• Oogst week 46 – 2024

    Oogst week 46 – 2024

    Overleven na 7 oktober / Tien gesprekken

    Delphine Horvilleur verschijnt regelmatig in de Franse media waar ze tekst en uitleg geeft over allerlei Joodse kwesties. Overleven na 7 oktober / Tien gesprekken is als een schijnsel in de nacht voor al diegenen die weigeren zich te laten ontmenselijken door haat. Het leven van de Franse vrouwelijke rabbijn en feministe stortte in na het bloedbad dat Hamas in Israël aanrichtte op 7 oktober 2023. In verdoofde toestand schreef zij deze verhandeling die haar bij wijze van zelfanalyse terugbrengt naar de fundamenten van het bestaan. De tekst bestaat uit tien gesprekken – sommige waarachtig, sommige denkbeeldig: over haar pijn, haar grootouders, de Joodse paranoia, antiracisten, haar kinderen, Israël en de Messias.

    De Franse versie verscheen onder de titel Comment ça va pas? In deze Nederlandse uitgave is ook de preek opgenomen waarin Horvillleur, kort voor die zevende oktober, vanuit de traditionele Joodse wijsheid kritiek uitoefende op het beleid van de Israëlische overheid jegens de Palestijnen.

     

    Overleven na 7 oktober / Tien gesprekken
    Auteur: Delphine Horvilleur
    Uitgeverij: De Arbeiderspers

    Als de zon valt

    Als de zon valt is een romance, een coming-of-ageverhaal over queer liefde en vriendschap. Het verhaal speelt zich af in 2016 op een middelbare school in Utrecht. Nederlandse Alex en Turkse Omar worden verliefd, terwijl hun omgeving niet in de gaten heeft wat voor intieme vriendschap tussen de jongens ontstaat. Vanuit wisselende perspectieven ontdekken de jongens zichzelf en elkaar. Een intiem portret over gedeelde onzekerheid en identiteit, over verbergen, verdoven en zoeken naar geluk.

    Als de zon valt is het debuut van Stijn de Vries (1998, Almelo) die ook fotograaf, presentator, journalist en schrijver is. In 2021 rondde hij de BNNVARA Academy af. Vóór Spuiten en slikken maakte hij de series Jong Geleerd, Nooit Gedaan (2021) en Mooi, Man (2022). Met Duncan Tromp maakt hij de podcast Relnichten, hij interviewt voor Jongstof en schrijft voor VogueLINDA. en LINDA.meiden.

     

    Als de zon valt
    Auteur: Stijn de Vries
    Uitgeverij: Lebowski

    De goddelijke comedyclub

    De goddelijke comedyclub, Weijts’ achtste boek, is een zoektocht naar een vader aan de hand van jeugdherinneringen tijdens de jaren tachtig. Protagonist is Felix Kajuit, een succesvol ‘stand-up-archeoloog’ en radiocolumnist. Tijdens de lockdown in de coronapandemie komt hij terecht in een clandestiene comedyclub waar hij wordt omringd door artistieke paria’s en complotdenkers. In zijn herinneringen gaat hij onder andere terug naar het circus dat naar zijn dorp kwam en de bouw van een nieuwe woonwijk. Daarnaast analyseert hij de moeizame relatie met zijn ouderwetsdenkende vader.

    Christiaan Weijts (1976) is een Nederlandse schrijver en columnist, die diverse prijzen en nominaties in de wacht sleepte voor zijn literaire werken.

     

    De goddelijke comedyclub
    Auteur: Christiaan Weijts
    Uitgeverij: De Arbeiderspers
  • De wereld bezien vanaf een barkruk

    De wereld bezien vanaf een barkruk

    In zijn derde bundel, Profane verlichting, doet Johannes van der Sluis verslag van zijn waarneming van dagelijkse gebeurtenissen in de periode van 24 juni 2020 tot en met 16 september 2020. Plaats van handeling is vrijwel altijd Rotterdam en dan met name Lombardijen, waar de dichter wekelijks een café bezoekt als hij klaar is met zijn therapie bij een psycholoog. Dat kan Café Teddy Bear zijn of de Performance Bar, maar meestal toch Café de S., waar hij zich verheugt in de aanwezigheid van het barmeisje M., voor wie hij tedere gevoelens ontwikkelt. 

