• Laatste edities literaire tijdschriften 2017 – Parelduiker, Tirade en Terras

    De parelduiker 2017/5: Jan Cremer

    Niets zo goed voor de literatuur als ingesneeuwd te zijn of door andere ‘maatschappijontwrichtende’ weersomstandigheden het huis niet uit te kunnen. De droom wellicht van menig lezer, om dan eindelijk eens de boekenkast te inspecteren op ongelezen exemplaren, of, voor wie wil weten wat er zoal speelt op het literaire podium, de literaire bladen van a tot z te gaan lezen. Oh, heerlijke winterse dagen waarbij de wind om het huis giert en alleen de leeslamp verlichting brengt. En dat met de laatste edities uit 2017 van De Parelduiker, Tirade en Terras.


    Neerlandicus Johannes van Der Sluis (1981) schreef voor De Parelduiker een mooi stuk over de Utrechtse schrijver C.C.S. Crone (1914-1951). Mooi vooral omdat hij zijn enthousiasme over deze schrijver zo aanstekelijk onder woorden brengt. Van der Sluis is een Crone liefhebber en verschanste zich met zeven dozen nalatenschap van de schrijver die hem, net als Nescio, nooit meer heeft losgelaten. Dat er een C.C.S. Croneprijs bestaat, die in het leven is geroepen om het literair klimaat in de stad en de regio Utrecht tot bloei te brengen, moge bekend zijn.

    Dat het toekennen van literaire prijzen kan verworden tot een precaire aangelegenheid, lezen we in een bijdrage van letterkundige H.U. Jessurun d’Oliveira (1933). Vooral in tijden van een veranderende seksuele moraal zoals in de jaren zestig. Toenmalig jurylid van de Prozaprijs Amsterdam Jesserun d’Oliveira, droeg in 1967 Ik Jan Cremer Tweede deel voor als een van de kanshebbers. Deze nominatie bracht literair Nederland volop in beroering en er ontstond al snel een kamp voor en tegen.

    Vijftig jaar na dato doet d’Oliveira uit de doeken waar de vertegenwoordigers van de tegenpartij zich op beriepen en hoe aan Jan Cremer uiteindelijk toch die prijs werd toegekend. Het artikel is met aantrekkelijke documenten geïllustreerd, waaronder de afdruk van een brief waarmee een burger uit Almelo de burgemeester van Amsterdam oproept de prijs niet uit te reiken:

    U zoudt mij een bizonder genoegen doen indien U weigert een dergelijk sadistisch figuur een prijs uit te reiken, laat staan een hand te geven. 99,9% van de bevolking zal U daar dankbaar voor zijn!!

    Ook de ‘bekende schrijfster Maps Valk’, zo schrijft d’Oliveira, schreef een brief en keerde zich tegen Jan Cremer. Ondanks de protesten kreeg Cremer de prijs. Hoewel het bedrag van 4000 gulden linea recta naar de belasting ging, waar de schrijver nog een schuld had openstaan.

    Voor wie Maps Valk niet kent, kijk eens op dbnl.org waar enkele zeer lezenswaardige verhalen van haar staan, die tegelijk laten zien waarom zij het boek van Jan Cremer de prijs niet waardig vond. Evenwel een leuke bijvangst bij de grote namen die er in deze Parelduiker staan.

    Opvallend is dat Carmiggelt in verschillende bijdragen opduikt. In een van de dozen van C.C. Crone ontdekte Van der Sluis een ansicht van Carmiggelt aan de weduwe van Crone. In een stuk over Peter van Straten, wordt een tekening van Carmiggelts hoofd (2009) afgebeeld. En dan is er een bijdrage van Wim Hazeu over de ongemakkelijke verhouding die Carmiggelt onderhield met Lucebert; ‘Krokodillentranen van Carmiggelt, Of hoe hij Lucebert uitdaagde’. Zo kom je nog eens wat te weten.

    Jack van der Weide schreef een nieuwsgierig makend stuk over een vergeten schrijfster die bevriend was met de schilder Jan Veth en Lodewijk van Deyssel. Christine Boxman (1857-1924) publiceerde twee romans. Mede dankzij Clare Lennart die in 1934 haar eerste roman Stille wegen las, en haar bewondering daarover uitsprak, werd zij niet geheel vergeten.

