• Ongrijpbaar als de immer bewegende IJslandse bodem

    Ongrijpbaar als de immer bewegende IJslandse bodem

    Als Pippa met haar moeder Oddný en haar ‘zoveelste’ vader naar haar nieuwe huis rijdt in een uithoek van IJsland heeft ze het idee dat ze de bewoonde wereld verlaat. Ze krijgt buikpijn en weet niet of dat is omdat ze een blaas vol plas heeft of omdat ze in een jeep zit die de wereld uitrijdt. Haar hoofd is zo leeg als de leegte om haar heen. Als haar nieuwste vader, Snorri, zegt dat ze er zijn, schrikt ze. ‘Want we zijn nergens’.

    Zo begint Magnetisch middernacht, de derde roman van Laura Broekhuysen (1983), schrijver en violist. Een roman als een zoektocht in niemandsland, waar de lezer uiteindelijk net zo weinig houvast heeft als bewoners van IJsland, die leven op voortdurend over elkaar heen schuivende aardschollen.

    Broer, zus of zoer

    Pippa maakt kennis met Loke, zoon van Snorri. Ze vraagt zich af of hij echt een jongen is, of een meisje in een jurk. Is hij haar nieuwe broer, zus of zoer? Ze maakt ook kennis met haar nieuwe huis in niemandsland, ‘een paar honderd kubieke meter niet-wit’. Het is een bevreemdende ervaring. Alhoewel Pippa net is gearriveerd lijkt veel vertrouwd. ‘Ik heb een rare smaak in mijn mond, lijk de kamer te proeven: de lampenkap, de halfvergane franje, het gehaakte tafelkleedje, de mat onder mijn sokken, de zoom van het gordijn, de roestvlekken op de kraan.’ En ze herkent tot haar verbazing de akoestiek van het huisje. Alsof ze er eerder is geweest.

    Heden en verleden gaan voortdurend in elkaar over, waardoor maar moeilijk duidelijk wordt of nieuw echt nieuw is of een herhaling. Als haar moeder haar vraagt wat ze van Snorri vindt zegt Pippa dat ze hem goed vindt ruiken. ‘Het is niet direct een lekkere lucht, maar wel een betrouwbare. (…) Hij ruikt naar dit huis. Naar vochtige planken. Naar oude verhalen verschoten behang. Naar stoffige dozen, naar vis, naar aardappelen. Hij ruikt huiselijk.’ In haar herinnering begint haar eigen vader, die ze niet kent, steeds meer op Snorri te lijken.

    Een schim met takkige haren

    Zo huiselijk als Snorri voor Pippa is, zo vreemd zijn de omgeving en de mensen om hem heen voor haar. Vooral op Iðunn krijgt ze maar moeilijk vat. De familie van dit meisje is enkele jaren geleden bij een aardverschuiving met huis en haard in zee geschoven. Volgens velen is Iðunn daarbij met haar moeder omgekomen. Maar wie is dan die schim, bijna doorzichtig, nachtkleurig, met takkige haren, die in een gescheurde, besmeurde jurk rond het huis doolt? Als Pippa haar blik vangt lijkt het of ze wordt aangekeken door een schichtig dier.

    Ook Herdís, de vrouw van Snorri en moeder van Loke, is ongrijpbaar. Als de lente komt staat ze opeens voor het huis, ‘als een verzinsel, schutkleurig in de drek’. Maar ze is wel degelijk echt en treedt meteen binnen om de leiding over het huishouden over te nemen. En over Snorri, Loke, Oddný en Pippa. Alsof dat altijd zo is geweest. Haar komst schudt Pippa’s wereld opnieuw door elkaar en zet een raderwerk in beweging dat haar uiteindelijk haar oude grondvesten terug zal geven alvorens ze weer ongenaakbaar door elkaar te schudden.

