• Oogst week 3 – 2026

    De Jood Süss

    De roman De jood Süss van Lion Feuchtwanger (München 1884 – Los Angeles 1958) is ruim honderd jaar geleden voor het eerst verschenen. Hij werd indertijd in Duitsland enthousiast ontvangen. Ook in de Nederlandse vertaling was het boek indertijd een succes.
    De Jood Süss vertelt het verhaal over de opkomst en ondergang van de historische figuur Josef Süss Oppenheimer aan het hof van het hertogdom Württemberg. Als hoffinancier had hij een belangrijke en invloedrijke functie, maar hij bleef desondanks ‘maar’ een Jood, met alle narigheid van dien.

    Toen de Nazi’s in ’33 de macht overnamen in Duitsland was Feuchtwanger toevallig in het buitenland. Hij had de machtsovername niet zien aankomen. Hij besloot niet meer naar Duitsland terug te keren maar naar Frankrijk te reizen waar hij in 1940 alsnog gearresteerd werd. Tocht lukte het hem om naar de Verenigde Staten te vluchten.

    Let op: de film die Joseph Goebbels in 1940 liet maken heeft niets te maken met het boek van Feuchtwanger. Goebbels maakte een antisemitische film. Dat is het boek zeker niet.
    De jood Süss is deel 25 in de reeks Kritische Klassieken van Uitgeverij Schokland. De Nederlandse vertaling werd herzien door Hermien Manger en Nils Buis.

    De Jood Süss
    Auteur: Lion Feuchtwanger
    Uitgeverij: Uitgeverij Schokland (2025)

    Mensen in de oorlog

    De Oostenrijks-Hongaarse schrijver en pacifist Andreas Latzko (Boedapest 1876 – Amsterdam 1943) groeide op in Boedapest maar vertrok in 1901 naar Berlijn. Niet omdat hij nou zo graag naar het front wilde maar omdat hij uit eigen ervaring wilde kunnen getuigen, meldde hij zich aan als vrijwilliger. Hij stelde zich ten doel om de oorlog zodanig reëel te beschrijven dat het voor de lezer invoelbaar werd wat oorlog betekent: waanzin, onrecht en menselijk lijden.
    In 1916 moest hij noodgedwongen het front verlaten. Hij was volledig ingestort. Hij herstelde in Davos. Daar begon hij aan het schrijven van Mensen in de oorlog, een anti-oorlogsboek dat in 1917 gepubliceerd werd en daarna in vele talen werd vertaald. In alle oorlogvoerende landen werd het boek verboden.

    In 1920 verhuisde Latzko naar Salzburg, daarna, vanaf 1931 woonde hij in Amsterdam, waar hij in 1943 overleed. Samen met het veel bekendere Van het westelijk front geen nieuws van Erich Maria Rilke is Mensen in de oorlog een van de meest indrukwekkende anti-oorlogsboeken uit die tijd.

    Hij opende zijn boek met de zin: ‘Ik weet zeker dat eens de tijd zal komen waarin iedereen net zo denkt als ik’. Je zou willen dat hij gelijk had gekregen.

    Mensen in de oorlog
    Auteur: Andreas Latzko
    Uitgeverij: Uitgeverij Jurgen Maas (2025)

    Uit tallozen, jij

    Welke boeken hebben je zo geraakt dat je kan zeggen dat ze je gevormd hebben? Het is een uitdagende vraag en kan in menig clubje boekenliefhebbers tot boeiende gesprekken leiden.

    Columnist en schrijver Eric de Rooij maakte er een boek van: Uit tallozen, jij gaat over boeken die hem sinds zijn vroegste jeugd geïnspireerd en geraakt hebben, en hem gemaakt hebben tot wie hij is. En waarom dat zo is.

