• Een tijdsbeeld en hoe dat gaat

    Een tijdsbeeld en hoe dat gaat

    Het eerste wat ik doe is bladeren, op zoek naar herkenbare portretten. Dean Bowen springt eruit als realistisch en goed gelukt zelfportret. En degenen die een foto maakten van henzelf, zoals K. Michel, en van Jente Posthuma, een naakt met koptelefoon op. Ik zie de moeilijkheid van sommige auteurs om een zelfportret te creëren. Adriaan van Dis legde een schakelketting in de vorm van een gezicht, tekende daar neus, mond en ogen in. Thomas Verbogt is niet te herkennen in het gekrabbelde postzegelformaat zelfportret, ook niet als je weet dat hij het is. Bij nader inzien herken ik Nadia de Vries wel in die in uit twaalf potloodlijnen opgetrokken Kubus. En ja, Joost Oomen zie ik ook wel in dat karikaturale tekeningetje.

    Literair tijdschrift De Revisor presenteert meer dan tachtig zelfportretten van schrijvers. Ik blader er zogezegd doorheen. Er zijn schrijvers waarvan ik wel hoorde, maar nooit iets las. Er zijn er waar ik nog nooit van gehoord heb. Deze portretten zijn een (her)kennismakingstocht.

    Daar,  een op de rug getekend persoon, lange haren, kat op rechterschouder. Ha, Rob van Essen. En Ingmar Heytze, nadat ik beeld en de daaronder geplaatste naam bij elkaar heb gebracht, zie ik het ook. En Sasja Janssen met dubbel s, haar kenmerkende bos haren in een paar potloodstrepen verbeeld, herkenbaar. En natuurlijk Lize Spit, een portret zonder gezicht, maar dan, dat opgestoken haar. Herkend worden aan de haardracht is een ding. Laatst kwam ik iemand van lang geleden tegen die zei me te herkennen aan mijn haren, onmiskenbaar herkenbaar.

    Lang geleden, in 1977 plaatste de toenmalige redactie van De Revisor auteurs, verdeeld over twee nummers 79 zelfportretten van schrijvers. Veel schrijvers die toen meededen, zijn overleden. De nog te traceren schrijvers werden in de afgelopen drie jaar geïnterviewd over de voortgang van hun schrijversleven, het literaire veld waarin ze verkeerden. Sommigen publiceren nog steeds (Jan Siebelink,  Mensje van Keulen), de meesten werden uit de vergetelheid losgepeuterd. Soms met enige terughoudendheid, of uit vrees voor een hoestbui een ontmoeting niet zagen zitten. Tot ze, na vasthoudendheid van de interviewer toegaven, de interviewer binnen lieten en eenmaal de kelen geschraapt, niet meer van hun praatstoel loskwamen.

    In een terugblikkend perspectief kwamen vergeten en ondergesneeuwde schrijvers weer boven. Het ontroerde me, al raak ik de laatste tijd wel vaker ontroerd.

    Laatst keek ik op NPO gemist de film ‘Mijn moeder wil niet meer leven’ van Lev Avitan. Op een bepaald moment, in akte III, raakte ik ontroerd, kwamen er tranen. Gisteren keek ik de film opnieuw met mijn jongste dochter die ziek op de bank lag.  Weer raakte ik op hetzelfde punt ontroerd, die tranen. Als Avitan tot zijn moeder spreekt, haar terug wil halen uit de dood. En wat dat zegt, ontroering tot tranen toe.

    Van Avitan is naast een zelfportret een gedicht opgenomen. De kern van zijn teksten treft me in deze strofe,  ‘vriendschap maakt het bestaan van de staat overbodig / omdat het de toename van de capaciteit van een lichaam / om te raken en geraakt te worden exceptioneel cultiveert’.

