• Triest verhaal in zeer goed geschreven roman

    Triest verhaal in zeer goed geschreven roman

    In 1937 tekende Salvador Dali L’arc hystériqye, de Hysterische boog. Een gedetailleerde pentekening van een vrouw in een ongemakkelijk positie, steunend op handen en voeten met haar buik hoog in de lucht. Ze is strak ingebakerd in doeken, die haar nauw omsluiten. Bij Dali en andere surrealisten was hysterie een terugkerend thema. Voor hen was het een verheven middel van expressie. Dat deze voorliefde van de culturele elite in de jaren dertig geen gemeengoed was, blijkt duidelijk uit Het luik van sneeuw, de eerste en enige roman van Emily Holmes Coleman (1899-1974, geboren in Californië). In deze roman beschrijft Coleman hoe Marthe Gail in het Gorestown State Hospital, een psychiatrische kliniek voor vrouwen, wordt behandeld aan de gevolgen van kraamkoorts. Een behandeling die door de ogen van tegenwoordig bezien, ontluisterend wreed is.

    Coleman beschrijft op indringende wijze hoe bij Marthe alle houvast wordt weggenomen. Net als de andere patiënten wordt Marthe gestaag ontmenselijkt. Als ze in bad gaan worden de patiënten strak ingezwachteld in stroken stof, van elke bewegingsvrijheid beroofd. En als ze gaan slapen worden ze vastgebonden onder een strakgespannen canvaslaken, beroofd van elke identiteit. Voor Marthe is het alsof ze in een ‘spiraalkist’ in bad moet. Maar ze is er de vrouw niet naar zich te laten kisten en bevrijdt zich als het strakke windsel haar onder water te warm wordt. Als de verpleegster terugkomt vertelt ze dat ze zich bevrijd heeft. ‘Het is hemels zonder dat ding.’ De verpleegster snapt er niets van. Geen van de patiënten had zich ooit los weten te maken.

    Onmondig zieke vrouw

    Het is Marte te voeten uit. Van het begin af aan probeert ze zich te bevrijden. Ze kan niet accepteren dat ze behandeld wordt als onmondige zieke vrouw. Door de verpleegsters, de artsen, maar uiteindelijk ook door haar man. Alhoewel die zijn best doet om het haar wat aangenamer te maken. Bijvoorbeeld door haar potlood en papier te bezorgen, zodat ze haar ervaringen kan boekstaven. Coleman’s beschrijving van hoe Marte dat doet is kenmerkend voor haar schrijfstijl. Rijke zinnen, vol beeldend taalgebruik, die om elkaar heen dansen als de losgetrokken windsels in een warm bad.
    ‘De woorden ontvouwden zich en ontstonden op het papier. Ze gleden omhoog en zweefden en landden en stonden op een rij. Zij vormde ze, ze zei dingen met een potlood op een klein vel geel papier. Het was een brief aan haar vader en daar waren de woorden, woorden die ze uit het rode licht plukte en vastprikte onder haar potlood als wriemelende motten. De motten hadden gele staarten en probeerden wanhopig aan het potlood te ontkomen.’

    Het luik van sneeuw is geen plezierig boek om te lezen. Daarvoor is de situatie waarin Marthe zich bevindt te triest, te onmenselijk. Maar het is wel een goed geschreven boek, dat in zijn grillig proza het denken van een psychotische vrouw perfect weergeeft. Coleman kon zich daar ook als geen ander in inleven. Zelf was zij gedurende twee maanden, kort na de geboorte van haar zoontje ook op vergelijkbare, choquerende wijze behandeld. Het luik van sneeuw is dan ook een autobiografische roman te noemen en het schrijven ervan was voor Coleman naar alle waarschijnlijkheid een therapeutische daad. En een aanklacht.

    Niet menswaardige behandelingen

    Alhoewel Marthe deels duidelijk psychotisch is (zo denkt ze dat ze God is), probeert ze zich voortdurend te onttrekken aan de behandelingen die volgens haar niet menswaardig zijn. ‘Dr. Brainerd’ zei Marthe ernstig, ‘dat ik toevallig een toxische uitputtingspsychose heb is dat de enige reden om me als een hond te behandelen?’ Het is een discussie met haar behandelaren (of haar man) die ze niet wint. Ze realiseert zich dat. ‘Vanavond zal er sneeuw op mijn glazige vingers liggen … en een luik van sneeuw op mijn graf’, zegt ze tegen haar man, terwijl ze met haar neus tegen de ruit gedrukt naar buiten kijkt. 