    De Rooij schreef columns voor Literair Nederland en voor Tzum. Deze en andere stukken bewerkte De Rooij, zij vormen de basis voor Uit tallozen, jij, maar het boek bevat ook veel nieuw werk. Zijn homoseksualiteit is aanwezig in zijn eerdere werk (bijvoorbeeld in De wensvader en Augustus), maar ook weer in de stukken in Uit tallozen, jij.
    Schrijvers die o.a. voorbijkomen in Uit tallozen, jij zijn o.a. Jacques Martin, Edgar Rice Burroughs, Willem Elsschot, Etty Hillesum, Mohammed Mbougar Sarr, Tove Ditlevsen, Louis Couperus, Andrew Holleran, Tom Lanoye, J.J. Voskuil, Didier Eribon, Natalia en Carlo Ginzburg, Ismael Kadare, Joke Hermsen, Hans Warren, Michael Ignatieff, Bart Moeyaart, Bryan Magee, Maaike Meijer.

    Uit tallozen, jij
    Auteur: Eric de Rooij
    Uitgeverij: Uitgeverij Kleine Uil
  • Wrange getuigenis

    Wrange getuigenis

    Het aantal schrijvers, dat de Tweede Wereldoorlog tot onderwerp voor een roman heeft gekozen is aanzienlijk. Boeken over de situatie in het Duitsland van de Weimarrepubliek in de jaren dertig zijn er ook legio. Maar Lion Feuchtwanger (1884 – 1958) maakte die tijd van zeer nabij mee en daarmee is zijn roman De erven Oppermann een getuigenis. Eigenlijk is het het tweede deel van een trilogie, waarvan Succes het eerste en Exil het laatste deel is. Feuchtwanger zag al spoedig wat de nazi’s van plan waren en hij vluchtte via Frankrijk naar de Verenigde Staten. Het boek verscheen aanvankelijk in 1933 onder de titel Die Geschwister Oppenheim omdat een nationaal socialist met de naam Oppermann, niet met joden geassocieerd wenste te worden in het nazistische Duitsland. Ook de Nederlandse eerste druk van Querido heette De erven Oppenheim Na de oorlog heette het boek weer gewoon Die Geschwister Oppermann (De erven Oppermann) en het werd een groot succes.

    Fictieve werkelijkheid
    De personen uit het boek zijn door Feuchtwanger verzonnen. Dat had destijds al minstens één belangrijke reden: Feuchtwanger wilde bestaande personen niet in moeilijkheden brengen. Achterin het boek staat een ‘Naschrift’ van de auteur bij de eerste druk:

    Niet één van de personen uit dit boek heeft ‘bestaan’ in die zin dat zijn naam voorkomt in de archieven van de burgerlijke stand binnen de grenzen van het Duitse Rijk in de jaren 1932/1933. Tezamen vormen zij echter werkelijkheid.’

    En die laatste zin is essentieel, want ook al zijn de personages min of meer verzonnen, omdat Feuchtwanger de situatie in Duitsland meemaakte in 1933 kon hij alles in een huiveringwekkend echt decor plaatsen. Een decor overigens dat steeds benauwder en angstaanjagender wordt naarmate de tijd verstrijkt.

    De familie Oppermann wordt gevormd door de broers Gustav, Martin en Edgar en hun zuster Klara met aanhang en kinderen. Gustav en Martin zijn leidinggevende mannen in een meubelfabriek, destijds gesticht door hun grootvader. Gustav, Martin en Edgar zijn tegengestelde persoonlijkheden en dat jaagt de spanning in het boek op. Hoe gaan zij reageren op de dreigingen van het nieuwe bewind? Martin is een tobber, maakt zich voortdurend zorgen over het reilen en zeilen van het bedrijf. Gustav is luchtiger van aard, jaagt achter de vrouwen aan en hij zou graag een mooi boek schrijven, maar het ontbreekt hem aan discipline. Edgar staat buiten het bedrijf, is vooraanstaand medicus en heeft een nieuwe operatietechniek voor strottenhoofdkanker ontwikkeld.