    Ja mensen, lees, lees, lees De Parelduiker om je nieuwsgierigheid naar ons literair verleden te onderhouden.

    De parelduiker 2017/5: Jan Cremer
    Auteur: Hein Aalders
    Uitgeverij: Bas Lubberhuizen

    Tirade

    Tirade omhelst de vorm en zet de vent buiten de deur. Waarmee maar gezegd wordt dat er naar het werk gekeken wordt en niet naar de man/vrouw erachter, dit naar aanleiding van alle discussies in de media over hoe een romanfiguur beoordeeld mag worden. Veel vertaalde poëzie, o.a. enkele gedichten uit de bundel Crow van Ted Hughes en vluchtelingengedichten van Adnan Adil. Het blad opent met vier tienregelige gedichten met een verleidelijk binnenrijm van Emma Crebolder. Eenvoudige poëzie die een wereld aan handelingen, geuren en kleuren verraadt. En dat in steeds tien regels van hooguit zes woorden.

    Femke Baljet maakt haar debuut in de literatuur met het verhaal ‘Moederdag’. Een ijselijk sterk verhaal over een man die zich een leven verzint. Zich een zoon wenst, zo niet van zichzelf dan toch van een ander. Zeer onderkoeld geschreven en in veelzeggende zinnen: “Ik loop nu achter hem. Af en toe kijkt hij om zich heen maar nooit achterom, zijn magere benen houterig als de benen van Pinoccio.  Het begint koud te worden, hij heeft te weinig kleren aan.” Een verhaal waarin een onvermijdbare spanning schuilt.

    Verder verhalen van onder andere Jan van Mersbergen, Pieter Kranenborg en Oscar Spaans.
    Carel Peeters neemt in zijn ‘Kroniek van een roman’, Rob van Essens Winter in Amerika onder handen. Hij vindt het een levenloze roman: ‘(…) met een door niets verantwoord cynisme geschreven. Freewheelend.’ Boude uitspraken die evengoed er toe aanzetten deze roman te gaan lezen. Wat een mooi resultaat is van een interessante kroniek.

    Ted van Lieshout laat zich in de rubriek ‘De tirade van… ‘ uit over het afschaffen van kinderliteratuurprijzen. Gedurfd en eerlijk toont hij aan waar het ontbreken van onderscheidingen in de jeugdliteratuur toe leiden kan. “Wanneer er onder de kinderboekenschrijvers geen competitie meer bestaat zullen we veel van hetzelfde krijgen voorspelt Van Lieshout, en stomen we onze jeugdige lezers nooit klaar voor de ‘echte’ literatuur. Want: “… zo holt de leesvaardigheid van kinderen – en automatisch de volwassenen van de toekomst – achteruit.
    Ja, dan denk je wel verdorie, daar moet iets aan gedaan worden!

    Tirade
    Auteur: Onder redactie van Daan van Doesborgh, Anja Sicking en Marko van der Wal
    Uitgeverij: Uitgeverij Van Oorschot

    TERRAS #13 China

    Chinese literatuur is een van de oudste literaire tradities ter wereld en gaat duizenden jaren terug. Het is nog maar sinds kort dat Chinees proza en poëzie steeds meer binnen het bereik van de Nederlandse lezers komt. Deels heeft dit mogelijk te maken met het feit dat de gebruiken en omgangsvormen in China volkomen vreemd zijn voor de westerse lezer. En natuurlijk speelde de Chinese censuur een grote rol, daardoor werd er maar weinig vertaald. Gelukkig zijn er op dit moment veel vertalers uit het Chinees, zo laat Sylvia Marijnissen – zelf vertaalster uit het Chinees en recensent van Chinese literatuur – in deze editie zien. Veel proza, poëzie en essays uit China, Hongkong, Taiwan en de VS.
    Marijnissen nodigde enkele vertalers uit om hun favoriete passages uit de Chinese literatuur te vertalen. Dat levert een boeiende verzameling literatuur op die een mooi zicht geeft op het China van nu. Met onder meer een vertaling door Daan Bronkhorst van enkele gedichten van Liu Xia, (weduwe van Liu Xiaobo, de mensenrechtenactivist en winnaar Nobelprijs voor de Vrede, in 2017 in gevangenschap overleden). Liu Xia schrijft toegankelijke poëzie, hier en daar teder en licht, hoewel haar omstandigheden benauwend zijn. Zoals in het gedicht: ‘Ingesloten – voor Xiaobo’.

