• Mysterie van dood en leven

    Mysterie van dood en leven

    Laura van der Haar won in 2012 het Nederlands kampioenschap poetryslam en debuteerde in 2014 met de poëziebundel Bodemdrang en in 2018  volgde haar debuutroman Het wolfgetal. De roman De Kuil is haar zesde publicatie.
    Soms is het lezen van een boek een worsteling om aan het eind te ontdekken dat het verhaal goed in elkaar zit. Kasja, een van de personages uit De kuil is een jonge vrouw die zich willoos overgeeft aan de grillen van een twintig jaar oudere minnaar, ‘dit is wat ik wil: iemand die de baas is, iemand die me klein maakt, die me reduceert tot vragend, wachtend meisje.’ Ze raakt door haar minnaar geobsedeerd.

    Kasja’s vriend Lennart is een personage dat de lezer tart met zijn geobsedeerdheid rond een geheim dat zijn in coma liggende zusje op het spoor zou zijn. ‘De luchtdruk, de luchtvochtigheid, de gaten het heeft er allemaal mee te maken, daar is Lennart van overtuigd. Met twee vingers pakt hij een dode mestkever die op zijn rug ligt, de chitine van het pantser kraakt als krantenpapier. […] zie je wel, ademgaten, kieuwen, in een handjevol bosaarde leven al meer wezens dan er mensen op de wereld zijn, het plankton van de bodem.’ Zijn zusje kreeg een onduidelijk ongeval, of hetgeen zij op het spoor was realistisch is, blijft vaag en mysterieus.

    Obsessies

    De alledaagse handelingen en gesprekjes in het boek roepen een sterke sfeer op. Van der Haar schrijft mooie zinnen en haar observaties zijn vaak raak. Kasja en Lennart, ergens in de twintig, wonen samen, maar zijn eerder maatjes dan dat ze een liefdesrelatie hebben. Ze praten in clichés met elkaar en hebben geen wezenlijk oog voor elkaars behoeftes. Lennarts zusje is uit een boom gevallen of moedwillig gesprongen, een terugkerende vraag  voor Lennart, en ligt in coma. Kasja heeft daar nauwelijks interesse voor.  Lennart is dagelijks in het bos te vinden, waar ook Kasja veel komt, maar hun wegen kruisen elkaar nooit. 

    Kasja werkt in pannenkoekenhuis De Kuil in de bossen van Gelderland, niet ver van de boom waar Lennarts zusje uit een boom viel waardoor ze in coma raakte. Aan de ene kant is een begraafplaats, aan de andere kant ligt een vervallen en dichtgegroeid vakantiepark met huisjes. Het is al jaren gesloten, maar de plaatselijke projectontwikkelaar Charles Ubbink wil het park opwaarderen tot een luxe vakantieresort. Ubbink drinkt soms koffie bij De Kuil en Kasja valt als een blok voor hem. Ze beginnen een relatie en ontmoeten elkaar regelmatig in een van de verlaten vakantiehuisjes. Kasja denkt aan niets anders meer dan aan deze sterke, twintig jaar oudere man, getrouwd en met een kind. Ze raakt zo in zijn ban dat het een obsessie wordt. Om de haverklap checkt ze haar mail en Telegram-messenger in de hoop op een berichtje van hem. Ze stalkt zijn vrouw op Instagram en gaat zelfs zijn huis binnen als hij op vakantie is. 

    Ondertussen is Lennart in het bos te vinden en onderzoekt de bodem rond de boom waar zijn zusje verongelukte, op zoek naar een aanwijzing. ‘De map op haar computer blijft door zijn hoofd spoken. Hyfen, sporen, een onsterfelijk netwerk van slijmdraden en neurotoxinen, een aards web van geëxternaliseerde longen, steneneters plantendoders, aliens.’ In korte hoofdstukken zijn afwisselend Kasja en Lennart in beeld. Beiden worden ze gevolgd in hun eigen wereld, die totaal verschillend zijn.

    Kasja heeft een moeizame relatie met haar moeder. Lennart gaat regelmatig bij zijn ouders langs of is bij zijn zusje in het ziekenhuis. Hij probeert van alles om een reactie aan haar te ontlokken. Zijn ouders zijn behoorlijk murw van het hele gebeuren en dat beschrijft Van der Haar heel goed.

