• Auschwitz hangt nog altijd in de lucht

    Auschwitz hangt nog altijd in de lucht

    In het midden van een terrein, twee voetbalvelden groot, is een boksring geplaatst, verlicht door schijnwerpers van de luchtafweerinstallatie. Ertegenover acht rijen stoelen waarop tweehonderd SS-ers van allerlei rang uit Auschwitz en kampen in de buurt. Aan de andere kant van de ring honderd tot honderdvijftig kapo’s (de toezichthouders die de SS aanwees uit de kampbevolking zelf). Ze gaan kijken naar een bokswedstrijd van een soldaat van de Wehrmacht tegen ‘Young’ Perez, een Tunesische bokser die in 1931 en 1932 wereldkampioen vlieggewicht was en nu in Auschwitz verplicht wordt om de nazi’s regelmatig te amuseren: ze willen een portie bloed en geweld zien.
    In Bij ons in Auschwitz heeft Arnon Grunberg een kort stuk opgenomen uit De bokswedstrijd. Overleven in Auschwitz van Paul Steinberg, die tijdens het gevecht verzorger was van Perez. In dat stuk wordt het gevecht beschreven, maar veelzeggend is hoe Steinberg zijn verslag karakteriseert: ‘Als er ooit een surrealistische happening heeft plaatsgehad die de verbeeldingswereld van een Breton, Dalí of Magritte zou hebben getart, dan was het die avond wel’. Hij vraagt zich af ‘of die voor het geestesoog van een menselijk wezen met een gezond bewustzijn wel tot leven is te roepen’.

    Die inleidende opmerking raakt aan de onmacht om de werkelijkheid van Auschwitz aan anderen duidelijk te kunnen maken. Arnon Grunberg nam in de door hem ter gelegenheid van de bevrijding van Auschwitz – 75 jaar geleden – samengestelde bundel Bij ons in Auschwitz 78 fragmenten op die allemaal in meerdere of mindere mate dat onvermogen illustreren. Grunberg zegt er in zijn inleiding behartenswaardige dingen over. Hij haalt Sem Dresden aan: ‘Als het waar is – het is ongelukkig genoeg waar – dat geen kampbeleving en geen getto-ervaring zich indertijd of naderhand in woorden laat vangen, dan zal elke uitdrukking ervan een vorm van behelpen en van onvermogen moeten zijn. Dan blijft alleen over wat ik niet beter weet te benoemen dan indirectheid’. Steinberg moest daarom wel surrealistische schilders te hulp roepen – en wist dat dat behelpen was.

    Dantesk

    De fragmenten zijn geschreven door dertien schrijvers die allemaal in Auschwitz hebben gezeten. Het merendeel van hen overleefde het kamp en deed later een poging om terug te blikken. Er zijn ook fragmenten opgenomen die in het kamp zelf zijn geschreven. Het zijn niet alleen getuigenissen van Joden, maar ook van bijvoorbeeld een verzetsstrijder. Er zijn beschouwende teksten naast herinneringen. Maar in die verscheidenheid is er één constante: alles heeft zich afgespeeld in één kamp, Auschwitz-Birkenau. Dat betekent dat er soms paralellen zijn. De Hongaar Miklós Nyiszli vermeldt een voetbalwedstrijd in het kamp die aan de bokswedstrijd van Steinberg doet denken. En de Pool Wieslaw Kielar spreekt over ‘danteske scènes’, zoals Steinberg het surrealisme nodig had om beelden op te roepen. Diverse auteurs verwijzen naar elkaar waardoor de stukken elkaar versterken.

    Meerdere schrijvers vragen zich af – in de bewoordingen van Grunberg – ‘of de taal Auschwitz aankan, of niet ook de taal van de mensen vernietigd is in de gaskamers en de crematoria’. Die ontoereikendheid van de taal en tegelijk de noodzaak wél taal te vinden, is het centrale thema van Grunbergs inleidende essay. Schrijven over het vernietigingskamp is volgens hem een literaire onderneming omdat die uitgaat van de verwachting dat de schrijver de lezer iets laat meemaken dat hij niet kent. Bij fictie is dat iets dat de schrijver zelf niet eens heeft ervaren, maar in dit geval is er niets bedacht; de voor de lezer onvoorstelbare realiteit moet worden verwoord. Als je genoegen neemt met de onzegbaarheid wordt Auschwitz iets dat in stilte beleden wordt, ‘zoals je met een god doet: het betekent dat je bijdraagt aan de verheerlijking ervan’. Je moet er dus over spreken, maar hoe? En wie mag spreken?