    Coleman zelf zou uiteindelijk het ziekenhuis verlaten en met haar man en zoon naar Parijs vertrekken. Ze zou er een succesvolle carrière als editor opbouwen, met een rijk sociaal leven, onder andere in de kringen van de anarchiste Emma Goldman en kunstverzamelaarster Peggy Guggenheim. Ze zou nog vele artikelen, gedichten en korte verhalen schrijven. Maar nooit meer een roman. Dat luik was blijkbaar echt dicht.



  • Privé aangelegenheid

    Privé aangelegenheid

    Niets is voor altijd. Wat blijft is omzien, gemiste kansen tellen, over de dood spreken we niet. Heimwee is een vals verlangen. Het buldert af en aan, als de Atlantische oceaan op de kust van Figueira da Foz. Als het buldert, sleep ik met meubels door de kamer, zet de tafel ergens anders, trek gordijnen voor de ramen weg, zoek naar een sfeer van toen. Van het boerderij-achtige huis aan de overkant van de IJssel, die zolderkamer, het huis in de stad, de driekamerwoning aan de voet van de Serra de Estrela. Pogend de losse delen waaruit ik besta samen te voegen. Ik zet het espressopotje op het gas, rooster brood, denk aan bacalhau com natas, een visschotel met de smaak van heimwee. Ik eet geen vis meer, zoiets kun je besluiten. In het weekend ging ik naar het filmhuis, zag de film Respect, over Aretha Franklin. Denk aan Martin Luther King, het Amerika van de jaren veertig, vijftig. Ongelijkheid van man-vrouw, zwart-wit, kind-volwassene. Het verhaal van Aretha Franklin voegt zich bij de verhalen in de boeken van Toni Morrison, James Baldwin, Ann Petry, over rassenscheiding. 

    De straat van Ann Petry (1908-1997) verscheen al in 1946, ik las het pas deze zomer. Petry was als journalist gestationeerd in Harlem waar ze geconfronteerd werd met de gevolgen van de segregatie. Ze begon erover te schrijven. De straat gaat over de strijdbare jonge vrouw Lutie Johnson, afkomstig uit de zwarte arbeidersklasse. Het boek werd een bestseller, anderhalf miljoen exemplaren werden er verkocht, nog nooit vertoond door een zwarte schrijfster in een tijd dat zwart èn vrouw niet gewenst was om gelijk te stellen aan blank èn man. Het speelt in de jaren veertig, 116th Street is een straat waar niemand fatsoenlijk kan blijven. Lutie Johnson leeft in de geest van Benjamin Franklin. ‘dat iedereen rijk kon zijn die dat wilde en hard genoeg werkte en genoeg vooruit dacht.’ Tot ze ontdekt dat dit niet voor zwarte mensen geldt. Petry benadert zwart zijn objectief, schrijft, ‘Zelfs al was het choquerend om mensen met een donkere huid te zien, dan nog had ze nooit begrepen waarom mensen met een blanke huid mensen met een donker huid haatten. Want wat anders kon er de oorzaak van zijn dat ze alle negers in een handzaam pakketje met daarop het stempel “zwart” stopten? Een pakketje dat om een bepaald soort baan en een bepaald soort behandeling vroeg.’

    Woorden die nog steeds resoneren, dit boek schokkend actueel maken. Als haar huwelijk strandt, verhuist Lutie met haar zoontje naar Harlem, de enige plek waar ze een betaalbaar onderkomen kan vinden. Haar medeflatbewoners zijn werkeloze dronkaards, bedriegers, bordeelhoudster, louche huisbewaarder, depressieve vrouwen. Allen wonen in ‘smerige, donkere, akelige vallen. Trap op, trap af. Van het kastje naar de muur. Klik zegt de val na de eerste maand huur. Loop maar naar binnen. We leven in een vrij land’. Waar het slavernijverleden de zwarte landgenoten nog steeds in de nek hijgt. Weet dat het uitmaakt waar je ter wereld komt. Dat omkijken geen zin heeft, heimwee een privé aangelegenheid is.

