• Te veel tegeltjeswijsheden

    Te veel tegeltjeswijsheden

    In Nederland bestaat nauwelijks belangstelling voor Indiase literatuur. Een uitzondering daarop vormen Salman Rushdie of V.S. Naipaul die in het Engels schreven of via Engelse vertalingen de wereld over gingen. Lodewijk Brunt heeft zich jaren beijverd om onbekende teksten rechtstreeks uit vooral het Hindi hier onder de aandacht te brengen. Hij schreef ooit op zijn weblog dat alleen al het kiezen van vertalenswaardig werk geen sinecure is: ‘In India verschijnen naar schatting jaarlijks zo’n 100.000 boeken, de helft in het Engels, een kwart in het Hindi en een kwart in een van de vele andere talen (…) We zoeken naar werk dat nog niet in het Engels of een andere Europese taal is vertaald, dus je bent voor ideeën en suggesties afhankelijk van recensies, tijdschriften, uitgeverijen’. En dan nog moest hij, als hij met zijn collega-vertaler Dick Plukker aan een nieuw project was begonnen, meerdere keren tot de conclusie komen dat het werk niet interessant genoeg was.

    De meest recente vertaling van het duo is de vorig jaar – tevens het jaar van overlijden van Brunt – verschenen bundel van de jonge Indiase schrijfster Anu Singh Choudhary (1979), De blauwe sjaal. Hij bevat twaalf korte verhalen van deze multitasker, die onder meer journalist, filmmaker, regisseur en vertaler is. In die laatste functie bewerkte ze de Nederlandse tv-serie Penoza in het Hindi. De blauwe sjaal was ook in India haar eerste verhalenbundel (2014).

    Belerend

    Om maar met deur in huis te vallen: de verhalen zijn in het Nederlands geen onverdeeld genoegen. Dat heeft niet zozeer te maken met de grote culturele verschillen tussen India en het westen – als lezer dien je de bereidheid te hebben die met een open geest tot je te nemen – maar met de soms wat slordige en belerende pen van de schrijfster.
    Bijna alle verhalen gaan over vrouwen in het moderne India. Zelfbewuste vrouwen soms, maar ook vrouwen die vermalen worden binnen verschillen tussen kasten, door totaal verschillende leefwijzen in de grote steden en het vaak nog feodale platteland, of binnen relaties waarin ze door werkgeefsters worden uitgebuit of door echtgenoten klein gehouden. Slechts een enkele vrouw weet zich daaraan te ontworstelen. De verhalen geven dan wel inzicht in maatschappelijke verhoudingen, maar ze lijken soms meer geschreven om vrouwen in India bewust te maken van hun achterstelling dan dat ze literair interessant zijn. 

    In het openingsverhaal Kamergenoten bijvoorbeeld, wordt het ontstaan van een vriendschap tussen twee van de vier vrouwen die op een kamer samenwonen op een nogal ongeloofwaardige manier neergezet. Blijkbaar begrijpen de twee elkaar na een paar woorden al terwijl de lezer nog nauwelijks in de vriendschap is meegenomen. 
    Ook in het titelverhaal De blauwe sjaal wordt de lezer weinig subtiel geleid naar waar de verteller hem of haar wil hebben, ditmaal in het schrijnende leven van een vrouw in een huwelijk met een berekenende man (de man dwingt haar tot een abortus en heeft totaal geen oog voor wat dat voor haar verdere leven betekent). Maar dat gebeurt op zo’n explicerende manier dat je als lezer het gevoel hebt te luisteren naar iemand die een gemoraliseerd feitenverslag uitbrengt. Het wemelt, net als in de meeste andere verhalen, van de tegeltjeswijsheden als ‘Anderen vergeven is makkelijk, jezelf en de jouwen vergeven is het moeilijkst’ en ‘Iemand troosten is de moeilijkste taak die er bestaat’ of open deuren: ‘Als we weinig met elkaar praten, dan zeggen we dikwijls de verkeerde dingen op het verkeerde moment’. Let wel: die citaten zijn de prekerige woorden van de verteller, niet de gedachten van de hoofdpersoon zelf.

    Spin

    In een ander verhaal zijn het weer de metaforen die storen. In Het leven, de ziekte en de behandeling heeft een zwangere vrouw met een slecht huwelijk een gesprek met een gynaecoloog. Liggend op bed ziet ze in een hoekje boven zich een spin in zijn web zitten, terwijl de arts haar adviseert over haar depressieve gevoelens. Ze beseft ineens: ‘Een leven dat er kleurloos uitziet, moet je zelf kleur geven’ en symbolisch geeft ze met ‘de bezem de spin die aan het plafond hangt de vrijheid’. Het was misschien een werkzaam beeld geweest als ze een vlieg uit het web had bevrijd, maar of de spin zich verlost gevoeld zal hebben…?

    Toch is het niet moeilijk voorstelbaar waarom de bundel voor de vertalers interessant was. Alle verhalen illustreren wel op een of andere manier de hectiek van het moderne Indiase leven, vooral in de steden. Daarnaast laten ze de enorme botsingen zien tussen conventies en rituelen op het platteland die zwaar leunen op het oude kastensysteem, en de jongste generatie die via moderne media een venster op de wereld krijgt. Wie daar meer over wil lezen zal wellicht met wat minder moeite over de stilistische tekortkomingen heen stappen.

     

     

  • In memoriam Lodewijk Brunt 1942 – 2020

    Je hebt mensen die op een afstand kijken naar hoe mooi het is, en je hebt mensen die dichterbij gaan staan omdat ze met de ogen iets toegeknepen willen zien waarom iets mooi is. Tot die laatste categorie zou ik Lodewijk Brunt willen rekenen, die enkele jaren voor Literair Nederland schreef. Brunt overleed op 17 oktober in zijn woonplaats Amsterdam, hij werd 78 jaar.

    Brunt was een man die Hindi leerde omdat hij zo van India hield, en omdat de literatuur in die taal naar zijn smaak te weinig ruimte kreeg in Nederland. Als stadssocioloog / antropoloog was hij gefascineerd door het stedelijke India, hij vertaalde moderne poëzie over de Indiase steden uit het Hindi (Ik zag de stad) en bijvoorbeeld liedjes uit Bollywoodfilms (Mijn lippen vroegen om een lied) en, eind 2013, een serie zeer korte verhalen (De bittere waarheid). Zijn laatste vertaling (samen met Dick Plukker) was pas net gereed: De blauwe sjaal en andere verhalen van Anu Singh Choudhary. Later op deze website meer over dit boek.

    In de periode dat we veel met hem mailden hing er een vast gedicht onder zijn mail:

    Huiskat

    Die kat strek hoog op vier strak bene, buig
    behaaglik om haar luipeerdlies te lek,
    rol om en lê fluwelig oopgevlek
    dat keel en bors en buik die son kan suig.

    Ons noem haar ‘kat’ want sy is sonder siel
    en anoniem. Smal skerwe van agaat
    staar koud uit die driehoekige gelaat.
    Arglistig, vloeibaar, soos ’n blink reptiel

     van los en lenig wees versadig: sy
    sal nooit – die veearts het haar ‘reggemaak’ –
    ekstase en angs van lewe voortbring smaak,
    sal, steeds eenselwig, alle teerheid stuit.
    Ek hol my hand behoedsaam, smalend sluit
    sy haar oë, kronkel by my greep verby.

    Elisabeth Eybers (1915-2007)

    De kat bracht het ook tot zijn rouwkaart:

    Mumbai

    Wanneer ’s nachts Mumbai slaapt op straat
    als een zwarte kat, haar pootjes
    in haar buik gedrukt en haar
    oogleden altijd op een kiertje –
    wasemt zij trage ademvlagen
    over het droge strand.

    Gulzar

    Een schitterend sonnet, dat van Eybers, waarin eveneens nabijheid wordt gezocht van het ongrijpbare. Zolang wij met hem correspondeerden had hij plannen, zag veel, las veel en merkte veel op: meer soms dan waar in krant of websites ruimte voor was: daarom begon hij zijn eigen blog waar de lezer een enorme waaier aan onderwerpen terugvindt die tonen hoe rijk zijn interesse was. Brunt was een uitermate geopinieerd heer, hij kon smakelijk vertellen over de ins en outs van het academisch bestaan, op een rondje over de Kloveniersburgwal of bij een kop koffie in de buurt kon je op verzoek ook horen wie het allemaal helemaal mis hadden. Onder een smakelijke lach steeds, die node gemist zal worden.

     

    Lees hier de bijdragen die Lodewijk Brunt voor Literair Nederland schreef. En hier de link naar zijn persoonlijke blog.

     

  • Voor een verloren vriendschap

    Voor een verloren vriendschap

    Als Jaïr Mozes zijn hotelkamer rondkijkt, wordt hij getroffen door een reproductie aan de muur: een grijsaard krijgt de borst van een jonge vrouw. Mozes laat via de receptie een kunsthistoricus komen die hem de achtergrond en de betekenis van het werk uitlegt. Het gaat om een afbeelding van de Caritas Romana, een thema dat door talrijke schilders is vastgelegd – deze reproductie is van Matthias Meijvogel, het oorspronkelijke werk hangt in het Nationale Museum van Budapest. De afbeelding op het schilderij vormt het centrale thema in Chesed Sfaradi, het laatste boek van de Israëlisch schrijver A.B. Yehoshua, zojuist in het Nederlands verschenen als Het eerbetoon. De man op het doek is Cimon, de vrouw die hem zoogt is zijn dochter Pero. Ze bezoekt hem in de gevangenis, waar hij dreigt van honger om te komen. Door haar moedermelk redt ze hem het leven – de autoriteiten zijn zó onder de indruk van haar opofferingsgezindheid en vaderliefde dat ze Cimon vrijlaten.