    Ik herken Nikki Dekker en Jan Glas, samen op dezelfde pagina. Vrouwkje Tuinman heeft enkel aan het brilmontuur in dik aangezette zwarte lijnen, en de sterk gevormde mond genoeg om haar te zien verschijnen. Op de cover het zelfportret van Yentl van Stokkum, linksboven die van Leonieke Baerwaldt. Er is een goede gelijkenis. En Maartje Wortels getekende zelfportret doet denken aan de grillige tekening van Lidy van Marissing uit 1977.

    Cees Nooteboom over zijn zelfportret van toen: ‘Gewoon, zoiets wat je dan een keer doet. En dan op een dag komt er iemand naar je toegereisd om te vragen hoe en wat.’

    Deze nog. Het zelfportret van Obe Alkema is gemaakt via het ‘verbind de punten met elkaar’ tekenen. Wat er dan ontstaat. In elkaar verwarrende lijnen een onherkenbaar portret. Of zie ik  in die ‘verwarde lijnen’ toch iets dat de schrijver kenmerkt? Graag gelezen verhalen van twee schrijvers die ik niet kende, Corinne Heyrman en Eline van Wieren. Zij werden gezien.

    De tijd stilgezet met een zelfportret. Hoe alles nu gaat. En dat er over veertig jaar opnieuw iemand zich gedreven voelt deze schrijvers op te zoeken. Wie er dan nog schrijft, wie er nog een uitgever heeft. En wie van deze schrijvers heeft een onuitwisbare voetafdruk in de literatuur achtergelaten. Schrijven is een zaak van het hart, van overtuiging.

     

     

    De Revisor #45 HET ZELFPORTRET
    De prullenmand heeft veel plezier aan mij, Schrijversportretten toen en nu / Thomas Heerma van Voss / Das Mag (2025)


    Inge Meijer schrijft over de dingen die ze leest en het dagelijkse leven.

     

     

     

     

  • Waagstuk met impact

    Waagstuk met impact

    Het was bijna kerst. Ik dacht aan boodschappenlijstjes, badkamer poetsen, bedden opmaken, verzamelen van ingrediënten. Terwijl ik bloem en suiker afweeg, appels klaar leg, rozijnen in gembersap te weken zet voor mince pies, (vrij naar een recept van de moeder van Jeanette Winterson), zie ik voor me hoe een moeder haar handen om het gezicht van haar kind legt. Met beide duimen veegt ze het kwijl uit haar mondhoeken. Het kind lacht, een grimas waarin enkel de moeder een lach herkent. Een beeld ontstaan uit tekstfragmenten uit Dagen als vreemde symptomen. Over een vrouw die bevalt van een meisje. 

    Wanneer het kind op de borst van de moeder, Sisyphus ligt, bekijkt ze ‘het hoofdje met geronnen bloed en beseft dat dit kind ‘alleen bestaat omdat zij bestaat’ en ‘niks belangrijker zal zijn’ dan de zorg om dit kind. De eerste pagina’s van Dagen als, zijn (ik zei het al) fragmentarisch en begint met ‘Sisyphus vindt een overkoepelende stem’. Waarin ze kiest voor ‘allegorie’ en een ‘caleidoscopische benadering’ van het verhaal dat verteld gaat worden. En ook, ‘Uit elk fragment poetst ze zichzelf tevoorschijn’. Betekenisvolle regels, aanwijzingen voor wie het ziet. 

    Toen de kerstdagen voorbij waren, de mince pies verorberd, bedden afgehaald, was het huis stiller dan ooit. Dat er altijd een missen ontstaat na wat geweest is. 

    ‘Alle vrouwen zijn TOPoverlevers’, plaatste Astrid H. Roemer op social media. Ik denk aan Over de gekte van een vrouw. Een indrukwekkend boek over vrouw zijn in de jaren zeventig. Met een citaat van Albert Helman. ‘Maar de grootste Liefde blijft onbegrepen en niemand heeft ooit durven zeggen, dat daar een stuk van de hemel begon: het eenzaamste stuk…’. Dat liefde nooit gaat over samenzijn. Dagen als, gaat over vrouw, moeder zijn van een meervoudig gehandicapt kind in deze tijd. Dat de mannen uit beide romans Louis heten is een overeenkomst, evenals de beschreven lustgevoelens bij de vrouw, en de man die denkt dat het hem toekomt. Hoe in de  literatuur het ene boek het andere vindt. Hoe geschiedenis zich in vele vormen herhaalt. 