     

    De straat verscheen in vertaling van Lisette Glaswinckel bij AtlasContact (2020).


    Inge Meijer is een pseudoniem, reist met een mondkapje, blijft op voor een goed verhaal.

     

  • Oogst week 46 – 2020

    Het Liegend Konijn jg. 18 nr. 2

    Het Liegend Konijn, tijdschrift voor hedendaagse Nederlandstalige poëzie verschijnt twee keer per jaar onder redactie van Jozef Deleu. Elk nummer brengt steeds weer een gevarieerd beeld van poëzie van onze huidige tijd. Dat is zeker de kracht van dit boekwerk, dat het iets overbrengt van de tijd waarin we leven, fris, met verse inkt geschreven. Zoals ‘Take a seat please’, van Anne Provoost waarin nieuwe omgangsvormen, eisen van deze tijd een plek vinden: ‘Hij leerde zittend plassen / Een nieuwe houding, die hem hielp / nadenken over / hoe de weg die hij was gegaan /(…) // Ik leerde staand met hem praten / altijd klaar voor vertrek / richting bij hem vandaan / omdat ergens op een facebookpagina / was gezegd dat je dood kon gaan / als je teveel zat’

    Wanneer je Het Liegend Konijn in handen hebt, kun je niet meer ophouden erin te bladeren, het verleidt je door poëtische gangen te gaan met ondoordringbare, openhartige, schokkende en opgewekte poëzie.

    Aan deze editie werkten zevenendertig dichters mee, samen goed voor meer dan tweehonderd gedichten, met onder meer Charles Ducal, Anne Broeksma, Mark Boog, Abdelkader Benali en Mieke van Zonneveld.

     

     

    Het Liegend Konijn jg. 18 nr. 2
    Auteur: Jozef Deleu
    Uitgeverij: Polis

    Het lichtje in de verte

    Antonio Moresco (1947) wordt gezien als een van de grondleggers van een nieuwe richting in de Italiaanse literatuur die verder gaat dan de postmoderniteit. Hij wordt wel vergeleken met Don DeLillo en Thomas Pynchon. Het lichtje in de verte (La lucina) verscheen in 2013 en werd in 2018 verfilmd, met Moresco zelf in de hoofdrol. Dit jaar werd het boek bij uitgeverij Oevers uitgegeven.

    Het lichtje in de verte gaat over een man die in eenzaamheid in een verlaten bergdorp leeft. Elke nacht ziet hij een lichtje aan de andere kant van de vallei, hij vraagt zich af wat het is, waar het vandaan komt. Als hij op onderzoek uitgaat, vindt hij een jongen in een huis midden in het bos, ook alleen. Hij vraagt zich af wie dit kind is. Het antwoord is zowel geheimzinnig als ontroerend, volgens de uitgever. En meer nog, ‘het is een verhaal over wezens die het bos bevolken, luchtwortels, bomen, vuurvliegjes en over  over leven en dood, maar ook over wat mensen en dieren met elkaar verbindt’.

    In de Franse pers werd het boek aldus geprezen: ‘Betoverende tekst die de lezer onmiddellijk meeneemt op een wonderlijke literaire reis.’

     

    Het lichtje in de verte
    Auteur: Antonio Moresco
    Uitgeverij: Oevers

    Opwindende tijden

    De Ierse schrijver Naoise Dolan debuteerde met de roman Opwindende tijden, die zeer goed ontvangen werd. Ze komt uit Dublin, woonde in Hong Kong, Italië, Singapore en Engeland. Afgelopen zaterdag, 7 november was ze onderdeel van het online programma The Cronicles van Crossing Border

    Opwindende tijden is een liefdesroman over geld en de gevoelswereld van de drie jongeren Ava, Julian en Edith.

    De Dublinse Ava is in Hongkong komen wonen en vult haar dagen met Engelse les geven aan rijke kinderen. Julian is een bankier die graag geld uitgeeft aan Ava, met haar naar bed gaat maar waarvan ze niet zeker weet of hij van haar houdt.

    Als Julian voor maanden weg is, komt Edith in haar leven, zij neemt Ava mee naar het theater en koopt bloemen voor haar. Ava  is betoverd door Edith zijn, ze wil de hare zijn. Als Julian terugkomt naar Hongkong, staat Ava voor een probleem. Moet ze haar leventje met Julian weer oppakken, of liezen voor Edith?

