• Medaille

    Medaille

    Mijn zwarte kat legt een grote, dode muis voor mijn voeten en kijkt naar me op. Dus doe ik wat er van me verwacht wordt en prijs hem uitbundig om zijn snelheid en zijn messcherpe klauwen, maar tegelijkertijd prevel ik een smeekbede om vergeving voor de gedode muis. En terwijl de kat een opgetogen overwinningsdans inzet, stel ik me voor hoe de muis uit foerageren ging voor haar zeven hongerige kindertjes, die nu een bitter einde zullen vinden. Ik heb de verwarrende gewoonte om altijd meteen de andere kant van de medaille te zien. 

    Dat overkomt ook Paul Bäumer, de jonge Duitse frontsoldaat tijdens WO I uit Van het westelijk front geen nieuws van Erich Maria Remarque, wiens wereldbeeld onverwacht  kantelt. Liggend in een schuttersputje, naast het lijk van een Franse soldaat die hij gedood heeft, doorzoekt hij de papieren die de dode man bij zich draagt en moet hij de schok ervaren dat de anonieme vijand die hij geleerd heeft te haten een mens is, net als hij, die ook om zijn moeder riep. Die een naam heeft, een verleden, een achtergrond en die waarschijnlijk net als hij alleen maar naar huis wil, terug naar zijn dagelijkse leven. Hij vraagt de dode Fransman om vergiffenis: ‘Nu zie ik pas dat jij een mens bent zoals ik. […] Vergeef me, kameraad! We zien het altijd te laat. Waarom zegt men ons niet telkens opnieuw dat jullie net zulke arme kerels zijn als wij, dat jullie moeders zich net zoveel zorgen maken als die van ons en dat wij dezelfde angst voor de dood kennen en hetzelfde sterven en dezelfde pijn – Vergeef me, kameraad, hoe kon jij mijn vijand zijn? Als wij deze wapens en dit uniform van ons afwerpen, kun jij mijn broeder zijn […]’

    Wat zou het gemakkelijk zijn als ik staande op een zeepkistje op de Dam luidkeels aan de aanwezige menigte kon verkondigen hoe de wereld in elkaar steekt, zó en niet anders en wie het tegendeel beweert is gek. Maar ik weet niet hoe de wereld in elkaar zit. Ik weet niet eens hoe ik zelf in elkaar zit. Leo Vroman ook niet, getuige zijn gedicht:

    Tussendoor

    Wij begrijpen ach zo veel,
    ja misschien alles wel verkeerd;
    hebben daarvan het tegendeel
    misschien te hard geleerd.
    Ik maak dus mijn verontschuldigingen
    over het hopeloos misverstand
    en ons hopeloos onverband
    met alle dingen.
    Wat heb ik dan in godsnaam bedoeld
    zoals ik door de wereld liep
    tussen de werkelijkheden door?
    Heb ik dan niet gezien, gevoeld
    dat ik mijn hele leven sliep?
    En waar sliep ik dan voor?

    Ik benijd en tegelijk vrees ik mensen die alles zeker weten en overtuigd zijn van hun gelijk. Ik ben de eeuwige twijfelaar, die steeds over de streep moet stappen die mensen en meningen scheidt om het van de andere kant te bekijken. Er zullen vast wel middelen bestaan om hier iets aan te doen. Maar ik weet niet zeker of ik dat wil. Ook die medaille heeft twee kanten.

     

    Uit: Daar / Leo Vroman (2011)


    Poeziërecensent Hettie Marzak schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.

  • Emigreren of blijven

    Emigreren of blijven

    Beiden waren naast wetenschapper literair auteur. Beiden waren Jood en publiceerden tot op hoge leeftijd. Beiden waren getekend door de oorlog en emigreerden naar een land waarvan ze het staatsburgerschap aannamen. Beiden schreven zowel in hun moedertaal als in die van hun nieuwe land. Er is ook een belangrijk verschil. De één emigreerde vrijwillig. De ander vluchtte. Voor mij zijn ze verbonden door vier woorden die dat verschil verwoorden.

    Leo Vroman (1915-2014) aanvaardde kort na de oorlog een baan als hematoloog in de VS. Hans Keilson (1919-2011) ontvluchtte in 1936 de opkomst van Hitler en vestigde zich in Nederland als psychiater. In Indian Summer dichtte Vroman over Nederland: ‘Men schrikt er van iedere lach / nabijheid verwarrend met haat. / Neen, zelfs tastend om heide en strand, / – en al sluit ik krampachtig de oren / om nog Hollandse stormen te horen – heb ik toch liever heimwee dan Holland’.

    Keilson publiceerde in 1987 in De Gids een essay over zijn eerste vijftig jaar in Nederland. De ondertitel ervan werd ook de titel van een bundeling van zijn gedachten en herinneringen die Van Gennep in 2012 uitgaf: Liever Holland dan heimwee.
    Natuurlijk dacht hij daarbij aan de uitspraak van Vroman. Hij was de eerste trouwens niet die diens dichtregels omdraaide. In 1961 verscheen Het leven is vurrukkulluk van Remco Campert. Daarin zegt Boelie op de vraag waarom hij uit Argentinië terug kwam: ‘Ik verlangde naar Holland. Liever Holland dan heimwee.’ En op 3 december 1973 schreef Frans Kellendonk uit Birmingham aan Jacques Dohmen een brief die hij afsloot met: ‘Mijn gedachten gaan uit naar U, mede-Bataven. Liever Holland dan heimwee. Hoezee!’ Maar dit zijn, met alle respect voor Campert en Kellendonk, luchtige woordspelingen die geen stempel op de Nederlandse Letteren drukken.

    Het was dan ook wat riskant van Keilson om in 1987 de wending nog eens te gebruiken. Toch schuurt hij bij hem wel. De grap van Campert en Kellendonk is totaal afwezig. Achter het gebruik door Keilson, die ook humoristisch kon zijn trouwens, zit teveel leed en deernis met het land dat hij verliet om alleen een frivool woordgrapje te lezen in zijn omkering van Vromans tekst. Hij was in staat anders te kijken naar Nederland, dat hij dankbaar was, omdat het oude land nog in zijn vezels zat. Daardoor kon hij in het stuk in De Gids de mooie zin schrijven: ‘Door de afstand kijkt men misschien met ‘vreemde’ ogen, maar door de vervreemding ziet men scherper.’
    Wat zou Keilson in de huidige jaren nog een scherp commentaar kunnen leveren op onze reacties op de komst van vluchtelingen? En, zo realiseer ik me bij herlezing van Vromans Indian Summer ineens: wat zag híj daar in de VS het Holland van nu al scherp in de regel ‘nabijheid verwarrend met haat’.

     

     

  • Het Liegend Konijn – Alle malen zal ik wenen

    Het Liegend Konijn, waarvan elke editie tot nu toe, in wisselende kleur uitgave en standaard ontwerp verscheen, draagt voor het eerst in de twaalf jaar dat het onder het bezielende redacteurschap van Jozef Deleu verschijnt, een thema. Dit jaar is het honderd jaar geleden dat op 28 juli 1914 de Eerste Wereldoorlog uitbrak. Voor Deleu aanleiding om het themanummer ‘Oorlog’ samen te stellen met de titel, Alle malen zal ik wenen, een citaat uit Leo Vromans (1915-2014) meest geciteerde gedicht Vrede.