    Zintuigen en metaforen 

    Lennart is tactiel, met zijn handen in de aarde. Kasja is erg op geuren gericht. Adem, lichaamsgeur, dat boslucht in de ochtend anders is dan in de avond. Lijkenlucht van de nabijgelegen begraafplaats wordt verward met de geur van vlierbloesem. Dat zijn mooie beelden en metaforen die alles te maken hebben met leven en dood. En passant wordt er gefilosofeerd over een toekomst waarin de mensheid misschien wel ten dode is opgeschreven. ‘Diep onder een zalencentra beweegt het, onder het uitgestrekte landelijke gebied, onder de Xenos, langs de doorworteling van boomgaarden kruipt het langzaam op ons af.’

    ‘De kuil’ speelt in hun beider leven een rol. Voor Kasja is het pannenkoekenhuis belangrijk, voor Lennart is het de kuil die hij graaft in verband met zijn bodemonderzoek. Pas aan het einde van het boek worden Kasja en Lennart door de kuil met elkaar verbonden. Ze vinden elkaar zonder elkaars geheim te kennen. Dé grote metafoor van het boek is misschien wel dat Kasja en Lennart in hun twintiger jaren hebben geleefd met liefde, spanning, dromen en verlangens. De rest van hun leven zullen ze bezadigd doorbrengen. Huisje, boompje, beestje, net zo kleurloos en betekenisloos als het leven van hun ouders was.

     

     

  • Een spannend en goed geschreven verhaal

    Een spannend en goed geschreven verhaal

    Dagdromen en nachtmerries zijn vaak het materiaal voor verhalen en romans. Laura van der Haar’s roman Een week of vier behoort tot de categorie nachtmerries. Een bange droom over de jonge alleenstaande Nederlandse moeder Ida die haar vriend is gevolgd naar Barcelona, daar door hem in de steek wordt gelaten en vervolgens ontdekt dat zij het Corona-virus heeft opgelopen. Ze belt het Spaanse alarm-nummer en dat zet een snelle reeks van gebeurtenissen in werking die haar overvallen. Ze moet direct opgenomen worden en haar baby van 3 maanden achterlaten in de handen van, ja van wie?

    Als schrijver is Van der Haar (ze schreef deze roman kort na haar eigen bevalling) helemaal in Ida gekropen, we volgen minuut na minuut de paniek die de jonge moeder overvalt als er van Spaanse overheidswege een auto onderweg is om haar op te halen en ze nog geen oppas heeft voor de baby. Want aan de aangeboden overheidsopvang wil ze haar dochtertje, haar kleine Joanes niet overdragen. ‘De kleine Joanes op die gigantische zaal (…) waar de zusters alleen maar bezig zijn met vinkjes zetten – die moet nog eten, vink, die hoeft niet meer vink vink vink. Op journaalbeelden had ze gezien hoe een van de zusters een speentje in een baby probeerde te proppen zonder zelfs maar naar het kind te kijken. Immuun geworden voor het gekrijs manoeuvreren ze zich tussen alle bedjes door.’

    In arren moede

    Ida kent in Barcelona maar twee personen en die contacten komen voort uit de postnatale yogaklas die ze volgt. Het zijn de yoga-instructrice en een andere moeder, Nellie geheten, die nogal nonchalant met het al wat oudere zoontje om gaat die zij meeneemt naar yoga. Maar Ida weet dat ook zij post-nataal is, alleen heeft haar dochtertje Cataleya de geboorte niet overleefd. Ida heeft maar 3 kwartier voordat de wagen van het ziekenhuis haar komt ophalen. In arren moede kiest ze voor Nellie maar kan haar niet bereiken en zendt  haar ten slotte maar een bericht met de dringende bede of zij enkele weken op Joanes wil passen. 

    En dan wordt ze opgehaald en in het ziekenhuis in slaap gebracht. Drie weken verstrijken, dan wordt Ida wakker en in de week die ze nodig heeft om weer enigszins bij kennis te komen probeert ze contact te leggen met Nellie om te weten te komen hoe het met Joanes is, haar lieve baby die gegroeid zal zijn en misschien al vervreemd van haar. 