    Hilary Mantel die de roman las, noemde het, ‘Kostelijk, scherpzinnig en onbevreesd. Een innemend debuut.’

     

    Opwindende tijden
    Auteur: Naoise Dolan
    Uitgeverij: Atlas Contact
  • Taal moet swingen

    Taal moet swingen

    Jean Rhys schreef buitenstaanders literatuur; haar overwegend vrouwelijke personages zijn outsiders op Dominica, in Engeland, Parijs en Midden-Europa. In swingende stijl worden hun verhalen verteld.
    Rhys kreeg bekendheid door haar roman De wijde Sargassozee (1966). Lang daarvoor schreef ze echter al kortverhalen, waarvan de eersten werden gepubliceerd in 1927. Op dat moment leidde de geboren Dominicaanse een bohemien bestaan in Parijs. Gedurende haar leven trouwde ze driemaal en woonde op verschillende plekken in Europa. Alle verhalen verzamelt het werk uit drie verschillende bundels, aangevuld met enkele losse teksten, en is daarmee de eerste integrale uitgave van Rhys’ kortverhalen in het Nederlands. Naast haar debuut The left bank and other stories (1927) gaat het om Tigers are better-looking (1968) (beide nu vertaald door Lisette Graswinckel) en Sleep it off, lady (Mens, slaap je roes uit) (1976) (al eerder vertaald door W.A. Dorsman-Vos).

    Europese dromen

    De vroegste verhalen tellen doorgaans maar enkele pagina’s en spelen zich voornamelijk af in Parijs, of preciezer; Montmartre en Montparnasse. Het gaat vaak over jonge vrouwen die, op zichzelf aangewezen, het hoofd boven water proberen te houden. Ze dansen voorzichtig op het slappe koord boven een afgrond van financiële onzekerheid maar moeten ook bedacht zijn op het kleinburgerlijke oordeel. Deze precaire balansoefening wordt met veel inzicht op papier gezet. Voor hen die falen is de wereld meedogenloos. Opvallend genoeg wordt de burgermoraal meestal belichaamd door een personage uit Engeland, met vaste wortels en overtuigingen. De protagonisten daartegenover zijn nergens thuis en moeten hun eigen denken en handelen vormgeven.

    Indruk maakt het langste verhaal uit dit deel, getiteld ‘Vienne’, gesitueerd in midden-Europa. Uit de opening blijkt dat het om een terugblik gaat, de beschreven tijd is vervlogen, zelfs bijna uit het geheugen verdwenen. Frances verkeerde met haar geliefde, Pierre, in de betere kringen van Wenen. Het is de tijd dat Japanse officieren als militair attaché de stad bevolken begin 1920, zodat een vrij bonte verzameling karakters de revue passeert. Al vrij snel blijkt dat dit leven op grote voet slechts van tijdelijke aard kan zijn omdat de financiële basis van Pierre niet zo solide is als hij voorwendt. Het paar ziet zich uiteindelijk gedwongen om uit te wijken naar Boedapest. Maar de echte vraag moet nog aan bod komen: kunnen ze met z’n tweeën ook slechte tijden het hoofd bieden? ‘Vienne’ is, met z’n dertig bladzijden, een rijk verhaal dat de lezer betovert en meevoert door een verdwenen Europa. De vloeiende stijl van Rhys komt helemaal tot z’n recht dankzij de gevarieerde setting en het vrije plot.

    Benauwend Engeland

    De tweede verhaalverzameling is geschreven in de vijftiger jaren van de 20e eeuw, toen Rhys teruggetrokken leefde op het Engelse platteland, waar zich ook enkele verhalen situeren. In ‘Al noemen ze ’t jazz’ volgen we Selina, die haar huurhuis wordt uitgezet wanneer ze het voorschot op een dag niet kan betalen. Ze ontmoet een man die haar, naar het lijkt met kwestieuze motieven, een vervallen woning aanbiedt. Hele dagen op zichzelf aangewezen, grijpt ze naar de drank en krijgt al snel ruzie met een stel kleingeestige buren. Dit komt haar uiteindelijk op een gevangenisstraf te staan. Onderweg naar de cel wordt ze begeleid door een vrouwelijke agent: ‘Ik pak haar hand vast want ik ben bang. Maar ze trekt ‘m weg. Koud en glad glipt d’r hand weg en haar gezicht is van porselein, glad als ’n poppengezicht en ik denk: dit is de laatste keer dat ik iets van wie dan ook vraag. Zo waarlijk helpe mij God almachtig.’
    Tijdens het luchtuur in de gevangenis hoort ze een vrouwenstem zingen. Het is een lied van moed en hoop, het Hollowaylied zoals ze later ontdekt, en betekent een ommekeer in haar gemoedsgesteldheid: ‘Ik ijsbeer op en neer en ik denk: ooit hoor ik dat lied met trompetten en dan vallen deze muren om, voorgoed. Ik wil hier zo graag vandaan dat ik wel op de deur kan beuken, want ik weet nou dat niks onmogelijk is en dat ik niks meer wil missen doordat ik hier opgesloten zit’.