    Zal dit nummer dan uitsluitend ‘niet eerder gepubliceerd werk’, van dichters bevatten die ‘het’ nog hebben meegemaakt (of op zijn minst in naoorlogse jaren zijn geboren) en waarvan nu de nagebleven gedichten boven water zijn gekomen?  Want wat zouden hedendaagse dichters over dit thema te melden hebben? Oorlog is, voor wie op Nederlandstalig grondgebied leeft, een ‘ver van mijn bed show’. Vluchten, om het vege lijf te redden is er niet meer bij. We leven, zoals Arno Van Vlierberghe stelt (met Lieke Marsman jongste dichters in deze editie) het leven van nu, waarin ‘niet doodgaan’ als hoogste doel wordt gesteld. Maar ook deze editie bevat uitsluitend nieuw werk van Nederlandstalige dichters, gemaakt op verzoek van Deleu .

    Het was enkele jaren na de Tweede Wereldoorlog dat de filosoof en kunstcriticus Theodor Adorno (1903-1969) stelde dat het barbaars was om na Auschwitz nog een gedicht te schrijven. Niet dat hij hiermee beweerde dat er nooit meer poëzie bedreven kon worden. Hij doelde vooral op het feit dat naoorlogse dichters geen lichtzinnige maar vooral geen onschuldige poëzie meer kunnen schrijven.

    Dat was ook wat er te voelen was in het pakket dat door de post bezorgt werd, de zwaarte van een onvergankelijk thema dat schuld en boete in zich draagt. Het paste niet door de brievenbus en de postbode overhandigde het, als was het een flinke homp (desem)brood. Honderdentwaalf dichters schreven samen 383 gedichten, geïnspireerd op de Groote oorlog.  De opdracht is met een  zeer groot inlevingsvermogen uitgevoerd en toont een grijs palet aan aangrijpend leed, berekenende overlevingskunst en een  ondergaan van het lot. Laten we maar gelijk met de deur in huis vallen met de drieluik Geen ding, van Eva Gerlach (1948). Waarin het leven tot op het bot is terug gebracht, ontdaan van emoties en de mens verworden tot een ‘ding’. Waarin het enige dierbare een wapen is, gekoesterd als een geliefde.

    ‘Geen ding / 1//Toen iedereen dood was begon ik voor mezelf / met mijn AK 47 mijn broertje van staal, //niemand komt me hier wassen en kammen en ik hoef voor niemand / meer hout te halen, alles komt van de soldaten // die van me houden omdat ik geluk breng en goed / kan mikken met de granaten // Daar voor ons ligt de stad waar niemand meer woont / en ik kijk van hoog, stel mijn broertjes oog af op de daken, // (…) // Mijn broer is zo groot als ik maar ik hou hem goed vast / op mijn schouder waar hij kan slapen (…)

    2 // Iemand vraagt om water, ik heb geen water./ Iemand heeft het koud ook al heeft ze het warm. / Ze lag naast me dood te gaan maar ze leeft nog, ik wilde/ maar dat ze dood was. (…) ze wil het gordijn dicht / maar er is geen gordijn. Ze doet haar ogen dicht voor / de zon die niet schijnt, ze telt alle vogels / die er niet zijn, ze doet hun geluid na, ik hoor het / ik hoor hun lippen trillen in de nacht.

    3 // In de kelder hield ik mijn zusje op schoot. Ze was / pas vier. Ik legde mijn handen over haar oren / zodat ze de harde klappen niet zou horen / (…) Toen we buiten kwamen en alles kapot was en overal armen en benen / huilde ze niet ze zei niets ze verstopte zich / (…) toen kwamen de mannen toen werd het / zo dat de dingen ons niet meer kenden. Geen ding. / (…)’

    Divers zijn de invalshoeken. Zelfmoordaanslagen als deel van een oorlog die nogal eenzijdig gestreden wordt. Bernard Wesseling (1978) dichtte daarover: ‘Dus dit is zijn optrekje, hier helemaal boven. Gezellig is anders. / En kijk, pamfletten boven zijn bed. Goed , bands, maar toch. (…) Wat stopt hij nou in zijn jas? En waarom gaat hij nu zitten? / Hand omhoog als je denkt aan een afscheidsbrief!’ En dan zijn er de games, waarbij men van het doden niet genoeg kan krijgen en Astrid Lampe inspireerde tot de volgend strofe: ‘(…) Nog wordt hier zwartnacht / de muur van papier / en speelt de gameverslaafde / mijnenvegertje’.

    En soms is de geschiedenis zichzelf al genoeg zoals voor Frans Budé, die schreef over het verwonde hoofd van Guillaume Apollinaire (1880-1918). De scherven uit het been van Ernes Hemingway, de afgehakte arm van Blaise Cendrars, de laatste seconden van Alain-Fournier en de dood van Wilfred Owen op 4 november in 1918.

    Saillant detail is dat de Groote oorlog, na honderd jaar nog steeds zijn sporen nalaat en slachtoffers maakt. Dit jaar werd in Ieper een depot met duizenden granaten ontdekt en op 19 maart ontplofte, bij de aanbouw van een fabriek, een granaat waarbij twee mensen om het leven kwamen. Dit bracht de dodelijk getroffen slachtoffers van na 1918 op driehonderdvijftig. Oorlog houdt zich schuil in alle kieren en uithoeken van deze aardkloot en na het lezen van vele van deze gedichten komt het besef, dat de hele mensheid doortrokken is van oorlogsleed. Of zoals Ellen Deckwitz dit veelbetekenend verwoordde in haar gedicht 1948, Siboga / ‘(…) de doden groeien met je mee. En we noemen / het pas afgesloten als we er niet meer bij kunnen.’ Prachtig! Een editie tegen het vergeten van dat, wat niet vergeten mag worden.
    Verder bijdragen van onder meer Mischa Andriessen, Benno Barnard, Chretien Breukers, Paul Demets, Anna Enquist, Lies van Gasse, Piet Gerbrandy, Annemieke Gerrist, Jo Govaerts, Luuk Gruwez, Stefan Hertmans, Ingmar Heytze, Philip Hoorne, Sasja Jansen, Hilde Keteleer, Wiel Kuster, Liesbeth Lagemaat, Jan Lauwereyns, Myrte Leffring, Erik Lindner, Sylvie Marie, K. Michel, Martijn van Ouden, Ester Naomi Perquin, Hagar Peeters, Delphine Lecompte, Xavier Roelens, Victor Schiferli, F. Starik, Peter Theunynck, David Troch, Reinoud Verbeke, Leo Vroman, Henk van de Waal en Ad Zuiderent.


    Het Liegend Konijn

    Redactie: Jozef Deleu
    jaargang 12, nr. 1, april 2014
    Van Halewijck / Leuven
    Van Gennep /Amsterdam.
    Losse nummers: € 25,-
    Abonnement 2 nummers, € 45,-

     

  • Oogst van de Week, 15

    Door Carolien Lohmeijer

    In de Oogst van de Week deze keer geen romans maar werkelijkheid. Kernwoorden zijn: aangrijpend en ontroerend (Salomé), ontroerend en poëtisch (Hoe mooi alles), en poëtisch en muzikaal  (Misschien wordt ’t morgen beter). Het zijn alle drie boeken die nieuwsgierig maken.

    Er rest alleen nog een foto van de kleine Salomé Bernstein die in 1943 in Auschwitz is vermoord. Haar grootmoeder nam haar bij de hand op het moment dat de Duitsers gingen keuren. Zo bezegelde ze hun lot. En redde ze het leven van de andere familieleden die daarna nooit meer over het kleine meisje spraken.

    Salomé. Zo heet ook het boek dat de auteur Colombe Schneck eigenlijk niet wilde schrijven. Maar dat ze toch schreef. Omdat ze voelde dat dat ze het moest schrijven. Ze deed er 10 jaar over om de moed daarvoor te vinden.
    Salomé is ook de naam die Colombe Schneck haar dochter gaf. De kleine Salomé Bernstein was het nichtje van haar moeder. Maar pas nadat haar moeder overleden was, realiseerde Schneck zich dat ze de geschiedenis van haar familie zou moeten uitzoeken om te weten naar wie ze haar dochter had vernoemd.
    Salomé is het verslag van haar zoektocht. Tijdens haar reizen naar Amerika, Israël en Litouwen en de gesprekken met de vrouwen uit haar familie vallen de puzzelstukjes in elkaar. Ze ontdekt het onvoorstelbare offer waar haar familie altijd over heeft gezwegen.