    Als de relatie met haar man kapot is, kan Sisyphus eindelijk met haar dochter op vakantie naar een Grieks eiland. Want kou verslechtert haar toestand. ‘Niet zelden overnachten ze in het ziekenhuis. Haar dochter worstelt tussen de lakens met een of andere infectie. Zuurstofmeter, vochtinfuus, sondevoeding. Sisyphus zit naast het bed, wacht op een nieuw jaargetijde.’ 

    De mythische Sisyphus tartte de goden, moest voor straf met een rotsblok op zijn schouders een berg beklimmen. Eenmaal boven gekomen rolde het rotsblok weer naar beneden, hij opnieuw… Zoals een moeder elke dag opnieuw haar kind liefheeft, verschoont, kleedt, voedt, leert lopen. ‘En dan ziet ze het: de kans dat haar dochter de paar vaardigheden die ze met zoveel moeite heeft weten te ontwikkelen ook weer zal verliezen.’ Waarna hoop verandert in een ‘leeggelopen ballon die richtingloos door de kamer stuitert’. Hoe hoop steeds van richting verandert. Van, ‘Hoop is nu alleen nog maar gewenning.’, en ‘Hoop is een reflex.’, tot ‘Hoop is een roestvrijstalen geluid’. Van die lege rolstoel dus. Het werkt intens.

    Elke dag met die lege rolstoel naar het dagcentrum om haar dochtertje, die daar niet meer is, op te halen. Ze ontmoet een vrouw die haar helpt zich te herinneren wat er gebeurd is. ‘Alles bestaat nog. Ook als het allang verloren is.’ Ook dit werkt intens. 

    En kijk, daar staat het dan toch. ‘Je vindt het fijn als ik je gezicht in mijn handen neem, als ik met mijn vingers de lijnen van je schedel volg, met mijn duimen je wenkbrauwen streel. Je hoofd klapt naar achteren. Je malende kaken ontspannen even.’ Het beeld in mijn hoofd was er een van liefde. Er is ontroering, bewondering ook om de vorm, de kracht van taal en elke witregel die geldt. Een geweldig waagstuk met een geweldige impact. Lees het!

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem en schrijft over wat zich in de kantlijn van de literatuur begeeft.

     

     

     

     

     

     

     

  • Eigenzinnig debuut over de tragiek van vergeten individuen

    Eigenzinnig debuut over de tragiek van vergeten individuen

    In haar debuutroman Hier komen wij vandaan schetst Leonieke Baerwaldt (1985) in zes betrekkelijk korte delen een wereld die net zo grimmig is als de sprookjes waarin sommige van haar personages hun oorsprong vinden. Eén van die personages is de kleine zeemeermin, die ervan droomt de onderwaterwereld te verruilen voor de mensenwereld, waar ze boven alles de sterren wil zien. Tot die tijd verzamelt ze  vreemde voorwerpen die mensen in zee zijn ‘verloren.’ ‘Bestek, batterijen, autobanden. Een marmeren torso vol vastgezogen zeepokken.’ Koppel haar verzameling aan de mensenwereld die haar zussen beschrijven en als lezer denk je: pas op, kleine zeemeermin, want waar mensen wonen is het vies, overvol en lawaaiig, een plek waar de sterren nauwelijks nog zichtbaar zijn.
    Alleen al de beelden waarmee Baerwaldt die mensenwereld neerzet maken de roman het lezen waard. 