    ‘Hoe groot zou Joanes nu zijn? Drie weken verschil. Een vijfde deel van haar hele leven. Weer wordt het een beetje grijs voor Ida’s ogen omdat Joanes inderdaad vijftien weken was toen ze hier aankwam, maar inmiddels dus achttien. Door heel hard haar oogleden dicht te knijpen en haar vuisten te ballen weet ze zichzelf wakker te maken, wakker te houden, wakkerder wakkerder wakkerder als kwik in een thermometer stijgt haar bewustzijn heel langzaam omhoog.’

    Onwaarschijnlijk verloop

    Hoe het verhaal van Een week of vier verder loopt is aan de lezer om te ontdekken. Natuurlijk is het nogal onwaarschijnlijk dat een moeder haar 4 maanden oude baby alleen in een flat achterlaat als de oppas-kandidaat niet direct bereikbaar is. Juist omdat Ida beschreven wordt als iemand die geheel in de zorg om haar kind op gaat zou het logischer zijn dat ze dan weigert mee te gaan met de ziekenhuiswagen totdat er een oplossing is gevonden voor haar baby. Geen chauffeur die zou weigeren te wachten. Ook lijkt het niet erg waarschijnlijk dat – tijdens het begin van de Coronacrisis – iemand die pas een dag de eerste verschijnselen van  Corona-infectie vertoont, meteen naar het ziekenhuis wordt overgebracht en daar direct voor 3 weken in coma wordt gehouden. 

    Laura van der Haar lijkt hier de geloofwaardigheid van het verhaal geofferd te hebben aan de begrijpelijke schrijversbehoefte spanning op te wekken. Spannend is het verhaal zeker, goed geschreven ook. En ontroerend waar het de troetelzorg van Ida voor haar kind betreft en de paniek die haar overvalt als ze Joanes in de steek moet laten. 

    Dat de Corona-crisis vroeg of laat literaire kinderen zou baren, daar kon men gif op innemen (niet dat dat ooit aan te raden is). En hier is dan – na Wim Daniëls Quarantaine en de Coronakronieken van Daan Heerma van Voss- de derde.

     

     

  • Oogst week 24 – 2020

    Een week of vier

    Een alleenstaande moeder woont in een stad die ze nog niet goed kent en raakt besmet met een dodelijk virus. Een ziekenhuisopname kan haar leven redden, maar haar baby moet dan achterblijven bij onbekenden die ze niet vertrouwt. Als ze niet gescheiden wil worden van haar baby, is er slechts één andere optie: vluchten. In de op het coronavirus geïnspireerde roman Een week of vier beschrijft Laura van der Haar (1982) de consequenties van de keuze die de moeder maakt.

    Laura van der Haar publiceerde eerder de dichtbundel Bodemdrang en de roman Het wolfsgetal. Ze is een winnaar van het Nederlands kampioenschap Poetry Slam en schrijft daarnaast voor onder meer De Speld en Vice.

    Een week of vier
    Auteur: Laura van der Haar
    Uitgeverij: Podium Uitgeverij

    Fantoomliefde

    Laura Freudenthaler (1984) wordt gezien als hét literaire talent van Oostenrijk. Ze schreef eerder een verhalenbundel en een roman, maar haar internationale doorbraak kwam pas na de publicatie van haar derde boek Fantoomliefde, naar het Nederlands vertaald door Jan Bert Kanon. In 2019 won ze met dit boek de EU Literatuurprijs.

    Fantoomliefde gaat over Anne, een pianiste die al twintig jaar samenwoont met Thomas. Wanneer ze een sabbatical neemt, gaat alles mis: piano spelen lukt niet meer en voor het boek dat ze wil schrijven krijgt ze geen letter op papier. Tot overmaat van de ramp is Thomas steeds vaker weg en Anne vermoedt dat hij vreemdgaat. Dit levert een intense roman op waarin de hoofdpersonen steeds verder van elkaar vervreemden.