    Schneck beschrijft de geschiedenis nuchter en direct, maar wisselt die af met persoonlijke passages. Bijvoorbeeld als ze het heeft over het enige fotootje van Salomé, samen met haar ouders in Litouwen: fotouitSalome‘Toevallig heb ik een kopie van deze foto teruggevonden op de website van Yad Vashem. Een afdruk daarvan heb ik in mijn kamer op de schoorsteenmantel gezet. Ik kijk naar Salomé en haar ouders en ik smeek hen: “Ga weg, ga weg uit Litouwen, dat vervloekte land.” Ze horen me niet.

    Salomé. De zoektocht naar een verdwenen kind, door Colombe Schneck, vertaald door Marijke Arijs, Uitgeverij Cossee, € 14,90

     

    Ook het leven van de Joodse Leo Vroman, een van de grootste Nederlandstalige dichters, is getekend door de Tweede Wereldoorlog. Vlak na de Duitse inval vluchtte Vroman naar Nederlands-Indië waar hij in het Jappenkamp terecht kwam. Hij overleefde, maar keerde nooit meer voorgoed terug naar Nederland. ‘Liever heimwee naar Nederland’ heeft hij ooit gezegd.

    Hoe mooi alles

    ‘Vrede’

    ‘kom vanavond met verhalen / hoe de oorlog is verdwenen / en herhaal ze honderd malen / alle malen zal ik wenen’ (Leo Vroman)

     

    Pas twee jaar na de oorlog ziet hij zijn verloofde Tineke Sanders weer. Hij vestigt zich met haar in de Verenigde Staten. Een liefde die altijd is blijven bestaan en die nu beschreven is in het boek Hoe mooi alles van Mirjam van Hengel. Leo en Tineke hebben zelf meegewerkt aan dit boek. Vroman heeft het manuscript nog gelezen, het verschijnen ervan heeft hij echter niet meer meegemaakt. Hij overleed op 98-jarige leeftijd op 22 februari 2014. Vandaag op 10 april 2014, zijn verjaardag, verschijnt het.

    Hoe mooi alles. Leo en Tineke Vroman; Een liefde in oorlogstijd, Uitgeverij Querido, Mirjam van Hengel, 328 pagina’s, € 19,99.

     

    Misschien wordt het morgen beterGrote kans dat u binnenkort ‘De nozem en de non’ op de radio hoort. Aanleiding is dan ongetwijfeld de biografie over Cornelis Vreeswijk die onlangs bij Nijgh & Van Ditmar is verschenen met de titel Misschien wordt ‘t morgen beter.

     

    Journalist en auteur Rutger Vahl kende van huis uit de muziek van Vreeswijk, maar raakte pas echt in de muzikant geïnteresseerd toen hij in 1997 in Stockholm een ‘Cornelisdag’ bezocht. Cornelis Vreeswijk woonde sinds 1950 in Zweden en was daar een grootheid (zijn begrafenis werd rechtstreeks uitgezonden). Vahl, die speciaal voor het oeuvre van Vreeswijk Zweeds leerde, in het AD: ‘Zijn poëtische universum bleek vele malen groter en origineler dat ik had gedacht. Wat ik te lezen kreeg, stond ver af van ‘De nozem en de non’ en ‘Veronica’.

    In Misschien wordt ’t morgen beter laat Rutger Vahl zien dat Cornelis Vreeswijk (1937-1987) nooit los van Nederland is gekomen. In 1972 keerde hij terug om een poging te doen ook zijn geboorteland te veroveren.
    Cornelis Vreeswijk liet zich inspireren door literatuur en muziek, zijn twee grote liefdes. Deze biografie voert langs alle pieken en dalen van zijn artiestenleven, maar brengt ons ook bij Ernest Hemingway en Walt Whitman, Amerikaanse bluesgiganten, The Beatles, Georges Brassens en de Braziliaanse meestergitarist Baden Powell de Aquino.

    Misschien wordt ‘t morgen beter. Cornelis Vreeswijk; De blues tussen Stockholm en IJmuiden, Rutger Vahl, Uitgeverij Nijgh & Van Ditmar, 320 pagina’s, € 29,99

     

  • Troost gezocht

    Troost gezocht

    Ik zat op een rode driezitsbank in een van de gefingeerde woonkamers bij Ikea en dacht aan Leo Vroman. ‘Bij zijn leven kon hij zo over de dood schrijven dat je er bijna zin in kreeg’. Een zin waarmee Rob Schouten de dichter Vroman op treffende wijze memoreerde in een van zijn columns. Een tijd geleden zag ik met Mijn lief, die nu even Mijn lief niet is maar morgen vast weer wel, naar de documentaire over het leven van het echtpaar Vroman. We keken in gezegende stilte. Alsof we weer kind waren en een sprookje voorgeschoteld kregen waarin dingen gebeuren die je niet voor mogelijk houdt. En na afloop verzuchtten we: ‘Zo oud te worden.’

    Een behoefte sterker dan mezelf had me naar Ikea gedreven. We gingen samen onderweg, ik en Mijn lief, die nu even Mijn lief niet is, want we belandden in een belachelijke woordenwisseling. Ik visualiseerde me een plaatje uit de catalogus van Ikea. Een bank en plafondhoge boekenkasten met glazen deuren, een keuken met wit porseleinen spoelbakken en glimmende kranen. Ik liet me afzetten op de parkeerplaats en keek niet meer om. Bij de ingang stuitte ik op een bak vol met langwerpige witte plastic dingen met gekartelde ronde openingen; een organizer voor plastic zakken. Dat iemand daarover had nagedacht vond ik opmerkelijk.

    Thijs Wolzak zoekt wekelijks, voor de fotorubriek Binnenkijken in het NRC, naar design uit ‘de woonwinkel die een oplossing weet voor alle woonproblemen’. Er is weleens een lamp, een eettafel of staande afwasborstel op een aanrecht gespot. Op de standaardvraag: ‘Wat van Ikea’, wordt niet zelden ‘Niets’ ingevuld. En dat staat er dan, zo trots als een pauw. De verleiding steeds weerstaan. Waarbij soms, als opnieuw naar het plaatje gekeken wordt, het vermoeden rijst, dat er heimelijk iets weggeborgen is, voordat Wolzak zijn foto kwam nemen.

    Ondertussen zat ik nog steeds op die rode bank en zag aan de andere kant van het gangpad hoe een man de rugleuning van een eettafelstoel stevig vastpakte en eraan begon te duwen en te trekken. Waarna hij erop ging zitten, wiebelde met zijn bovenlijf woest heen en weer. Een vrouw, wat wel zijn vrouw moest zijn, probeerde hem ervan af te houden. Gegeneerd liep ze achter hem aan een volgende eethoek binnen. Ik kan me niet voorstellen dat Vroman en zijn Tineke ooit ruzie hebben gemaakt, of zich voor elkaar geschaamd hebben. Steeds zag je dat lieve tussen hen, dat krachtige zachtmoedige dat nooit wee werd.

    Vorig jaar waren ze, via skype, te zien tijdens de Nacht van de Poëzie. De hoofden naar elkaar toegenegen, dicht op de webcam, terwijl hij haar liet kiezen welk gedicht hij zou voordragen. Over en moordenaar ging het, die het leven niet gekend had, en over een levensvrije toekomst en ‘mijn dood ligt veilig achter mij’. Waarop gevraagd werd ‘hoe het dan met het leven moest’. En Vroman licht schouderophalend  zei: ‘Nou, gewoon. Leven.’ Troost was wat ik nodig had.