    Cadans van de zin

    In het titelverhaal ‘Tijgers zijn aantrekkelijker’ worstelt de hoofdpersoon, een schrijver, met het vinden van de juiste toon voor zijn werk. Want ‘taal moet swingen, zoals iedereen weet’. Jean Rhys zal deze opvatting vast delen met haar personage: er valt praktisch geen stroef lopende zin te vinden in de eerste twee verhaalbundels. Het proza van Rhys kent veel snelheid en een fijne cadans. Nergens is haar formulering formeel, de korte zinnen zijn niet puntig en de lange nooit wollig. De laatste verzameling verhalen (Sleep it off, lady) maakt wat minder indruk qua stijl, wellicht dat dit samenhangt met de oudere vertaling. Een erg aardige tekst hier is ‘Troebel water’, dat zich afspeelt op Dominica. Het beschrijft de geschiedenis van een zekere heer Longa, die beschuldigd wordt van kindermishandeling. De verdedigers van Longa beweren echter dat er sprake is van een complot tegen hem vanwege zijn socialistische sympathieën. Het debat wordt deels uitgevochten in de krantencolommen van de Dominica Herald. Voor de rechter noch voor de lezer valt de waarheid van het gebeurde te achterhalen. Zuivere koffie wordt er door Rhys zo’n vijftig jaar na haar debuut nog steeds niet geschonken.

    De integrale uitgave van Alle verhalen van Jean Rhys is een aanwinst voor ons taalgebied en biedt een laagdrempelige mogelijkheid kennis te maken met deze auteur. De verhalen laten zich goed los lezen omdat ze zeer trefzeker zijn opgeschreven, maar door de thematische samenhang is het geheel ook meer dan de som der delen. Van een outsider wordt Rhys langzamerhand vanzelf literaire canon.

     

  • De kunst van vertalen en vergeten schrijfster in vertaaltijdschrift Pluk

    De kunst van vertalen en vergeten schrijfster in vertaaltijdschrift Pluk

    In de inmiddels vijfde editie van vertaaltijdschrift Pluk is werk van tien buitenlandse schrijvers in vertaling opgenomen, waaronder een vergeten Engelse schrijfster. Een vertaler moet naast taalbeheersing, ook een goede neus hebben om literair waardevol werk naar voren te halen.
    De Engelse schrijfster Barbara Pym (1913-1980) ging de geschiedenis in als de meest onderschatte schrijfster van de vorige eeuw. Ze werd gevonden door vertaalster Engels, Anda Schippers.

    Volgens de New York Times, die in 2017 een artikel aan haar wijdde, is Barbara Pym ’forever being forgotten, and forever revived.’ In 1977 was haar eerste revival en zes jaar later opnieuw, maar echt doorbreken deed ze nooit. Haar boek Excellent Women (1952), is volgens de NYT haar meest perfecte en beroemde roman. In 1980 door Djuke Houweling vertaald als Geweldige vrouwen. Nog twee romans werden van haar vertaald maar ook in Nederland brak ze niet door.
    Daar komt wellicht verandering in nu Anda Schippers een fragment uit Pyms eerste roman Some tame Gazelle, heeft vertaald. Het fragment geeft een typisch Engelse setting weer van het dorpsleven rond een parochie en waarin twee zussen die op het platteland wonen, de hoofdrol spelen. Een roman die om een vertaling vraagt.