    Glijdende aardschollen

    Magnetisch middernacht is de tijd waarop het poollicht op zijn felst is. Het is ook de tijd dat de IJslanders elkaar opzoeken, kerstbomen verbranden, hossen en elkaar verhalen vertellen. Pippa gaat met Loke mee en voelt voor het eerst hoe het is om een broer te hebben. Of een zus of een zoer. Ze voelt zich onderdeel van een groter geheel zonder er veel van te begrijpen. Waarschijnlijk is dat laatste iets waar de meeste lezers zich in zullen herkennen. Want Broekhuysen maakt het hen niet makkelijk. Magnetisch middernacht heeft geen eenvoudig plot en is eigenlijk net zo schimmig als Iðunn. Net zo ongrijpbaar als de immer bewegende IJslandse bodem. Verhaallijnen glijden als aardschollen over elkaar heen, hier en daar een schok veroorzakend, om daarna weer weg te glijden in het niets, waarbij Broekhuysen haar verhaal kruidt met prozaïsch taalgebruik en Noordse mythen. 

    Het proza in Magnetisch middernacht is rijk en beeldend. Wat je leest zie je zo voor je. ‘Het stormt, van slapen is geen sprake. De zee raast, het ijswater wordt door de wind omhoog gezogen, tegen de ruiten gesmeten. De balken kraken.’ Alsof je midden in een IJslandse storm zit. Broekhuysen is vindingrijk en legt de mooiste verbanden. ‘In het hout van de vloer zijn de noesten zo rond als muzieknoten, als ik me een kwartslag draai zijn de planken vol nerven mijn notenbalken. In elke kamer zijn liedjes te vinden.’

    Met de mythologie komt ook de verwarring. Moeders veranderen in zeehonden en wolven bijten handen af. Loke is niet alleen Pippa’s broer, maar in de Noordse mythologie ook de god van chaos en leugens. Wat de vraag oproept waar de vertrouwde steun die Pippa in hem vindt op is gebaseerd. En Iðunn is in de oude verhalen de bewaarster van de appels der jeugd, die de goden de eeuwige jeugd gaven. Terwijl het maar zeer de vraag is hoe eeuwig die jeugd in Magnetisch middernacht is.

  • Oogst week 48 – 2024

    Oogst week 48 – 2024

    Augustusblauw

    De wereldberoemde pianist Elsa M. Anderson stopt midden in een uitvoering van het Tweede Pianoconcert van Rachmaninov met spelen. Ze staat op en loopt van het podium af. Het orkest en de dirigent, het publiek in de zaal en daarbuiten: ze blijven in verwarring achter. Wat betekent het dat Elsa M. Anderson in een winkel in Athene een vrouw ziet die precies die beeldjes koopt die zijzelf had willen kopen? Dat ze zichzelf in die vrouw herkent is het begin van een reis door Europa. Ze zoekt haar dubbelganger op straat, achtervolgt haar en ontloopt haar. Augustusblauw van Deborah Levy gaat over dubbelgangers, verandering en toeval.

    Deborah Levy (1959) is een Britse schrijver van romans, toneelstukken en gedichten. Haar toneelstukken werden opgevoerd door de Royal Shakespeare Company. Haar romans Swimming Home (2011) en Hot Milk (2016) stonden beide op de shortlist voor de Booker Prize, en The Man Who Saw Everything (2019) stond op de longlist voor diezelfde prijs. Levy’s meest belangrijke dichtwerk is An Amorous Discourse in the Suburbs of Hell (1990), een gesprek tussen een engel en een accountant over spontaniteit, ambitie, logica en tevredenheid.

    Augustusblauw
    Auteur: Deborah Levy
    Uitgeverij: De Geus

    Deze brieven eindigen in tranen

    In Deze brieven eindigen in tranen van Musih Tedji Xaviere ontmoeten Bessem en Fatima elkaar op het voetbalveld. Het is liefde op het eerste gezicht, maar wel een liefde met grote hindernissen. In Kameroen zijn relaties tussen mensen van hetzelfde geslacht verboden, het is gevaarlijk om queer te zijn. Bij een inval van de politie in een homobar wordt Fatima opgepakt. Ze verdwijnt spoorloos, Bessem blijft alleen achter. Dertien jaar later, als Bessem hoogleraar is aan een universiteit, komt ze een oude vriendin tegen. Is zij de laatste persoon die Fatima heeft gezien? Bessem gaat op zoek naar haar geliefde. 