    Drie jaar geleden is zijn relatie op de klippen gelopen en zijn geliefde is bij hem weggegaan. Zijn baan als leraar aan een middelbare school heeft hij opgezegd. De therapiesessies bij de psycholoog gaan over de onzekerheid van de dichter, zijn verlangen naar acceptatie en de angst om afgewezen te worden. 

    Zoektocht naar verlichting

    In korte zinnen beschrijft Van der Sluis zijn zoektocht naar verlichting, naar licht in de duisternis waarin hij zich bevindt. Soms gebeurt dat letterlijk, als het barmeisje M. zijn pad verlicht met een grote lamp op weg naar het terras, soms gebeurt het zoeken naar verlichting spiritueel via een poging tot meditatie, zoals in het gedicht Heb je een vaas? waarin de dichter een cursus Transcendente Meditatie volgt. Daartoe moet hij zoete vruchten meenemen, een bos bloemen en een witte zakdoek. Maar als hij op de vraag waarom hij de cursus wil volgen, antwoordt dat hij verlichting zoekt, stuurt de instructeur hem weg en adviseert hem het rustiger aan te doen:

    […]
    als je de oceaan oversteekt
    in een roeibootje
    en er komen walvissen aan
    is het noodzakelijk
    om even om te keren
    De bloemen plant hij uiteindelijk maar in een vaas:

    […]
    zo stokt
    de zoektocht
    naar verlichting
    met bloemen
    in bedenkelijke kleuren
    maar inderdaad
    geen walvis
    te zien
    vooralsnog
    ik snuif even aan de bloemen
    vanaf nu
    kan de roes
    mij vervoeren
    door onbekende wateren

    De zinnen mogen dan kort zijn, de parlando-achtige gedichten zijn – op een enkele uitzondering na – zijn erg lang. Een index ontbreekt, waardoor de gedichten zich laten lezen als een aaneenschakeling, een snoer van gedichten die elkaar opvolgen in de tijd en uiteindelijk één geheel vormen. De interpunctie beperkt zich tot hoofdletters en een vraagteken. Omdat de dichter geen punten gebruikt, lopen de zinnen in elkaar over als door een enjambement, ook als dat niet de bedoeling is. Je weet pas na enig puzzelwerk waar de ene zin ophoudt en de andere begint, wat vaak een komisch effect heeft. 

    Soms wordt een gedicht voorafgegaan door een citaat: meestal een regel uit een popsong of een zin uit het werk van een bekende auteur, die weerklank vindt in het gedicht. 

    Ironische humor

    In de gedichten is een een melancholiek en berustend man aan het woord, die vanaf een barkruk de wereld langs zich ziet gaan. De verplichte anderhalve meter afstand in het coronajaar 2020 maken hem nog eenzamer dan hij al was. Een ontgoocheld man zonder illusies is hij, maar ook zonder zelfmedelijden. Met ironische humor beschouwt hij de wereld die bevolkt is met weirdo’s, zichzelf niet uitgezonderd, die proberen aan de bar alle wereldproblemen op te lossen. Met mededogen schildert hij portretten van gewone mensen, ‘die een individu werden / en daarmee de afkeuring / van de maatschappij / moesten verdragen / ze leden lachende’. Een taxichauffeur, een kassière, een visverkoopster ‘met het gezicht van Dulle Griet’:

    […]
    warme vis
    daarvoor kom je
    naar de markt
    roept ze
    hier liefie
    en ze geeft een bakje
    aan een klant
    aanbiddelijk
    ik zegen haar
    en laat haar verder strijden
    met haar zwaard
    voor de poort
    van de hel
    alle demonen
    zullen wijken

    Het profane en het gewijde

    In het gedicht Profaan, geschreven op 9 september, als het Wonderful Weirdos Day is, beschrijft de dichter de eeuwigdurende strijd om de harmonie van het profane en het gewijde, het licht dat steeds weer de duisternis moet overwinnen. Dit steeds terugkerende thema wordt met wrange humor verduidelijkt in de laatste versregels, als de Slang van de Kosmos die de wereld schraagt, teruggevonden wordt in de wc:

    […]
    ik denk
    aan de duisternis
    die telkens weer
    overwonnen moet worden
    opdat de Kosmos
    het licht wordt gegeven
    aldus Eliade
    op het toilet
    zit geen bloed meer
    aan het papier
    in de pot
    ligt een volmaakte
    opgerolde bruine slang
    ik por even
    geen teken
    van leven
    en spoel door