     

     

  • 31e Nacht van de Poezie in Totale witte kamer

    Literair Nederland was erbij

    Voor eenmaal vond de Nacht van de Poëzie haar onderkomen in de futuristische ruimtes van Media Plaza voordat deze volgend jaar opnieuw plaats zal vinden in muziekcentrum Vredenburg. De presentatie was in handen van de dichters Ingmar Heytze en Ester Naomi Perquin.

    De Nacht van de Poëzie vindt van oudsher plaats in muziekcentrum Vredenburg maar sinds deze locatie vanwege een ingrijpende verbouwing vanaf 2008 gesloten is, reist De Nacht langs wisselende onderkomens waarvan Media Plaza het laatste station is. Het hoofdpodium stond in Polar, een ovaalvormige zaal die voor deze 31e Nacht  was omgedoopt tot Totaal witte kamer, naar een gedicht van Gerrit Kouwenaar. En wit was het, witter dan wit de stoelen, de wanden, de katheder, de vloer en de presentatoren. In verblindend witte pakken, een wit dat kraakt en afstand eist. En met deze witte entourage gingen 21 dichters en 6 entr’actes in line-up De Nacht in.

    In het thema van De Nacht Kom nacht/en wis mij uit, van Fernando Pessoa, weerklinkt de wens om volledig te willen verdwijnen in het donker. Door het overheersende wit werd dit de bezoeker zeer moeilijk gemaakt. Maar er was poëzie, poëzie waarin het goed toeven was en poëzie om in te verdwijnen. De Nacht zélf naar binnen halen, door het enorme dak boven de Totaal witte kamer te openen zoals het plan was, werd verhinderd door een geselende oostenwind die zo niet onophoudelijk  dan toch op gepaste tijden over het dak raasde. Waardoor Cees Nooteboom, door Ester Naomi Perquin aangekondigd als ‘literaire berg in Nederland’, enigszins verstoord opkeek toen de ijzige wind opnieuw over het dak van de zaal roffelde en zich tussen zijn voordracht I.M. Hugo Claus en het publiek drong. Hier werd geen spelletje gespeeld volgens Nooteboom want hij zelf had tijdens de begrafenisplechtigheid van Claus de woorden uitgesproken: ‘kom vooral spoken’. En hier was hij dan, die andere grote literaire berg, die deze 31e Nacht door rukwinden werd aangekondigd.

    Toon Tellegen & het Wisselend Toonkwintet van Corrie van Binsbergen, vertolkten onder meer op onnavolgbare wijze zijn bekende gedicht De rechte weg. De repeterende woorden als een formule uitgesproken kregen een dwingend karakter: ‘Ik liep langs een rechte weg./Ik noemde het een rechte weg./Het was geen rechte weg./Ik kwam bij een hoek./Ik sla die hoek niet om, dacht ik./ Ik sla die hoek niet om, niet om, niet om./ Ik sloeg die hoek om.’
    Tellegen behoort met Elly de Waard, Cees Nooteboom en Leo Vroman tot de grand old poets van de Nederlandstalige poëzie die met hun optredens De Nacht van een waardige glans voorzagen. Dichter des Vaderlands, Anne Vegter maakte indruk met haar scherp sissende en ronduit krachtige voordracht van haar gedichten. Waaronder het gedicht Nu Wij, over laaggeletterdheid in Nederland. ‘(…) Moesten we luidop lijstjes/ lezen, op werk zeiden we niet geweten, bril vergeten. (..) het alfabet is misschien niet helemaal eerlijk verdeeld. Waar waren we toen de/letters werden geschud? Is er nog over van de spelling? Mogen wij ook?’

    Met een voorproefje van haar nieuwe tour Last Resistance – The Naked Sessions was Wende Snijders de grootste publiekstrekker. Met enthousiaste kreten werden haar songs onthaald. Indruk maakte het lied Black Feather, gebaseerd op Dominique Strauss Kahn en gezongen als een gospel. Ondertussen droeg Elly de Waard enkele van haar gedichten voor in Splash, een van de kleine zalen waar tientallen bezoekers met oprechte waardering haar presentatie bijwoonde.

    Ook Tom Lanoye bracht later in De Nacht in een performance een hommage aan Hugo Claus. En met opzwepende versregels als  ‘It was, it is, it remains’ en ‘One people, one nation’ wist hij Obama en Claus aan elkaar te dichten.
    Tonnus Oosterhof had volgens eigen zeggen inktzwarte gedichten uitgezocht voor deze witte nacht. Ze waren politiek getint en dwongen een betekenisvolle stilte af bij het publiek. Charlotte Mutsaers las voor uit haar bundel Dooier op drift. Met fijne versregels als ‘Alles van plastic is weerbaar’ en het gedicht Leeftocht over ouderdom, met een lach en verwondering. ‘Zeventig/alleen mijn leeftijd is vreemd’.

    Volgens Ingmar Heytze zijn er ‘dichters uit hun holen gekropen om zich met zenuw aftellende minuten de tijd door te slepen tot ze het podium kunnen betreden’. De Nacht was toen al ver heen en het overgebleven publiek had zich verzameld, als bij de nazit van een geslaagd feest, in de Totaal witte kamer. Liggend op vloerkussens en tegen elkaar aanleunend in stoelen, werd genoten van onder meer de Belgische band Dez Mona. Waarvan de zanger, Gregory Frateur met zijn opvallend grote stembereik en grillige dansbewegingen, deed denken aan de optredens van Kate Bush, inclusief blote voeten.

    Om half vier ’s nachts kwam Leo Vroman, onderhand een vertrouwde verschijning op poëziefestivals via skype, met zijn vrouw Tineke langs. Als een verlate gast die aanschoof om de achterblijvers, onder uitgezakt of liggend op gigantische zitzakken, nieuw leven in te blazen. Want met een versregel als: ‘Onschuldige moordenaars die het leven nooit hebben gekend.’ keerde hij de waarheid ondersteboven en vroeg men zich af ‘hoe het nu verder moest met het leven’.

    Als laatste dichter in de line-up las NK Poetry Slam winnares 2011, Kira Wuck, in bruin gebloemde jurk, op stevig staande benen, zich soms haast verslikkend maar nooit haperend haar gedichten voor. Waarna H.H. ter Balkt met zijn sonore stem onder meer met een: ‘Dat was het’ via skype de avond afsloot waarmee de Nacht van de Poëzie 2013 een voldongen feit was. Een Nacht die kan worden bijgezet als ‘ zeer succesvol’ in het archief van de Nacht van de Poëzie.

    In de wandelgangen stonden de bekende boekentafels opgesteld en was er dit jaar veel aandacht voor literaire tijdschriften als onder meer Extaze, Liter, Vooys, SLANG, Terras en Revisor.

     

    Foto Cees Nooteboom: Anna van Kooij

     

     

  • Een decennium lang Het liegend konijn

     

    Het liegend konijn is een tijdschrift voor hedendaagse poëzie met tweemaal per jaar een uitgave waarin enkel en alleen niet eerder gepubliceerde poëzie wordt opgenomen.  Geen recensies of beschouwingen ontnemen het zicht op het werk van de dichter, aan de lezer de taak zelf te oordelen. Het blad heeft een oplage van 1.500 exemplaren en telt 400 abonnees en kent sinds 2007 de tweejaarlijkse Debuutprijs Het liegend konijn toe.

    Poëzie zien als kind van deze tijd, als de spiegel van onze samenleving, zo waardeert de enige redacteur van het blad, Jozef Deleu het dichterschap:  ‘Dichters als gangmakers voor wat er te gebeuren staat met mens en wereld’.