    Van de Frans/ Portugese schrijver Valério Romão (1974) is een kort verhaal in vertaling van Anne Lopes Michielsen opgenomen. Het verhaal ’Om je maar niet te zien’ ((uit de verhalenbundel Da família) zou je een typisch Portugees verhaal – voor wie de romans van António Lobo Antunes kent – kunnen noemen. Een zin van achttien regels is niet ongewoon. Interpuncties zijn schaars waardoor je het verhaal wordt ingezogen en er niet eerder van loskomt als de laatste punt gelezen is. Precies, net als bij Lobo Antunes. Het verhaal, waarin een man zijn kinderen bij zijn vrouw weghoudt om duistere redenen, zit onwrikbaar in elkaar.

    Dat er meerdere vertalingen mogelijk zijn van een en dezelfde tekst, laten de vertalers Pieter Scherpenberg en Jorrit Bosma zien. Beiden maakten ze een vertaling van een verhaal van de Amerikaanse kortverhaal schrijver Robert Coover. Deze dubbelvertaling ontstond tijdens een vertaal-slam, waarbij meerdere vertalers zich over een brontekst bogen. Daaruit bleek maar eens dat elke vertaler anders te werk gaat. Dit laat tevens zien dat vertalen zo eenvoudig nog niet is. Beide vertalers lichten hun vertaalkeuze toe waardoor de tekst aan betekenis wint, en soms verliest. Om de vertalers te kunnen volgen is het originele verhaal ook opgenomen: ‘Going for a beer’ dat door de een vertaald is als: ‘Een pilsje pakken’ en door de ander: ‘Even een biertje drinken’.

    Vertaalster Heleen Evenhuis vertaalde drie gedichten van de Chinees/Amerikaanse dichteres Wendy Chen vanuit het Engels. Geklonken poëzie, zoals water door een bedding gaat, een gevoel teweeg brengend van een helder stromen en tegelijk een onvermijdelijke donkere diepte laat zien. Hierbij twee strofen uit: 2 (1967): ‘De velden bolden als een bontdikke vacht / onder de middagzon. Mannen en vrouwen / Sloofden in zijn diepe plooien. // Ma was van streek; het verdriet / straalde van haar gezicht als vloeibaar / over de aarde gegoten maanlicht.’
    De vertaalster schrijft in haar inleiding op de poëzie van Chen, dat ze een dichter is ‘van wie we meer gaan horen’. Wat doet vermoeden dat haar bundel (Unearthing) vertaald zal gaan worden.

    Elke bijdrage in Pluk is als een schot in de roos voor de verwachtingsvolle lezer die geraakt, verrast en meegesleept wil worden. En al lezende komt het besef dat er nog veel moois te ontdekken valt in de onzichtbare boekenkasten van de wereldliteratuur. De vertalers staan in ieder geval klaar, nu de uitgevers nog. Denk overigens niet dat dit vertaaltijdschrift enkel voor vertalers is, bovenal is het voor de lezer die in Pluk zijn eigen literaire vondsten kan doen.

    Aan deze editie werkten nog de volgende  vertalers mee: Lies Lavrijsen, Lore Aertsen, Heleen Oomen, Ymke van de Staay, Myrthe van den Bogaert en het samenwerkingsverband In Triplo. Aan elke vertaling gaat een inleidend stukje vooraf met een kleine biografie van de auteur en een toelichting op het werk. Met grappige illustraties van Jelko Arts.

     

    PLUK verschijnt twee keer per jaar.
    Losse nummers 15 euro
    Voor een abonnement klik hier.

  • Zomerboeken 2018 – Het andere Amerika

    Zomerboeken 2018 – Het andere Amerika

     

     

    This Boy's Life

    Deze zomer ga ik een stukje van de VS bekijken, die gigantische plak land die minstens 5 landen is. Eerst rondrijden in de staten Washington, Oregon, California en Nevada, dan een weekje New York. Ik lees graag Amerikanen, met name verhalen: voor Raymond Carver, John Cheever, Charles Bukovski, John Fante, James Salter kun je me ’s nachts wakker maken. (Of als ik nog niet sliep, is er een goede kans dat ik die toevallig aan het lezen ben.) Hier noem ik 5 meesterwerken (en stiekem 17, als je streng bent.)