    Musih Tedji Xaviere is geboren in Njinikom in Kameroen en woont sinds een aantal jaar in Groot-Brittannië. Ze wist al vroeg dat ze schrijver wilde worden, als elfjarige, na het lezen van Charles Dickens’ Oliver Twist (1838). Als twintiger publiceerde ze zelf een young adult roman omdat er voor haar in Kameroen geen mogelijkheden waren bij traditionele uitgeverijen. Met haar debuutroman, Deze brieven eindigen in tranen, die de Pontas Prize en de JJ Bola Emerging Writers Prize won, kwam haar droom uit.

    Deze brieven eindigen in tranen
    Auteur: Musih Tedji Xaviere
    Uitgeverij: Orlando en Oxfam Novib

    Magnetisch middernacht

    Een lawine sleurt het huis van Iðunn, Lokes buurmeisje, met bewoners en al de zee in. Lokes moeder kan niet van de schok bekomen. Ze blijft Iðunn zien, gelooft dat het meisje nog leeft en blijft haar zoeken. Omdat ze weigert die zoektocht op te geven, brengt haar man haar naar een psychiatrische kliniek. Na niet al te lange tijd krijgt Loke een nieuwe moeder en een stiefzusje, Pippa. Met zijn vieren vormen ze een nieuw gezin. Op een dag zien Loke en Pippa een meisje op de helling. Is het Iðunn? Ze heeft takkenharen en lijkt op een dier. 

    Laura Broekhuysen (1983) studeerde niet alleen viool aan het Conservatorium van Amsterdam, maar ook Writing for performance aan de theaterfaculteit in Utrecht. Haar debuutroman Twee linkerlaarzen (2008) werd genomineerd voor de Selexyz Debuutprijs en de tweejaarlijkse Vrouw & Kultuur DebuutPrijs. Winter-IJsland, mijn eerste jaar in een verlaten fjord (2016) en Flessenpost uit Reykjavik (Querido, 2019) werden beiden genomineerd voor de Confituur Boekhandelsprijs. Ook stond Winter-IJsland op de shortlist voor de Bob den Uyl Prijs. Haar eerste dichtbundel, Wij capabelen verscheen in 2022.

    Magnetisch middernacht
    Auteur: Laura Broekhuysen
    Uitgeverij: Querido
  • Het nietige van de mens in essayistische roman

    Het nietige van de mens in essayistische roman

    In Flessenpost uit Reykjavik schetst schrijver en violist Laura Broekhuysen (1983) met rake, zintuiglijke bewoordingen de geïsoleerde fjord en de stad Reykjavik, waar zij en haar gezin afwisselend wonen. Broekhuysen emigreerde naar het geboorteland van haar geliefde, de IJslandse componist Einar Torfi Einarsson. Ze deed in Winter-IJsland (2016) verslag van hun eerste jaar daar met hun jonge dochtertje, en in verwachting van hun zoontje. Met Flessenpost uit Reykjavik pakt ze de draad van haar relaas weer op. Beide boeken zou je kunnen lezen als ‘enkel’ literaire dagboeken, reflecties op het leven van alledag in een nog relatief onbekende leefomgeving, maar daarmee zou je haar ernstig tekortdoen. Ze snijdt legio veelomvattender thema’s aan: nationale identiteit, migratie, taal, de rol van literair erfgoed en cultuurverschijnselen.

    Tastbare beschrijvingen

    Broekhuysen heeft een bijzonder talent voor het tot leven brengen van haar omgeving en de waarnemingen die ze doet: ze laat haar lezer de zeelucht ruiken, de vlieger Pórarinn klapperend in de straffe wind. Kleuren, smaken en aanrakingen omschrijft ze indringend en poëtisch, IJsland wordt tastbaar. De continue strijd met de elementen en de afstand tussen de fjord en de bewoonde wereld bepalen het leven op het eiland, een bijna unieke ervaring in een tijdsbestek waarin smartphoneprikkels en comfort onze levensstijl dicteren. In een aangenaam tempo loodst Broekhuysen de lezer door de natuur en door Reykjavik waarbij ze alles benoemt wat haar op die route opvalt, zowel in positieve als negatieve zin. Haar persoonlijke worsteling met integreren en talige obstakels is daarbij leidend: ze neemt noodgedwongen de rol van ‘de ander’ aan.