    Mozes verblijft een paar dagen in Santiago de Compostella waar een retrospectief van zijn werk is georganiseerd. Hij is een succesvol filmregisseur, de Spaanse gastheren hebben voor de gelegenheid een aantal van zijn films nagesynchroniseerd. Aan het eind van het eerbetoon volgt een plechtige prijsuitreiking. Mozes heeft ook Ruth meegevraagd, een actrice die in veel van zijn films optreedt. De keuze van de films blijkt niet willekeurig, de Spanjaarden vertonen vooral de films die Mozes aan het begin van zijn loopbaan heeft gemaakt, met een piepjonge, beeldschone Ruth; de films zijn geschreven door scenarist Sjaoel Trigano, een oud-leerling van Mozes, met wie een hechte band bestond. Trigano en Ruth vormden een liefdespaar en de scenarioschrijver was de drijvende kracht achter het experimentele werk dat ze maakten: art house-films die in de smaak vielen bij progressieve recensenten, maar waar nauwelijks publiek voor was. Het zal blijken dat Trigano de drijvende kracht achter het retrospectief is geweest.

    In Het eerbetoon worden Ruth en Mozes soms hard geconfronteerd met hun verleden – ze hebben de films al jaren niet meer gezien en herinneren zich nog ternauwernood de omstandigheden waaronder ze werden gemaakt. Ook doordat er destijds een heftig conflict ontbrandde met Trigano – ze zijn inmiddels niet meer on speaking terms en hebben elkaar uit het oog verloren. De Caritas Romana zet Mozes aan het denken: de ruzie ontstond over een scène waarin actrice Ruth haar net geboren kind ter adoptie had afgestaan en als onderstreping van die beslissing een bedelaar de borst gaf. Maar op het beslissende moment weigerde Ruth, ze liep weg van de set. Trigano was woedend, maar Mozes koos haar kant: je mag een actrice niet verplichten iets te doen waar ze onoverkomelijke bezwaren tegen heeft. ‘Verraad’, volgens de scenarioschrijver. De breuk was onherstelbaar.

    Het gegeven lijkt veelbelovend genoeg, maar Yehoshuas uitwerking is traag en taai. De lezer wordt uitdrukkelijk betrokken bij het herinneringsproces dat zich tijdens de retrospectief in de hoofden van Mozes en Ruth afspeelt. Zo’n beetje de helft van de lijvige roman wordt in beslag genomen door het navertellen van (fictieve) films; een beklemmende ervaring die je het zicht ontneemt op de rode draad, als die er al zou zijn. Mozes zegt herhaaldelijk dat hij zich weinig tot niets meer herinnert van zijn oude (‘onrijpe’) films, maar hij beschrijft het werk vervolgens tot in de kleinste details. En dan, tussen al die andere scènes door, springt plotseling de Caritas Romana weer in beeld  – o, ja, daar ging het over. Is het verhaal geïnspireerd door de loopbaan van de Israëlische filmer Uri Zohar? Er zijn enkele aanknopingspunten: Zohar is van dezelfde generatie als Yehoshua, maakte aan het begin van zijn loopbaan films met dezelfde thematiek als Mozes (man-vrouwverhouding; mannelijkheid; rol van het leger) en kreeg in 2012 een retrospectief – niet in Spanje maar in Parijs. Maar er zijn ook andere verwijzingen, bij voorbeeld naar het eigen leven van de schrijver: Ruth komt uit hetzelfde gebied in Marokko als Yehoshuas echtgenote. Doet het ertoe? Vermoedelijk niet.

    De omstreden scène komt scherper aan de orde op het eind van de roman, als Ruth en Mozes naar Israël zijn teruggekeerd. Mozes is vastbesloten om, aangezet door het terugzien van zijn oude films, met zijn verleden af te rekenen. Hij zoekt zelfs Trigano op en probeert de relatie te herstellen. Maar niet alles valt op zijn plaats, want het blijkt dat er geen enkel verband bestond tussen de Caritas Romana en de gesneuvelde scène – Trigano verklaart plechtig dat hij nog nooit van Cimon en Pero heeft gehoord en dus ook het schilderij van Meijvogel niet kent. Uit de context krijg je de indruk dat Trigano een verwend, bezitterig ventje was ten tijde van de ruzie (en misschien nog steeds is): hij kreeg zijn zin niet en hij was woedend dat Mozes zich met ‘zijn’ vrouw bemoeide; Ruth was van hem, hij had haar kunnen dwingen de scène toch te spelen, zoals hij haar eerder ook gedwongen had gratis en voor niks in zijn films te spelen en haar academische loopbaan voor hem op te geven. Zulk vrouwonvriendelijk gedrag lijkt Mozes niet te deren, ondanks zijn schijnbare genegenheid voor Ruth; hij heeft Trigano opeens weer nodig en is blijkbaar bereid voor hem door het stof te kruipen.

    Het eerbetoon zit vol van zulke ongerijmdheden, maar dat kan ook aan de slordige vertaling liggen: ‘heilig’ in plaats van ‘veilig’, ‘auteur’ in plaats van ‘acteur’; merkwaardige zinswendingen: iemand ‘uit een vloek’, of  ‘had de macht om haar weigering ongedaan te maken’, ‘vereenzelvigde zich met de weigering en scherpte deze aan’. Als Mozes en Trigano elkaar na zoveel jaar weer ontmoeten, verandert de auteur opeens van stijl: van de derde persoon gaat hij over op de tweede persoon. Symbolisch? Vooral: verwarrend, bij sommige dialogen weet je niet meer wie wat zegt. Het toppunt: hoe valt te rijmen dat de omstreden scène – het zogen van de bedelaar – door Mozes eerst gekwalificeerd wordt als ‘ziekelijk’ (terwijl hij als regisseur daar toch volmondig mee moet hebben ingestemd), terwijl hij zich zoveel jaar later in ruil voor een hernieuwde vriendschap met de scenarioschrijver laat dwingen opnieuw zo’n tafereel op te voeren – met Mozes zèlf in de rol van Cimon en een fotograaf om het allemaal vast te leggen – als ultieme vernedering? Ruth is dan al van het toneel verdwenen, het conflict is blijkbaar iets tussen twee hanige mannetjes geweest. Misschien is het daarom passend dat we na de 450 bladzijden van Het eerbetoon nog steeds niet weten of Ruth ook een achternaam had.

     

     

    Naar aanleiding van deze recensie ontving de redactie een reactie van vertaalster Hilde Pach. Met haar instemming publiceren wij deze reactie.

    Reactie van vertaalster Hilde Pach:

    Beste redactie,

    De mening van de recensent over het boek zal ik niet betwisten. Wel vind ik het jammer dat hij bijna het hele verhaal in zijn eigen woorden navertelt en zo de lezer de mogelijkheid ontneemt om bepaalde zaken zelf te ontdekken. Zijn opmerking dat de ‘ongerijmdheden’ wellicht veroorzaakt worden door de slordige vertaling kan ik als vertaler niet onweersproken laten. Ik heb het boek zojuist doorzocht op alle keren dat het woord ‘heilig’ gebruikt wordt, en er is geen enkel ‘heilig’ dat ‘veilig’ zou moeten zijn. Ik kan me wel voorstellen dat de recensent dat denkt, bijvoorbeeld als iemand zegt dat de stad ‘s nachts ook heilig is, maar de auteur heeft overal heus bewust voor ‘heilig’ gekozen. Hij heeft wel gelijk dat er één keer ‘auteur’ staat in plaats van ‘acteur’. Dat zal ik veranderen voor een eventuele volgende druk. De zinsneden die hij noemt, zijn niet slordig vertaald; Yehoshua heeft soms een wat eigenzinnig taalgebruik, dat ik in de vertaling niet helemaal verloren wil laten gaan. ‘Een vloek uiten’ klinkt mij trouwens heel normaal in de oren. Dat de auteur in deel 8 van de derde persoon naar de tweede overgaat, heeft een heel voor de hand liggende reden, die een beetje recensent zou moeten kunnen begrijpen. Probeer deze dialoog tussen twee mannen maar eens in de derde persoon te zetten en kijk wat er dan gebeurt. Juist dán zou je niet meer weten wie wat zegt. Jammer dat de recensent zich niet iets meer in de roman heeft willen verdiepen, maar dat is zijn goed recht. Niettemin bedankt voor de aandacht die u aan het boek geschonken heeft.

    Met de hartelijke groeten van Hilde Pach

     

  • Biografie van een dwangmatig schrijver

    Biografie van een dwangmatig schrijver

    De Melis Stokelaan in Den Haag loopt van noord naar zuid; de straat is lang en saai, zoals meer routes door die stad. De naam is ontleend aan een dertiende eeuwse klerk van Floris de Vijfde, vermoedelijk monnik, die een van de allereerste geschriften in het Nederlands schreef, de Rijmkroniek. Daarin een verslag van de moord op Floris, ontleend aan getuigenverklaringen, documenten en eigen waarneming. De betrouwbaarheid van het verhaal wordt door professionele historici niet hoog aangeschreven, desondanks zijn in diverse Nederlandse en Belgische stadjes straten en centra naar hem genoemd.

    In het begin van de vorige eeuw werd de naam Melis Stoke tot nieuw leven gewekt door de Delftse student Herman Salomonson, die onder dat pseudoniem gedichtjes begon te publiceren in studentenblaadjes en daarmee is doorgegaan als medewerker van De Groene Amsterdammer. Zojuist is de biografie van Salomonson/Stoke verschenen: Een humaan koloniaal. Leven en werk van Herman Salomonson alias Melis Stoke, door Gerard Termorshuizen, die als deskundige op het gebied van de Nederlandse koloniale persgeschiedenis speciale aandacht vraagt voor de Indische periode in Salomons leven. In de jaren twintig werd Salomonson hoofdredacteur van de Java-Bode. De rijmkronieken verschenen onder zijn bewind bijna dagelijks in de krant. Toen Salomonson zijn eerste stap in Batavia zette, leverde hij meteen een exemplaar af, op de boot geschreven. De laatste regels:

    Ik stem mijn lier. Mijn liederketel
    geraakt inmiddels onder stoom.
    Straks is de gloed niet meer te blusschen,
    Houdt u gereed… Ik kijk intusschen
    de kat eens uit de klapperboom.

    Ondanks de wat zouteloze rijmelarijen schijnen de kronieken populair geweest te zijn bij de lezers. In de jaren dertig verhuisde Salomonson naar Den Haag, waar hij directeur werd van het Nederlands-Indische persbureau Aneta-Den Haag. Als Melis Stoke publiceerde hij in tientallen kranten en tijdschriften, van De Telegraaf en Het Vaderland tot De Kampioen, Katholieke Radiogids en Nirom Bode. Daarnaast schreef hij romans, toneelstukken, hoorspelen. Iedere zucht werd vereeuwigd. Het oordeel van serieuze letterkundigen, als ze al over zijn werk schreven, was niet mals: zijn werk was langdradig, saai, oppervlakkig – een beetje zoals de Haagse Melis Stokelaan.