    Zodra je op de trein stapte / ging ik zitten wachten bij de telefoon, / vol angst. Er zijn dingen / waaraan ik niet ontkom / je verdween plotseling / en liet me je schaduw die / bleef hangen.

    Verder in het nummer: Drie door Laurens Vancrevel vertaalde gedichten van Breyten Breytenbach en een essay van schrijver en vertaler Piet Meeuse, ‘Over het nut van fictie – Twee theorieën over het vertellen van verhalen’. Een boeiend stuk waarin Meeuse stelt dat fictie ons helpt te overleven: ‘Fictie komt tegemoet aan (…) het zoeken naar oplossingen voor ingewikkelde problemen. Daardoor wordt ons gedrag flexibeler en zijn we beter in staat toekomstige problemen op te lossen.’

    Terras lezen is als reizen over de wereld, naar ongekende gebieden waarbij je de verassingen van andere culturen ervaart. En dat alles vanonder de schemerlamp.

    Wie meer wil lezen over vertaalde Chinese literatuur: kijk eens op de website van Sylvia Marijnissen.

    TERRAS #13 China
    Auteur: Onder gastredactie van Silvia Marijnissen
    Uitgeverij: Stichting iwosyg
  • Vakantierubriek 2013 – Machiel Jansen

    Nederland

    Deze zomer reis ik in de tijd en blijf ik op mijn plaats. Niet dat ik stil zit. Minstens één keer in de week ren ik mijn huis uit, het dorp door en beklim ik de heuvel die ‘Hoog Baarn’ genoemd wordt. ‘Hoog’ betekent hier in meerdere opzichten verheven boven de rest van het dorp en de omgeving. Grote villa’s, hoge bomen, ware woonkastelen, een ouderwetse watertoren en een prachtige vijver zijn te vinden op een plaats die iets dichter bij de hemel lijkt te liggen dan de rest van de omgeving.

    Het dorp is Baarn en de villawijk heet officieel Wilhelminapark al is er van een echt park geen sprake. Dit is een dure, prachtige wijk op een zandheuvel met huizen die veelal gebouwd zijn rond de voorlaatste eeuwwisseling. Wie er rennend doorheen gaat en door de inspanning  een zuurstofschuld heeft opgebouwd, waant zich even in die tijd.

    Vlak onder het hoogste punt van de heuvel staat een wat kleinere villa. De weg er langs is stil en schaduwrijk. De villa zelf is okergeel geschilderd en ligt op een hoek. De zijstraat waar de ingang zich bevindt, loopt na een tiental meters dood. De lucht ruikt hier altijd naar degelijke, ietwat prijzige rust. Hier heerst een stilte die niet iedereen zich kan veroorloven.

    De tuin van deze relatief bescheiden villa is niet eens zo groot of is er misschien aan de andere kant nog een deel dat ik niet zien kan? Er is een klein balkonnetje aan de voorkant en al met al lijkt me dit een ideaal huis om in te schrijven. Hier woonde Lodewijk van Deyssel. De muren waren toen wit in plaats van okergeel en het asfalt in de straat zal er ongetwijfeld nog niet gelegen hebben. Maar de schoonheid en de rust die Van Deyssel zo op prijs stelden zijn gebleven.

    Van Deyssel schreef hier Uit het leven van Frank Rozelaar en het huis zelf wordt een aantal keer beschreven:

    Van-ochtend vroeg weer thuis komend, werd ik getroffen door de schoonheid van mijn huis, zoo als het daar stond, wit, door de zon licht goud beschenen, onder het diepe blaauw van de lucht. Indien het niet mijn huis ware geweest, zoude het mij niet deze gewaarwording hebben gegeven. Toch weet ik zeker, dat ik niet vooraf gedacht had: “hoe heerlijk, daar is mijn huis”.