    Woekerende schimmel
    Als een sluipend vergif druppelen de pesterijen en maatregelen van het naziregime de wereld van de broers binnen. Ze zijn joods en denken aanvankelijk nog de dans te kunnen ontspringen. Maar al spoedig krijgen ze te maken met een omgeving die in eerste instantie nog redelijk onschuldig lijkt, maar hen uiteindelijk buitensluit en brutaliseert. De joodse verkoper van het meubelhuis is een slachtoffer. Hij wil zich van zijn spaarcentjes nieuwe tanden laten aanmeten net zo glanzend als de ivoren wachters van zijn SA buurman. Aanvankelijk lijken ze nog aan elkaar gewaagd, want ze hebben nu allebei een stralend mooi gebit. Maar het bruinhemd is toch spoedig in het voordeel. Hij is geen jood, schreeuwt en bralt wanneer hij maar wil. Zo erg zelfs, dat het gebrul door de muur van het appartement van de verkoper heen klinkt. Het appartement van de SA-er wordt gratis door de bange huiseigenaar opgeknapt. De vochtplek op de muur van de joodse verkoper kan zich uitbreiden omdat diezelfde huiseigenaar er niets aan doet. Angstig als hij is om voor jodenvriend te worden uitgemaakt. De vochtplek, schimmel, staat ook voor het aantal aanhangers van het foute regime, dat zich steeds verder uitbreidt.

    Het land van Schiller en Goethe
    Gustav gelooft lange tijd dat het met het antisemitisme zo’n vaart niet zal lopen. Hij gelooft aanvankelijk nog in de redelijkheid van de mensheid en denkt dat die in Duitsland, het land van Schiller en Goethe, zal overwinnen. Aan een vriend leest hij stukken voor uit Mein Kampf en De protocollen van Sion. Het laatste boek De Protocollen van de wijzen van Sion is een van de meest anti-joodse en antisemitische geschriften ooit, graag geciteerd door antisemieten.

    De waarschuwingen voor het naziregime slaat Gustav in de wind. Dat komt omdat de fabriek aan het Duitse leger leverde tijdens de Eerste Wereldoorlog. De arme Gustav denkt dat dit in zijn voordeel zal werken, vooral omdat hij een portret van een veldmaarschalk in zijn kantoor aan de muur heeft hangen. En omdat zijn broer is gesneuveld in deze oorlog. Maar de nazi’s hebben daar geen boodschap aan. Ze pakken zijn geld af en sluiten zijn winkels.

    Er druppelen steeds meer berichten binnen van joden en communisten, die worden geïnterneerd en gemarteld. Na afloop van de behandeling moeten ze bedanken voor de goede behandeling en betalen voor het eten, dat zo smerig was, dat een varken het zou laten staan. Ook Edgar, beroemd arts en professor, wordt gedwongen zijn werk neer te leggen.

    Alles wordt aangegrepen om de familie te belasteren, zelfs een spreekbeurt op school  van Martins zoon wordt opeens gezien als ‘gevaarlijke antipropaganda.’ Het net sluit zich.

    Kapot gemaakt
    Wat in lange tijd is opgebouwd door de familie, wordt in korte tijd door de nazi’s kapot gemaakt. Er blijft hen niets anders over dan te vluchten. Weg te komen uit hun vaderland. Ze nemen de benen naar Parijs, Palestina, Bern, naar alle windstreken. De berichten die hen bereiken uit hun Heimat zijn een zwarte slagschaduw op hun bestaan. Ze zijn nooit helemaal verlost van angsten en frustraties. In Zwitserland probeert Gustav een soort verzetsbeweging te stichten, maar dat vindt maar weinig weerklank. En in Duitsland zelf al helemaal niet. De Duitsers moeten zorgen voor hun dagelijkse brood en voelen niet veel voor verzet tegen een alom aanwezig repressief regime.