    De biografie is onevenwichtig, alsof Termorshuizen niet goed raad wist met het archiefmateriaal. Veel werd hem ter hand gesteld door Salomonsons dochter, vooral correspondentie. Het moet een reusachtig werk zijn geweest daar ordening in te krijgen, Salomonson was een dwangmatige schrijver. Het boek bevat een overvloed aan details, maar de grote lijn ontbreekt en daardoor treden er veel herhalingen op. Als de biograaf over Samomonsons romans begint, vertelt hij ‘allereerst het een en ander over de romans tot en met 1935’. Dat soort formuleringen kom je vaker tegen in het boek – de biograaf lijkt soms lukraak een greep te hebben gedaan om wat strooigoed op tafel te werpen. Salomons had geen gelukkig huwelijk – altijd weg of aan het werk; moeder de vrouw met de kinderen opgescheept – maar ondanks het omvangrijke persoonlijke materiaal word je niet veel wijzer dan wat vermoedens. Hield hij er vriendinnetjes op na? En hoe zat het met het liefdesleven van Mevrouw Salomonson? Geen woord. Salomonson komt uit de biografie naar voren als een zachte, aardige, serieuze man, sympathiek tot in het merg, maar hij moet ook harde kanten hebben gehad om zich in het jaloerse, kleinzielige wereldje van schrijvers en journalisten staande te kunnen houden. Daarover zwijgt de biograaf. En wat voor journalist was hij eigenlijk? Waarom werd het nieuws door hem in de vorm van een melig soort sinterklaasversjes gebracht? Waarom viel de keuze voor zijn pseudoniem op een dertiende eeuwse monnik? Geen woord. Het is een onderzoeker niet kwalijk te nemen als hij dingen niet weet, uiteraard, maar hij dient wel de juiste vragen te stellen.

    Het gebrek aan overzicht en lijn is het pijnlijkst als het gaat om de hoofdtitel van de biografie: wie of wat is een humaan koloniaal? Je zou kunnen zeggen dat dit een contradictio in terminus is, maar de biograaf doet geen poging om je op andere gedachten te brengen. Zeker, Salomonson was terughoudend tegenover het grof-racistische milieu van de Nederlandse gemeenschap in Batavia waarin hij verkeerde – misschien ook omdat hij zich als jood niet helemaal thuis voelde in dat gezelschap. Maar ben je daarom ‘humaan’? De andere kant: Salomonsons ‘ethische opstelling’, voor zover daar sprake van was, paste niet meer in de fase van het kolonialisme die hij meemaakte.

    Hij kende het werk van Multatuli maar stond er afwijzend tegenover – toch was zijn kennis van de koloniale samenleving uiterst oppervlakkig. Hij heeft nooit meer dan een paar tripjes op Java gemaakt en had – op de huisbedienden na – totaal geen contact met de gekoloniseerde bevolking. Misschien waren al die rijmpjes en de miljoenen woorden die hij moet hebben geschreven een middel om zich op te sluiten in een eigen wereld.

     

    Een humaan koloniaal
    Leven en werk van Herman Salomonson alias Melis Stoke

    Auteur: Gerard Termorshuizen
    Verschenen bij: Uitgeverij Nijgh & Van Ditmar (2015)
    Aantal pagina’s: 328
    Prijs: € 24,99

     

  •  ‘Und ewig, ewig sind die weissen Wolken’

    Lea staat op het schellinkje bij de uitvoering van Mahlers Das Lied von der Erde. De tranen biggelen over haar wangen, ze heeft nooit eerder zulke muziek gehoord. Op het hoogtepunt – Und ewig, ewig sind die weissen Wolken. Ewig, ewig – drukt ze zich aan de borst van de man naast zich, die zijn arm om haar heengeslagen heeft. Ze ontmoeten elkaar voor het eerst, de muziek heeft ze in elkaars armen gedreven. Hij is David Goldstaub – componist, liegt hij. Ook Lea liegt – ze is zangeres, zegt ze. Ze nemen een hotelkamer. Na een nacht vol passie vertrekt David in stilte. Hij heeft in Polen een leven vol vernedering en angst achter de rug, voortgejaagd door pogroms en golven van Jodenhaat. Na de ontmoeting met Lea, dit warme, gewillige dier, voelt hij zich bevrijd en neemt hij het lot in eigen hand, hij pleegt zelfmoord. Lea vertrekt naar Duitsland, op zoek naar een betere toekomst. Negen maanden later baart ze een dochter: Manja.

    Anna Gmeyner gaf haar boek – in 1938 voor het eerst verschenen, nu uitgebracht in een nieuwe vertaling – Manja’s naam, met als ondertitel Ein Roman um Fünf Kinder. De vijf kinderen vormen inderdaad het brandpunt, maar om hen heen rukt de barbarij op. Manja speelt zich af in het Berlijn van de jaren twintig en dertig, de Eerste Wereldoorlog is achter de rug, een nieuwe oorlog ligt in het verschiet. Het is een periode van economische malaise, hollende inflatie, opkomend fascisme, smerige rassenhaat, politieke verdwazing en grootscheeps alledaags geweld. De dreiging is voelbaar op iedere pagina; wie het boek destijds gelezen heeft, kan onmogelijk volhouden dat we niet wisten wat er in Duitsland aan de hand was.

    De kinderen, vier jongens en een meisje, zijn allemaal even oud en komen min of meer bij toeval met elkaar in aanraking, omdat ze buren zijn, bij elkaar in de klas zitten, of omdat hun ouders elkaar kennen. Ze komen een paar keer per week samen bij ‘de muur’, de verkruimelde resten van een bouwval op een afgelegen veldje bij de rivier. Er staat een kersenboom, een klimboom, ze maken een hol en houden er een konijntje. Karli mijmert over ‘zijn Manja’: Ze waren in hetzelfde ziekenhuis geboren, bijna op dezelfde dag. Hij had haar gevonden en de muur ook en die had hen bij elkaar gebracht, hij had Franz de muur laten zien en Franz aan Harry en Harry aan Heini, en zo waren ze vrienden geworden, door Manja en de muur. Manja is het licht in hun leven, de jongens willen later allemaal met haar trouwen, desnoods in groepsverband: Met Manja waren ze levend en kleurig geworden als een prentenboek, vol avonturen, vreugde, spanning en spel. Iets in het leven om je op te verheugen, blijdschap die sterker was dan de angst. 

    De muur is het weerkerende rustpunt in een stad die met de dag grimmiger wordt, de schrijfster laat het zien aan de hand van wat er op school en op straat gebeurt, maar ook in gewone Duitse gezinnen: het gezin van een arts, oorlogsprofiteur, fanatieke nazi, schoonmaakster, vakbondsman. Het gaat om meelopers, verzetsmensen, moreel bevlogen intellectuelen, wereldvreemde dwarsliggers, angstige conformisten. De kinderen proberen de ‘nieuwe tijd’ te verwerken als ze elkaar bij de muur ontmoeten. Heini houdt Manja voor dat ze later zullen trouwen. Dat kan toch helemaal niet, Heini, er komt een wet tegen… hoe heet het ook alweer? Ze bedoelt ‘rassenschande’. Heini: Volgens mijn vader is dat allemaal gezwets. Manja: Maar als we kinderen krijgen hebben die kromme benen en zijn ze idioot. Ik ben van een … van een voor-Aziatisch-oriëntaals, Oost-Baltisch, Midden-Aziatisch, Noord-chamitisch mengras van Afrikaanse stammen. 

    De muur geeft het boek structuur. Het schijnt dat Gmeyner ook in ander werk zo’n soort procedé heeft toegepast – het is de invloed van theater en film waar ze als beginnend schrijfster nauw bij betrokken was. Het biedt de mogelijkheid om haar scènes snel te monteren, wat het boek vaart en spanning geeft. Ze schrijft fraaie, levensechte dialogen, maar heeft meer in huis. Haar analyse van de maatschappelijke constellatie is trefzeker en overtuigend. Ze is geen verteller op de achtergrond, maar laat haar personages aan het woord om uit te leggen wat er gaande is. Zoals de arts Heidemann, ongetwijfeld haar favoriete spreekbuis. Hij bekijkt het portret van Hitler dat hij zojuist van de muur gerukt heeft in zijn ziekenhuis. Een kortzichtige fanaticus. De held van de kleine man. De held van de middelmatigen. Er zijn niet alleen maar onbeschaafde ruwe mensen onder zijn aanhangers, niet alleen furies; er zijn ook wanhopige mensen, enthousiaste mensen, hongerige mensen, die het wachten meer dan beu zijn, jongeren wie een toekomst is beloofd. De beschrijving van geweld is nooit larmoyant, daardoor aangrijpend en effectief. Niemand vraagt wat er in deze nacht in alle straten, in alle hoeken en afgelegen bossen van het hele land gebeurt. Het is een wetteloze nacht. Er worden geen misdaden gepleegd omdat er geen aanklagers zijn. Er worden geen gruweldaden gepleegd omdat niemand verantwoording vraagt. Niemand hoort iets, niemand ziet iets. De nacht stopt zijn oren dicht. De nacht doet net alsof hij niets ziet in het donker. Het wordt niet ochtend. Het wordt niet licht. Het wordt niet dag. 

    Manja, indrukwekkend boek. Gmeyner laat alle centrale kwesties zien die na de oorlog de gemoederen heftig zullen beroeren – wat is beschaving?, zijn er ook goede Duitsers?, hoe rijm je de Duitse cultuur met de Duitse moordzucht en rassenwaan?, moet je fysiek of juist intellectueel verzet plegen?, hoe schuldig zijn we als we niets doen? Niet als traktaat, maar als vanzelfsprekende vragen, je moet ze wel stellen in het licht van de gebeurtenissen. Ze heeft overigens niet altijd een antwoord klaar. In het nawoord bij de vertaling, geschreven door Heike Klapdor, wordt geopperd dat Manja een ‘vrouwenboek’ zou zijn, vanwege de onderlinge solidariteit van de vrouwen die in conflict komen met hun mannen en met de staatspropaganda. Vrouwen als slachtoffer dus, onderworpen aan hun mannen die door de straten marcheren en joden opjagen. Onzin! Gmeyner voert inderdaad diverse mannen ten tonele als laffe pestkoppen, leugenaars, domme sadisten, maar haar vrouwen doen er niet voor onder –conciërge Frau Reuter, hoofdzuster Mathilde of Frieda Meissner, moeder van vriendje Franz, bezorgen je stuk voor stuk nachtmerries.

