• Weinig verrassend verhaal over moederschap

    Weinig verrassend verhaal over moederschap

    Leslie Jamison (1983) oogstte veel lof met Ontwenning, dat over haar alcoholverslaving gaat. Ook in haar nieuwste roman Splinters: Een ander soort liefdesverhaal vormen autobiografische elementen de basis. Het boek dat meer als een dagboek aanvoelt dan als een roman is geschreven in een ik-perspectief. De drie delen Melk, Rook en Koorts bevatten geen hoofdstukken. Ze worden alle drie ingeleid door een groot aantal nogal onsamenhangende vragen waarvan de lezer pas aan het eind van ieder deel de relevantie zal begrijpen.

    Het boek start met de scheiding van ik-personage Leslie en haar echtgenoot die C. genoemd wordt. Ze hebben een dochter van dertien maanden oud. Leslie is schrijfster en geeft les aan studenten van de universiteit. Hoofdpersonage Leslie heeft evenals schrijfster Jamison een verleden met een eetstoornis en een alcoholverslaving. Ze heeft als kind erg last gehad van de scheiding van haar ouders en de slechte band met haar vader waar ze jarenlang weinig contact mee heeft gehad.

    Tatoeage

    Ondanks jarenlange relatietherapie ziet Leslie het op een gegeven moment niet meer zitten om met C. verder te gaan. Hij van zijn kant heeft veel moeite met de scheiding, zijn liefde is zeker nog niet voorbij. Het is zijn tweede huwelijk, zijn eerste vrouw is overleden aan kanker. Nadat Leslie en hij een jaar samen waren, heeft hij zelfs haar gezicht op zijn biceps laten tatoeëren. Het huwelijk van Leslie met C. lijkt in de flashbacks redelijk harmonieus. Je vraagt je eigenlijk af waarom het mis is gegaan. Pas halverwege het boek, na de scheiding, valt te lezen dat C. ‘vreselijk kwaad’ geweest zou zijn en dat Leslie ervoor gekozen heeft om ‘gelukkiger’ te willen zijn. Het is jammer dat het personage van C. niet iets meer uitgewerkt is, maar dat hangt ook deels samen met de keuze voor het perspectief.

    Gebruiksaanwijzing

    Het eerste deel van het boek is verreweg het meest interessante. Leslie is een jonge moeder die de gebruiksaanwijzing van haar kind leert kennen. Het meisje huilt veel, is een keer raadselachtig ziek, er moeten nachtvoedingen gegeven worden, maar er is vooral onvoorwaardelijke moederliefde. Het levert regelmatig mooie zinnen op: ‘Eenmaal thuis uit het ziekenhuis tornde mijn baby een naad los in de nacht en trok me de duisternis ervan in – die stille uren tussen twee en zeven, wanneer ze op mijn borst lag te slapen en ik reality-tv over ambitieuze Australische modellen op had staan, terwijl ik ondertussen door onze woonkamer ijsbeerde en naar het verlichte raam in onze straat keek, me afvragend wie? En waarom?

    Leslie neemt het kleine meisje graag mee naar musea. Na verloop van tijd gaat ze weer aan het werk en neemt ze haar dochter mee op tours om haar boeken te promoten (dat gaat om zo’n 30 vluchten op jaarbasis) of schakelt ze haar moeder in als oppas. Ze komt vooral tot de ontdekking dat ze zich verscheurd voelt tussen haar werk en de liefde voor haar dochter. Schuldgevoelens jegens het kind maar ook jegens haar studenten en haar kunst wisselen elkaar af. Voor iedereen die kinderen heeft zal het heel herkenbaar zijn, maar voor Leslie is het alsof zij de enige op de wereld is die zich in een dergelijke spagaat bevindt.

    Het co-ouderschap valt haar eveneens zwaar, maar – weinig verrassend – vindt ze na verloop van tijd toch ook wel weer prettig omdat ze daardoor tijd voor zichzelf heeft. Ze spiegelt zichzelf regelmatig aan kunstenares Marina Abramović, die drie abortussen gehad heeft omdat ze zeker wist dat moederschap rampzalig zou zijn voor haar werk. ‘Je hebt maar zoveel energie in je lichaam en dan zou ik die moeten verdelen.’ Leslie komt in het eerste deel over als een vrij egocentrische vrouw en lijkt daar zelf ook last van te hebben: ‘Mijn lichaam klotste van de hormonen en hun brullende, tegenstrijdige waarheden: ik was een lankmoedige, juice-ontzegde heilige, of anders was ik een monster dat door ijdelheid geregeerd werd en het nauwelijks verdiende te leven. Mijn innerlijke monologen klonken als een klootzak die veel te hard tegen een buitenlander aan staat te praten.’