    Struinend door de twee edities van Het liegend konijn van dit jaar is het een proeven, ruiken en opnemen. Er komt een grote verscheidenheid aan dichtkunst in voor. Dichters van uiteenlopende leeftijden, jonge debutanten, oude getrouwen en  enkele senioren leverden ‘niet eerder gepubliceerd’ werk. Uit de 67 dichters die in deze twee edities publiceerden, wordt hier de jongste dichter, Arno Van Vlierberghe (1990) en Nederlands grootste, de in Amerika woonachtige Leo Vroman (1915) belicht. Interessant is te zien hoe deze twee generatie dichters zich verhouden tot de toekomst:

    Ideaal (Leo Vroman)

    ‘Engel, als ik zo dromen kon
    en voor ons beiden
    de wolken zien glijden
    langs het plafond,

    Uit een bloemig vloerkleed groeiden
    de bedoelde planten
    en bloeiden langs de kanten
    de bedoelde bloemen,

    Werden de kamerwanden
    welig wuivend lover
    van ons tweeën  en van  de
    rest bleef niets dan liefde over.’

    In dit gedicht is de wereld klein, en wordt het leven teruggebracht tot de essentie van het leven zoals de dichter die beleeft. Dat na het heengaan, het sterven, ‘niets dan liefde’ is wat overblijft en waaruit,  een overgave spreekt die vredig stemt. Een kleine, overzichtelijke wereld: ‘Uit een bloemig vloerkleed groeiden / de bedoelde planten.’ Wat zoveel betekenen kan als: het leven heeft zijn belofte waargemaakt.

    De jonge dichter Arno van Vlierberghe dicht over een wereld die zich naar alle kanten uitstrekt en waarin het leven an sich een soort dreigement inhoudt waaraan niet te ontkomen is. Een gedichten‘epos’, al is er over heldendaden niets te melden. Een reeks gedichten over het verleden, hoe het was en dan, wat het gaat worden. Door zich het verleden te herinneren wordt de deur naar de toekomst geforceerd. Het is een gedichtenreeks waarvan de laatste strofe eindigt met: ‘En je moet je wijfje nog gaan vinden.’ Dat na alle gebeurtenissen en indrukken die een heel leven omvatten, het grote werk, het echte leven nog moet beginnen, is duidelijk. Hieronder het eerste gedicht uit de reeks: We waren allemaal even lelijk

    ‘Toen we nog naar verjaardagsfeestjes gingen,
    de Opel kadet net gestolen dus te voet
    hand in hand, de kleine klamme in grote klamme hand,
    door de slapende stad.

    Siliconen hielden toen de dieven buiten,
    de kinderen binnen en
    o wee als Arno aan de ramen van
    dit alles prutst, dan wordt er gestorven
    op vreselijke plekken
    Toen leerden we plastic kaas te smaken,
    roze puree te witten. Het kauwen werd
    ons opgelegd.’

    Waar in het gedicht van Vroman de belofte van de toekomst lijkt te zijn ingelost, heeft Van Vlierberghe de belofte die het leven inhoudt net ontwaard.

    Bij deze tiende jaargang komt Deleu eindelijk met de waarheid op de proppen omtrent de naamgeving van het tijdschrift. De naam is niet, zoals abusievelijk wordt aangenomen, geïnspireerd op het verhaal over een konijn van Paul van Ostaijen welke bij elke editie op de achterkant werd afgedrukt. Het begon in 1990 in Boedapest in een restaurant waar Deleu de tafel deelde met neerlandici uit Midden-Europa en waar, vermoedelijk ter ontspanning, de vreemdste verhalen werden opgedist. Waarop Deleu reageerde met de uitdrukking ‘jullie liegen als een konijn’. Waarna er een Internationaal Genootschap voor Taalvernuftelingen onder de naam Het liegend konijn werd opgericht. Het genootschap hield niet lang stand maar de naam leefde voort, en Deleu richtte aldus in 2003 het literair tijdschrift Het liegend konijn op. Daarna kwam pas het verhaaltje van Van Ostaijen ‘over het konijn dat de lach zocht’ in beeld en werd sinds het eerste nummer, als zijnde zeer toepasselijk, op de achterflap afgedrukt.

    Drie dichters ontvingen inmiddels de Debuutprijs Het liegend konijn. Ester Naomi Perquin won in 2007 voor het eerst deze prijs. In 2009 was het Ruth Lasters die de prijs won en in 2011 Lieke Marsman. Alle drie de laureaten schreven werk voor de tweede editie van Het liegend konijn.

    Verdere dichters die, verdeeld over beide edities, met een enkel of meerdere gedichten in Het liegend konijn zijn opgenomen, zijn onder meer: Huub Beurskens, Wim Brands, Y.M. Dangre, Maarten Das, Ellen Deckwitz, Piet Gerbrandy, Eva Gerlach, Peter Ghyssaert, Peter Holvoet-Hanssen, Tjitske Jansen, Wiel Kusters, Hanz Mirck, Froukje van der Ploeg Daniël Vis, Judith van der Wel, Anneke Brassinga, Paul Demets, Kees Engelhart, Anna Enquist, Edwin Fagel, Ingmar Heytze, Maarten Inghels, Sylvie Marie, Erik Menkveld, Erwin Mortier, Erik Spinoy, Peter Swanborn en Eriek Verpale. 

    Met deze tiende jaargang van Het liegend konijn is Jozef Deleu hoogst waarschijnlijk de langst zittende eenmans redactie van een literair tijdschrift. Wekelijks krijgt hij honderden gedichten toegezonden. Die hij zuiver op taalgevoel en herkenbaar aanwezig talent, selecteert. De gedichten die uiteindelijk geplaatst worden zijn van een kwaliteit die het dichtersgilde eer aan doet maar vooral ook het kritisch oog van Deleu kenmerkt.

    ‘Dichters als gangmakers voor wat er te gebeuren staat met mens en wereld.’ Een mooie gedachte die onverhuld de wens in zich draagt dat men meer gedichten moet gaan lezen wil men bij de ‘dichterlijke’ tijd blijven. Met Het liegend konijn in de hand zien we het volgend decennium met vertrouwen tegemoet.

     

    Het liegend konijn

    Onder redactie van Josef Deleu
    10e jaargang nr. 1 april 2012,
    Blz.: 264
    Prijs: 20,-
    nr. 2 oktober 2012
    Blz.: 272
    Prijs: 20,-
    Uitgeverij van Halewyck, Leuven & Van Gennep, Amsterdam

    www.hetliegendkonijn.be

     

  • Literaire periodieken: Hollands Maandblad, Nynade en Zacht Lawijd

    Recensie: Ingrid van der Graaf

    Met het vallen van een literair tijdschrift op de deurmat, begint een heimelijk voorgenieten; nieuw leesvoer, schenk de koffie in of zet de wijn koud! Eerst wordt er gebladerd: onbevangen surfen door het blad, op zoek naar een debutant, een veelzeggend gedicht of een boeiend essay. Om onverwacht te stuiten op een voordracht, bijvoorbeeld De geschiedenis van mijn haar van F. Starik in Hollands Maandblad no. 4. dat  snel tussen keuken (koffie) en leestafel naar binnen wordt gewerkt. Heerlijk! Soms wil de lezer overtuigd worden, zoals bij het minder bekende blad  Nynade (Kunst & Letteren). De in historische context  gevatte artikelen in Zacht Lawijd vragen om een stevige leestafel waaraan de documenten uiteen gevouwen kunnen worden en het consumeren beginnen kan. 

    Zacht Lawijd is een literair historisch tijdschrift en publiceert gedocumenteerde informatie met een regelmaat van vier keer per jaar. Hoewel het blad de indruk wekt voor academici te zijn uitgegeven is het zeer aanbevelingswaardig voor de breed georiënteerde lezer die zijn klassiekers kent, (of wil kennen).