    Sonderkommando’s

    Grunberg heeft gekozen voor teksten van schrijvers die Auschwitz meemaakten en daarover non-fictie hebben geschreven (wat niet wil zeggen dat zij geen romans op hun naam hebben staan, zoals in het geval van Imre Kertész en Primo Levi). Ook gaat het niet alleen om teksten van overlevenden, maar ook om getuigenissen van omgekomenen. Daaronder de leden van de Sonderkommando’s.

    Deze Sonderkommando’s behoorden tot wat Primo Levi in zijn De verdronkenen en de geredden de ‘grijze laag’ noemt. ‘Een extreem geval van collaboratie’ noemt hij deze Kommando’s. Ze waren samengesteld uit kampbewoners, grotendeels Joden (gevangen Duitsers en Polen kregen de ‘respectabeler’ functie van kapo), die in ruil voor bepaalde voorrechten dienst deden in de crematoria. Die dienst hield onder andere in: orde handhaven, lijken uit de gaskamers halen, gouden tanden uit de monden breken, de ovens stoken, de as eruit halen en die begraven. Hun privilege was dat ze een paar maanden wat meer te eten kregen (en hoopten te overleven). Maar de SS zorgde ervoor dat er om de paar maanden nieuwe Sonderkommando’s kwamen die hun voorgangers alsnog de ovens injoegen. Eén van de gedachten die er volgens Levi achter zat was ‘een paroxisme van doortraptheid en haat; de Joden moesten de Joden in de ovens stoppen, het bewijs moest geleverd worden dat de Joden, Unterrasse, Untermenschen, zich tot elke laagheid lenen, zelfs tot het vernietigen van zichzelf’.

    Beschrijvingen

    Dat de SS de Sonderkommando’s om de paar maanden verving was mede om te voorkomen dat iemand het zou kunnen navertellen. Daarin is de SS niet geslaagd. Grunberg heeft fragmenten opgenomen van twee overlevende Sonderkommando’s, de al genoemde Nyiszli (die zich vrijwillig had gemeld) en Filip Müller. De meest macabere beschrijvingen van het werk die zijn opgenomen zijn van de hand van de hiervoor eveneens al genoemden Kielar – geen lid van de Sonderkammando’s, maar Blockältester – Müller en Nyiszli. Met hen waad je als lezer door de stank en verminkingen van de lijken die moesten worden opgeruimd; cynisch soms, zoals wanneer Nyiszli een recept geeft voor diarree.

    Er zijn zelfs verslagen opgenomen van Sonderkommandoleden die het kamp niet overleefden, Zalmen Gradowski en Zalmen Lewental. Ze begroeven hun handgeschreven getuigenissen in de as bij de crematoria. Daar werden ze na de oorlog gevonden. De sporen zijn zelfs nog tastbaar in de gedrukte versies in de bundel van Grunberg waar streepjes en puntjes aangeven wat niet meer leesbaar is (mogelijk gewist door inwerking van vocht, as en aarde).

    Mogelijkheid

    Grunberg velt geen moreel oordeel over de Sonderkommandoleden, dit in navolging van Levi die vraagt ‘om de geschiedenis van de “aasvogels van het crematorium” met piëteit en een onvertroebelde blik te overdenken, maar het oordeel over hen op te schorten’. Hij schrijft dit na een gedachtenexperiment rond de vraag wat ieder van ons in zo’n barre situatie zou hebben kunnen doen.
    De fragmenten in Bij ons in Auschwitz zijn gerangschikt in vier thematische delen: Aankomst, Bed, straf en selectie, Sonderkommando en Schuld, schaamte, wrok en verlangen. In het derde deel vliegt de weerzin je als lezer soms aan, zozeer dat je niet méér binnen kunt laten. Grunberg realiseerde zich dat: ‘Wie het zich gemakkelijk wil maken heeft hier niets te zoeken’, waarschuwt hij. In die zin vraagt het lezen van de bundel doorzettingsvermogen. Je realiseert je dat je niet weg mag lopen als Grunberg toevoegt: ‘Auschwitz is een mogelijkheid, die weer bestaat uit talloze mogelijkheden, men leze wederom de getuigenissen, maar het is wel een mogelijkheid die geen onmogelijkheid is geworden, Auschwitz hangt nog altijd in de lucht’.