    Fantoomliefde
    Auteur: Laura Freudenthaler
    Uitgeverij: Ambo|Anthos

    Sempre Susan

    De Amerikaanse auteur Sigrid Nunez (1951) doceert creative writing aan de Boston University. Ze schreef verschillende romans en korte verhalen en won in 2018 een National Book Award voor haar roman De vriend.

    Op haar vijfentwintigste kreeg ze een baantje als typist voor de beroemde essayist Susan Sontag. Zo leerde ze Sontags zoon kennen, David Rieff, die nog bij zijn moeder woonde. Nunez kreeg een relatie met hem, trok bij hen in en Sontag werd haar grote voorbeeld.

    Sempre Susan, naar het Nederlands vertaald door Maaike Bijnsdorp en Lucie Schaap, bestaat uit herinneringen van Nunez aan deze periode. Het is een intiem verslag van de band tussen een beginnend schrijver en een groot intellectueel.

    Sempre Susan
    Auteur: Sigrid Nunez
    Uitgeverij: Atlas Contact
  • Zomerboeken 2018 – Geniet van Nederlandse literatuur

    Zomerboeken 2018 – Geniet van Nederlandse literatuur

      

     

     

     

    Het ontbijtbuffet

    Wat ik altijd zeg als iemand me na een uiteenzetting over backpacken in Mexico/couchsurfen door Europa of stilte-retraite in Thailand glazig aankijkt en naar mijn wereldervaringen vraagt: ik ben een slechte reiziger maar een goede vakantieganger. Sinds ik een fantastische kattenoppas heb (dank, F!) is mijn heimwee beduidend minder, toch blijf ik graag in de buurt: langer dan twee weken weg hoeft van mij niet en als aan het eind van het leven blijkt dat ik dit continent nooit verliet is dat absoluut prima. Ook wat papieren reizen betreft blijf ik graag dicht bij huis. Hoe graag ik ook Amerikanen, Duitsers en literatuur over allerhande landsgrenzen heen lees, voor deze rubriek houd ik het bij de Hollanders.
    Geniet! 

    Het schijnt in ons kikkerlandje nog altijd zo te zijn dat verhalenbundels nauwelijks verkopen. Onbegrijpelijk, want in Amerika – vanwaaruit de meest welkome maar ook onwelkome trends naar ons komen overwaaien – is het korte verhaal een alom gerespecteerd literair genre. Gelukkig is er in Nederland sinds enkele jaren een groeiende groep lezers en schrijvers die zich druk maakt om dit ondergeschoven boekenkindje: denk aan initiatieven als de Week van het Korte Verhaal of de J.M.A. Biesheuvelprijs – de prijs voor de beste Nederlandstalige verhalenbundel. Meer en meer komt het korte verhaal op de kaart. 

    Wat maakt een goede verhalenbundel – naast, ik noem maar wat onmisbaars, stijl? Samenhang, wat mij betreft. Daarmee bedoel ik niet dat ieder verhaal over hetzelfde onderwerp moet gaan, personages hoeven niet in verschillende verhalen terug te keren (mag wel) en een en ander hoeft evenmin telkens op dezelfde locatie gesitueerd te zijn (nogmaals: mag wel) als er maar steeds iets echoot, er een rode draad zichtbaar is. 

    In Het Ontbijtbuffet is die rode draad telkens de vakantiewrevel. Of het nu gaat om een vader die zijn kind kwijtraakt op een festival, of over een man die in London aan een andere man wordt gekoppeld en het idee heeft dat hij geen controle heeft: in enkele pagina’s weet Van den Brink een gevoelswereld neer te zetten die even fascinerend als beklemmend is. Het draait allemaal om verwachting en teleurstelling. Wat vragen we toch veel van onszelf, in die enkele weken per jaar dat we niets liever willen dan bijkomen. 

     

    Het ontbijtbuffet
    Auteur: H.M. van den Brink
    Uitgeverij: Atlas Contact

    Het wolfgetal

    Als ik deze roman zou moeten pitchen, zou ik zeggen: de jaren negentig op papier. Met Baantjer, wat strikt genomen ook jaren negentig is. Ik neem aan dat je dit al niet meer leest omdat je naar de boekhandel bent gerend – en terecht, want dichter en archeoloog Laura van der Haar heeft met dit vuistdikke boekwerk bewezen dat er ook prima proza uit haar pen komt. 