    Zonder taal

    Haarfijn levert zij kritiek op dat beeld van de ander, dat tegelijkertijd context gebonden en universeel is. Het draait allereerst om iemand die de taal niet machtig is, niet is geïntegreerd in het culturele leven van zijn nieuwe woonplaats en zich nooit heeft verdiept in de legenden en sagen van de oorspronkelijke bevolking – die laatste zijn op IJsland heilig. Verhalen verbinden: taal is een wapen, een manier om jezelf een identiteit aan te meten en je te verbinden met degenen die hun ervaringen en herinneringen al tijdenlang op diezelfde manier vormgeven. Exemplarisch is het feit dat Broekhuysens dochtertje op school een IJslands liedje aanleert dat al snel veel minder onschuldig blijkt te zijn dan haar moeder had gehoopt, maar dat de kinderen als vanzelfsprekend wordt aangeleerd. Opeens blijkt haar dochter beter geïntegreerd dan zij, hoewel zij nog niet op de hoogte is van de diepere betekenis van de liedtekst.

    Spiegelend integratieproces

    Haar onmacht zich als IJslandse te bewegen koppelt Broekhuysen aan het integratieproces van immigranten in Nederland. Aanpassing moet vooral snel gebeuren – hoe sneller en vlekkelozer, hoe beter. Maar aanpassing duurt jaren, zo niet een mensenleven, en hangt af van de aansluiting bij iemands oorspronkelijke referentiekader.
    Ze concludeert: ‘We zijn niet in staat betekenis te geven aan de parameters omdat we ze niet van binnenuit kennen. […] De informatie die we ontvangen vindt nergens een bedding.’ IJsland lijkt in die zin soms een onneembare vesting, waar mensen afkerig zijn van buitenstaanders – een beeld dat gelukkig al snel begint te wankelen. De eerste voorzichtige gesprekken met de andere ouders, Broekhuysens ingeving om haar viool mee naar school te nemen en voor de kinderen te spelen, de manier waarop ze toenadering zoekt tot haar schoonfamilie en die ook vindt, zijn individuele maar veelzeggende overwinningen.

    Blauwdruk van een samenleving

    Zonder generaliserend of aanmatigend te zijn legt Broekhuysen haar blauwdruk van de IJslandse samenleving naast haar beeld van de Nederlandse en raakt ze aan algemene maatschappelijke pijnpunten. Flessenpost uit Reykjavik is echter niet alleen een geslaagde essayistische roman, maar ook een zorgvuldig uitgevoerde compositie. De weidsheid van het woeste IJslandse landschap contrasteert scherp met het huis in de fjord en de isolatie van het gezinsleven, benadrukt de kwetsbaarheid ervan. De minutieuze wijze waarop Broekhuysen het natuurgeweld en het nietige van de mens beschrijft, roept hier en daar associaties op met passages uit Willem Frederik Hermans’ Nooit meer slapen.

    Broekhuysen analyseert ruimten, voorwerpen, mensen en woorden en elke observatie draagt bij aan de gelaagdheid van haar verhaal. De indeling van het huis en de vormgeving van het interieur koppelt ze bijvoorbeeld aan de werking van haar twee hersenhelften, als metafoor voor de eenwording van mens en directe leefomgeving. Ook haar integratie in het thuisland van haar man krijgt metaforisch gestalte: van weggewaaide vlieger naar het samen stekken van een plant en naar verstrengeling van vliegertouw met pas geplante boom; van los zand naar vaste grond onder de voeten, van aarzelende ‘kant-en-klare’ zinnen bij de bakker en slager naar intieme gesprekken. Flessenpost uit Reykjavik is een krachttoer die leest alsof het Broekhuysen nauwelijks moeite kostte – het opschrijven ervan dan.