     

     

  • DichterBij Leonard Nolens

    DichterBij is een serie van de VPRO over eigentijdse Vlaamse en Nederlandse dichters. Elke maand een andere dichter. Deze is in de werkruimte van Leonard Nolens. Alleen nog werken is voor Nolens van belang.

  • Precisiewerk van een chaoot

    Precisiewerk van een chaoot

    Leonard Nolens publiceerde in ruim veertig jaar meer dan dertig dichtbundels en enkele dagboeken. Hij verwierf drie oeuvreprijzen, waaronder de Prijs der Nederlandse Letteren 2012. Nolens’ lyrische en persoonlijke gedichten hebben hun weg naar een groot publiek gevonden. Zijn verzamelde gedichten werden al onder drie opeenvolgende titels gebundeld, Hart tegen hart (1991), Laat alle deuren op een kier (2004) en Manieren van leven, 2dl (2012).

    Opvallend is dan ook dat Nolens met zijn jongste bundel, Opzichtige stilte, na onderwerpen als liefde, het leven, zichzelf, zijn familie en de stad, thematisch een geheel nieuw perspectief opent: namelijk het dagelijks leven in een of andere zorginstelling. De gedichten in deze bundel zijn verdeeld in vier afdelingen: De kuur I en II, Ontslag en Weerzien. Er komen stethoscopen voorbij, valiumslikkers, schreeuwtherapie en een dokter. De nadruk op deze thematiek past bij Nolens’ poëzie, die direct en prominent aanwezig is. Opdringerig haast, maar desondanks moeiteloos aanvaardbaar om de opeenstapeling van verbluffende beelden en verrassende observaties.

    Wat was het dan dat ons ontbrak toen wij belden om hulp?
    Mezelf. En wat kwamen wij ook weer tekort? Mezelf.
    (…)
    Maar wat is mijn kunst? Een doorslaand succes van de wanhoop.
    Gedichten zijn immers precisiewerk van een chaoot.

    De gedichten van Nolens zijn vrij en toch vormvast. Ontregelend en toch regelmatig. Elke afdeling in de bundel heeft, qua lengte en structuur, min of meer overeenkomstige vormen. In De kuur I en II zijn we getuige, en onderdeel van de dagelijkse routine in een verder niet nader te karakteriseren zorginstelling. Er is afstand en vervreemding: tussen patiënt en dokter en de medebewoners onderling.

    Drie keer per nacht verschijnt een zaklamp straal
    in ons gezicht, ze komen je slaap onderzoeken.

    Ze inspecteren je dromen, geen raam kan er open.
    De deuren dragen ons nummer en staan op een kier

    in het gelid. En de wekkers van dienst lopen vrolijk
    te zwaaien met thermometers en klokken van stemmen,

    goeiemorgen! Het gaat als een emmer koud water
    je bed in, geen hond die zich wast om wakker te worden.
    (…).

    Onvermijdelijk dringt de vergelijking zich op met andere dichters die berichtten vanuit een instelling. Maar Jan Arends’ poëzie – ’wie kan zo mager praten met de taal als ik?’ – is kaler dan die van Nolens. Met Achterberg is, door de lyriek en de spanning die de gedichten kenmerkt, meer verwantschap aan te wijzen. Al zijn Achterbergs meest kwetsbare en directe kliniekgedichten pas na zijn dood gebundeld, Blauwzuur (1969). De kuur II bestaat uit vijftien vierregelige gedichten, allen opgebouwd volgens het rijmschema aaba. Nog sterker voelbaar wordt hier de associatie met Achterberg. Het eigentijdse element overtuigt volkomen:

    CODE
    Wij raken langzaamaan verslaafd aan het verdriet
    van onze groep. Wij delen dat als drank en wiet
    en hebben de flessen en spuiten verstopt in de nachtkluis van morgen.
    De code is geheim. En die vergeet ons niet.

    De afdeling Ontslag bestaat opnieuw uit een groep ongeveer gelijkvormige gedichten en bevat vooral aanmoedigingen en bemoedigingen: Leef lang,  Ga dromend, Word wakker, Schrijf, Omhels en

    Kniel
    voor niemand. Knik
    een ogenblik lang naar de man
    die jou verwekte, geef hem een hand
    en rep je, ren het huis uit.
    Ren. En red
    je gezicht.

    In de laatste afdeling Weerzien, kondigt de troost van de  verlossing zich aan in de titels van de gedichten: Liefdesbrief, Thuiskomst, Mei en Nachtegalenpark. Onmiskenbaar is er hier meer ruimte voor Nolens’ vertrouwde en warme thematiek. In het gedicht Mei vindt letterlijk een opruiming plaats met een zeldzame, komische noot als opluchting tot besluit.