    Manja is ondanks de titel ook geen opwekkend kinderboek. In de liefdesnacht van Lea en David is Manja’s lot getekend. De solidariteit van de muur wordt uiteindelijk doorbroken als één van de jongens jeugdcrimineel Martin in het gezelschap introduceert. De gevolgen laten zich raden, Manja wordt sindsdien genadeloos achtervolgd en aangerand. Ze volgt tenslotte het voorbeeld van haar vader. Zelfmoord.


    Manja
    De vriendschap van vijf kinderen

    Auteur: Anna Gmeyner
    Vertaald door: Jantsje Post
    Verschenen bij: Uitgeverij Cossee
    Aantal pagina’s: 480
    Prijs: € 26,90

    Oorspronkelijke titel: Manja. Ein Roman um Fünf Kinder. (1938)

  • Levensecht doch filosofisch icoon

    Levensecht doch filosofisch icoon

    De ‘baas’ is op weg naar Kreta, hij heeft er een concessie voor de winning van bruinkool. Er gaat ook een manuscript mee, daar kan hij op het paradijselijke eiland wellicht tussen de bedrijven door aan werken – een verhandeling over de Boeddha. In de haven van Piraeus, wachtend op de veerboot, heeft hij een bijzondere ontmoeting, een oude man van rond de vijfenzestig, boomlang, knokig… wat nog de meest indruk op me maakte, waren zijn spottende, droevige, onrustige ogen, een en al vuur. De man heet Alexis Zorbás en hij dringt zich op als reisgenoot, hij is bereid alles aan te pakken en heeft, naar eigen zeggen, vooral veel ervaring als mijnwerker: ik weet alles van erts, kan aders vinden, mijngangen openen, in gaten afdalen; ik ben niet bang. Een reddende engel, dus, de baas neemt hem prompt in dienst. De ontmoeting vindt plaats in het eerste hoofdstuk van Nikos Kazantzakis’ beroemde Leven en wandel van Zorbás de Griek, uit 1959. Er is zojuist een nieuwe Nederlandse vertaling verschenen van Hero Hokwerda bij Wereldbibliotheek.

    De ‘baas’ is de verteller van het verhaal, je komt veel van hem te weten, maar niet zijn naam en bitter weinig over zijn achtergrond. Alom wordt aangenomen dat hij veel overeenkomsten heeft met Kazantzakis zélf. Dat klopt in ieder geval voor de preoccupatie met de Boeddha en het Boeddhisme – de schrijver studeerde in Parijs bij Henri Bergson en hield daar een levenslange fascinatie met Nietzsche – en dus het Boeddhisme – aan over. Zorbás de Griek staat vol met mijmeringen over de Boeddha, over begrippen als vrijheid, onthechting, gebondenheid, verantwoordelijkheid. Je moet je van hartstochten bevrijden! Dat is blijkbaar het streven. De baas weet het, maar zoekt wanhopig naar wegen om die moeilijke les in praktijk te brengen. Op het strand van Kreta heeft hij soms de illusie dat het einddoel dichterbij komt. De heilige eenzaamheid strekte zich vilein en verleidelijk als de woestijn voor me uit. Het sirenenlied van Boeddha steeg op van de grond en omwikkelde mijn innerlijk. De vraag is steeds wanneer hij zich uit de wereld kan terugtrekken, vrij, zonder angst, een en al plezier, zonder begeerten. Wanneer? Wanneer? Wanneer? Af en toe zit hij hele dagen aan het manuscript te werken, dan weer legt hij het teleurgesteld terzijde. Tenslotte is het klaar, maar de baas (en de schrijver) doet er dan niets meer mee. Hij maakt er een pakketje van en zet zijn naam erop. Symbolisch?

    De baas heeft ruim tijd om zich te bekommeren over zijn filosofische kwesties, want Zorbás doet al het echte werk. Hij huurt mijnwerkers in, is opzichter en ingenieur tegelijk, kookt, zingt, danst en zorgt voor gezelschap. Beide heren verblijven in een primitief optrekje aan het strand, waar ze slapen, drinken, eten en keuvelen. Ze zijn de beste maatjes ondanks hun uiteenlopende posities: de kapitalist tegenover de proletariër. Bovendien is de baas geschoold, in feite een kamergeleerde. Dat wordt hem ook onophoudelijk ingepeperd: Zorbás ziet niets in boekenwijsheid, het échte leven is de beste, de enige onderwijzer. De baas is verpest door die ‘vervloekte boeken’. Het anti-intellectualisme zal vast typerend zijn voor zo’n Griekse oerkracht, maar Kazantzakis neemt er opmerkelijk weinig afstand van. Zorbás stuurt zichzelf, zijn (feilloze) morele kompas zit in z’n hoofd. Zijn levenslust en nuchterheid wekken bewondering en misschien zelfs jaloezie. Zeker bij de baas: Deze man, dacht ik, is niet naar school geweest en zijn geest is niet bedorven geraakt. Hij heeft veel gezien, veel uitgehaald, veel doorgemaakt; zijn geest heeft zich geopend en zijn hart heeft zich verwijd, zonder dat hij zijn primitieve manhaftigheid verloor. Alle ingewikkelde problemen die voor ons onoplosbaar zijn, hakt hij in één klap door. Zorbás, kortom, is de Nobele Wilde, net als de Vrijdag van Robinson Crusoe, de Sancho Panza van Don Quichot of de Huckleberry Finn van Tom Sawyer. Ruwe bolster, blanke pit.

    Maar Kazantzakis gaat de schelmenroman voorbij, Zorbás is ongetwijfeld met enige levensechtheid geportretteerd, maar is vóór alles een filosofisch icoon, een Nietzscheaanse Übermensch. Alle elementen uit Also sprach Zarathustra komen in het personage van Zorbás samen. Ook hij heeft eerst moeten lijden om te komen tot zijn huidige staat van ‘verlichting’. In zijn jeugd heeft hij tegen de Turken en Bulgaren gevochten in Macedonië en een lugubere reeks gewelddadigheden gepleegd – naar hedendaagse maatstaven zou Zorbás zonder meer als oorlogsmisdadiger veroordeeld kunnen worden. Maar nu heeft hij zich opgewerkt tot een niveau van kinderlijke onschuld en creativiteit. Als de stemming goed is, pakt hij zijn sandouri en danst hij een zeïbékikos of een chasápikos. Maar uiteindelijk is hij z’n eigen baas en laat hij zich door niets of niemand dwingen. Het is geen toeval dat Zorbás zich God voorstelt zoals hij zelf is, alleen langer, sterker, geschifter en onsterfelijk.

    Zorbás de Griek is teveel traktaat, te weinig roman, de charmes zijn er in de loop van de tijd teveel afgesleten – of misschien is iedereen op het verkeerde been gezet door de verfilming van Michael Cacoyannis met Anthony Quinn in de rol van Zorbás, dat was één en al onbezorgde vrolijkheid. Beter dan het boek. Wat vooral opvalt is de grenzeloze vrouwenhaat die uit het boek walmt – ligt dat ook besloten in het Nietzscheaanse wereldbeeld of is dat authentiek Kazantzakis? Een probleem waarmee de baas en Zorbás voortdurend worstelen is of vrouwen eigenlijk wel mensen zijn. Zorbás maakt er niet al teveel problemen van: een vrouw is een bron, je drinkt ervan tot je botten ervan kraken en daarna komt er iemand anders die dorst heeft, en later weer iemand anders, zo zijn bronnen en zo is de vrouw. Vrouwen moeten gepakt worden en je pleegt een doodzonde als je dat nalaat. Verder zijn vrouwen zwakke en klaaglijke schepsels, beslist geen echte mensen. De kwalificaties die de voormalige hoerenmadam Hortense krijgt aangemeten liegen er dan ook niet om: zeug, lellebel, platgenaaide scheepsvaandel, vette, rotte sirene, heupwiegende zeekoe. Als de ‘weduwe’, het liefje van de baas, door de dorpelingen gestenigd wordt en onthoofd, kijkt hij zelf passief toe. Een dag later besluit hij dat het zo had moeten zijn, geen spoor van wroeging of ongemak.

    Kazantzakis is geen literaire hoogvlieger, maar dat kan ook aan de vertaling liggen. Vertaler Hokwerda wisselt nogal eens van register en heeft een vreemde voorliefde voor sommige archaïsche woorden, de een na de ander verkeert in agonie. In het dorp zijn geen tuinen maar gaarden. In zijn interessante nawoord gaat hij uitvoerig in op het leven en werk van Kazantzakis, minder op de vertaling. Hij wijdt hij een halve voetnoot aan de vrouwonvriendelijkheid en hij vindt het jammer als de lezer zich daaraan zou ergeren. Wie zich er al te zeer aan stoort, merkt Hokwerda op, moet misschien het geval in gedachten houden van Céline: een groot schrijver, maar dan moet je wel zijn antisemitische uitlatingen op de koop toe nemen. Dat roept vragen op. Bij voorbeeld: staan de antisemitische uitlatingen van Céline in de tekst van zijn boeken? En: is Kazantzakis wel zo’n groot schrijver?