     

  • Recensie door: Sunny Jansen

    Recensie door: Sunny Jansen

    Op haar negentiende schreef Laura Broekhuysen (1983) het jeugdboek Zand erover dat een eervolle vermelding van de Zoenjury kreeg. In 2008 verscheen Twee linkerlaarzen, haar debuut voor volwassenen. Deze roman werd genomineerd voor de Selexyz debuutprijs en voor de Vrouw & Kultuur DebuutPrijs. Van haar recent verschenen boek Hellend vlak had ik dan ook hoge verwachtingen.

    Hellend vlak gaat over een gezin dat zich heeft terug getrokken langs de IJslandse fjordenkust. Hoofdpersoon is de kleuter Lidewijde, door haar familie Liet genoemd. Dit vederlichte meisje luistert naar de wind en hoort door deuren en muren met haar faunoortje dat spits uit haar klitterige haardos steekt. Liets wereld wordt gevormd door de eenzaamheid rond de fjorden, een vader die zich in de kelder opsluit om haar vooral niet te beïnvloeden, een manke moeder die haar eigen ambities voor haar dochter nastreeft en zeven (‘of zijn het er toch zes?’) broers, ‘of wat ervoor door moet gaan’.

    Edward, Liets vader, vindt dat hij in zijn leven is gevormd, misvormd is zelfs, door de verwachtingen van volwassenen en de maatschappij en door zijn eigen ambities als musicus. Het motto van het boek ‘Ik weet niet wie ik ben, maar ik lijd wanneer men mij misvormt‘, slaat dan ook net zo goed op hem als op zijn dochter. Vastbesloten om zijn dochter niet aan te doen wat hem is aangedaan – al blijft dat onbenoemd – , besluit hij haar niet te vormen door zoveel mogelijk afwezig te zijn. ‘Edward bijt nog liever z’n tong af dan dat hij normbepalend is.’ Hij kan zijn frustraties dan ook niet onderdrukken als Liet vraagt of ze van tafel mag. ‘Wanneer is het concept mogen erin geslopen?’ vraagt hij zich wanhopig af. ‘Wij bepalen niet wat jij wel of niet mag’, bijt hij het kind toe. Zijn dochter moet zelf maar beslissen wat goed voor haar is. Niemand in het huishouden lijkt zich te realiseren dat Liet een kleuter is, ze wordt behandeld en aangesproken als een volwassene. Zelf heeft Liet behoefte aan haar vaders aandacht en aanwezigheid en als Edward dat merkt, trekt hij zich juist verder terug. ‘Hoe minder ze van me zien, hoe minder er mis kan gaan,’ besluit hij voor hij weer naar de kelder verdwijnt. Moeder Wobke kan hier maar moeilijk mee omgaan. ‘Je vader is overal tegen, het probleem is: hij komt niet met een alternatief,’ zegt ze tegen de broers, die steeds kritischer staan tegenover de houding van hun vader.

    Juist haar vaders afwezigheid is erg nadrukkelijk aanwezig in het leventje van Liet. Juist zijn afwezigheid vormt haar. Ze mist hem, ze hunkert naar een vader, maar wordt aan haar lot over gelaten. In een poging haar niet te vormen, vormt Edward haar des te meer.

    Al tijdens het lezen van het eerste hoofdstuk raakt je enigszins in verwarring: waar gáát dit boek over. Hellend vlak is een vreemd boek. Het staat op zichzelf en is qua stijl nergens mee te vergelijken. Alles aan het boek is apart en anders. Soms leest het als een sprookje, soms klinkt het als een harde aanklacht tegen het conditioneren van kinderen. In de belevingswereld van kleuter Liet lopen fantasie en werkelijkheid door elkaar heen. Zo rijst de vraag: bestaan haar broers enkel in de verbeelding van dit eenzame meisje? Verwart zij hen met de raven in het sprookje De zeven raven waaruit zij wordt voorgelezen? In elk geval zitten de jongens verdacht veel op het dak. ‘Zie je die raven?’ vraagt Liet. ‘Dat zijn mijn zeven broers’. En dan al die vreemde, angstaanjagende dingen die zij zeggen…