    MEI
    Ik hoor mijn lieve zenuwpees weer fluiten
    boven en rommelen in kasten en sleuren met koffers.
    Het huis is tot de nok een reis op til.

    Ik ga naar de kelder en sleep een rinkelende berg
    flessen uit mijn dal van vorige winter
    de trap op en flikker vloekend een klotejaar in de container.

    De glasharmonica bliksemt zijn katers aan scherven.
    Haar fluitende reislust bevlindert de kamers daar hoog bovenuit.
    Een nieuwe lente en een nieuw geluid.  

    Een gedicht Mei noemen en eindigen met de zin ‘Een nieuwe lente en een nieuw geluid’, dat is weer eens wat anders dan Gorter deed. Nolens speelt voortdurend met de verwachting van de lezer door de ene keer vanuit de ‘ik’ persoon  te schrijven en de volgende keer vanuit de derde persoon. Maar spreekt ook een ‘jij’ en ‘u’ aan. De thematiek van de bundel roept vragen op. Hebben wij hier met autobiografische gedichten te maken? Heeft Nolens zelf een poos in een kliniek gezeten? Antwoorden op deze vragen doen niet werkelijk ter zake als het goed is. En het is goed.

     

     

  • Leonard Nolens wint Prijs der Nederlandse Letteren

    Door Ingrid van der Graaf

    In de uitverkochte Bourla schouwburg te Antwerpen waar woensdagavond de 65ste verjaardag van Leonard Nolens werd gevierd, maakte de Vlaamse minister van Onderwijs en voorzitter van het Comité van Ministers van de Taalunie Pascal Smet bekend dat Nolens  de Prijs der Nederlandse Letteren dit najaar uit handen van Koningin Beatrix zal ontvangen.

    Eerder die dag werd de Vlaamse dichter en dagboekschrijver Leonard Nolens (1947) overdonderd toen hem per telefoon bericht werd dat hij de Prijs der Nederlandse Letteren dit jaar zal ontvangen. Hij zat in zijn werkkamer toen minister Smet hem belde: ‘Het was of de buitenwereld op een onwezenlijke manier binnenkwam’.
    Aan de prijs is een geldbedrag verbonden van 40.000 euro.

    Nolens debuteerde in 1969 met Orpheushanden en wordt beschouwd als een van de belangrijkste nog in leven zijnde Nederlandstalige dichters. Hij heeft sinds zijn debuut een zeer indrukwekkend oeuvre opgebouwd. Zijn bundel Liefdes verklaringen (1990) werd in Nederland bekroond met de Jan Campertprijs en in België met de Driejaarlijkse Staatsprijs. In 1997 kreeg hij de Constantijn Huygensprijs voor zijn gehele oeuvre. In 2008 werd hem de VSB Poëzieprijs toegekend. Zijn laatste bundel Zeg aan de kinderen dat wij niet deugen verscheen in 2011.

    De jury noemt Nolens ‘uitzonderlijk dichter en zeer begenadigd voorlezer’ die ‘het Nederlands opnieuw zingen’. Ook wordt zijn werk gekenmerkt als ‘een levenslange worsteling in taal en een zoektocht naar de eigen identiteit en die van de ander’.

    De Prijs der Nederlandse Letteren wordt om de drie jaar toegekent door het Comité van Ministers van de Nederlandse Taalunie. De prijs onderscheidt auteurs van belangrijke en oorspronkelijk in het Nederlands geschreven letterkundige werken. De prijs wordt toegekend voor het gehele oeuvre van een schrijver of voor een apart werk in de genres poëzie, verhalend proza of drama. De bekroonde auteur ontvangt de prijs beurtelings uit de handen van een lid van het Belgische of het Nederlandse koningshuis.

    De jury bestaat dit jaar uit Herman Pleij (voorzitter), emeritus hoogleraar historische Nederlandse letterkunde, Universiteit van Amsterdam; Chandra van Binnendijk, publicist, redacteur in Suriname; Leen van Dijck, directeur Letterenhuis Antwerpen; Iris van Erve, docent Nederlands, hoofdredacteur Passionate Magazine, adviseur Nederlands Letterenfonds; Judit Gera, hoogleraar moderne Nederlandse Letteren aan de Universiteit van Boedapest, literair vertaler; Ruth Joos, radiomaker bij de VRT; Michiel van Kempen, bijzonder hoogleraar West-Indische Letteren Universiteit van Amsterdam; Hans Vandevoorde, docent Nederlandse literatuur Vrije Universiteit Brussel.