    Een uiterst precies geschreven en huiveringwekkende getuigenis van een regime dat zoveel onheil bracht over de mensheid en waarvan de kiemen nog steeds in onze tijd aanwezig zijn, helaas.

     

  • Lezen met voorkennis

    Lezen met voorkennis

    In de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw was de Duitser Lion Feuchtwanger (1884 – 1958) een grote naam in de literaire wereld. In zijn eigen land kwam hij echter steeds meer onder druk te staan. Toen zijn roman Succes in 1930 verscheen, weigerden sommige Duitse boekhandels het te verkopen en vertegenwoordigers van de uitgeverijen werden soms hardhandig de deur uit gewerkt. Met Succes was de joodse Feuchtwanger op de nationaalsocialistische tenen van de Duitsers gaan staan, en dat werd hem niet bepaald in dank afgenomen.

    In 1931 schreef de krant van Hitlers NSDAP, de Völkischer Beobachter een recensie over de roman en sloot deze af met het dreigement dat de auteur hiermee zijn toekomstige emigrantenpas rijkelijk verdiend had. Twee jaar later, in 1933, werd dit dreigement uitgevoerd. Hitler greep de macht en op de allereerste lijst van ongewenste personen die het naziregime opstelde, stond Feuchtwangers naam.

    Door een gelukkig toeval bevond Feuchtwanger zich op dat moment niet in Duitsland maar in de Verenigde Staten waar hij aan een lange lezingentournee bezig was. Toen Hitler de macht greep werd het hem duidelijk dat hij niet meer terug kon.

    Net als in Duitsland verscheen Succes in Nederland in 1930. De dichter Anthony Donker (pseudoniem van Nico Donkersloot) had de meer dan 600 bladzijden razendsnel vertaald en literatuurkenners als Menno ter Braak, Hendrik Marsman en Victor E. van Vriesland schreven er over.

    Ter Braak vond, kort gezegd, de roman stom vervelend. Zijn vriend E. du Perron deelde die mening en noemde Succes in een brief ‘een dom, dik boek’. De dichter Hendrik Marsman vond het lezen zelfs een kwelling en kwam niet verder dan de helft. Van Vriesland daarentegen was laaiend enthousiast. Volgens hem gaf het boek een prachtig tijdsbeeld weer.

    Succes is nu opnieuw uitgegeven in de oorspronkelijke, wat opgepoetste vertaling van Anthony Donker. Het is interessant om 82 jaar na de eerste verschijning te kijken waarom de nazi’s zo boos waren op dit boek en in hoeverre Ter Braak, Du Perron en Marsman gelijk hadden in hun kritiek. Had Lion Feuchtwanger echt zo’n slechte roman geschreven, of lezen wij dit boek tegenwoordig heel anders dan de critici in 1930? Het laatste is zonder meer het geval. De nazi’s waren boos geworden op de inhoud van de roman, Ter Braak, Du Perron en Marsman stoorde zich vooral aan de vorm.

    In zijn essay Het Schrijverspalet, dat men kan waarderen zonder het er mee eens te zijn, rekent Ter Braak keihard af met Feuchtwanger. Ter Braak had een uitgesproken afkeer van beschrijvingen in de literatuur en hij vergeleek Feuchtwangers stijl met die van een filmregisseur – en dat was niet complimenteus bedoeld. Ter Braak hekelde de onpersoonlijke, documentaire stijl die Feuchtwanger in Succes hanteerde: ‘Zou het iemand schokken, als men hoorde, dat drievierde van Erfolg door Feuchtwanger’s generalen staf in het bijkantoor was vervaardigd?’

    Ook Marsman bekritiseerde uitsluitend de vorm van de roman en liet de inhoud onbesproken. Dat is merkwaardig omdat juist de politieke inhoud van Succes zo opmerkelijk is. De nazi’s in Duitsland maakten zich niet voor niets kwaad over dit boek. Een gegeven waarvan het drietal Ter Braak, Du Perron en Marsman in 1930 de relevantie nog niet inzagen. Weinig mensen hadden duidelijk geen idee wat deze roman hen over de te komen jaren probeerde duidelijk te maken.