    Tobias Wolff – This Boy’s Life
    Het drong maar zeer langzaam tot me door toen ik op aanbevelen van ‘Steinz’ reisleesgids’ dit typische Oregon boek las, dat ik de film al had gezien. Wolff is een beetje ‘white trash’, een moeilijk jeugd met een hoop narigheid en dat hij er echt bovenop komt weet je door de rest van zijn geschiedenis. Zijn jonge jaren tonen een mooi en in zekere zin typisch Amerikaans plaatje van gerommel in de marge. Wolff is een technisch geweldig schrijver, knap is dat hij steeds het midden bewaart tussen sympathiek en helemaal niet sympathiek. Het betere Amerikaanse memoir.

     

    This Boy's Life
    Auteur: Tobias Wolff
    Uitgeverij: Bloomsbury Publishing PLC

    Romeinse koorts

    Edith Wharton – Romeinse koorts
    Het kwam als een schok, de eerste Wharton die ik las! Dit was Virginia Woolf in Amerika. Zo intelligent, zo geraffineerd goed geschreven! Met Lisette Graswinckel als vertaalster maakte ik een selectie van de verhalen om uit te geven, het boek verscheen bij Van Oorschot. Schitterend inzicht in de upper class in het New York van rond de vorige eeuwwisseling. Je kunt Wharton blijven lezen.

     

    Romeinse koorts
    Auteur: Edith Wharton
    Uitgeverij: Uitgeverij Van Oorschot

    Travels with Charley

    John Steinbeck – Travels with Charley
    Steinbeck reist in 1960 door de VS, een rondje tegen de klok in. Twee jaar later ontvangt hij de Nobelprijs. Dit is mooie reisliteratuur, niet overladen met feitjes, maar een schitterend rustig betoog over Amerika, deels besproken met Charley, de poedel van zijn vrouw die voorkomt dat John al te eenzaam wordt in zijn camper. Geert Mak reisde deze tocht na en schreef Reizen zonder John, eveneens aanbevelingswaardig. Hier meer.

     

    Travels with Charley
    Auteur: John Steinbeck
    Uitgeverij: Penguin Books Ltd

    Specimen Days

    Whalt Whitman – Specimen Days
    Ook een Amerikaanse revelatie waren Leaves of Grass van de Amerikaanse dichter Walt Whitman. Kende u het niet probeer het eens, al is het alleen maar om de Nederlandse poëzie te leren kennen, een stuk of dertig dichters vertaalden allen een stuk van dit geweldige vitale meesterwerk van de Amerikaanse poëzie. Hier schreef Literair Nederland er al eens over: https://litned.hollands-spoor.com/2715/

    Whitman schreef zijn memoires op in Specimen Days. Je loopt met Whitman over het Long Island van rond 1859, toen het nog met name grasland was, en je helpt mee de gewonden op veldbedden te krijgen in Washington, na een grote slag in de Amerikaanse Burgeroorlog. De kracht van Whitman is dan steeds een soort verwondering over wat hij allemaal meemaakt en ziet, een schitterende toon van een man met wie je graag bevriend had willen zijn. Te verschijnen in de vertaling van René Kurpershoek voorjaar 2019, Van Oorschot.

     

    Specimen Days
    Auteur: Walt Whitman
    Uitgeverij: General Books

    McSorley's wonderbaarlijke saloon

    Hier zal ik kort over zijn, en verwijzen naar een paar stukjes waar ik er meer over uitwijd en lyrisch over ben. Ik houd zeer van dit boek, portretten van gewone bijzondere New Yorkers, literaire antropologie, indianen, kermisklanten, alcoholisten in het interbellum aan de rafelranden van New York, fraai vertaald door Dirk Jan Arensman.

    Wie naar mijn idee bijna ondergesneeuwd is in het landschap van de Amerikaanse literatuur is John Irving. Toch zijn zijn meesterwerken The World According to Garp en The Cider House Rules en een paar andere, echt geweldig. Zo leerde ik Amerika kennen. Ook Jonathan Franzen noem ik graag als de  schrijver van echte Great American Novels. En heb ik Amerika beter leren kennen door erg van Paul Auster te houden. Nu ga ik eerst maar eens kijken of er nog genoeg van Amerika te houden is onder The Donald die als eigenzinnige kwaliteit minstens heeft dat hij er weinig om maalt of hij wel aardig gevonden wordt. Een man als Babbitt van Sinclair Lewis dus, nog zo’n Amerikaanse grootheid, zodat ik er met Thomas Wolfe (Daal neder, Engel) en Sherwood Anderson (Winesburg, Ohio) nog net op de valreep een paar Amerikaanse klassiekers ingefietst krijg.

