• De liefde

    De liefde

    Ach, de liefde, de zoete verwarrende liefde die kind noch kraai veelt. Het trof me zondag toen ik de nieuwe Parelduiker opensloeg. Buiten de geur van omgespitte aarde, in de keuken lagen twintig tuinbonen in een bakje water te ontkiemen. En daar was Frieda Koch, een mooie wat gesloten vrouw, strakke neus, golvend haar, een vrouw om verliefd op te worden. Terwijl ik over haar lees, foto’s bekijk, groeit een verlangen daar naast haar te lopen, haar van opzij gade te slaan. Het overkomt me wel eens, op afstand verliefd worden op een gebaar, een houding, een verhaal. Frieda is keramiste, ze heeft begeesterde handen, op het voorplat draait ze uit vochtige klei een vaas (die handen!). Ze is met Bert Schierbeek en hun twee kinderen als ze in 1950 verliefd wordt op Lucebert. Er vormt zich een ménage a trois, liefde in vrijheid. Wat niet lukte, het werd een gevecht, jaloezie van beide heren maakte het tot een ondoenlijke affaire. Als in 1951 de relatie op zijn einde loopt, gaat Frieda voor enkele weken naar Parijs.

    Ze schrijft Lucebert, ‘Als wij dus een ménage à trois zouden hebben, zou Bert aan mij absoluut niet mogen merken, dat ik meer om jou geef dan om hem en met dat geven om bedoel ik dan alles wat jij voor mij betekent. Ik zou die rol dan goed moeten vervullen (…)’. In het huis aan de Van Eeghenstraat in Amsterdam waar ze allen wonen, heeft Frieda haar atelier. Ze overweegt Schierbeek te verlaten om bij Lucebert te zijn, maar blijft.

    Ik wil haar los van die mannen zien. Als ze in Parijs verblijft, zie ik haar aan een cafétafeltje brievenschrijven. Met Rudy Kousbroek en Ethel Portnoy bezoekt ze de schilder Corneille in de rue Santeuil. Ik zie haar door de stad lopen, op een bankje in het park leest ze Nabokovs Laughter in the dark, koopt oude ansichtkaarten voor haar collectie thuis. En schrijft Lucebert, ‘In de liefde ben je zoals ik mij de liefde voorgesteld heb toen ik nog maar een klein meisje was. Daarom word ik nooit een mevrouw omdat ik deze dromen nooit vergeten heb (…)’.
    Ik zie een  vrouw die zich niet vast wil leggen. Ze schrijft, ‘(…) wel weet ik, dat ik toch nooit de poëzie van de minnaar op zal geven, wat de wereld ook zegt of doet, dat kan ik eenvoudig niet, omdat ik niet zo ben.’ Haar verzet tegen een burgerleven neemt me volledig voor haar in. Ach, de liefde, De Parelduiker, het vervoert me. 

    Over het bezoek aan Corneille schreef Frieda nog, ‘Hij is wel aardig en hij maakt mooie dingen. Bij zulke mensen merk ik dat Rudy toch wel een beetje een kleine snob is. Hij kocht een schilderij van Corneille en dong af op de prijs en hij kreeg het ook goedkoper. Daar hou ik helemaal niet van.’

    In de middag komt de zon door, op Spotify zingt Leonard Cohen ‘Dancing to the end of love / Lala lalalala lala / to the end of love…’, is het tijd voor een glas wijn.

     

     

    Graa Boomsma Boomsma werkt aan de biografie van Bert Schierbeek die op 9 juni 2021 zal verschijnen bij De Bezige Bij.
    De Parelduiker / Eindredactie Hein Aalders / Uitgever Van Oorschot


    Inge Meijer is een pseudoniem, leest boeken, wordt soms verliefd op een verhaal, een ver weg figuur.

     

  • Geïnspireerd raken

    Geïnspireerd raken

    De dood en verkeerde keuzes zijn de definitieve punt achter alles wat nog enigszins een belofte inhield. Ik lette even niet op, ik was er niet. Had mijn spullen gepakt en vertoefde ergens anders. En alsof ik gestraft werd voor mijn afwezigheid stierf er een schrijfster waarvan ik nog wel een boek verwachtte, overleed de zanger die mijn eerst verliefdheid belichaamde en is de democratie in Amerika in een terminaal stadium geraakt. Leonard Cohen overleed nadat hij een nieuwe plaat had uitgebracht en  geopperd had toch wel 120 te willen worden. Helga Ruebsamen had nog een vervolg op haar roman Het lied en de waarheid willen schrijven. Het had er nog van kunnen komen, maar de dood haalde haar belofte onderuit.

    In de jaren zeventig leerde ik een jongen kennen die enkel wilde samenwonen met een zwart geklede schone. Op zijn zolderkamer luisterden we tot diep in de nacht naar Songs of Love and Hate van Leonard Cohen. Door het donkere stemgeluid van de Canadese bard en zijn ondoorgrondelijke teksten werd ik verliefd op die jongen. Een jongen als een belofte. We gingen dat jaar samen naar een concert van Leonard Cohen in de Doelen in Rotterdam. We gingen met een bus en een groep vrienden die alles kenden van deze poëtische zanger. Blowend legden we de reis af.

    Dat hoorde bij de muziek van Leonard Cohen, een flinke joint  deed je alles begrijpen. Ik werd misselijk van de belofte van die avond en van de ongrijpbaarheid van liedjes als The Sisters of Mercy of Famous Blue Raincoat: ‘And what can I tell you my brother, my killer / What can I possibly say? /I guess that I miss you, I guess I forgive you / I’m glad you stood in my way.’ Nog weet ik niet waar het eigenlijk over gaat maar de uitwerking is zo sterk dat ik – telkens als ik er naar luister – de realiteit uit het oog verlies en geïnspireerd raak, tot wat dan ook.

    Zoals het met de democratie in Amerika nooit meer goed zal komen, is het met mij en die jongen niks geworden. Ik was niet die in het zwart geklede schone. Dat het nummer Chelsea hotel een elegie voor Janis Joplin was, weet ik pas sinds kort. En dat Cohen een affaire met haar heeft gehad ook. Achteraf, als beloften niet meer meespelen, kom je altijd meer te weten, is alles helder en blijft er niks over. Yes and lover, lover, lover, lover, lover, lover, lover Come back to me.