    Succes is een sleutelroman (alleen van Vriesland merkte dat op)  waarin onder meer de opkomst van Hitlers NSDAP en zijn mislukte poging tot een staatsgreep in 1924 versleuteld beschreven worden. Tegelijkertijd is Succes ook een historische roman over een periode in de geschiedenis van Beieren die, op het moment dat het boek verscheen, nog maar zes jaar oud was. Feuchtwanger stopt de roman vol met weetjes die voor lezers uit 1930 overbekend en zelfs vervelend zullen zijn geweest, maar nu overkomen als fraaie, historische details.

    Het boek begint met het verhaal van de kunsthistoricus en conservator Martin Krüger die door het Beierse gerecht wordt veroordeeld voor meineed en daarvoor drie jaar onschuldig vast komt te zitten. De ware reden voor zijn veroordeling is een door hem georganiseerde schilderijententoonstelling die de politieke elite in het verkeerde keelgat is geschoten. Krüger wordt gezien als iemand die de moraal ondermijnt, een subversieve geest die monddood moet worden gemaakt. Hij is een slachtoffer van een onverdraagzaam, politiek systeem.

    Krüger is echter niet de hoofdpersoon van de roman. Feuchtwanger beschrijft in korte hoofdstukken de gebeurtenissen vanuit het gezichtspunt van een aantal personen, van wie er niet één de hoofdrol opeist. Het gebrek aan een echte hoofdpersoon heeft als nadeel dat er weinig is na te voelen en de roman doet zeker in het begin daarom wat zielloos aan. Maar het is Feuchtwanger duidelijk te doen om het weergeven van een tijdsbeeld en het volgen van personen wordt daaraan ondergeschikt gemaakt.

    Het proces van Krüger en zijn uiteindelijke veroordeling geeft een uitermate zwart beeld van de Beierse justitie tijdens de Weimarrepubliek. Krüger wordt met een valse getuigenis veroordeeld voor een zaak die niets te maken heeft met de door hem tentoongestelde schilderijen. Het vonnis staat van te voren vast, de rechters zijn allesbehalve onafhankelijk en het is de Beierse minister van Justitie die achter de veroordeling van Krüger zit.

    Krüger verdwijnt na zijn veroordeling gaandeweg wat meer naar de achtergrond om meer ruimte te maken voor een aantal personen uit de Münchense rechtspraak, politiek en cultuur. Het onrecht dat Krüger is aangedaan lijkt ook wat te verbleken wanneer het politieke klimaat in München duidelijk verhardt en de straffeloosheid toeneemt.

    Een aantal van Feuchtwangers personages komt in de ban van een zekere Rupert Kutzner en zijn beweging van de Nieuwe Duitsers. Het is niet moeilijk om in Kutzner Adolf Hitler en in zijn beweging de NSDAP te herkennen en de moderne lezer weet dan ook wat komen gaat. De Ware Duitsers gebruiken geweld en antisemitisme als politiek middel en schrikken ook niet terug voor het vermoorden van politieke tegenstanders.

    Krügers lot blijft echter toch de rode draad in de roman. Ondanks het groeiend aantal misdaden van de Ware Duitsers en de sfeer van straffeloosheid blijft Feuchtwanger stilstaan bij het onrecht van een enkeling. Ieder mens telt, zo luidt de eenvoudige boodschap.

    Kutzners Ware Duitsers zorgen ervoor dat de spanningen in de tweede helft van de roman enorm oplopen. Tegelijkertijd wakkert de enorme hyperinflatie de onrust nog eens verder aan. Beiden ontwikkelingen komen samen tot een bijna rampzalig hoogtepunt dat ook de plot van de roman vormt. De dollar wordt miljarden mark waard en Kutzner doet in een bierhal een greep naar de macht. Maar aan beiden crises wordt het hoofd geboden. Kutzners staatsgreep mislukt en de hyperinflatie verdwijnt door maatregelen uit Berlijn als sneeuw voor de zon.