    Strompelend door het leven 

    In het boek leren we personages kennen die een marginaal bestaan leiden aan de randen van de maatschappij. Tegen de klippen op proberen ze een leven op te bouwen in een onbarmhartige en vervuilde wereld die hen bar weinig gunt. Allen hebben ze littekens, vaak letterlijk, en allen strompelen ze door het leven, zich vasthoudend aan hoop op een betere toekomst. Zo is er het stel Loek en Brenda. Hij, getraumatiseerd door een verleden van seksueel misbruik, en zij, met een ‘verweerde stem, de tatoeages in haar nek en op haar handen.’ De oordelende blik van de buitenwereld – en die van de eigen binnenwereld – is nooit ver weg. ‘Ze wist wat mensen zagen, ook al was ze jaren terug gestopt met gebruiken.’ Er is niets dat Brenda liever wil dan een baby en een normaal leven. Het stel brengt hun tijd door op een stuk grond te midden van ‘een vuilstortplaats, een afvalverwerkingsfabriek en een grote chemische fabriek’ waar ze een armoedige woonwagen bewonen en Loek ervan droomt een echt huis te bouwen. 

    Ook is er fabrieksarbeider Alex, veertig jaar en nog thuiswonend bij zijn zieke moeder, wier adem ruikt naar ‘de natte geur van oude koffie en versleten ingewanden.’ Zoals Loek van een zelf gebouwd huis droomt en Brenda van een baby, droomt Alex van een aquarium vol kleurrijke vissen die hem troost zullen bieden in een donkere, van schoonheid verstoken wereld. En dan zijn er Miriam en Ondine, de moeder en dochter die zwervend door het boek trekken. Op zoek naar een prins valt Miriam ten prooi aan mannen die haar misbruiken. Prinsen, zo leert haar observerende  dochter Ondine, zijn zeldzaam – kikkers daarentegen zijn er in overvloed.

    Zintuiglijke schrijver

    Baerwaldt hanteert een spaarzame, registrerende stijl en gaat daarbij bijzonder beeldend te werk. Wateroppervlak rimpelt ‘als loszittend vel,’ dode tetra’s drijven tegen de waterspiegel als ‘rubberen badspeelgoed,’ dichtgetimmerde huizen staan tegen elkaar aan als ‘tanden in een scheef gebit.’ Viezigheid en ziekte zijn  alomtegenwoordig. Neem de binnenkant van Loek en Brenda’s woonwagen die grauw ziet van roet. Of de ‘teflonkoorts’ waardoor Alex een week lang misselijk en zwetend ‘lag te trillen in [zijn] nest.’ Om het benauwd van te krijgen. 

    Opvallend is Baerwaldts fascinatie voor vissen, water en de zee die in alles is terug te vinden. In het dreigende ‘waterwezens kunnen zeer wraakzuchtig zijn’, maar ook in de rust wanneer Alex avondenlang naar de vissen in zijn aquarium tuurt ‘totdat hij moe genoeg was om te slapen’, of Loek vissend aan de waterkant zit waar hij zijn problemen laat ‘meedrijven op de stroming van het kanaal’. En dan weer die mooie taal en observaties. De tinteling die langs Ondine’s ‘ruggengraat omhoogborrelt als zuurstof in een watertank.’ Of: ‘Vissen, begreep ik meteen, leven samen zonder elkaar aan te raken.’

    Weerklank van andere verhalen

    Gaandeweg de fragmentarisch opgezette roman, in korte hoofdstukjes en wisselend perspectief, komen de verhaallijnen op een knappe manier samen. Zo ook de twee voornaamste sprookjes waaruit Baerwaldt haar inspiratie putte, De kleine zeemeermin en Van de visser en zijn vrouw. Maar even interessant zijn de echo’s van andere literaire werken. Neem Michael K bijvoorbeeld, hoofdpersoon uit het bekroonde boek Wereld en wandel van Michael K  (J.M. Coetzee), een verschoppeling overlevend aan de rand van de maatschappij die ook hem weinig gunt. De tranen van vreugde die hij ervaart bij het lukken van zijn pompoenoogst doen denken aan die van Brenda. ‘Met haar handen wroette ze in de aarde en woelde alles los tot ze de laatste ui te pakken had. Er kwam een brok in haar keel, tranen trokken modderige sporen over haar gezicht. Ze huilde omdat de grond zo vruchtbaar was.’