    Foute man

    In het tweede deel, Rook, is de fase van de moedermelk voorbij. Het gaat dan veel over een nieuwe relatie met een overduidelijk foute man en wederom over de schuldgevoelens waar ze last van blijft hebben. Regelmatig bekruipt je als lezer het gevoel dat je sommige dingen al eerder hebt gelezen en dat er weinig nieuwe elementen aan het verhaal toegevoegd worden. Dat geldt ook voor het laatste deel dat zich afspeelt gedurende de lockdowns vanwege COVID.

    Samenvattend is Splinters een enigszins teleurstellende leeservaring. Het schetst weliswaar in vaak fraai gekozen taal het dilemma waarvoor kersverse ouders zich geplaatst zien wanneer ze hun aandacht moeten verdelen tussen werk en gezin. Het feit dat dat gegeven in dit boek ook nog eens gepaard gaat met een echtscheiding is een extra complicatie, maar ook weer niet uniek. De onvoorwaardelijke liefde die Leslie voelt voor haar dochter en de prijs die ze voor het moederschap moet betalen zijn mooi beschreven en herkenbaar. Helaas roept het hoofdpersonage op een gegeven moment eerder irritatie dan empathie op en wordt er veel herhaald. Wellicht zou de boodschap van ‘een ander soort liefdesverhaal’ beter zijn overgekomen wanneer het boek zo’n honderd bladzijden korter was geweest.

     

     

  • Heilzaam kaderen

    Heilzaam kaderen

    Er zit iets troostrijks in hoe weinig het dagelijks leven op literatuur lijkt – omdat het leven te rommelig is, te weinig gestileerd, doorgaans zit er weinig betekenis in de uren die we doorbrengen op het toilet, in de metro of in de badkamer als we WhatsAppend onze tanden flossen. Pas achteraf maken we er een verhaal van, leiden we gebeurtenissen in en wikkelen ze zorgvuldig af, hechten waarde aan details en ziedaar, ineens vormt het leven een geheel. Achteraf kun je dingen tussen de regels plaatsen, terugbladeren en een aanwijzing vinden op pagina vier: toen begon het.
    Iemand vertelde me over hoe mensen enkele dagen voor hun plotselinge overlijden ineens iedereen in hun omgeving een hand gaven of omhelsden, als een weten zonder weten. Ook dat is iets wat achteraf pas ingevuld wordt, dan pas zijn kleur krijgt. Maar maakt het opmerken van die hand wat uit? Wat schieten we op met de onzalige vraag of we het hadden kunnen zien aankomen? 

     Na De gulheid van de zeemeermin kocht ik JezusZoon. De verhalen van Denis Johnsons hebben iets onweerstaanbaars echts. Ze zijn rommelig en rauw, soms breekt de verteller door de vierde wand om de lezer rechtstreeks aan te spreken: ‘En jullie, jullie bespottelijke mensen, verwachten van mij dat ik jullie zal helpen.’ Er zit een logica in de vertellingen, maar wel een grillige, de logica van het delier. Is JezusZoon een goede afspiegeling van de zelfkant, van een of andere ‘uit het leven gegrepen’ werkelijkheid? Wonderlijk blijft het hoe sommige boeken, of je nu bekend bent met de materie of niet, zo echt kunnen aanvoelen.
    Gelijk denk ik aan Holden Caulfields allergie voor alles wat phony is en aan die tirade die de naamloze verteller in Red ons Maria Montanelli houdt over een pianospelend klasgenootje. Het gaat niet om dat hinderlijke klasgenootje met zijn uitgestreken smoel, het gaat om die woede van de vertellers in beide romans, de rauwheid ervan – die voelt echt. Ook het proza van Denis Johnson leest als het tegenovergestelde van phony. 

     In Ontwenning, haar boek over alcoholverslaving, vertelt Leslie Jamison hoe ze haar aanvankelijke weerstand ten opzichte van de AA overwon toen ze inzag hoe heilzaam het vertellen van hetzelfde verhaal was. Zij haalt, in tegenstelling tot Denis Johnson, de romantiek van de zelfkant af: gebruiken is niet grappig of sexy, het is niet Groots en Meeslepend Leven. Afkicken is moeizaam – en saai. Met het steeds opnieuw vertellen van het eigen verslavingsverhaal en het steeds opnieuw aanhoren van andermans verhalen houdt Jamison zichzelf nuchter. Dat is de kracht achter de AA en misschien wel de kracht achter verhalen in het algemeen.
    Vaak wordt gezegd dat we verhalen van ons leven maken, al dan niet fictief, om gebeurtenissen eruit te begrijpen. Mij lijkt het even waarschijnlijk dat we verhalen maken omdat we de willekeur niet aankunnen. We kaderen om dingen die ons overkomen behapbaar te maken. En wat behapbaar is, zelfs al is het een hand, een teken, daarmee kun je leven.

     


    Marijn Sikken mijmert over lezen, verhalen en literatuur en schrijft daar columns over. Haar debuutroman, ‘Probeer om te keren’ (2017) verscheen bij Uitgeverij Cossee.