    Nolens geeft niet graag interviews, hij is geen prater omdat hij al veertig jaar geen beroep uitoefend waarbij je andere mensen ontmoet, zoals hij zelf zegt. Vorig jaar maart gaf hij naar aanleiding van het verschijnen van zijn nieuwe bundel Zeg aan de kinderen dat wij niet deugen op de Belgische radio een interview met Ruth Joos dat als een bijzonder radiomoment de wereld in ging. Luiteren naar de stilte.

     

  • Leonard Nolens – Dagboek van een dichter 1979-2007

    Het is donderdag 27 december 1979. Leonard Nolens is tweeëndertig, heeft net zijn vijfde dichtbundel gepubliceerd en begint een dagboek. Tien dagen later blijkt dat in deze notities hoog spel wordt gespeeld: ‘De angst dit boek te verliezen.  Het is momenteel mijn reden van bestaan. Het is mijn leven zelf.’  Tussen 1989 en 1998 verschijnen vier dagboekdelen. Zij geven een beeld van Nolens’  besognes en lievelingsauteurs, inspiratiebronnen en herinneringen, ergernissen en passies. Zo vormt dit rijke journaal het atelier van een dichter aan het werk. Het schildert het portret van een bewustzijn, het verhaal van een temparament. Dagboek van een dichter eindigt definitief in het voorjaar van 2007, het omvat de vier al verschenen dagboeken, plus het vijfde, nieuwe, omvangrijke en ongepubliceerde deel Verborgen agenda (1998-2007). Uitgeverij Querido, 1056 pagina’s

    Van Leonard Nolens (1947) verscheen in 2004 Laat alle deuren op een kier, de vijfde vermeerderde druk van al zijn tot nu toe verschenen gedichten (1975-2003). Liefdes verklaringen werd in Nederland bekroond met de Jan Campertprijs, in België met de driejaarlijkse Staatsprijs voor Poëzie. Voor zijn gehele werk kreeg hij is 1997 de Constantijn Huygensprijs, voor Bres de VSB Poëzieprijs 2008.

    ‘Zo dicht zat de lezer van poëzie nog nooit op het ontstaan van gedichten. […] Leonard Nolens legt weinig sentimenten aan banden. Hij betoont zich grimmig, mededeelzaam, hartstochtelijk, oprecht, onverzoenlijk, bang en onverzettelijk – allemaal gemoedsgesteldheden bij uitstek die de deur naar de pathetiek wijd openzetten. Heel af en toe sijpelt die pathetiek inderdaad door. […] Hij is een schrijver die de wereld niet spaart, maar het hardvochtigst is hij voor zichzelf.’  Joost Zwagerman in Vrij Nederland

    ‘Bij het lezen van zoveel luchtdicht verpakte, consequente eerlijkheid beving me af en toe de neiging het hoofd af te wenden. […] Dagelijks vraagt hij zich af wie hij eigenlijk is en hoe hij zich dient op te stellen naar de buitenwereld. Dat verbeten onderzoek levert, zoals bekend, gedichten op van een soms pijnlijke schoonheid.’  Arjan Peters in de Volkskrant

    ‘Dit dagboek is gespeend van alle ironie, alle luchtigheid. daarin wijkt het neit af van Nolens’ gedichten. Mij stoort die afwezigheid van distantie niet. nolans méént het en het zijn bittere ernst is noodzakelijk. hij kan niet naders, hoe afgesragen dat ook klinkt.’ bernard Dewulf in De Morgen

    ‘Hij is de pur sang dichter, iemand die zijn volledige bestaan in dienst stelt van zijn gedichten. Het dagboek doet aan dit beeld geen afbreuk, integtendeel, het versterkt het eerder. Het bevat de reflectie op deze compromisloze en afgezonderde bestaanswijze en bevestigt de onophoudelijke noodzaak ervan voor deze dichter.’  Tom van Deel in Trouw

    ‘Hier is een gecultiveerde, intelligente en integere schrijver aan het woord. Een indrukwekkende onderneming.’ Paul de Wispelaere in Nieuw Wereld Tijdschrift

    ‘Ik heb mij door zijn dagboek bijzonder aangsproken gevoeld en spreek er mijn hoge bewondering voor uit.’  Jeroen Brouwers in De Morgen