    Leven en wandel van Zorbás de Griek

    Nikos Kazantzakis,
    Vertaald door: Hero Hokwerda
    Verschenen bij: Uitgeverij Wereldbibliotheek (2015)
    Aantal pagina’s: 368
    Prijs: € 24,95

  • Fictie en non-fictie lijken in elkaar over te lopen

    Fictie en non-fictie lijken in elkaar over te lopen

    Marly Sanders treedt op bij de boekwinkel in haar woonplaats. Boekhandelaar Koos heeft gevraagd of ze Waldemar Prins wil interviewen, de biograaf van veelschrijver Tolbert. Geen onverdeeld aanlokkelijke opdracht, want ze heeft, zoals ze zelf uitdrukkelijk zegt geen verstand van literatuur. Tolbert is een geweldenaar, die man heeft wel zestig boeken geschreven, zijn kennis is ontzagwekkend. Als ze zich verdiept in zijn werk, raakt ze de wanhoop nabij, want ze begrijpt er niets van … al zou ik de woorden uit mijn hoofd leren en schreeuwend en zingend herhalen, ze kregen geen betekenis. Ze overweegt het verzoek te weigeren, want wat zou ze moeten vragen over de geleerde biografie? Noch boekhandelaar Koos, noch haar zuster Victoria, met wie ze alles in haar leven deelt, nemen haar aarzelingen serieus. Onzin, vinden ze. Je hebt kasten vol boeken gelezen, je schrijft zélf, je publiceert stukjes over schrijven en je geeft schrijfles – roepen ze uit. Het klonk logisch, dacht Marly, ik kon er eigenlijk niets tegen inbrengen.

    Marly Sanders is de hoofdpersoon en verteller van De halfbroer, het zesde boek van Nicolien Mizee. De schrijfster en haar personage hebben zo op het eerste gezicht opmerkelijk veel overeenkomsten, af en toe lijken fictie en werkelijkheid daarom in elkaar over te lopen. De gebeurtenissen in het boek spelen zich af in een duidelijk herkenbaar Haarlem, hier en daar worden gemakkelijk identificeerbare situaties beschreven – de biografie van Henriëtte Roland Holst door Elsbeth Etty komt ter sprake, een redactievergadering van het oudste literaire tijdschrift van Nederland, nogal doorzichtig Het baken genoemd. Maar het overgrote deel gaat over huis-, tuin-, en keukenaangelegenheden van de familie Sanders die een schijnbaar hecht netwerk vormt. Marly en Victoria zien elkaar dagelijks. Maar ze klitten ook aan het ouderlijk huis, het ligt allemaal bij elkaar in de buurt. Het gaat slecht met vader. Hij heeft het aan zijn hart en hij dementeert; moeder kan de verzorging niet alleen af en laat haar dochters bij ieder wissewasje opdraven. Ze kennen ook elkaars buren, vrienden, kennissen.

    Er wordt heel wat afgekletst in deze gemeenschap. Marly heeft een man opgeduikeld waarmee het misschien iets zal worden, oude familieverhoudingen worden opgerakeld, er worden uitstapjes ondernomen, vergaderingen bijgewoond, boeken gelezen, poezen gevoerd; er zijn problemen met slaap, drank, werk, kleding, huisdieren en er zijn, hoe kan het anders, liefdesperikelen. De nieuwe vlam van Marly flakkert, dooft uit, wordt weer ontstoken, dooft uit, dit alles met tussenpozen van hooguit een paar uur of een paar dagen – stof voor nieuwe gesprekken en beraadslagingen. Liefst in brede kring. De dood van vader is een climax. Na afloop van de receptie eet het gezelschap bij zus Victoria en in een paar bladzijden lezen we over tante Wanda, Trijntje, Gijs, Gezien, Marieke, Van Slobbe, Priem, Rob, Simon, Mary, Storm, de Haan, oom Piet, Gerlach, Jifke, Victoria. En dat zijn alleen de hoofdrolspelers, daaromheen cirkelt nog een leger figuranten – wie had ook alweer wat gezegd?

    Tussen al deze boompjes verlies je het bos uit het oog. Ook de rode draad, welke is dat. De toestand van vader; de problematische verhouding tot moeder; de ontluikende liefde van Marly en Rob? Hoeveel namen en gezichten er ook rondlopen, niemand maakt voldoende indruk om langer dan een paar bladzijden in leven te blijven. Wie was Victoria, Jifke, Koos, Jaap, Arthur? Alleen Marly zelf komt uit de verf door de nadrukkelijke en herhaaldelijke typeringen: ze weet niets van literatuur, ze is bang voor seks met een man, ze heeft geen oriëntatievermogen, ze begrijpt niets van wetenschap. Ik herken de straten en gebouwen, maar zie het verband niet en weet niet meer wat links of rechts, voor of achter is (…) In de lesstof (op school) kon ik evenmin enige lijn ontdekken. Kortom, het prototype van een onnozel wicht, geen inspirerende hoofdpersoon voor een roman.

    Maar des te stralender schijnt ze als ze de opgaven van haar bestaan toch tot een goed einde weet te brengen, schijnbaar moeiteloos uit de mouw geschud. Het interview met Waldemar Prins, waar ze als een berg tegenop zag, blijkt een doorslaand succes. Boekhandelaar Koos: Je hebt hem geweldig weerwerk gegeven. En wat had je je goed voorbereid! Ik ga je beslist vaker vragen!. Na de toespraak bij de crematie van haar vader krijgt ze allerwegen complimenten: prachtig je toespraak (…) ik vond het heel mooi wat je allemaal zei (…) je toespraak was geweldig. Als ze met Rob heeft geslapen, de eerste man na een jarenlange lesbische praktijk, belt hij haar de volgende dag enthousiast op: Dat was een grootse inwijding vannacht.

    Je zou er misschien voor kunnen vallen als de koketterie er niet zo duimendik bovenop was gesmeerd, een benauwde wollen deken die het literaire drama smoort en verstikt. Mizee is zodanig met haar Marly Sanders ingenomen dat ze de afstand uit het oog verliest, emoties vloeien over in platte sentimentaliteit. Is het de vorm? Wie weet. Mizee is op haar best in korte hoofdstukjes die op zichzelf kunnen staan, bondige typeringen van een situatie of een personage, één of anderhalve pagina. 

    En, o ja, dat is waar ook, laat nou net in de periode die Mizee beschrijft neef Arthur een DNA-test doen … is dat niet toevallig?! Uitkomst: de zojuist overleden vader blijkt eveneens Arthurs vader te zijn geweest. Hoe is het mogelijk. Marly Sanders heeft een keer met Arthur geneukt, toen ze nog jong en onschuldig waren. Dat was dus bloedschande, roept Marly uit, als ze de uitslag van de test hoort. Wacht eens even, De halfbroer … zou dat eigenlijk niet een leuke titel voor mijn nieuwe roman kunnen zijn?

     

     

     

  • Gedichten van een rijkgevulde dis

    Een gedicht een impressie van een emotie, een observatie van een tafereel, een familieportret of verhaal? Schetsen in versvorm die het zicht op de werkelijkheid verscherpen dan wel vervormen? Bij poëzie kun je daar mee aankomen.

    Het Liegend Konijn maakt de diversiteit van de poëzie in het Nederlandse taalgebied op ruimhartige wijze zichtbaar. In het boekwerk dat in het dagelijkse leven voor een (literair) tijdschrift doorgaat, zijn deze keer 154 gedichten opgenomen van 34 dichters. Wel geheel volgens de traditie van een literair tijdschrift schittert er in Het Liegend Konijn, naast nieuw werk van gerenommeerde  dichters, een tiental jonge talenten.

    Eén van de jonge talenten is Mathijs Gomperts. Het is van een prachtig, onhandige droefheid te lezen hoe nabestaanden afscheid nemen van hun dierbare in het gedicht Oud-West: onder het laken vandaan steken protserig zijn voeten / maat negenenveertig (…) iedereen dromt om die voeten, houdt ze vast, betast ze, / schudt ze de hand (…) want wat moet je met zo’n lijk? hoe rouw je er mee? / nou, we hielden er dus de voeten van vast en huilden (maar lees vooral het hele gedicht dat uit drie coupletten bestaat waarin de weg wordt gebaand naar die rouwende voeten).

    Op de cover prijken de namen van de dichters die een bijdrage aan deze editie leverden en dan denk je: Ah, Lies van Gasse, Bernke Klein Zandvoort, Paul Demets en kijk aan, nieuw werk van Delphine Lecompte, Maarten van der Graaff, Hans Mirck, Saskia Stehouwer en Arno van Vlierberghe (hoewel de laatste nog geen bundel heeft gepubliceerd maar wel eerder in HLK stond), en je wordt nieuwsgierig.

    In Hoelang duurt dat, iemand nooit meer zien? dicht Dirk Clement in prachtige strofen over het leven tussen geboorte en dood en hoe je geheugen speelt met waarheid en leugen: (…) zo liegen wij onszelf en ons leven voortdurend bij elkaar. / Wie wij zijn is wie wij ons herinneren te zijn.
    Marleen de Crée dwingt de lezer zich te verdiepen in actuele thema’s: (…) hoe is wegjagen als iemand / begonnen is met blijven

    Tot de verbeelding spreekt het werk van Saskia Stehouwer die vorig jaar debuteerde met Wachtkamers, wat in de pers goed, doch als bevreemdende poëzie werd ontvangen. De zeer gedetailleerde gebeurtenissen in haar gedichten lijken zich over tijd en ruimte heen te buigen en tegelijkertijd binnen te dringen, als een zoemende mug bij het oor die de giftige steek al voelbaar doet maken. In het gedicht Ketting zit een ik achter het raam, het is mooi weer. Dan: (…) het verleden belt op spreekt in / had je een vriend besteld?
    In het volgende couplet zit de ik met hoogtevrees boven op een tafel nota bene ook nog in een flat en eet een appel: Ik woon hier zonder te weten / waar ik niet woon / is er iemand die met me mee wil lopen? Haar werk getuigt van een ‘ik’ die de wereld op afstand houdt maar die tevens scherp observeert. In het derde gedicht Gang bijvoorbeeld: dan komt het moment om iets te zeggen / waardoor mijn vingers open gaan / en de omtrek voelen van de vensterbank. Hoe een concrete gedachte de motoriek aanstuurt waarmee de sensitiviteit aangesproken wordt. Gedichten die, vanaf de eerste strofe tot de laatste, je meenemen, of je wilt of niet, je gaat gewoon.

    Het was weer een heerlijk genoegen deze editie door te nemen en de poëtische diversiteit, als van een rijkelijk gevulde dis, stukjes bij beetjes te verorberen. Van Het Liegend Konijn  krijg je nooit genoeg en het gaat lang mee.

