• Overleven in een wereld die tegen je is

    Overleven in een wereld die tegen je is

    Van de jonge Deense schrijver Thomas Korsgaard (1995) – in eigen land veel gelezen – verscheen zijn eerste roman uit 2016 in vertaling onder de titel Mocht er iemand langskomen. Het is het eerste deel van een trilogie waarin de belevenissen van de jongen Tue, opgroeiend in een dysfunctioneel boerengezin in het gehucht Nørre Ørum op het platteland van Jutland, centraal staan. Volgens Tue een voorstad van de duisternis. Korsgaard zegt dat hij zichzelf herkende – maar dan zonder de religieuze context – in De avond is ongemak van Lucas Rijneveld dat hij in Deense vertaling las.

    Hoofdpersoon Tue kijkt in afgeronde hoofdstukken terug op zijn kindertijd tot aan het behalen van zijn diploma aan de Folkeskole. In Denemarken zitten alle leerlingen van hun zesde tot en met hun zestiende jaar bij elkaar en kiezen dan pas voor een vervolgopleiding op gymnasium (vergelijkbaar met bovenbouw Nederlandse scholen) of voor een technische opleiding. Tue is volgens schoolhoofd Inga ‘bepaald niet dom’, dus wordt het gymnasium.

    Vanaf zijn vroegste jeugd is Tuevertrouwd met de dood. Die zit als het ware in hem, zoals hij zelf zegt. Zijn moeder krijgt een doodgeboren kind, hij moet zijn oom helpen met de bevalling van een dood biggetje dat vastzit in het geboortekanaal, waar hij met zijn kleine vingertjes bij kan en zijn vader doodt met een spa de ratten die in de keuken achter houten panelen verblijven. Het is voor een deel herkenbaar voor iemand die op het platteland is opgegroeid, maar daarom niet minder morbide. 

    Gemankeerde ouders

    Tue wordt omringd door gemankeerde ouders. Zijn moeder is na de doodgeboorte van haar kind depressief. Ze brengt haar leven door achter een laptop waarop ze kaartspelletjes doet en er een kapitaal doorheen jaagt. Ze houdt zich min of meer op de been door het slikken van ‘gelukspillen’. Als ze een zelfmoordpoging doet, wast Tue zijn moeders bloed af. Zijn vader Lars is een stoere, maar ook gevoelige man. Hij vecht met alle middelen tegen de financiële ondergang van zijn bedrijf en schuwt daarbij onoorbare praktijken niet. Vader komt min of meer onder curatele te staan van zijn broer die hem financieel overeind houdt. 

    Zijn ouders kunnen hem niet met zorg en liefde omringen. Zijn moeder vindt dat heel erg, maar kan niet uit haar eigen lethargie loskomen. Zijn ruige vader laat zich af en toe verleiden tot een uitje met zijn zoon, maar wordt langzamerhand ook wanhopig van zijn vrouw, zijn bedrijf en zijn kinderen. Tue voelt zich meer de opvoeder van zijn ouders, hij accepteert hun onberekenbaarheid en zombiegedrag. Op school is hij tegendraads, gaat zoveel mogelijk zijn eigen gang of brengt tijd door met vriendjes en vriendinnetjes. Ook die vrienden geven te denken. Hij wordt door hen vaak behandeld als oud vuil. School en dorp zijn een jungle, waarin hij moet overleven, bepaald geen veilige omgeving. Alleen met zijn zelfbewuste vriendin Iben, die uit een ander milieu komt, ontwikkelt hij een zekere vertrouwdheid. Zij verleidt hem tot de plaatsing van een oorbel, die hij thuis snel weer uitdoet als zijn moeder blijk van afkeuring geeft.

    Zo groeit Tue op in een wereld, waarin niemand zijn diepste gevoelens uitspreekt maar ze verpakt in stilzwijgen of in cliché’s. Niemand in deze roman komt bij zijn of haar gevoel. De onmacht op dit punt is groot, ook bij Tue zelf. Een mooi voorbeeld is een dialoog tussen Tue en zijn moeder voorafgaande aan de diploma-uitreiking van Tue. In de auto op weg naar de school vraagt Tue zijn moeder of ze wel blij is dat hij het diploma behaald heeft. Ze zegt ja. Tue vraagt hoe ze dat weet dat ze blij is. Moeder Lonny antwoordt ‘Dat weet ik omdat een moeder op een dag als vandaag blij hoort te zijn.’ 