    Er is weinig door Feuchtwanger bedacht als het om deze twee crises gaat. Hitlers staatsgreep in de Bürgerbräukeller in 1924 mislukte, en de genoemde wisselkoersen komen rechtstreeks uit de krant van die tijd. Een aantal figuren die een rol speelt in Kutzners couppoging is dan ook te herleiden tot historische personen. Gustav von Kahr, de Beierse politicus die grote sympathie had voor Hitler maar desondanks diens staatsgreep deed mislukken, wordt in de roman Franz Flaucher genoemd. De fictieve generaal Vesemann is te herleiden tot de destijds zeer bekende Generaal Ludendorff.

    Behalve rond Kutzner/Hitler zijn er in de roman nog andere personen van wie het aardig is de sleutel te kennen. Krügers vriend Kaspar Pröckl lijkt bijvoorbeeld sterk op Berthold Brecht, Feuchtwangers vriend en collega. En de figuur Balthasar Hierl is gebaseerd op de komiek, schrijver en regisseur Karl Valentin.

    Ook een aantal kleinere gebeurtenissen in de roman vertonen grote overeenkomsten met historische feiten. De moord op het dienstmeisje Amalie Sandhuber, in de roman straffeloos gepleegd door de Ware Duitsers, is gebaseerd op de dood van Maria Sandmayer. En één van de schilderijen die Krüger tentoonstelt en hem zo veel problemen brengt, doet sterk denken aan een kruisbeeld van Ludwig Gies, dat voor de opkomst van de nazi’s al tot woedende reacties aanleiding gaf.

    Helaas bevat de nieuwe uitgave van Succes uitsluitend de tekst van de roman. Er is geen inleiding, geen nawoord of index en wie meer wil weten over de sleutels in deze roman, zal het internet op moeten. Dat is een gemiste kans want er valt veel te zeggen over Succes.

    Met de stijl van Feuchtwanger valt het overigens reuze mee. Langdradig saai wordt de roman nergens, al had het hier en daar best wat korter gekund. In de eerste honderd bladzijden worden weliswaar veel personages geïntroduceerd, maar Feuchtwanger verdient een compliment voor het voorkomen van verwarring; de roman blijft erg overzichtelijk.

    Ter Braak heeft trouwens wel een punt wanneer hij wijst op het, volgens hem ergerlijk gebruik van bijvoeglijke naamwoorden, die vaak in twee- of drietallen voorkomen. Inderdaad kom je af en toe een lelijke zin tegen als: ‘De mooie, zinnelijke vrouw sprak, met diepe, rustige stem in de nacht.’  Maar zo slecht geschreven als Ter Braak wil doen geloven is deze roman allerminst.

    Het is verleidelijk om naar aanleiding van Succes te beweren dat men in 1930 had kunnen weten dat Hitlers een groot gevaar voor de wereldvrede zou worden. Maar zo eenvoudig ligt het toch niet. Aan de motieven van Hitler hoefde weliswaar niemand na het lezen van Succes nog te twijfelen maar Feuchtwanger eindigt zijn roman opmerkelijk genoeg erg hoopvol. Nadat de gevaren van Kutzners staatsgreep en hyperinflatie zijn geweken beginnen de verschillende hoofdpersonen voorzichtig te bouwen aan een betere toekomst. Alsof de nazi’s hun enige kans op de macht hadden laten mislukken en hun ‘beste’ tijd gehad hadden. Die hoop doet na 82 jaar bijna pijnlijk naïef aan en bevestigt tegelijkertijd het idee dat we met kennis van de geschiedenis heel anders lezen.