    Het Liegend Konijn

    Redactie: Jozef Deleu
    jaargang 13, nr. 1, april 2014
    Losse nummers: € 25,-
    Abonnement 2 nummers, € 45,-
    Uitgegeven bij Van Halewijck / Leuven en
    Van Gennep /Amsterdam

     

     

  • Zicht op de ingewanden van de stad

    Alfred Döblin leefde in Berlijn tijdens de gouden jaren twintig. Omstreeks 1880 telde de stad één miljoen inwoners, omstreeks 1900 ruim twee miljoen en in 1920, na de vorming van Groot Berlijn, ruim vier miljoen. Tussen 1920 en 1930 kwamen er nog eens een half miljoen mensen bij. Metropool, centrum van Europa. Zijn Berlin Alexanderplatz. Die Geschichte vom Franz Biberkopf speelt zich precies in deze periode af. Döblin schreef het boek in 1928, het kwam uit in 1929. Een roerige tijd, volop politieke instabiliteit. Vanaf links revolutionaire dreiging, en aan de andere kant het oprukkende fascisme.

    In dit krachtenveld is het verhaal van Biberkopf gesitueerd, vanaf zijn ontslag uit de gevangenis – waar hij een straf uitzat wegens het vermoorden van zijn vriendin Ida – tot aan het portiersbaantje dat hij krijgt na verblijf in een gekkengesticht. Ook zijn nieuwe vriendin, Mieze, wordt vermoord; ze wordt beestachtig doodgeslagen en ergens in het bos begraven, en iedereen denkt: dat heeft Franz gedaan, de vrouwenmoordenaar. Alleen door toeval komt de ware toedracht aan het licht. Franz wordt door zijn vrienden een rijdende auto uitgesmeten en verliest zijn rechterarm, hij wordt bedrogen en verraden, raakt aan de drank, verliest zijn verstand. De korte, tragische geschiedenis van een man die zich heilig voorneemt ‘fatsoenlijk’ te worden, maar die steeds dieper in de narigheid verzeild raakt – dat alles buiten zijn schuld natuurlijk, de anderen hebben het gedaan, steeds weer.

    Maar Berlin Alexanderplatz is meer dan Franz Biberkopf, het is ook een indringend portret van het Berlijnse Lumpenproletariat. In De Achttiende Brumaire van Louis Bonaparte omschrijft Karl Marx wat we daaronder moeten verstaan: ‘aan lager wal geraakte roués met bestaansmiddelen van twijfelachtige aard en van twijfelachtige herkomst, verlopen en avontuurlijke gedeclasseerde elementen uit de bourgeoisie, vagebonden, ontslagen soldaten, ontslagen tuchthuisboeven, weggelopen galeislaven, oplichters, goochelaars, lazzaroni, zakkenrollers, charlatans, spelers, maquereaus, bordeelhouders, sjouwers, literatoren, orgeldraaiers, voddenrapers, scharenslijpers, ketelboeters, bedelaars, kortom heel de ondefinieerbare, onsamenhangende, heen en weer geworpen massa die de Fransen la Bohème noemen’. Alfred Döblin kende zijn klassieken, dat kan niet anders – in zijn Berlijn ging de politieke strijd grotendeels om de heerschappij over de ‘straat’, en wie het Lumpenproletariat voor zich kan winnen heeft de macht voor het grijpen, zoals na de publicatie van Döblins boek maar al te duidelijk is geworden – Berlin Alexanderplatz belandde meteen op de brandstapels toen de ‘verderfelijke’ literatuur door de fascisten in de fik moest worden gestoken. Franz Biberkopf maakt deel uit van precies zo’n verzameling als Marx voor ogen had: inbrekers, straatrovers, helers, kroegbazen, pooiers, bajesklanten, hoeren, venters, bedelaars, dieven, moordenaars. Een gezelschap dat maatschappelijk bijna onzichtbaar is, kamerbewoners die nooit lang op hetzelfde adres te vinden zijn, snel wisselende, losvaste relaties, twaalf ambachten, dertien ongelukken, onduidelijke bronnen van inkomsten, alcoholisme, drugsgebruik, psychische instabiliteit. We zouden Biberkopf tegenwoordig beschouwen als een psychopaat, en een flink deel van zijn vrienden en maten niet minder – onbetrouwbaar, gevaarlijk volk. Geweld aan de orde van de dag.

    Vriendin Mieze, die Franz onderhoudt met haar prostitutie, is met de verkeerde man uit geweest.
    En ineens wordt Franz door de gilgolf meegesleurd. Een doldoldolzinnige. Hij grijpt een stoel bij het bed, die vliegt krakend uit zijn hand. Dan loopt hij schuin naar Mieze, die nog overeind zit en één langgerekte gil slaakt, gilt en krijst en krijst, en hij houdt van achteren haar mond dicht, gooit haar op haar rug, knielt over haar heen, gaat met zijn borst over haar mond liggen. Die… maak… ik… koud.
    Maar een paar uur later is alles weer koek en ei.
    Ze vallen in elkaars armen, overladen elkaar met kussen. ‘Ik had je bijna vermoord, Mieze. Wat heb ik je toegetakeld, niet te geloven’. ‘Wat maakt ’t uit. Dat je teruggekomen bent, dat is ’t belangrijkste’.

    Een bestaan dat in de sociaalwetenschappelijke literatuur wel eens wordt aangeduid als hard living, het leven aan de zelfkant. Anders dan Marx, die het Lumpenproletariat minachtte en vervloekte, probeert Döblin Biberkopf en de zijnen neutraal, van binnenuit te beschrijven. Als een antropoloog legt hij de vluchtige relaties bloot, laat hij zien hoe inbraken plaatsvinden, hoe bendes georganiseerd zijn, hoe je aan vergunningen komt voor straathandel. Seksuele relaties wisselen snel, minnaars en minnaressen worden aan elkaar doorgegeven alsof het om afgedragen kleding gaat. Mieze wordt door een paar ‘weldoeners’ onderhouden en onderhoudt op haar beurt Franz, maar maakt tussendoor leuke uitstapjes met maatjes die tot dezelfde inbrekersbende als haar Franz behoren. Döblin heeft er, als arts, met zijn neus bovenop gezeten.

    Ook bij politieke bijeenkomsten. Franz raakt in discussie met een oude arbeider, anarchist.
    ‘Wat ben jij eigenlijk, collega?’. ‘Ik? Pooier, zie je dat dan niet? Nog ’n keer: pooier, snap je wel’. ‘Jullie zijn ’t schuim van ’t kapitalistenmoeras. Maak dat je wegkomt! Jullie zijn niet eens proletariërs. Zoiets noemen wij schorriemorrie. Laat ik jullie hier niet meer zien’. ‘Daar hoef je niet bang voor te zijn, meneer de directe gelulactie, wij willen met kapitalistenknechten niks te maken hebben’.

    Er is nog een derde laag in het boek, Alfred Döblin heeft het leven van Franz Biberkopf geplaatst binnen de magistrale omlijsting van Berlijn. Een waar kunststuk. De stad is een personage op zichzelf, een vertrouwde omgeving, maar ook een levend decor dat Franz Biberkopf angst en ontzag inboezemt. We krijgen te horen wat voor dag het is, hoe laat, het weerbericht, de beurskoersen, de routes van de tram, de winkeletalages en hun opschriften, berichten uit de krant, reclameteksten, adressen uit het telefoonboek, overlijdensadvertenties. Je kunt met je vinger op de kaart de routes volgen die Biberkopf aflegt. De stad leeft haar eigen leven, volgt haar eigen ritme, Franz heeft zich maar aan te passen.
    De trams raasden bellend verder, gevel na gevel flitste onophoudelijk voorbij. En er zaten daken op die huizen, zijn ogen dwaalden naar boven: als die daken er maar niet af gleden, maar de huizen stonden recht. Waar moet ik, arme donder, naartoe, hij sleepte zich langs de muur van huizen, er kwam geen einde aan.
    We krijgen zicht op de ingewanden van de stad, de hoeveelheid koeien, schapen en varkens die dagelijks geslacht worden, het aantal mensen dat overlijdt en geboren wordt, strafzaken, verkeersongelukken. De montage van stadsbeelden staat los van het verhaal van Biberkopf – de muren van de stad geven niet mee als hij zijn hoofd stoot en dat doet hij, herhaaldelijk.

    Alfred Döblins reputatie staat in de schaduw van de grote Thomas Mann, maar Berlin Alexanderplatz is een fenomenaal boek dat zich met ieder meesterwerk kan meten, en dat als grotestadsroman in het bijzonder op eenzame hoogte staat. Er is zojuist een (tweede) Nederlandse vertaling verschenen, door Hans Driessen. Iedereen kan je vertellen dat Berlin Alexanderplatz niet te vertalen is – het vooroorlogse plat-Berlijns alleen al. Driessen erkent het probleem in zijn nawoord, hij heeft geen poging gedaan dat Berlijns om te zetten in een Nederlands equivalent. ‘Het is het prijskaartje dat hangt aan de vertaling van Berlin Alexanderplatz (…) wie het boek in zijn volle rijkdom wil genieten, zal er niet onderuit kunnen het origineel te lezen’. Inderdaad, maar Driessen kan dik tevreden zijn met wat er nu ligt – binnen de beperkingen is de vertaling bewonderenswaardig. Döblin wordt recht gedaan en houdt zijn glans – meer kun je niet verlangen.

     

     

  • Granta – Another way of seeing, reactie op de NRC bespreking

    Soms schiet een krantenartikel in een verkeerd keelgat. Dat van Toef Jaeger bijvoorbeeld in NRC- Handelsblad over Indiase literatuur. Kun je je er zo makkelijk van afmaken als Jaeger deed?  Lodewijk Brunt vindt van niet.