    Over de eerste zin is al veel geschreven, maar Het wolfgetal is zoveel meer dan alleen een bijdehante opening: het is een portret van een iconisch decennium, een Hollandse jeugd en, altijd vruchtbaar voor een verhaal, een destructieve meisjesvriendschap. Vooral die laatste zet Van der Haar goed neer. Hoe de naamloze verteller alsmaar naar de onbetrouwbare Vicky toe beweegt is benauwend en herkenbaar, want hadden we vroeger niet allemaal zo’n onweerstaanbare maar grimmige vriendin? 

    O, en wat ik met Baantjer bedoelde? Er zit ook nog gewoon een prima plot in Het Wolfgetal, dus wie van spanning en puzzelen houdt wordt eveneens beloond. 

     

    Het wolfgetal
    Auteur: Laura van der Haar
    Uitgeverij: Podium

    Gameboy

    In het beste geval levert een boek, roman of bundel of wat dan ook, nieuwe inzichten op. Zo dacht ik lange tijd dat gameverslaving een overtrokken trend was, ontstaan in een wereld waarin iedereen op zoek is naar zijn eigen problemen – zonder stempel geen bestaansrecht, lijkt het soms. Na het lezen van Gameboy van Michiel Smit moet ik toegeven dat ik weer eens te snel oordeelde. 

    Aan de hand van zijn eigen schrijnende verhaal schetst Smit een werkelijk onderschat probleem, dat erg aansluit bij dit schermvormige tijdperk. Niet alleen vertelt hij openhartig over zijn eigen verslaving, hij weet het bovendien in de juiste tijd te plaatsen. Zijn generatie (ook mijn generatie) groeide grotendeels op in een liefdevolle en veilige omgeving waarin de mogelijkheden eindeloos leken – en dat laatste, al die keuzes, slaat de twijfelaar neer. Wie immers alles kan kiezen, kiest al snel het verkeerde. Of niet genoeg. 

    Ook wie niet aan games en schermen verslaafd is, zal in Gameboy veel herkennen. Een aanrader voor jezelf dus, maar ook voor je continu computerspelletjes spelende zoon/broertje/neefje/buurjongetje. 

     

    Bonustips 

    Mooie lieve schat, door Joubert Pignon
    Ik nog wel van jou door Elke Geurts
    Een heldenleven door Persis Bekkering 

     

     

    Gameboy
    Auteur: Michiel Smit
    Uitgeverij: Atlas Contact
  • Laura van der Haar heeft patent op nieuwe woorden

    Laura van der Haar heeft patent op nieuwe woorden

    Recensie door Albert Verweij

    De Nederlandse kampioen Poetry Slam 2013, Laura van der Haar (1982), debuteerde onlangs met de bundel Bodemdrang. Van podium naar papier, van gehoord naar gelezen worden. De gedichten moeten het opeens zonder voordracht stellen, maar krijgen er een bladspiegel voor in de plaats. Wat voor het oor niet telt, kan in het oog lopen. Zo leest men in deze bundel hoofdletter noch punt aan respectievelijk begin en einde van een zin. Wel zijn voor het gemak de regels in strofen gegroepeerd en blijken de veertig gedichten in dit debuut voorbeeldig in drie afdelingen gerangschikt.

    Voor de archeologe die deze laureaat ook is, zal het begrip ‘bodemdrang’ wellicht een andere betekenis hebben dan voor iemand die zijn vraatzucht niet beteugelen kan zodra een zak chips open gaat. Hoewel de bodemdrang van deze dichteres niet al te breed wordt uitgemeten, wordt de titel wel eer aangedaan door de frequentie waarmee aan bodem, grond en zoden wordt gerefereerd en er van een zeker verlangen in de grond op te gaan sprake lijkt te zijn. Zo leest men van een ‘plek om te zinken’, wordt er ‘grond’ gezocht ‘om in weg te zakken’ en ‘is de diepte te sterk / de bodem is zo zwak / slokt het mij op’. Een van de afdelingen heet dan ook veelzeggend verlanden. Hoewel Van der Haar met haar debuut geenszins een luchtige entree heeft willen maken, wordt in haar ‘bodemdrang’ niet echt diepe lagen aangeboord. Dankzij haar bij vlagen sterke, zeer eigenzinnige beeldspraak voert een aangename frisheid de boventoon in deze gedichten.

