en leest wel eens wat. Als dat met literatuur te maken heeft, schrijft ze er columns over.