    Zoo dat de gemoedstrilling zich buiten mij om met het uiterlijk voorkomen van het huis verenigd had, en zij als een geheel mij stonden te wachten.

    Wie leest Van Deyssel nu nog? Zelfs de Baarnse boekhandel Den Boer verkoopt zijn boeken niet meer. Van Deyssels biograaf Harry Prick heeft de schrijver lange tijd nog overeind gehouden en met veel liefde en toewijding ervoor gezorgd dat er geen woord van de grote Tachtiger verloren ging. Telefoonbriefjes, aantekeningen, dagboekfragmenten, brieven; elk woord van Van Deyssel is gepubliceerd. Maar zijn echte literaire werk, wie leest dat nu nog?

    Van Deyssel is een merkwaardig figuur. Op mij maakt hij de indruk van een schrijver die voortdurend bezig is zich voor te bereiden op het schrijven van een meesterwerk. Alles, bijna alles, wat ik van hem ken, maakt de indruk een voorproefje te zijn, een vingeroefening op iets werkelijk groots en meeslepends. Maar aan het echte, grote werk is hij vervolgens niet toe gekomen. In plaats daarvan schreef hij uitvoerige aantekeningen over de manieren waarop hij de vliegen uit zijn schrijfkamer hield en hoe hij de rust probeerde te bewaren die voor het werkelijke schrijven noodzakelijk was.

    Ondertussen weet Van Deyssel toch de indruk te wekken dat hij een groot, zeer groot schrijver is. Die indruk maakte hij ook op zichzelf. De gewaarwording dat hij veel, zo niet alles kon, was hem niet vreemd. Dat wil niet zeggen dat hij dacht dat hij alles ook echt kon, maar hij beweerde te ervaren wat iemand die alles ook echt kan, ook ervaart. En omdat daden in die tijd door veel intellectuelen werden gezien als slechts een uiterlijk en minderwaardig bijverschijnsel van het innerlijke leven, was die gewaarwording op zich al genoeg. Waarom iets doen dat uiteindelijk een ervaring oplevert die je al hebt voordat je ook maar iets gedaan hebt? Voor Van Deyssel werd de gewaarwording dat je iets kunt, belangrijker dan het handelen zelf. Met andere woorden: het zijn van een God in het diepst van de eigen gedachten was bijna hetzelfde als een God te zijn.

    Zoals ik al zei, Van Deyssel was een merkwaardig figuur.

    Een aantal van deze ideeën beschreef hij in Het ik, heroïesch-individualistische dagboekbladen, uitgegeven in de reeks privé-domein en nu alleen nog antiquarisch te krijgen. Het is het beste dat ik van Van Deyssel ken. W.F. Hermans noemde het boek een meesterwerk en dat zegt zowel iets over het boek als over Hermans zelf.

    Het ik, is een uitermate zelfbewust boek. En met zelfbewust bedoel ik dat de schrijver niet alleen zijn gedachten weergeeft, maar ook zijn gedachten over die gedachten. Die zelfbewustheid doet bij Van Deyssel af en toe opmerkelijk modern aan. De stijlvormen die hij in zijn werk kiest zijn die van zijn tijd, maar het denken erover zorgt ervoor dat hij, makkelijker dan zijn tijdgenoten, de ene vorm voor de andere inruilt. Zijn roman Een liefde (1887) is een fraai voorbeeld van een laat-negentiende-eeuwse, impressionistische roman, inclusief een heus schandaal. Wie het leest moet overigens eens opletten hoe Van Deyssel de eens zo beruchte masturbatie-scène van Mathilde beschreven heeft: bijna uitsluitend in termen van licht, kleur en beweging.

    Uit het leven van Frank Rozelaar (1911) is een heel ander boek. Het is kalmer, beschouwend en bevat passages die lijken op het Natuurdagboek van Nescio, maar veel eerder geschreven zijn:

    Ik was verheugd over den zachten dag. Er was iets, dat mij heel oplettend stil deed staan. Ik weet niet wat het was, dat mij zoo stil deed staan. Vreemd was het. Een ochtend, die als een avond was. De maan, wel bleek, maar klaar. Onder de maan kwam daar een heele groote vogelzwerm aan, die mooi vloog met de vele vleugeltjes en telkens anders werd in groote licht-zwarte figuren.