    Van der Haar heeft een patent op nieuwe woorden en past ze met groot gemak toe in haar gedichten. Zo krijgt de lezer woorden als ‘woestijnhielen’, ‘grasnachten’, ‘dierenzweet’ en ‘draaimolenwind’ over zich heen. Woorden die goed bekken en prettig lezen. Gevoegd bij metaforen van het kaliber ‘de man duwt aan de ochtend’ of ‘een veranda lang geleden’ dragen ze ertoe bij dat de zinnen knisperen en er ruimte vrijkomt ‘voor het trillen van de dag erboven / voor het neerwaartse van vliegen’. Het aanvliegen van een zwerm opgejaagde, dolle vogels typeert ze als ‘een heel groots naderen, daarboven // zoals wanneer ze bij je in bad stappen en dan / het verschil met wanneer ze bij je in zee stappen/ bij deze vogels stapt iemand in bad / ze klotsen haast over de rand’. De speelse lef die uit dit soort zinnen spreekt, dwingt af dat men dergelijke zinnen graag het voordeel van de twijfel gunt en men zich niet bekreunt om de vraag wat er nu eigenlijk precies mee wordt bedoeld. Dit soort regels rechtvaardigen de blurb (‘regels die spankracht hebben’) van collega-dichter Mustafa Stitou zonder meer. Maar niet iedere zin dwingt een dergelijk mild oordeel af. De regels uit een ander gedicht ‘het is inmiddels geen badwater meer / het daalt hij moet bewegen, drinken / is slechts het omgekeerde van dat niet doen’ zijn te geconstrueerd om makkelijk te verteren. En bij het lezen van ‘[we] klommen in hekken / braken doormidden tot we volmondig kozen en spijt kregen’ zal het adjectief ‘volmondig’ de lezer een frons kunnen ontlokken. En wie zal beamen dat ‘als je verliefd bent (…) alles / altijd / heel erg’ is? Ieder bewijs voor die stelling blijft in het vers achterwege.

    Op gemakzuchtige sfeertekening zul je haar niet gauw betrappen. ‘Op de achtergrond’ mag ‘het centrifugeren van een wasmachine’ hoorbaar zijn, terwijl elders in de bundel nog respectievelijk een koelkast en een hond mogen aanslaan, tegenover zulke inzak momenten staan in deze bundel grotere pluspunten, zoals in de vorm van een heel gedicht:

    afzadelen

    bleke ingenieurs van geheugenplaatsen
    rochelen gelaten en weten vast
    hoe ze buitenboord moeten slapen

    drinken de dag uit hun glazen
    hangen lappig in hun stoel, vragen
    of hun hoofd even open mag

    ze snuiven krampachtig, likken
    hard geworden vachten
    hangen een beetje de dood uit

    ze raspen de korst van hun wonden
    liegen sluitingstijden en in reflecties
    staat er nog altijd iemand achter ze

    Dit gedicht etaleert ten volle Van der Haars lovenswaardige eigenschap om voor de hand liggende beelden uit de weg te gaan. De woorden ‘rochelen’ een associatieve reeks van beelden op waarboven een onbestemde dreiging hangt. Het geheel mag tamelijk vaag blijven – iedere volgende strofe werpt wel een nieuwe vraag op – , suggestief is het er niet minder om. En dat er een groepje, onbehouwen kerels ‘lappig’ (ook zo’n aardig woord!) ‘een beetje de dood’ uithangt is een beeld dat graag beklijft. Van der Haar heeft goed begrepen dat een net niet te volgen gedicht zoveel plezieriger leest dan een voorspelbaar gedicht. Ze heeft een goede hand van het skippen van informatie, om in plaats daarvan de ene associatie op de andere te stapelen. Zo kan het missen van iemand tot een mistglans leiden: ‘iemand missen kan de vale gloed zijn / die boven steden hangt // mistglans van verkeersaders’. Met een paar scherpe pennenstreken tekent ze een heel perspectief: ‘alleen wolkenrafels langs weinig maan / een snelle veeg lipstick/woestijnhielen’. Maar die kunst van het weglaten is bij het vijf maal achterelkaar noemen van ‘fuck’ in het gedicht roezen overduidelijk niet toegepast. Maar goed, Laura van der Haar is een podiumdichteres, en vijf keer ‘fuck’ klinkt natuurlijk best geinig. Het oor wil tenslotte ook wat. Daar staat tegenover dat als twee mensen in één slaapzak belanden, er niet als een dolle tekeer wordt gegaan. Men leest slechts: ‘ik moest maar bij jou in bed blijven / tot mijn benen weer behaard waren’. De typisch dichterlijke neiging zich te richten op wat er niet meer is of weldra niet meer zal zijn is Van der Haar niet vreemd: ‘en binnenkort / komt hoe dan ook het moment / dat alleen de plek die je zojuist verlaten hebt / nog warm is’.