    Zojuist verscheen een speciaal Indianummer van het onvolprezen Granta, tijdschrift voor nieuwe literatuur: Another Way of Seeing. Bijna twintig jaar na een ander Indianummer: The Golden Jubilee, naar aanleiding van de vijftigjarige onafhankelijkheid. Er is enige continuïteit te bespeuren – beide nummers zijn geredigeerd door Ian Jack, destijds in 1997 hoofdredacteur van het blad, nu gastredacteur. In beide nummers ook een bijdrage over de ‘Grote Ziel’ van de natie, Mahatma Gandhi. In het jubileumnummer over zijn bijdrage aan de onafhankelijkheid, nu over zijn studietijd in Londen. Symbolisch: de man is een onuitputtelijke bron van inspiratie, ook voor de literatuur. Hoewel? Beide bijdragen werden geschreven door buitenlandse India-correspondenten, respectievelijk Trevor Fishlock en Sam Miller. Zou er geen enkele interessante bijdrage van Indiase hand te vinden zijn geweest? Je zou denken dat er na de recente biografie van Ramachandra Guha en de controverse over Joseph Lelyvelds Great Soul materiaal voor het oprapen lag.

    Er zijn ook verschillen. Is de Indiase literatuur van karakter veranderd? Eind jaren 1990 was een booming periode voor Indiase romanschrijvers, je kreeg de indruk dat er iedere maand wel een nieuw meesterwerk verscheen – zeker nadat Arundhati Roy de Booker Prize in de wacht sleepte met haar debuut: The God of Small Things. Amerikaanse en Britse uitgevers betaalden exorbitante voorschotten aan auteurs als Hari Kunzru (The Impressionist), Aravind Adiga (The White Tiger), Kiran Desai (The Inheritance of Loss), Jhumpa Lahiri (The Interpreter of Maladies), literaire prijzen daalden op hun hoofd neer als sneeuwvlokken. De soms bijna hysterische opwinding lijkt voorbij, sommige schrijvers zijn gevestigde namen geworden, van anderen hoor je nooit meer iets. Dit alles betreft overigens de Engelstalige literatuur. Van gedichten of proza die in een van de talrijke inheemse talen worden geschreven, dringt zelden of nooit iets in de buitenwereld door, toen niet, nu nog niet – met sweeping statements over ‘de’ Indiase literatuur kun je maar beter terughoudend zijn.

    Van enige bescheidenheid is geen sprake bij NRC Handelsblad, dat bij monde van Toef Jaeger het verschijnen van Granta aangreep om de Indiase literatuur in z’n geheel door te lichten, in heden, verleden en toekomst, onder de titel Geen traditie, geen curry, alleen wanhoop (3 april 2015), maar liefst over twee volle pagina’s. Het verschil tussen de twee themanummers van Granta is ‘groot’, aldus Jaeger. Allicht, zou je zeggen, twintig jaar geleden ging het om de viering van de onafhankelijkheid, nu over – letterlijk – manieren van kijken. Another Way of Seeing is de titel van het themanummer, maar het is ontleend aan een bijdrage waarin Gauri Gill in haar landschapsfoto’s de schilderijen en persoon van de tribale kunstenaar Rajesh Vangad tot leven probeert te brengen. Jaeger ziet dat over het hoofd, voor haar is het nummer een middel om ‘grip te krijgen op de recente Indiase literatuur’. Haar stelling is dat meer welvaart leidt tot meer reflectie – de bloeiende Indiase economie heeft een nieuwe literatuur voortgebracht: de literaire non-fictie. Waar ze dit op baseert, afgezien van een paar slordig geciteerde opmerkingen uit de inleiding van Ian Jack, is niet helemaal duidelijk. Ze noemt één voorbeeld, de bijdrage van Aman Sethi over de zogenaamde ‘liefdeskruistocht’ (love jihad) die zou plaatsvinden in India: islamitische jongens die als een soort lover boys hindoemeisjes meelokken naar Pakistan om daar de kinderen te fokken die later als soldaten zullen terugkeren om India te vernietigen. Een aardige, maar niet bijzonder goed geschreven journalistieke reportage over een fanatieke volgeling van premier Narendra Modi die beweert dat hij het verschijnsel ‘ontdekt’ heeft. Jaeger spreekt eerbiedig over deze reportage-dialoog als nieuw literair genre, maar stukken van dit kaliber kun je vrijwel dagelijks in Nederlandse kranten vinden – alledaagse journalistiek, verdienstelijk, maar niets bijzonders. Uit haar weergave van het stuk kun je trouwens opmaken dat ze geen flauw idee heeft waar het eigenlijk over gaat.

    De hedendaagse Indiase literatuur zou volgens Jaeger ook minder dan voorheen zuchten onder een ‘dieet van curry, grote families en mythologieën verpakt in historische tragedies’. Meer ‘menselijke verhalen die hun kracht ontlenen aan het drama, niet aan de locatie’. Alsjeblieft! Ze bespreekt een nieuw boek van Akhil Sharma als voorbeeld van die richting – maar waar zet ze zich tegen af? Ze typeert heel India en de Indiase literatuur in het bijzonder als ‘narcistisch’ en ontleent dat aan V.S. Naipaul. Curieus, want ze had in de bijdrage van Sam Miller een vernietigend oordeel over die uitlating van Naipaul kunnen vinden; bovendien had ze ook kunnen zien dat Naipaul India niet ‘narcistisch’ noemde, maar sprak over Gandhi’s ‘navelstaarderij’.

    Was de Indiase literatuur twintig jaar geleden eigenlijk zo in zichzelf gekeerd? Zo aan ‘locatie’ gebonden? Zo weinig ‘dramatisch’? Je zou lijsten van schrijvers kunnen noemen – vooraanstaand, invloedrijk, baanbrekend – die je met een dergelijke karakterisering onherkenbaar zou verminken: Anita Desai, Sashi Deshpande, Rohinton Mistry, Anita Nair, Rushira Mukerjee, Akhil Sharma, Chughtai Ismat, Thrity Umrigar, Shauna Singh Baldwin. En werd er twintig jaar geleden geen literaire non-fictie geschreven? Een klap in het gezicht van Sankarshan Thakur (The Making of Laloo Yadav), Kalpana Sharma (Rediscovering Dharavi), Pinki Virani (Once Was Bombay; Aruna’s Story) of Husain Zaidi (Black Friday). Indiase auteurs, zegt Jaeger parmantig, hoeven niet meer te schrijven over samosas, door de toegenomen welvaart hebben ze meer Indiase lezers. Ze citeert Jack, maar opnieuw met ongehoorde slordigheid. Jack zelf baseert zich op Amitava Kumar die schreef dat Engelstalige Indiase auteurs voorheen teveel geneigd waren om te ‘vertalen’ ten behoeve van een Westers lezerspubliek – niet alleen woorden als samosa, ook verhalen en plots. Het klinkt reuze interessant, maar het is onwaarschijnlijk. De grote Indiase schrijvers, Rushdie en Desai voorop, hebben aan die neiging nooit toegegeven, maar ook in het werk van veel anderen is er geen spoor van te vinden.

    Heeft Jaeger dan toch tenminste gelijk als ze zegt dat non-fictie een veel belangrijker plaats inneemt tegenover fictie dan twintig jaar geleden? Dat zou moeten blijken uit de bijdragen aan de Granta-nummers 57 en 130. In de recente aflevering staat inderdaad relatief veel non-fictie: acht van de twintig bijdragen, tegenover negen fictie en drie gedichten. Maar hoe was het twintig jaar geleden? Je zou – afgaande op de stelling van Jaeger – aanzienlijk meer fictie verwachten, de nieuwe genres waren volgens haar immers nog niet ontwikkeld. Nee, dus. In het jubileumnummer vind je slechts vier bijdragen fictie tegenover maar liefst vijftien non-fictie stukken en twee gedichten.

    Op basis van haar eigen waarnemingen valt er dus een duidelijke conclusie te trekken over de Indiase literatuurgeschiedenis zoals NRC Handelsblad deze presenteert: flauwekul. Wat Jaeger blijkbaar eveneens totaal is ontgaan, betreft een ander verschijnsel. In 1997 was bijna de helft van alle bijdragen afkomstig van Engelsen en Amerikanen, het nummer van 2015 is vrijwel voor honderd procent volgeschreven door Indiase auteurs. Het is duidelijk wat zich in de afgelopen twintig jaar voltrokken heeft: de redactie van Granta heeft eindelijk ontdekt dat je een portret van India gerust aan Indiase schrijvers kunt overlaten.

     

    Lodewijk Brunt is emeritus hoogleraar Stedelijke vraagstukken aan de Universiteit van Amsterdam. Hij heeft gerecenseerd in o.a. VN, HP, NRC, Parool. De laatste jaren is hij met vertaalwerk bezig, met name uit het Hindi.  Door zijn kennis van India (en het Hindi/Urdu), waar hij vele jaren onderzoek heeft verricht, is hij goed op de hoogte van het werk van Indiase auteurs.

     

  •  ‘Ga er maar aan staan’

     ‘Ga er maar aan staan’

    Wie literaire teksten vertaalt, moet van alle markten thuis zijn, een Jack of all trades … pardon: Manusje van alles. Het gaat om meer dan het zorgvuldig, woord voor woord, omzetten van de ‘brontaal’ in de ‘doeltaal’, om het in jargon te zeggen, je moet ook het idioom van speciale groepen beheersen. Wat betekent het als er in een Engelse tekst over de loo gesproken wordt? Is dat iets anders dan bathroom? Toilet? Water closet? Zulke dingen luisteren nauw. Bij sommige gelegenheden zeg je bepaalde woorden niet, bij andere juist wel en dat heeft alles te maken met klassenverhoudingen, religieuze achtergrond, leeftijd, status, regio, periode. Tussen de verschillende talen bestaan bovendien aanzienlijke idiomatische verschillen. Villa betekent in de ene taal een duur huis, in de andere taal een buitenwijk, afhankelijk van de context. In het Italiaans slaat een casino op een feestzaal, in het Nederlands op een gokpaleis.

