• Mooie bijdragen over schrijvers van toen (en nu)

    Mooie bijdragen over schrijvers van toen (en nu)

    In de eerste uitgave van De Parelduiker van dit jaar een herdenkingsstuk van Daan Cartens over Inez van Dullemen (1925-1921). In de rubriek ‘De laatste pagina’, schrijft Cartens over Dullemen als de vrouw die wars was ‘van clichés, vooroordelen, vastgeroeste meningen’. Cartens ontmoette de schrijfster in 1981 voor een interview in Het Vaderland, een Haagse krant die in 1982 ophield te bestaan (ook dat zijn prettige zaken om notie van te nemen). Het werd een openhartig interview waaruit een levenslange vriendschap ontstond. Over haar ontmoeting en leven met Erik Vos, oprichter van het Haagse toneelgezelschap De Appel, schrijft hij dat ze een twee eenheid vormden, ‘de één de muze van de ander, samen reizend door het labyrint van het leven’. Haar roman Het gevorkte beest noemt hij haar kernboek en ‘misschien ook wel haar beste’. Waardoor je deze roman opnieuw zou willen lezen om te herplaatsen binnen haar oeuvre.

    Omgevallen schaap of muizenplaag

    Lodewijk Verduin schreef  een mooi stuk over Anton Koolhaas (1912-1092), schrijver van absurdistische boeken als, Een punaise in de voet, Vanwege een tere huid, Corsetten voor een libel. Het artikel, ‘Dierenmens A. Koolhaas, zijn literaire ontwikkeling in drie en enige keerpunten’, wordt geleid door de vraag waarom Koolhaas als veertiger de stap het schrijverschap in wilde. Verduin herleid zijn vraag naar enkele schrijvers en hun keerpunt, naar ‘een zeker moment dat de inspiratie voor het eerste gedicht schonk, een gebeurtenis die de druk om te (…) publiceren opvoerde.’ Zo zette Gerard Reve zich tot het schrijven van zijn debuutroman, na te zijn aangemoedigd door zijn psychiater, schrijft Verduin. En was het ‘de zaak-Lebak die Eduard Douwes Dekker in Multatuli veranderde’. Ook bij Koolhaas is er een ‘oerscene’, door hemzelf aangehaald tijdens zijn dankwoord bij de uitreiking van de Frans Erensprijs in 1989. Hoe hij als tienerjongen een op de rug liggend schaap ziet: ‘Het was mijn eerste confrontatie met sterven. En in wezen de eerste confrontatie met het verschijnsel LEVEN, dat op het punt staat op te houden.’ Later vertelde hij in interviews dat zijn schrijversschap terug te voeren is op een muizenplaag in zijn kamer in Rotterdam. Met deze geweldige omkering van zaken: ‘Ik was niet de hoofdbewoner die last had van muizen, maar zij vormden de hoofdbewoners die last hadden van een man.’ Verduin haalt ook de relatie met uitgever Geert van Oorschot aan, echt boteren deed het niet tussen die twee. Wel geweldig om te lezen, de duiding van een schrijversschap aan de hand van zijn relaties.

    Singer-songwriter J.H. Speenhoff

    Van Jacques Klöters de bijdrage ‘Koos Speenhoff, voordat hij de heer J.H. Speenhoff werd’. Speenhoff (1869-1945) was de eerste Nederlandse singer-songwriter schrijft Klöters, daarbij was hij een begenadigd tekenaar en publiceerde in beide kunstvormen. Jan Greshoff en Carmiggelt waren liefhebbers van zijn werk, noemden hem ‘een superieure stilist’. Wie kent niet het liedje De schutterij (Daar komen de schutters) en Het broekie van Jantje, of Brief van een moeder aan haar zoon die in de nor zit, die zijn dus van Speenhoff. Klöters beschrijft hoe Speenhoff zich een weg zocht uit de verplichtingen die zijn vooraanstaande familie waaruit hij uit voortkwam, hem oplegde. Zijn hang naar- en vertoeven in de Rotterdamse kunstenaarskringen van die tijd. 

    Marco Entrop schreef over de dichter Andries de Hoghe die ooit één dichtbundel publiceerde, Strofen, die inmiddels tot de canon van de homo-erotische poëzie behoort. Een bundel die in homokringen werd gekoesterd en bewonderd en navolging vond. Zo schreef Het Nederlandsch Wetenschappelijk  Humanitair Komitee in een recensie over de bundel, ‘een bundeltje zuiver homosexueele poëzie, die tot het beste behoort, wat op dit gebied verschenen is’. En schreef dichter Jac. van Hattum een verhaal waarin de bundel het offer voor een mannenvriendschap is. Entrop onderzoekt of Andries de hoghe een poet’s poet was. Omdat de gedichten door P.C. Boutens bezorgd waren en er verder geen sporen van De Hoghe te achterhalen waren, moest het Boutens zelf wel zijn geweest die deze gedichten geschreven had. En was hij dat ook?