    In haar gedichten worden niet de bloemetjes in de avondval liefelijk dicht gekust. Hier geen ‘knisperpaden, smoelzoete zomervakanties’. Hier wordt uit een ander vaatje getapt:  ‘alleen het blauw van dichtgeknepen ogen / is dat geen fijne kleur voor de natuur’. We hebben hier te maken met een stoere vrouw, die het er ruig aan toe kan laten gaan: ‘wat ik zou willen hebben: een baksteensnijder’. Hier spreekt iemand die erbij zou willen zijn als ze na haar dood haar hoofd ‘recht doormidden snijden/ rats door het gezicht (…) om te zien met wat voor mes / en of iemand dan mijn hals vasthoudt / of dat die misschien al weg is, mijn hals // en wat ze daar precies mee doen’.

    In de gedichten die een terugblik bieden op een vredig beleefd verleden in een landelijke omgeving van eigen maat en eigen grens, is de toon anders. Er klinkt iets van heimwee in door: ‘toen leek alles dichterbij, logisch bij elkaar’ en ‘ooit was er iemand die een vlek uit je shirt haalde / even je schouders kneedde’. Het fijne zomeravondgevoel van vroeger wordt mooi getekend met: ‘die avond waarop het lekker rook / zomaar / wat vroeger tussen de beschoeiing door / een klein, open station / de slootkant / trage wind en dunne haartjes op je benen’. Maar sentimentaliteit krijgt bij deze dichteres geen kans wortel te schieten.

    Dit debuut kent naast flair, genoeg eigenzinnigheid en weerbarstigheid om het te loven. Waar opent elders een gedicht met: ‘brommertje, zegt ze / je doet me aan een brommertje denken / aan een kale weg langs helmgras / aan vechtsport, nieuwe vuilniszak’? Een belegen woordkeuze kan haar niet verweten worden, wel dat ze nogal springerig te werk gaat, want de volgende strofe vervolgt met: ‘hij ritst haar bij in zijn deken / wil een letter zeggen, troostend’. Dat typeert haar poëzie: voor een beeldspraak geheel wordt afgeserveerd, springt het al over op een volgend beeld, en voor je het weet worden er drie of meer ballen in de lucht gehouden. In de daaropvolgende strofen verandert het beeld weer: ‘vandaag was hier een circus / ze wijst rechtuit het donker in, naar / vochtig stro, dierenzweet // naar de verte, de smiecht / die braak lag waar een ogenblik / de zon hing, groot rood bungelend // heeft zij er zand gezogen / een lange zucht, omgekeerd / heeft zij er braak gelegen // hij strijkt haar wang recht / haar jurkje, strijkt / is alle letters kwijt’. Dit is geen poëzie waarin alles op zijn pootjes terechtkomt. Goed, die letter uit het begin keert aan het einde terug. Met die ‘troost’ komt het ook wel goed, maar van dat brommertje wordt verder niets meer vernomen. Jammer misschien, maar het tekent ook de sterke kant van deze debutante. Die van de verrassende, scherpe penseelstreken waarmee ze een beeld in één keer neerzet.

    Het is dat Van der Haar zich zelf verre van ieder cliché houdt, anders zou men kunnen eindigen met: dit debuut doet ons uitkijken naar haar volgende bundel…