    Het hogere en het lagere te verenigen lijkt onbegonnen werk en de verlichting is niet te bereiken. De dichter lijkt op de klassieke clown Paljas, die in de piste beroepsmatig lachen moet, terwijl zijn hart huilt. Als in het laatste gedicht de psycholoog ook nog voorstelt te stoppen met de sessies – ‘want over onzekerheid / en het verlangen naar acceptatie / kun je eeuwig doorpraten / meent hij’ – valt de grond onder zijn voeten vandaan. Gelukkig is er een lichtpuntje, al is het dan niet de gewenste ‘Grote Verlichting’: barmeisje M. glimlacht naar hem. ‘[…] en ik dans / and it’s all right baby / it’s all right’; met deze wanhopige poging om zichzelf voor de gek te houden sluit de dichter de bundel af.

    Van der Sluis neemt de lezers in zijn bundel mee door zijn leven van alledag aan de hand van wat nog het meest een dagboek lijkt te zijn. Achter de gedichten, die op het eerste gezicht komisch lijken, schuilt een Weltschmerz en een gelatenheid, die de gedichten indringend maken en van een dubbele bodem voorzien. Een gelaagdheid die eerst doet lachen en dan doet huilen. Van der Sluis maakt van de lezer eenzelfde droeve clown die hij in zijn gedichten uithangt.

     

     

  • Als de geallieerden de oorlog hadden verloren

    Als de geallieerden de oorlog hadden verloren

    Philip K. Dick (VS, 1928 tot 1982), is vooral bekend als science fiction auteur. De man in het hoge kasteel is geschreven in 1962 en is nu opnieuw vertaald. Het bijzondere verhaal beschrijft een alternatieve geschiedenis: Duitsland en Japan hebben de Tweede Wereldoorlog gewonnen. Zij hebben de Verenigde Staten opgesplitst: het westen is bezet door de Japanners, het oosten door de Duitsers, in het midden is een neutrale zone. In dat neutrale gebied woont de schrijver Hawthorne Abendsen, wiens boek De sprinkhaan sleept zich voort, door de Duitsers is verboden. In zijn boek schetst Abendsen een wereld waarin de geallieerden de oorlog hebben gewonnen. De lezer krijgt nauwelijks te horen wat er in dat boek staat, wellicht gaat Dick er vanuit dat wij wel weten hoe die wereld er uitziet.
    De vergelijking van deze twee werelden zou interessant kunnen zijn. Hoe ziet een wereld waarin de nazi-ideologie zegeviert en directe afstammelingen van de ‘goden’ het voor het zeggen hebben, eruit?

    Een racistische samenleving

    Het lezen over een samenleving waar de fascistische ideologie in praktijk wordt gebracht, waar antisemitisme geoorloofd is, waar joden verdekt leven en sommigen ‘hun naam en neus veranderen’, waar openlijk racisme wordt bedreven, waar angst en wantrouwen heerst, is vervreemdend en voelt ongemakkelijk. Vooral omdat de toon waarop Dick over het leven in zo’n maatschappij vertelt normaal en gewoon klinkt, terwijl je weet dat dat niet zo is. Dat de bevolking van Afrika door de nazi’s is uitgeroeid en zij vervolgens naar dat continent alle rassen transporteren die in hun ogen minderwaardig zijn, – en dat zijn niet alleen Joden – wordt terloops gemeld.

    We weten allemaal hoe verschrikkelijk het leven in Europa in de jaren 1939-1945 was, maar Dick beschrijft het leven in een fascistische maatschappij alsof dat normaal is. Mensen zijn wantrouwend, op hun hoede, er is onderling verraad en de onderlinge verhoudingen worden vooral getypeerd door uiterlijkheden: ‘spleetogen’, ‘smous’, etc. We lezen over het leven in een racistische samenleving, alsof zo’n maatschappij toekomst heeft. Het voelt des te ongemakkelijker wanneer je je realiseert dat in de huidige westerse maatschappij uitingen van racisme steeds meer en vaker voorkomen. Wanneer je Dick leest, besef je eens te meer wat een heilloos pad dat is.