    Aankomend biografie Hans Keilson

    Van Jos Versteegen,  dichter en biograaf die op dit moment werkt aan een biografie van Hans Keilson die in 2023 zal verschijnen, het stuk, ‘De feesten en nachtmerries van Hans Keilson’. Keilson was een getormenteerd man, door de oorlogsjaren voor zijn verdere leven onderuit gehaald. Hoewel hij bekend werd in Amerika en ook in Europa succes had als schrijver over zijn leven, maakte dit hem niet gelukkig. “‘Mijn leven is mislukt,’ zei Hans Keilson als bijna honderdjarige tegen een collega-psychotherapeut. ‘Ik heb niets gepresteerd, ik ben niet eens professor geworden.’” Keilson leed aan depressies, en hoewel hij genoot van ‘de aandacht en belangstelling die hij kreeg, kon tegelijkertijd zijn droefenis niet groter zijn.’, schrijft Versteegen. De onvermoede krachten van een mens en hoe daar mee om te gaan. Naar de biografie wordt uitgekeken.

    Verder een ingezonden brief over een kritiek punt in de biografie van Louis Lehmann en een weerwoord daarop van biograaf Jaap van der Bent, zelf. In de rubriek Schoon&Haaks – over publicaties van privé-drukker en marginale uitgevers – bespreekt Jan Paul Hinrichs verschillende uitgaven waaronder een boekje over de laatste levensmaanden van H. Marman, die met zijn vrouw, zwervend door Zuid-Europa, omkwam op volle zee.
    Van Nico Keuning in de rubriek Laagwater ‘Een buurjongen uit plan Zuid’. Over hoe er wordt omgegaan met feit en fictie in een feitelijk verslag van Heere Heeresma in Kaddish voor een buurt, radiogesprekken die Anton de Goede met Heeresma voerde. Keuning biedt hier een inkijkje die verder reikt dan de neus lang is. Het credo wie schrijft die blijft, geldt hier volop, al zijn er derden voor nodig die schrijvers naar voren te halen. Gelukkig is daar De Parelduiker, die van elke lezer een literatuurvorser maakt.

     

     

  • Fraai essay met hier en daar een misser

    Fraai essay met hier en daar een misser

    Recensie door Arie Biesheuvel

    In Eenzaamheid in eindeloos meervoud  geeft literair-criticus Lodewijk Verduin een analyse van het werk van Jeroen Brouwers. In bijna zestig jaar heeft Jeroen Brouwers een zeer groot oeuvre opgebouwd. Een diepgaande analyse van een dergelijk veelomvattend oeuvre lijkt haast ondoenlijk. Maar Lodewijk Verduin is daar wonderwel in geslaagd door zich te concentreren op Brouwers’ twaalf romans, en waar nodig verhelderende elementen uit Brouwers’ novellen, verhalenbundels, essays, en vooral autobiografische werk toe te voegen.       

    Literair-critici en liefhebbers van het werk van Jeroen Brouwers zullen dit essay zeker willen lezen, de eersten teneinde te weten te komen hoe hun jonge vakbroeder het er vanaf heeft gebracht, de laatsten om hun ideeën te toetsen en er wellicht nog wat van op te steken.  Echter, dit essay is ook, of juist vooral, aan te bevelen aan lezers die het werk van Jeroen Brouwers niet of nauwelijks kennen, of die zich door zijn werk niet voelen aangesproken.  

    Schrijven om het leven aan te kunnen   

    Lodewijk Verduin heeft er voor gekozen om deze twaalf romans van Jeroen Brouwers als de kern van het essay te nemen. Ze worden chronologisch besproken in hoofdstukken die accentueren dat er een zekere ontwikkeling in thematiek en stijl van het werk is. Elke roman wordt kort samengevat, thema en stijl worden toegelicht en in verband gebracht met eerder werk, waarbij geschikt gekozen citaten uit autobiografische geschriften de visie van Verduin ondersteunen. Aldus wordt duidelijk dat Brouwers erin is geslaagd een waarlijk literair-oeuvre te creëren, een oeuvre dat, om hem zelf te citeren ‘bestaat uit boeken die elkaar steeds maar aanvullen in onderdelen of als geheel, zodat men […] in ieder geval van mijn werk […] kan zeggen: het vormt een eenheid’.    

    Het essay is helder en vlot geschreven, wordt nergens langdradig, en verwordt niet tot een opsomming. Het geregeld onderbreken van de tekst door citaten is nergens hinderlijk en werkt juist verhelderend. Maar bovenal is het een boeiend en leerzaam essay; Lodewijk Verduin verstaat zijn vak. Een goed boek nodigt voortdurend uit tot reflectie op het gelezene, en dat gebeurt bij lezing van dit essay veelvuldig. 