    De nadruk die Van Deyssel legt op de schoonheidservaring is waarschijnlijk het meest opvallende kenmerk van zijn werk. Maar vooral in dat ene merkwaardige boek, Het ik, laat Van Deyssel zien dat hij meer kan. Dit boek verheft hem een beetje boven zijn vrienden en collega’s uit die tijd.

    ***

    Herman Gorter had de plaats hoog op de heuvel voor Van Deyssel uitgezocht. Hij was het die deze villa vond. Gorter zelf woonde in Amersfoort, even verderop, en aan de andere kant woonde Frederik van Eeden, in Bussum. Ook Willem Kloos woonde een tijdje in Bussum. De Tachtigers konden met een beetje goede wil naar elkaar toe wandelen en als dat te vermoeiend was, konden ze de trein nemen. Maar Van Deyssel moet behoorlijk lui zijn geweest. In één van zijn briefjes zegt hij een bezoek aan Van Eeden af omdat hij het te vermoeiend vindt naar het station te lopen. …Het is nog steeds een kippenendje.

    Het briefje staat in het boek Het beste mijner paradijzen van Ronny Boogaart en Eric de Rooij. Het is een wandelgids door het Gooi in de resten van de wereld van de Tachtigers. Villa Viletta, zoals het huis op de heuvel heet, staat er uiteraard ook in.

    De heuvel moet Van Deyssel goed hebben gedaan. Een plek, verheven boven de omgeving, pastte wel bij zijn levenshouding. Dat moeten zijn vrienden ook gedacht hebben, want in 1899 boden ze hem op diezelfde heuvel een nieuw huis aan, ter gelegenheid van zijn twaalfenhalfjarig huwelijksfeest met zijn vrouw Cato. Tegenover Van Deyssels villa lag een stuk grond braak waar bremstruiken groeide en Van Deyssels literaire vrienden zorgden ervoor dat daar een nieuwe, grotere villa speciaal voor hem werd gebouwd. Architect K.F.C. de Bazel, nu vooral bekend van dat grote gebouw in de Vijzelstraat in Amsterdam waar het stadsarchief gevestigd is, werd gevraagd het te ontwerpen.

    De Bremstruik heet het, en het is naar mijn mening wat minder fraai dan Villa Viletta. Het is te groot voor het formaat van een schrijver als Van Deyssel. Het mist de intieme schoonheid die zo opvallend is in het werk van de Tachtigers. Maar misschien is het van binnen fraaier dan van buiten – De Bazel schijnt veel aandacht aan het interieur te hebben besteed.

    Wie de heuvel afdaalt komt op de plek waar Van Deyssel zijn nieuwe Bremstruik aangeboden heeft gekregen. Alle Tachtigers waren in 1899 aanwezig in Hotel Groeneveld dat nu Restaurant Greenfields heet. Men at er o.a. schildpadsoep en pudding met ‘rhum sauce’. Nu ligt het aan de drukke Amsterdamse straatweg, een doorgaande autoweg die honderd jaar eerder nog een breed bospad was. Een foto van de locatie staat in Het beste mijner paradijzen afgedrukt. De stilte en schoonheid van de omgeving doet weemoedig aan. Tijdens het kijken in het verleden, vraag je je af of Van Deyssel zich bewust was van de schoonheid die hem omringde. Maar het antwoord is duidelijk te vinden in zijn werk: ja.

    Ik blijf thuis deze zomer. En natuurlijk kan ik altijd nog een uitstapje maken naar Bussum waar Van Eeden en Kloos zaten. Daar begon Van Eeden zijn kolonie Walden naar voorbeeld van de Amerikaan Henry David Thoreau. Het paradijs op aarde dat maar geen paradijs wilde worden. Maar daarover misschien later meer.

    Machiel Jansen

     

    In de Vakantierubriek 2013 stellen recensenten een aantal boeken aan u voor, uit de landen die zij op hun vakantie zullen bezoeken, of inmiddels hebben bezocht.
    Wilt u ook een bijdrage leveren aan de Vakantierubriek 2013? Klik dan hier.

    Wilt u alle bijdragen van alle recensenten lezen, klik dan hier.