    Het 3e nr. (2010) van Zacht Lawijd  is een themanummer en gewijd aan Reinold Kuipers (1914-2005). In Zacht Lawijd nr. 1 van dit jaar komt Kuipers opnieuw voor en wel als  fondswerver van De Arbeiderspers. Kuipers was in 1949 in Gent op bezoek bij de dichter Richard Minne (1891-1965). Hij was op zoek naar niet eerder gepubliceerde gedichten. Minne moest hem teleurstellen maar  attendeerde Kuipers op een ‘onmogelijk’ manuscript van de jongeman Louis Paul Boon (1912-1979). In 1949 komen Kuipers en Boon voor het eerst met elkaar in contact, maar pas in 1953 verscheen De Kapellekensbaan van Louis Paul Boon in het fonds van de uitgever. Want: Deze titel was enkele jaren de inzet van een machtspel tussen Minne en Boon. Zo het zich laat verklaren wilde Boon een ‘vadermoord’ (Minne) plegen om zich zodoende een eigen stek onder de zon te verwerven. Dit had een heftige polemiek tussen beide heren tot gevolg. Wanneer Richard Minne is overleden toont Boon openlijk (ietwat pathetisch aandoend) zijn grote waardering en liefde voor een man als Minne. Waarvan in Kuipers meets Minne en Boon, door Yves T’Sjoen (docent van de Vakgroep Letterkunde aan de Universiteit te Gent) en Els van Damme (bereidt een proefschrift voor over het literatuurkritische werk van Richard Minne en verbonden aan diezelfde Universiteit) in een uitvoerig artikel verslag gegeven wordt.

    Zeer goed gedocumenteerd is ook het artikel Driemaal is scheepsrecht! (Over S. Vestdijks romandebuut), door H.T.M. van Vliet. Voordat Vestdijk debuteerde met Terug tot Ina Damman, had hij de twee modernistische romans Meneer Visser’s hellevaart en Kind tussen vier vrouwen geschreven maar geen uitgever durfde zich aan publicatie daarvan te wagen. Hoewel de schrijver met Kind tussen vier vrouwen had willen debuteren bleef de roman tijdens zijn leven ongepubliceerd. In een prettig leesbaar stuk, geïllustreerd met kladbladen (ah, dat handschrift! welke schrijver wordt nog om zijn handschrift herkend), een portretfoto van de schrijver, van zijn typemachine en een afbeelding van de cover van Meneer Visser’s hellevaart zoals uitgegeven door Nijgh & Van Ditmar.
    Van Vliet publiceerde in november vorig jaar zijn editie van S. Vestdijks Kind tussen vier vrouwen, en ontving daarvoor de Ina Dammanprijs.

    Verder het artikel ‘Zie daer de trekken van een Nederlandsch penseel!‘ van de historicus en schrijver Jan Lampo. Lampo werkt aan een boek over de relatie tussen kunsttheorie, literatuur en schilderkunst in en om de Antwerpse Academie voor Schonen Kunsten van circa 1750-1850. Hierbij stuitte hij op de kunstopvattingen van Jan-Frans Willems (1793-1846).

    En een document getiteld: De brieven van Alice Nahon aan Emmanuel de Bom, over de Antwerpse auteur Emmanuel de Bom (1868-1933) en zijn vriendschappelijke en joviale levensinstelling door Manu van der Aa. Van der Aa is publicist over voornamelijk Nederlandstalige literatuur van het interbellum.

    Hollands Maandblad heeft twee auteurs die trouw elk nummer een bijdrage leveren, en dat schept een band. Je wilt de nieuwe bijdrage van deze coryfeeën direct lezen, ik in ieder geval. Zoals in de Groene Amsterdammer de bijdragen van Marja Pruis, Perquin en Opheffer mijn ‘leessnacks’ zijn, zijn Vroman en Brandts Corstius dat in Hollands Maandblad.  Hieronder een bespreking van de nummer 4 en 6/7.

    In het zomernummer 6/7 van HM  twee debuterende auteurs, Machiel Jansen en Jochem van den Dijssel. Jansen schreef een vermeldenswaardig stuk ‘over het redeneren van Karel van het Reve’. Jansen ‘verorberde’ alle tweeduizend pagina’s van het Verzameld werk van Karel van het Reve, wat op zich nogal een opgave is en verwerkte dit tot het stuk Helderheid voor beginners. Daarbij volgde hij twee lijnen die hij ontwaardde in het Verzameld werk. En wel de lijn Schopenhauer en de lijn Popper.  Waarin de gedachte van Van het Reve – dat het beter is zelf na te denken dan te lezen wat anderen over een onderwerp te melden hebben – als meanderende draad doorheen loopt. In de eerstvolgende nummer van Tirade zal Machiel Jansen overigens een stuk over de Welwillenden van Jonathan Littell publiceren.

    Jochem van den Dijssel schreef het kortverhaal Bruto Stedelijk Geluk. In helder proza wordt het enigszins absurdistische verhaal verteld van een gemeente ambtenaar die bewoners in een achterstandwijk moet interviewen om te meten hoe gelukkig men is. Natuurlijk denkt niemand in zo’n wijk in gradaties van geluk. De ambtenaar heeft dit snel door, laat de moed niet zakken en verzint zelf een mate van geluk voor elke bewoner, aan de hand van zijn observaties. De uitkomst is niet relevant voor het verhaal, wel de wijze waarop het verteld wordt. Van den Dijssel is een goed waarnemer en een evengoed schrijver.

    In nummer 4 een verhaal van Vrouwkje Tuinman Quo Vadis 1. Over Golders Green Crematorium in Noord-Londen waar onder meer de as van Sigmund Freud, Peter Sellers en Ian Durry is bijgezet. De beheerder Eric Willis kende in zijn vorige loopbaan als loodgieter geen vrienden. Golders Green is voor hem een plek voor de levenden, van de doden heeft hij nooit iets vernomen. Net als in haar laatste dichtbundel schrijft Tuinman over het leven na de dood, waar je vrienden aan overhoudt.
    In Een vorm van troost, van Anke Scheeren komt een schoonmaakster klem  te zitten tussen de georganiseerde zorg en haar eigen behoefte een oude, hulpbehoevende vrouw uit een benarde positie te redden.
    Verder het gedicht Indian winter van Gerry van der Linden en in het zomernummer het kortverhaal Wit van haar. Van der Linden is goed in het toevoegen van mooie zinnen die de werkelijkheid in het verhaal een extra demensie geven. Zoals: ‘De maaltijd verliep met een conversatie die haast zweeg van voorzichtigheid.’ Daarmee aangevend dat alles niet zo duidelijk is als het lijkt. ‘Wit. Maar niet smetteloos.’

    Van Arnon Grunberg werd opgenomen de (licht) bewerkte versie van een lezing over literatuur en traumaverwerking die hij gaf op 11 mei dit jaar aan de Radboud Universiteit te Nijmegen. Na lezing van Welkom thuis, wordt het vermoeden bevestigd dat het verschil in de belevingswereld van man en vrouw, ervoor zorgt dat zij gedoemd zijn elkaar nooit te begrijpen. Naast Leo Vroman gedichten van Wim Brands, Krijn Peter Hesselink, Jos Versteegen en Pieter Grootendorst. Verder nog het verhaal Supermarkt, van Revka Bijl. En in nr. 4 ook een verhaal van Philip Huff, Er breekt altijd wel iets. En van David Pefko, Pijn is iets heel persoonlijks. De tekeningen werden gemaakt door Trille Bedarrides (nr. 4) en Elise van Iterson (nr. 6/7).