    Broekhuysen schrijft filmisch, zintuiglijk bijna. Alles in het verhaal, beweegt, trilt en vibreert. Ook haar schrijfstijl wijkt af van het gangbare. Vooral haar woordkeuze doet archaïsch aan en draagt daardoor bij aan het vervreemdende karakter van het boek.
    Soms levert dat wondermooie, haast poëtische zinnen op, maar dikwijls leidt het tot vreemde, geforceerde constructies (‘Eet je gries, Liet, kniester niet zo.’), waarbij het er soms op lijkt dat de klank en het ritme van de zinnen voor de auteur, die tenslotte vooral violiste is, belangrijker zijn dan de inhoud en betekenis van de woorden. Dikwijls stoort haar gebruik van taal: het kind draagt een jakje, een boezelaar of een ponnetje. Ze probeert ‘een gaapje’ voor zich te houden en haar broers vragen of ze wel tegen een ‘gebbetje’ kan of dat ze een ‘slachtje’ wil eten. Ze zakt in ‘een hurkje’ en haar nichtjes gunnen haar ‘een gelukje’, terwijl ze heel wat ‘pestjes’ van haar broers doorstaat.

    Want pesten kunnen die broers. Liet is nergens veilig voor hen. Lastig en ongrijpbaar zijn ze en dat komt vooral omdat ze geen individuen zijn. Zij treden enkel op als een dreigend collectief. Op ongeveer driekwart van het boek kiest de auteur voor een perspectiefwisseling. Plotseling wordt het verhaal verteld vanuit het gezichtspunt van de zeven broers, weer als collectief natuurlijk, want ook nu spreken zij met één stem. En ook in dit deel van het boek blijven die ravenbroers vreemde, morbide dingen zeggen. Onheilswaarschuwingen lijken het wel.

    Het hele boek is doordrongen van een latente dreiging, niet alleen in de woorden van de broers en de beschrijvingen van de grillige natuur. In de lucht cirkelt Gammur, de adelaar die alles ziet. Liet met haar loer steevast in haar hand vormt het middelpunt (en doelwit?) van zijn allesziende blik. Dreigend is ook de aanwezigheid van de liervogel Melchior die alle geheimen doorgrondt en -als de gezinsleden niet oppassen- ook openbaart. Een van de geheimen die keer op keer ontrafeld dreigt te worden, is de geheime agenda van moeder Wobke. Ondanks het uitdrukkelijke verbod van Edward geeft zij Liet toch vioolles, iets dat zij angstvallig voor haar man probeert te verbergen.

    Voor de lezer wordt het steeds duidelijker dat dit verhaal niet goed kan eindigen. Al deed de titel dat natuurlijk al vermoeden. In de retorica is een hellend vlak immers de bewering dat een bepaalde actie (in dit geval de keuze van Edward) een reeks reacties, in de vorm van onstuitbare opeenvolgende gebeurtenissen, zal veroorzaken die uiteindelijk tot een ongewenst einde leiden.

    Ook na het herlezen van dit boek blijft de essentie ongrijpbaar. ‘Waar het over gaat is iets wat bleef transformeren tijdens het schrijfproces. Dat maakt het moeilijk om er de vinger op te leggen’, antwoordde Laura Broekhuysen toen Rutger Martens haar de vraag stelde waar Hellend vlak over gaat. Daarin schuilt precies het probleem voor de lezer: als het voor de auteur zelf al moeilijk is om onderwerp en thema van haar roman te benoemen, is het niet verwonderlijk dat je als lezer houvast mist. Bovendien ontbreekt een echte verhaallijn: het gezinsleven wordt beschreven, het kabbelt voort, maar er gebeurt weinig. Het nog eens lezen van het boek ten spijt, blijft de eerste indruk bestaan: Hellend vlak is een vreemd boek. Echt boeien doet het niet: een spanningsboog ontbreekt en in het verhaal blijft net te veel té vreemd en té vaag en onbenoemd. En omdat het zo slecht lukt de essentie van het boek in treffende woorden te vangen, blijf je als lezer achter met een toch wat onbevredigende leeservaring.

     

    Hellend vlak

    Auteur: Laura Broekhuysen
    Verschenen bij: Uitgeverij Querido
    Aantal pagina’s: 213
    Prijs € 18,95