    San Francisco

    Het verhaal speelt zich af in het door de Japanners bezette westen van de VS en dan vooral in San Francisco. De veelal Duitse personages komen elkaar daar tegen en wat opvalt is dat alles draait om echtheid c.q. onechtheid, waarheid of leugen, vervalsingen, vermomming en oplichting. Zo is er een Zweed die op een geheime missie naar San Francisco reist en besluit zijn verhulde joodse identiteit te onthullen aan een medereiziger: ‘Ik heb mijn neus en mijn poriën laten verkleinen. Mijn huid chemisch lichter laten maken en de vorm van mijn schedel laten veranderen. Kortom, fysiek kan niemand mij erop vastpinnen. Ik kan me tot in de hoogste nazi-kringen bewegen en doe dat vaak ook. Niemand zal het ooit ontdekken. En ik ben niet de enige. Wij zijn niet dood. We zijn er nog. We leven onopgemerkt door’.
    De filosofische beschouwing over hoe de wereld er aan toe is en wat daarvan te denken, die vooraf gaat aan deze onthulling, verraadt de politieke of zo men wil existentiële vragen die in het verhaal aangeroerd worden. Antwoorden komen er niet en aan het eind van het boek wordt de Zweed gearresteerd omdat hij ervan verdacht wordt een nazi-spion te zijn.

    Sieradenmaker, Frank F(r)ink – hij heeft een ‘r’ in zijn naam gezet om minder joods te klinken – maakt samen met een collega valse sieraden en verkoopt nieuwe pistolen als antieke. Via Robert Childan, die Amerikaanse voorwerpen aan Japanners verkoopt, probeert hij zijn valse waar te slijten. Ook hij wordt uiteindelijk ‘ontmaskerd’. Zijn ex-vrouw Juliana geeft judolessen in de neutrale zone. In een café pikt zij een Italiaanse vrachtwagenchauffeur op die het verboden boek van Abendsen in zijn bezit heeft. Zij leest dat en samen besluiten Juliana en de vrachtwagenchauffeur de schrijver te gaan opzoeken om hem te vragen waarom hij dat boek heeft geschreven. De schrijver zou uit veiligheidsoverwegingen in een hoog, onneembaar huis wonen – het hoge kasteel uit de titel – maar het blijkt gewoon een bungalow te zijn, weggestopt achter struikgewas en badend in het licht (ook weer een tegenstelling).

    Als antwoord op haar vraag zegt Abendsen dat hij het boek heeft geschreven met behulp van de hexagrammen uit de I Tjing. En het orakel had hem ook ingefluisterd dat in werkelijkheid de Duitsers en de Japanners de oorlog hebben verloren.
    Dick is gefascineerd door de I Tjing, Het boek der veranderingen, dat een oud Chinees systeem van kosmologie en filosofie beschrijft. De achtergrond van deze filosofie is het ‘het in evenwicht brengen van tegenstellingen’, ‘de evolutie van gebeurtenissen als een proces’, en ‘de acceptatie van het onvermijdelijke’. Aanhangers beschouwen het boek als een uitdrukking van wijsheid en filosofie van het oude China, nog becommentarieerd door de grote Confucius….

    Waardering

    Zoals uit de voorbeelden hierboven misschien al duidelijk is geworden; het is een ongewoon boek dat niet gemakkelijk leest. Dat komt niet alleen door de vreemde gebeurtenissen die zich voordoen en de eigenaardige personages die erin voorkomen. Ook de vele vragen die de personages zichzelf stellen, zonder dat zij beantwoord worden, maken het lezen van dit verhaal verwarrend.
    De losse compositie van het verhaal, de vlakke taal en het ontbreken van beeldend taalgebruik maken dat het boek niet ‘lekker leest’.
    Het is één grote poppenkast en hoewel de wegen van die personages zich op een gegeven moment wel kruisen, blijf je je afvragen wat zij met elkaar te maken hebben en hoe het nou eigenlijk allemaal zit. De onderlinge verbanden worden niet duidelijk. Waarom raadplegen de personages de I Tjing wanneer ze een belangrijke beslissing moeten nemen? We kunnen er over filosoferen en misschien is dat wel wat de schrijver met het boek beoogd heeft. Op zich is het een aardig experiment, te overdenken hoe de wereld eruit zou zien wanneer de geallieerden de oorlog hadden verloren. Rest de vraag waarom het boek ruim 40 jaar na dato is vertaald.