    Op de omslag van Nynade (nr. 14 2011) een afbeelding van een schilderij van Ruslan Vashkevich, One of the two, uit 2009. Twee zwart glimmend gepoetste schoenen op een vel gelinieerd papier, met in de rechter schoen een in vele plooien vertrokken babygezichtje met wijd opengesperde mond. Een prachtig schilderij. Het blad bevat twee interviews, een met de schilder Vashkevich (uit het Russisch vertaald door Barney Agerbeek) en Karel Wash tekende een gesprek op met schrijfster Janneke Holwerda over haar roman Zeesteen. Met deze interviews wordt de ondertitel Kunst & Letteren inhoud gegeven. Er zijn veel gedichten opgenomen waarvan de zeggingskracht niet altijd overtuigt. Verrassend is het verhaal over het leven van de kleurrijke Amsterdamse kunstenaar (met foto) Henk de Jong. Een bespreking van A single man van Christopher Isherwood, het boek en de film, door Rita Spigt is ook een mooie bijdrage. Sommige bijdragen ogen wat prematuur. De loop der dingen van Jan Ruward lijkt daardoor een niemandalletje terwijl er wel degelijk een gedragen inhoud inzit. Het tijdschrift is geïllustreerd met vele kleurige illustraties. De redactie van Nynade heeft zeker ‘smaak’, maar de bijdragen verschillen nogal van kwaliteit en lijkt er sprake te zijn van een te willekeurig keuzebeleid.

     

    Voor verdere informatie en abonnementen kijk op de betreffende websites.

    Hollands maandblad: Ga naar website

    Zacht Lawijd: Ga naar website

    Nynade: http://www.nynade.nl/.

  • Meinummer Tirade – In memoriam

    Meinummer Tirade – In memoriam

    Bij het persklaar maken van het hier te bespreken meinummer van Tirade, kon de redactie niet bevroeden dat het thema In memoriam op de realiteit vooruit liep. Enkele weken later veroordeelde Halbe Zijlstra – zonder slag of stoot – de twaalf meest vooraanstaande literaire tijdschriften in Nederland tot de bedelstaf. Het Letterenfonds kreeg opdracht geen subsidie meer aan deze tijdschriften te verstrekken.

    Volgens Zijlstra worden literaire tijdschriften niet gelezen, dus weg ermee. Een onbezonnen actie die verregaande gevolgen zal hebben voor de literaire ontwikkelingen in Nederland. Met het opdoeken van de tijdschriften zullen ook de redacties verdwijnen. Waarmee het belang van het redactionele advies van een gerenommeerd tijdschrift aan debuterende auteurs, schromelijk onderschat wordt. Zijlstra smoort het toekomstige Nederlandse literaire erfgoed, zonder scrupule, de mond. Een In memoriam is dan zeer toepasselijk, zei het fictief, het biedt troost en geestelijke verrijking aan de literatuurliefhebber in deze moeilijke tijden. En hoop gloort daarna.

    Vijfendertig maal een In memoriam van even zovele schrijvers. Wie heeft nooit een moment gekend dat je eraan dacht hoe je gememoreerd wenst te worden: ‘Van haar voortdurende verbazing werden wij geregeld doodmoe’ (Sasja Janssen), ‘Hij heeft (…) ongeveer 30 kilometer geschreven (…) (Leo Vroman) of: ‘(…) zijn onvermogen binnen de lijntjes te kleuren.'((Detlev van Heest). De werkelijke memorabele feiten, na de dood uitgesproken zal niemand ooit notitie van nemen. Tirade nr. 438. bood auteurs de kans een I.M. over zichzelf schrijven. De ultieme gelegenheid om jezelf eindelijk eens te prijzen waar de kritiek dat nagelaten heeft, of ongestraft te citeren uit eigen werk. Maar ook de donkere kanten treden onverbloemd op de voorgrond, nu er toch niets meer te verrekenen is kan alles gezegd.

    Schrijven over eenzelfde thema door een groot aantal auteurs brengt het risico met zich mee dat het resultaat wat al te eensluidend kan uitvallen, maar daar is hier geen sprake van. Wel kan men – na lezing van pakweg tien bijdragen – spreken van enige I.M verzadiging. Leg het tijdschrift dan even terzijde om het later nog eens door te bladeren – daar nodigt een literair tijdschrift immers toe uit – blader er doorheen, sla een paar I.M.s over voor een later moment en lees nog eens wat terug. Het is genieten om te zien hoe de auteurs met het thema gestoeid hebben. Een enkeling pakte zijn leven samen in een grafsteentekst zoals David Van Reybrouck ‘Hij deed nooit iets in opdracht.’

    In Omheen het gat van Atte Jongstra, spreekt de schrijver de hoop uit dat zijn vrouw gunstig over hem wil denken na zijn dood. Tussendoor vermeldt hij: ‘(…) al schijnt ook zij het leven te hebben losgelaten, zie elders in dit blad (…)’.

    Haar Onvoorzien In Memoriam van Ingrid Hoogervorst, heeft hij kennelijk niet meer kunnen lezen. Hoogervorst is getuige van een gesprek tussen twee stamgaten in een café die haar op haar eigen I.M. verrassen. Waarna zij onopgemerkt het café verlaat en huiswaarts gaat. Zij is niet overleden, zelfs niet fictief.

    Marion Bloem, I.M. en Jan van Mersbergen (zonder titel) memoreren zichzelf enigszins ongemakkelijk. Wie wil er nu over zijn eigen dood schrijven wanneer je ouders nog leven? Jan van Mersbergen belt er zijn moeder maar eens over die terstond een opsomming geeft van herinneringen aan Van Mersbergen en zijn tweelingbroer. Toen ze nog baby waren en zo identiek, dat zijn moeder hem alleen wist te onderscheiden door een paar vlekjes bovenop zijn voet. Over memorabele feiten na zijn dood wordt handig gezwegen. Of het moest zijn dat zijn moeder hem herinneren zal als een van de tweeling die zich altijd zal willen onderscheiden van zijn broer door: ‘(…) dat schrijven van jou (..)’

    Marion Bloem is bang dat niemand haar ooit, zelfs na haar dood niet, echt gekend zal hebben. Dat je gekend wordt aan de oppervlakte en in uiterlijkheden maar de gelaagdheid in haar wezen, evenals als die in haar boeken – onopgemerkt zal blijven. Een ongerede angst lijkt me, maar wel een die voorbehouden is aan de schrijfster en zeer herkenbaar.

    Interessant is te vernemen hoe schrijvers aan hun einde zijn gekomen.

    Anton Korteweg (1914-2011) stierf in zijn slaap en Theo Kars (1940-2040) vond de dood ‘door eigen hand’. Heel toepasselijk voor: “‘Wie steeds zijn eigen leven heeft geleid, zal ook op het eind daarvan de teugels niet uit handen willen geven, (…),’ aldus Kars in zijn memoires.”

    Minke Douwesz (1962 – 2010) kwam bij een verkeersongeluk om het leven. Zij, die twee poezen en evenzovele romans naliet, schreef een scherpe analyse van haar leven en werk als auteur. Haar romans Strikt en Weg ontstonden vanuit een streven: ‘(…) woorden vinden voor de complexe processen die zich in en tussen individuen afspelen.’ Wie haar werk kent kan beamen dat zij daarin geslaagd is.

    De bijdrage van Maarten Biesheuvel is grandioos. Het schrijven schijnbaar voorbij tekende hij (met ballpoint) zichzelf in memorabele staat op papier: Eva, zijn vrouw gezeten in een (imaginaire) stoel aan het voeteneinde van een kaal bed waarop in naakte, erectionele staat de schrijver, de hand reikend naar zijn mannelijkheid, kreunend zijn laatste adem uitblaast. Met daaronder de tekst: ‘Biesheuvel had een afschuwelijk leven maar gelukkig had hij Eva als vrouw.’