    Als je afgaat op de wijze lessen van Maarten Steenmeijer in zijn zojuist verschenen Schrijven als een ander. Over het vertalen van literatuur, kijk je wel uit om er aan te beginnen. Ondanks het feit dat Nederland, anders dan Engelstalige landen, een typisch ‘vertaalland’ is. In een speciaal hoofdstuk vind je een bloemlezing van fragmenten uit recente Nederlandse vertalingen van Duitse, Amerikaanse en Spaanse romans. Een dodelijke opsomming. Steenmeijer, die zelf uit het Spaans vertaalt, legt de lat hoog. De vertaler moet volgens hem de ‘talige persoonlijkheid’ van de schrijver zien te ontdekken en ‘in al haar eigenheid en eigenaardigheden leren kennen en doorgronden’. De bedoeling is immers de schrijver ‘een stem in het Nederlands’ te geven. ‘Die stem is méér dan de toon, tempo, klankkleur, en bereik; zij is ook een manier van denken en voelen, een visie op de wereld, een levensgevoel, een gemoedstoestand’. Wie durft nog? Ook praktisch sta je hier als vertaler voor een bijna onmenselijke opgave. Een voorbeeld: Steenmeijers favoriete schrijver is de Spanjaard Javier Marías, maar deze auteur heeft – zoals de vertaler zelf opmerkt – pas na vijf boeken zijn eigen ‘talige persoonlijkheid’ gevonden.

    Desondanks brengt Steenmeijer het vertalersambacht dichterbij door allerlei aspecten en dimensies op een luchtige manier tegen het licht te houden. Zijn boek is een verzameling van zo’n vijfentwintig hoofdstukjes, vaak niet langer dan een pagina of vijf, zes. Hij is wars van moeizaam jargon en schrijft overzichtelijke, nuchtere betoogjes, columns eigenlijk, waarbij hij algemene vertaalproblemen verduidelijkt aan de hand van concrete gevallen. Als je begrijpt hoe vertaalfouten tot stand komen, is vertalen misschien niet meer zo afschrikwekkend, het is uiteindelijk toch mensenwerk. Hij behandelt eerste zinnen, zowel voor schrijvers als vertalers van cruciaal belang, het vertalen van popsongs, de plaats van de lezer en de kwestie van ‘vrij’ of ‘precies’ vertalen, maar als een rode draad door het hele boek loopt een heikele kwestie, waarvoor ook andere vertaaldeskundigen uitdrukkelijk aandacht hebben gevraagd: hoe doe je recht aan het origineel?

    In 1937 wees de Spaanse filosoof José Ortega y Gasset er in een beroemd essay op, dat vertalers ‘de angel uit de oorspronkelijke tekst halen’. Schrijvers zijn volgens Ortega ‘opstandelingen tegen de taal’, ze overtreden normen en regels, literaire taal wijkt af van de doorsneetaal, misschien wel juist ter verhoging van de verstaanbaarheid. Vertalers kunnen daar niet tegenop, ze sluiten de schrijver op in de ‘gevangenis van de gewone taal’, vertalingen geven vaak de indruk dat de schrijver eigenlijk een beetje dom is. Om het in andere woorden te zeggen: ‘vreemd’ taalgebruik wordt in de vertaling weggezuiverd, het hart, de originaliteit, wordt uit de tekst gehaald. Dit is het centrale dilemma van de vertaler en Steenmeijer komt hierop dan ook op verschillende plaatsen terug, ook aan de hand van schrijver en vertaler Tim Parks die zich de laatste jaren uitdrukkelijk in de discussie heeft geworpen. De ‘persoonlijke stijl’ van de schrijver wordt door vertalers omgezet in een ‘algemene stijl’, die weliswaar voldoet aan de standaarden van ‘mooi Engels’ of ‘mooi Frans’, maar die de oorspronkelijk tekst uitdrukkingsloos maakt.

    Een klemmend probleem. Steenmeijer pleit ervoor dat vertalers beter betaald worden en meer in de schijnwerpers komen te staan – hun naam op de kaft, duidelijker aanwezig in praatprogramma’s op radio en tv. Wie zou het hem misgunnen een Bekende Nederlander te worden? Maar dat alles is geen oplossing voor de bijna schizofrene positie waarin vertalers zich per definitie bevinden. Steenmeijer zegt het zelf: de ene vertaler is de andere niet. ‘Vraag aan tien literair vertalers om dezelfde tekst te vertalen en je krijgt tien verschillende resultaten. (…) Het is naïef om de vertaler te zien als een onzichtbare go-between’. Vertalers zullen altijd moeten zien te laveren tussen de eisen van de oorspronkelijke tekst en de vrijheid om die tekst naar eigen inzicht om te zetten. Het is volgens Steenmeijer een soort ‘spookgebied’ waarin de vertaler als een ander moet schrijven, maar ook als zichzelf. ‘Ga er maar aan staan’, verzucht hij.


    Schrijven als een ander
    Over het vertalen van literatuur

    Maarten Steenmeijer
    Verschenen bij: Uitgeverij Wereldbibliotheek (2015)
    Aantal pagina’s: 176
    Prijs: € 15,95

  • Eindeloos veel vragen

    Eindeloos veel vragen

    De titel geeft het weg. Wachten op een vriend, de zojuist verschenen roman van Huub Beurskens, staat in de schaduw van Wachten op Godot. De schrijver doet er trouwens niet geheimzinnig over. In zijn boek komt het toneelstuk herhaaldelijk ter sprake, ook in de ‘Verantwoording’ achteraf: ‘Het spreekt voor zich dat gebruik werd gemaakt van Samuel Beckett’. Dat blijkt al bij de enscenering. Tijdens een wandeling over het Griekse eiland Samos, dichtbij de Turkse kust, zit Lerrie op een heuvel onder een boom uit te puffen. Fraai uitzicht over de Egeïsche zee, associaties met de Griekse oudheid. Er komt een andere wandelaar aanzetten: Hendrik. Ze kennen elkaar van vroeger, de middelbare school, maar hebben elkaar tientallen jaren niet meer gezien. Je ziet Estragon en Vladimir die bij een kale treurwilg op Godot zitten te wachten. Ook de dialoog is Beckettiaans. ‘Daar ben je dus weer’, zegt Lerrie, ter begroeting. ‘Vind je?’, antwoordt Hendrik. Absurd toneel, inderdaad.

    Het is bekend. Het wachten op Godot duurt eindeloos, hij komt niet opdagen, communiceert met de wachtenden via een jongetje dat met boodschappen heen en weer wordt gestuurd. Bestaat Godot eigenlijk wel? Is hij een hersenspinsel? Van die onzekerheid over de werkelijkheid heeft Beurskens handig gebruik gemaakt om zijn roman dramatische lading te verschaffen. De beide vrienden verblijven ieder aan een verschillende kant van het eiland en wisten dat niet van elkaar. Ze gaan bij elkaar op bezoek en halen herinneringen op aan hun lang vervlogen vriendschap, hun vriendinnen, hun schooltijd op een katholiek internaat en tegelijkertijd monsteren ze elkaar met een zeker wantrouwen: wat heb je met me voor? Wat voor iemand ben je geworden? Hendrik is alleen, Lerrie is met zijn echtgenote Blanche. Maar op het eind denk je: is dit allemaal echt gebeurd of heeft het zich afgespeeld in de fantasie van Hendrik? Bestaat Godot?

    De herinneringen zijn flarden en ze komen in fragmenten langs, met enige moeite zijn er de verhalen uit te distilleren die de roman stutten. Bij Beurskens lopen feit en fictie door elkaar, uit overtuiging, waarschijnlijk. Hij heeft uitgesproken opvattingen over bepaalde aspecten van het schrijverschap: de dingen die je beschrijft moeten op serieuze waarneming zijn gebaseerd. Dat geldt met name voor beschrijvingen van natuur, plant en dier. Op Samos is er veel te zien, we worden geïnformeerd over gele vlinderbloemen, citrusstruiken, salie, bladsprietkevers, veldsprinkhanen, cicades, schildluizen, schorpioenen, amandelbomen, steenuiltjes, egels, glasslangen, scolopendra’s – niet noodzakelijkerwijs in die volgorde. Maar ondanks al die nauwgezetheid komen we opmerkelijk weinig te weten over de aard van die beestjes en bloemetjes, dat maakt de opsomming nogal vrijblijvend. Ook over het eiland kom je weinig te weten, behalve dat het er fraai is, maar dat kun je in iedere toeristenfolder lezen. En een natuurvorser als Beurskens zou toch iets meer moeten vertellen over de condities van het klimaat, het weer, de temperaturen, de kleur van het zeewater. Een bijzondere verdienste van Darwin was nu juist dat hij zo’n scherp oog voor de context had.

    Het mengen van feit en fictie blijkt ook in sommige herinneringen. Zo worden we geïnformeerd over Henk Krol, oprichter van de Gay Krant en politicus: hij was medeleerling van Hendrik en Lerrie en werd van school gestuurd, vermoedelijk wegens homoseksuele praktijken. Hendrik realiseert zich dat hij destijds nooit had begrepen dat Krol van de school verdween om andere redenen dan ‘nijpende Brabantse familieomstandigheden’. ‘Hij is nu actief in de landelijke pensionadopartij’, stelt hij vast. Curieus, deze aandacht. Wat wil de schrijver ermee zeggen? Krol speelt in het boek verder geen enkele rol en komt ook niet meer ter sprake. W.F. Hermans zou de schrijver gewezen hebben op de overbodige aanwezigheid van een ‘witte pater’.

    Deze stijlfiguur, gevoegd bij de soms absurde, maar soms ook gekunstelde, houterige dialogen, maakt het moeilijk om te bepalen op welk niveau je Wachten op een vriend moet waarderen. Moeten we alles serieus nemen? Gaat het om de inhoud van het verhaal van de vriendschap? Om de manier waarop die bloeide en later verdween? Om wat er is voorgevallen waardoor een breuk ontstond? Wie zich daarin verdiept, heeft wat speurwerk te verrichten: Beurskens neemt het niet zo nauw met chronologie of plot. Je zou het ook kunnen zoeken in de stemming, de mediterrane sfeer van het Griekse eiland, de innerlijke monologen van oudere mannen die hun leven en zonden overdenken. Wachten op een vriend is dan inderdaad het wachten op verlossing of bevrediging, het antwoord op de vraag of het leven wel de moeite waard is geweest. Beckett wist die grote achterliggende vragen met overtuiging te stellen, precies maar ook vol ironie, humor, en intelligentie. Een dergelijke virtuositeit is Huub Beurskens helaas niet gegeven.

     

    Wachten op een vriend

    Auteur: Huub Beurskens
    Verschenen bij: Uitgeverij Koppernik (2015)
    Aantal pagina’s: 208
    Prijs: € 17,50