    Het werk uit de ‘gelukkige jaren’, van Zonsopgangen boven zee (1977) tot Zomervlucht (1990), wordt door Verduin gezien als het hoogtepunt van Brouwers’ oeuvre. Traumatische jeugdervaringen hebben een enorme invloed gehad op de mens Jeroen Brouwers; door een diepgaande psychologische zelfanalyse en deze analyse literair te verwoorden is de schrijver in deze ‘gelukkige jaren’ de therapeut van de mens. Verduin concludeert:

    ‘Als er één geestestoestand alomtegenwoordig is in het werk van Jeroen Brouwers, dan is het angst. Zijn personages lijden onder meer aan mensenangst, verlatingsangst, mislukkingsangst, vergetelheidsangst, verstikkingsangst, autoriteitsangst, overbodigheidsangst, ouderschapsangst, bindingsangst, vrijheidsangst, eenzaamheidsangst, levensangst – al dan niet in combinatie met elkaar. Het is een oeuvre van onrust en onheil, vol mensen zonder zekerheden die twijfelen aan wat zich aan hen voordoet en vrezen voor noodlottige veranderingen.’  

    Dit ‘lijden’ moet letterlijk genomen worden. Dat Jeroen Brouwers aan het schrijverschap lijdt (‘literatuur is een kanker, wie is aangetast zal niet genezen’) maakt het triest. Toch ontkomt men niet aan de indruk dat dit leed wat dik is aangezet, een idee dat wordt versterkt door Brouwers’ uitbundige, geëxalteerde stijl, die niet iedereen weet te bekoren.  Brouwers heeft, beginnend met Geheime Kamers (2000) en eindigend met Cliënt E. Busken (2020), ook een reeks minder ‘persoonlijke’ boeken geschreven in een meer ingetogen stijl.. 

    Persoon en persoonlijkheid van de schrijver 

    In de inleiding wordt de voor een literair-criticus wezenlijke vraag gesteld of het voor een analyse en waardebepaling van de romans van een schrijver nodig is diens persoonlijke geschiedenis te kennen. Verduin geeft antwoord, en lijkt aldus zijn positie als literair-criticus in te nemen op een voor het essay kenmerkende wijze door vermelding van citaten van beroemde schrijvers en gezaghebbende critici. Wat volgt uit deze citaten is een ontkenning. De persoonlijkheid, het unieke wezen, van een schrijver is de vorm van het werk: de taal en de thema’s, de persoonlijke stijl waarin de schrijver een unieke ervaring weergeeft van wat gezien is omtrent de ‘condition humaine’. Natuurlijk worden ook persoonlijke ervaringen gebruikt om het verhaal te vertellen, echter de schrijver als persoon vindt men hoogstens gestileerd terug in het werk, wat voor de beoordeling van het werk geen rol speelt.  

    Verduin gaat in de fout als hij zich in zijn positie als literair-criticus gesteund voelt door Andrew Field, een omstreden biograaf van Vladimir Nabokov. Brian Boyd, de grote kenner van leven en werk van Nabokov, heeft in zijn definitieve tweedelige biografie Vladimir Nabokov: The Russian Years, Vladimir Nabokov: The American Years overtuigend laten zien dat Field als biograaf en literair-criticus van Nabokov weinig betrouwbaar is en terecht in de ban werd gedaan door de familie Nabokov. 

    Nabokov versus Brouwers

    Evenzeer is de vergelijking van het werk van Nabokov en Brouwers wat misplaatst: Tussen Vladimir Nabokov en Jeroen Brouwers bestaan fundamentele overeenkomsten: beide schrijvers staan bekend als weergaloze stilisten, en de gedeelde bron van hun enorme oeuvres is een uitzonderlijk krachtig geheugen. Nu is Nabokov als stilist hors concours, maar dat is hier niet van belang. Wel dat hun beider krachtige geheugen betrekking heeft op hun jeugd, die voor Nabokov een gelukkige was, en voor Brouwers een traumatische. Verduin merkt op:

    Voor de een was herinneren een genot, voor de ander een kwelling – Nabokov was dan ook nostalgisch en conservatief, Brouwers ‘links naar het anarchistische toe’Dit is wat al te eenvoudig gesteld: een gelukkige jeugd impliceert toch niet een latere conservatieve opvatting (als Nabokov die al had), en een ongelukkige jeugd toch niet een progressieve of ‘linkse’ opvatting? 

    Nu is het is waar dat in romans als Glorie en De gave de jeugd van Nabokov een rol speelt, maar nooit als iets particuliers, eerder als iets algemeen herkenbaars, passend bij het thema ‘het verlies van de jeugd’.  Zelfs in de autobiografie Geheugen, spreek laat de schrijver weinig van zichzelf zien.  Dat ligt anders bij de romans van Brouwers; het werk uit  ‘gelukkige jaren’ immers, is de literaire weerslag van een psychologisch zelfonderzoek; met name in de roman Het verzonkene laat Brouwers veel van zichzelf zien. Zo wordt Verduins positie als literair-criticus wat onduidelijk, en dat blijft zo als in het essay zelf Brouwers’ autobiografische geschriften veelvuldig worden aangehaald ter duiding van zijn romans. Maar laten deze mild-kritische opmerkingen u vooral niet weerhouden dit fraaie essay te lezen.