    Verder een In memoriam van onder andere: Tomas Lieske, Piet Gerbrandy, Barber van de Pol, Ton Rozeman, Tsjead Bruinja, Arnon Grunberg, Willem Jardin, August Hans den Boef, Maarten Ascher en Miek Zwamborn.

    Literatuur, in de diepte en de breedte, bij de hoogste en de laagste zin van het woord, zal nimmer verstommen wanneer we Arnon Grunbergs woorden ter harte nemen in zijn Voetnoot van 27 juni jl.. Grunberg ziet weinig heil in protestacties tegen de voorgenomen bezuinigingen. ’Het kabinet bezuinigt, er wordt geprotesteerd. Zo was het vroeger, zo is het nu. Zelden verandert er iets.’ Liever stort hij elk jaar duizend euro in een fonds voor literaire tijdschriften. “Als 199 personen en bedrijven hetzelfde doen, hebben we 2 ton.” En: “Als de kunsten u lief zijn: koop wat minder biologisch rundergehakt en wordt mecenas.” Laat de uitingsvorm van de kunsten niet langer afhankelijk zijn van de grillen van de overheid maar neem je eigen verantwoordelijkheid, lijkt Grunberg hiermee te willen zeggen.

    En als vervolgens heel literatuurminnend Nederland een abonnement neemt op een literair tijdschrift dan zal het ware karakter van de literatuur zich doen gelden.

     


    Website Tirade www.tirade.nu

     

  • Hollands Maandblad maart 2011

    Bastiaan Bommeljé schrijft in een redactioneel stukje hoe hij tijdens het laatste boekenbal werd overvallen door gedachten als: “Achteruitgang is een relatief begrip, eerstejaars studenten weten steeds minder van het bestaan van een ‘lijdend voorwerp’  maar alles over een ‘leidend voorwerp’  en dat elke tijd aan aftakeling, teloorgang of verval onderhevig is.” Uiteindelijk komt Bommeljé bij Lucius Annaeus Seneca (55 V.O.J. en ca.39 N.O.J.) uit. Seneca de oudere was een deskundige op het gebied van ondergang en verval. Je zou hem de aangever van de “vroeger was alles beter” mentaliteit kunnen noemen.

    Het essay Geen iPhone, please, wij zijn schrijvers van schrijver Hans Hogenkamp gaat ook hierover: alles is aan vergankelijkheid onderhevig en tegelijkertijd vernieuwt de tijd zich constant. Maar wat je er mee moet? Hogenkamp haalt de discussie aan tussen Jonathan Lethem en Paul Auster uit het literaire maandblad The believer over het probleem, ‘(…) om moderne technische middelen die nu volledig gemeengoed zijn zoals mobiele telefoons en e-mails, in je boeken te verwerken?’. Hoe komt het dat lezers de voorkeur geven aan boeken die gaan over subculturen die onbekend zijn dan over ICT’ers, beleidsambtenaren  en wat zo meer gegrepen is uit het leven van alledag die de saaiheid van het eigen bestaan alleen maar  benadrukt. Tenminste, dat denkt de schrijver – volgens Hogenkamp – die liever over supermarkt of kruidenier schrijft dan AH of Jumbo. Het beestje niet bij de naam noemen en de techniek erbuiten laten om zo het ’tijdloze’ karakter van de literatuur niet aan te tasten. Anders is het geen literatuur meer. Literatuur gaat over dingen die voorbij gaan maar dan wel verzonnen en in ieder geval niet over het dagelijkse leven (saai). Maar dat vindt Hogenkamp – terecht – onzin. Al deze krampachtige weglatingen uit de letteren bewijst volgens Hogenkamp dat de Nederlandse literatuur zich nog steeds moet afspelen in een tijdloos vacuum dat geheel op verbeelding gebouwd moet zijn. Dit alles is dus een misvatting. Gooi er gerust wat straatrumoer in, vindt Hogenkamp.


    Van Leo Vroman op de open bladspiegel –  links in het Nederlands  en rechts in het Engels – het gedicht Verliefde momenten / Moments in love (a rough translation). Waarbij duidelijk is dat Vroman nog immer in het Nederlands schrijft en daarna  naar het Engels vertaalt. Een gedicht over  ” (…) die onverwoestbare samenhang / van het volgende, met het vorige, / zo innig, en zo lang.” Het gedicht begint aldus:

    “Ik kan mij in het noodlot schikken / als ik mij concentreer / op de liefde tussen de ogenblikken.” Een mooi gegeven – hoe bedacht je moet zijn op de liefde – die zich verstopt tussen de momenten. Je moet haar willen zien, die liefde. En in de laatste strofe  de sterfelijkheid verwacht:
    “Ik was van tevoren / in haar liefde geboren / en zal in haar liefde vergaan.”

    Willem van Spronsen – was directeur van het Rosa Spier Huis te Laren en raakte in die hoedanigheid bekend met Marten Toonder – zet met gevoel voor detail in Marten is dood een liefdevol beeld neer van Toonder in zijn laatste levensdagen. In Tirade nr.1 2010  stond van zijn hand De laatste leerling van Marten Toonder. Waarin hij beschrijft hoe Toonder zijn leermeester werd en over de vriendschap die daaruit voortkwam. Een vriendschap die duurde tot aan het sterfbed van Marten Toonder. Ik stel mij zo voor dat Spronsen meer te schrijven heeft over de nadagen van Marten Toonder.

    Hugo Brandt Corstius bijdrage In wat er in m’n kop rust is een literair cryptisch spel met klinkers uit namen van schrijvers, dichters en filmers.
    “AAA  Zavada: ‘Onze verzoening begon natuurlijk niet met lachen.’ Ha,ha,ha!
    AAE Grahame: ‘Wat apen in onze kamers gaan doen is: niet praten.’ Schatkamers!
    AAI Amalrik: Arbat zag eruit als een straat in een bezette stad.’ Armzalig!
    AAO Carvalho: Als zij stierf in het kraambed zou ik vrij zijn.’ Paradox!”
    Heb je er een gelezen wil je ze alle 120 lezen. Een volmaakt taalplezier.

    Het kort verhaal van Benjamin Burg Plat du jours is eerder al verschenen in een geschenkuitgave van Podium, samen met het verhaal De laatste sigaret van Stuart Evers. Maar het is zo een goed verhaal dat het met plezier nogmaals te lezen is. Burg schrijft voor de lezer. Zijn zinnen zijn helder en krachtig. Met een stevig ritme stap je door het verhaal waar je aan de hand van de beschrijvingen en kleine details veel te weten komt over personages die verder niet in beeld komen.

    Verdere bijdragen van: M.C. Brands – NIOD op de verkeerde weg (Is ‘Genocidestudies’ wel een wetenschap?)
    Gedichten van Vicky Francken – Hoe is het mogelijk
    Gedichten en vertalingen van L. Th. Lehmann
    Iek Hulshoff Pol, die schrijft om niet te vergeten het verhaal Verder, verder.
    Marijke Hanegraaf met twee gedichten: Maasbracht en Huissen, zondag 2 mei
    Antoine de Kom geeft aan de hand van enkele psychologische spelregels les in opstelling en atitude in het verhaal Zware zaken.
    Tekeningen – Rudof Hartman

    Hollands Maandblad
    Uitgegeven door: Nieuw Amsterdam / Stichting Hollands Maandblad
    verschijnt 10 keer p.j. (12 nummers)
    Prijs los nummer: 6,50 dubbelnummer 7,50 (juni/juli en augustus/september )
    Abonnementen: 65,– (studenten en docenten 48,50)

    www.hollandsmaandblad.nl