    In dit eigenzinnige debuut gebruikt Baerwaldt sprookjes waar sprookjes in essentie voor bedoeld zijn: om te waarschuwen en om waarheden over het menselijk bestaan aan te tonen. In Baerwaldts boek gaat het om de moeilijkheid van communicatie, van echt contact, van omgaan met het simpelweg in leven zijn en het beheersen van onzuivere neigingen. Maar nog het meest om de moeilijkheid van thuis zijn in het eigen lichaam, van thuis zijn in de wereld. In het tragische vijfde deel zien we de kleine zeemeermin die ploeterend door de modder een weg probeert te vinden in de nieuwe wereld boven de zee. Ooit fantaseerde ze ‘over een wereld die zo anders was dan die waarin ze zelf rondzwom.’ Heel herkenbaar, en gek genoeg heel menselijk. 

    Deze week werd bekend dat Hier komen wij vandaan op de longlist van de Libris Literatuur Prijs 2022 staat. Hopelijk komt dit bijzondere boek binnenkort op de shortlist te staan. 

     

     

  • Prins of kikker

    Prins of kikker

    Ik word wakker, denk aan het meisje in het boek, Ondine. Met haar beeldschone moeder, die geen vaste verblijfplaats voor hen kan vinden, trekt ze van adres naar adres. De moeder is koudbloedig (dat kan, ze is een zeemeermin met benen), maar met een hart vol liefde. Ze houdt zoveel van haar kind, dat ze het eens, als pasgeborene uit haar wieg roofde bij het stel dat het eerst van haar had afgenomen. Ondine is een kind als alle kinderen, glashelder observerend, meegaand op de bewegingen om haar heen, vragend naar het waarom. Een meisje met bolle ogen, transparante huid. Sommigen denken dat ze ziek  is, vragen of ze zo geboren is. De schrik van het ongewone met vragen verbloemen. Ondine maakt een lijstje van de man waar ze tijdelijk bij zijn  ingetrokken, hij blijkt niet zo vriendelijk als ze dachten dat hij zou zijn. Ze schrijft op een papiertje, ‘prins of kikker’ (in schrijfletters gedrukt), vertaalt zijn gedrag in het aantal streepjes. Waarbij kikker ver voorloopt op prins. Zo brengt ze haar omgeving in kaart.

    In de badkamer draai ik de douche open, denk aan Loek en Brenda, die in een woonwagen zonder licht en water, op een strook verontreinigde grond wonen. ‘Soms dreven er plotseling vissen omhoog in de sloten en de kanalen, hun bleke, bolle buiken als een onheilspellend voorteken. Maar Loek en Brenda hadden ergere dingen meegemaakt. Ze wilden opnieuw beginnen, ver weg van de levens die ze hadden geleid, de schulden die uitstonden en de mensen die ze waren geweest.’ Dat je je niet om het klimaat kunt bekommeren als jezelf in de shit zit, dat moet ook maar eens duidelijk zijn. Eens vonden ze een meisje naakt in het gras langs het kanaal waar ze hun dagen vissend doorbrachten (vissen is een manier van leven). Dat meisje werd zwanger van Loek (hij wilde het niet, maar ze was zo aanhankelijk).

    Als ik het espressopotje op het gas zet, denk ik aan Alex en zijn ziekelijke moeder. Op een dag treft hij haar dood aan. Dat hij dan niet weet wat hij met haar lijk moet, zogezegd handelingsonbekwaam is, is schokkend inlevend beschreven. Ze spelen nog lang door mijn hoofd, deze verschillende figuren, de oprechte dialogen. Alex nog even, met zijn collega Rick, die hem aanmoedigt het gezag van zijn moeder te ondermijnen. Alex wil een aquarium, zijn moeder niet. ‘Als jij vissen wilt, dan moet je dat godverdomme gewoon doen.’ En Ondine met haar moeder die een bad voor haar hen klaarmaakt. ‘Het water was ijskoud. Ik bibberde en vroeg of er wat warm bij mocht. “Nee,” zei je. “Dan werkt het niet.”‘ De ongerijmdheid van het leven, serieus in vorm gebracht. Geweldig boek, in de zin van sprakeloos, onder de indruk zijn.