    In Amerika is het Nooit Genoeg!

    McSorley's wonderbaarlijke saloon
    Auteur: Joseph Mitchell
    Uitgeverij: Uitgeverij Van Oorschot
  • Fijngevoelige portretten

    Fijngevoelige portretten

    Romeinse koorts is een bundeling van verhalen van de Amerikaanse schrijfster Edith Wharton (1862-1937). De meeste verhalen gaan over rijke vrouwen die worstelen met onzekerheden over hun sociale status of de visie van hun man of minnaar op hen. Ze voelen zich afhankelijk van de mening van de ander.

    Als een schets van de sociologische laag waartoe de personages behoren is Romeinse koorts zeer geslaagd. Wharton weet empathie op te wekken voor de veelal verwende figuren uit haar teksten die niet lijken te beseffen hoe bevoorrecht zij zijn.

    De personages uit deze bundeling lijken zich in het geheel niet te schamen voor hun rijkdom of voor het gegeven dat zij personeel in dienst hebben: dat wordt als vanzelfsprekend gepresenteerd. Het zou zeker wat hebben toegevoegd als Wharton extra aandacht had besteed aan het perspectief van de ‘bedienden.’  Slechts in twee of drie verhalen staat de wisselwerking tussen personeel en werkgever/werkgeefster centraal.

    Soms is het stramien waarop de verhalen zijn gebaseerd iets te duidelijk zichtbaar, is de vertelkunst van Wharton te nadrukkelijk. Zo wordt in het titelverhaal wel erg duidelijk toegewerkt naar een pointe in de slotzin. Verder spelen zaken als de ziekte van een compagnon, immobiliteit als gevolg van een val, of het medische verbod wijn te drinken een belangrijke rol in de teksten: deze gegevens maken de plot van het verhaal telkens mogelijk, het is te duidelijk dat de schrijfster ze puur met die reden introduceert.

    De verhalen ‘Granaatappelpitjes’ en ‘Allerzielen’ hebben een bovennatuurlijke thematiek die een welkome afwisseling vormt op de andere teksten waar het gaat om een aards realisme, aangaande status, liefde en afhankelijkheid. Deze beide verhalen laten zien dat Wharton vele facetten van het schrijverschap beheerst, wat ook blijkt uit het slotverhaal van deze bundel, ‘Xingu.’ Daarin betoont ze zich een groot humoriste in haar beschrijving van een ontmoeting van een snobistische lunchclub van niet al te snuggere vrouwen.

    De verhalen zijn goed vertaald door Lisette Graswinckel, zodat ook de stijl tot zijn recht komt. Niet alle in deze stijl gevatte inzichten spreken echter voor de moderne lezer nog tot de verbeelding. Een zin als ‘Niets is voor een man ondoorgrondelijker dan het denkproces van een vrouw die vanuit haar emoties redeneert’ (213), neigt naar het clichématige, al mag er natuurlijk niet zonder meer vanuit worden gegaan dat de visie van het personage die van Wharton is. Veel interessanter is de volgende passage over twee ongetrouwde geliefden: ‘Ik denk weleens dat twee mensen die elkaar liefhebben alleen voor waanzin behoed worden door alles wat tussen hen in komt te staan –kinderen, verplichtingen, bezoekjes, saaie mensen, familie – alles wat getrouwde mensen van elkaar afschermt. We zijn elkaar te na geweest, dat was onze zonde. We hebben elkaars naakte ziel gezien.’ (228) Ook mooi is de volgende beschrijving van een man die contempleert over het gegeven dat zijn vrouw twee maal eerder getrouwd is geweest: ‘Hij bezat aandelen in de persoonlijkheid van zijn vrouw, en zijn voorgangers waren zijn zakenpartners.’ (252)

    Elk verhaal uit deze bundeling is de moeite waard. Wharton komt met fijngevoelige portretten van de personages, waarbij de subtiliteiten die de menselijke levensvorm zo boeiend maken – deze is zo veel meer dan slechts een ontspoorde aap – goed uit de verf komen. Ze laat zien dat onzekerheid over relaties en sociale conventies van alle tijden zijn.