    Jeanette Winterson schrijft in haar boek Zwaarte, de mythe van Atlas en Herakles, ‘Sedimentgesteente wordt gevormd in de loop van een tijdspanne waarin de ene laag sediment na de andere op de zeebodem wordt afgezet.’ Ze schrijf: ‘De lagen van het sedimentgesteente zijn als de bladzijden van een boek; op elk ervan staat een verslag van het leven uit die tijd geschreven.’ Ik denk aan dit boek, aan Hier komen wij vandaan.

     

    Hier komen wij vandaan / Leonieke Baerdwaldt /221 blz. / Querido


    Inge Meijer is een pseudoniem, reist met het OV, leest boeken helemaal uit.

     

     

     

  • Oogst week 36 – 2021

    Hier komen wij vandaan

    In Hier komen wij vandaan van Leonieke Baerwaldt (1985) spelen mensen, dieren en alles daartussenin een rol. Zo koopt een fabrieksarbeider van bijna veertig die nog bij zijn moeder woont een aquarium (‘Als jij vissen wilt, dan moet je dat godverdomme gewoon doen,’ zegt zijn collega), maakt de kleine zeemeermin haar opwachting en bouwen twee geliefden samen een huis. Baerwaldt studeerde filosofie en literatuurwetenschappen. Haar werk verscheen onder meer in De Revisor en Papieren Helden. In 2018 won ze de Grote Lowlands Schrijfwedstrijd. Hier komen wij vandaan is een sprookjesachtig en uniek debuut van een auteur van wie we nog veel gaan horen.

    Hier komen wij vandaan
    Auteur: Leonieke Baerwaldt
    Uitgeverij: Querido

    De dood in Taormina

    Arnon Grunberg (1971) behoeft eigenlijk geen introductie. Hij won sinds zijn eerste roman Blauwe maandagen talloze literaire prijzen, zoals de Libris Literatuur Prijs voor Tirza, de Constantijn Huygensprijs en de Gouden Ganzenveer. Zijn nieuwe boek De dood in Taormina is alweer zijn zestiende roman. Het verhaal gaat over de zesentwintigjarige Zelda, die lokeend was bij een jeugdbende en nu een veel te laat antwoord schrijft op een liefdesbrief. Ze reist met een acteur en een cowboy naar Taormina. In deze roman liggen leugens en waarheid dicht bij elkaar, maar is er ook een rol weggelegd voor vergeving en liefde.

     

    De dood in Taormina
    Auteur: Arnon Grunberg
    Uitgeverij: Nijgh & Van Ditmar

    Victorien, ik hou van je

    Kees ’t Hart (1944) schrijft romans, essays, poëzie en verhalen. Hij was redacteur bij De Revisor en recenseert literaire werken voor De Groene Amsterdammer. Prijzen die hij won zijn onder meer de Ida Gerhardt Poëzieprijs en de J. Greshoff-prijs. In zijn nieuwste boek Victorien, ik hou van je (dat bestaat uit verhalen en ontboezemingen) beschrijft hij uiteenlopende werelden: zo reist hij rond met het muziekgezelschap van Toon Tellegen, koopt hij een neppe mitrailleur in Ieper en schrijft hij over een leven vol lezingen en congressen. Of het nu een examenfeest in de jaren tachtig betreft of een lofzang op het Noorden, Victorien, ik hou van je bevat altijd een positieve toon en een open blik.

    Victorien, ik hou van je
    Auteur: Kees 't Hart
    Uitgeverij: Querido