    Overlevingsstrategie

    Door niet al te veel op te vallen en zich aan te passen aan de omstandigheden, kan Tue overleven in deze onherbergzame wereld. Hij komt erachter dat hij op jongens valt, wat hem nog geïsoleerder maakt. De enige bij wie hij zich echt op zijn gemak voelt is oma Ruth, bij wie hij graag logeert. Deze kettingrokende oma sterft echter nog voordat Tue zestien is. Zijn verdriet hierover kan hij niet uiten. Zijn moeder reageert hysterisch als zij sterft en sluit zich op in de badkamer. Tue krijgt slaande ruzie met zijn vader. Tijdens de koffie na de begrafenis gedraagt hij zich in de geest van oma en steekt een sigaret op. Terwijl hij zijn vader beloofde rookvrij te blijven zodat deze zijn rijbewijs wil betalen. Roken is trouwens erg dominant in dit boek. Iedereen doet het, terwijl het verhaal speelt in de jaren negentig, toen het al op zijn retour was. Roken biedt de onmachtigen troost en houvast.

    Het boek eindigt met een twee pagina’s vullende gedachtestroom van Tue. Het is een soort inleiding op deel twee. Zijn moeder is van huis weggelopen. Tue voorspelt dat ze terug zal keren om de kinderen met zich mee te nemen. Tue is ook van plan uit huis te gaan nu hij zijn diploma heeft, hij fantaseert erover hoe zijn vader op de boerderij zal overleven. Maar zijn vader is nog niet dood, daarom kan hij nu nog niet alles zeggen.
    Dat belooft nog wat voor het vervolg, waarop hij met deze monologue intérieur vooruitloopt. Korsgaard schreef dat vervolg al, nog twee delen liggen op vertaling te wachten, waarvan het eerste in november in Nederland verschijnt.

    Korsgaard heeft een rechttoe rechtaan, droevig stemmende roman geschreven die chronologisch verloopt. Hij heeft zijn eigen leven ervoor als grondstof genomen. Dat gegeven is verder niet van zoveel belang, behalve voor biografen. De roman bevat veel komische, bizarre en vermakelijke momenten. Korsgaards dialogen zijn erg goed en vol onverwachte wendingen. Dat maakt het lezen plezierig en interessant. Door het ontbreken van zelfreflectie bij de hoofdpersonen is het echter geen roman die tot inleving uitnodigt. Het is te veel en-toen-en-toen-en-toen. Niet het waarom, maar het wat en hoe wordt verteld. 

    Het stilzwijgen van zijn ouders is voor de jonge Tue bepalend, maar niet desastreus. Hij ontwikkelt zich mede daardoor tot een op zichzelfstaande jongen die zich leert te redden. In het nawoord bedankt de schrijver zijn moeder, omdat zij – toen hij nog klein was – hem verhaaltjes vertelde waarvan hij veel heeft geleerd. Zij is ook een slachtoffer geworden van de dood die in haar wortelschoot. 



  • Oogst week 15 – 2024

    Mocht er iemand langskomen

    Trilogieën te over. Van jongeling Thomas Korsgaard (1995) verschijnt dit jaar in Nederland Mocht er iemand langskomen. Korsgaards debuut werd direct een bestseller in Denemarken en Noorwegen. Het eerste boek in de zogeheten Tue-trilogie scharen critici onder het sociaal-realisme, maar het gaat zijdelings ook over Korsgaards eigen leven. Een hard, geïsoleerd bestaan op het platteland, herkenbaar en humoristisch neergezet.

    Hoofdpersoon Tue leeft met een gefrustreerde vader en ongelukkige moeder op een boerderij, die zo goed als zieltogend is. Ontluikend is daarentegen zijn seksualiteit, zijn gevoel voor dromen en zijn verlangen naar de stad. Deze motieven en verhaalonderdelen kennen we ook wel van Nederlandse romans, natuurlijk. En juist daarom zal Korsgaards verhaal hier vast goed scoren. Aan het talent van de Deen zal het niet liggen: de Boghandlernes Gyldne Laurbaer heeft hij al op zijn naam staan: de jongste winnaar ooit van deze onderscheiding.

    Mocht er iemand langskomen
    Auteur: Thomas Korsgaard
    Uitgeverij: Ambo Anthos

    Over het zwijgen

    Roelof ten Napel (Joure, 1993) schrijft poëzie, essays en romans. Voor Dagen in huis ontving hij de Grote Poëzieprijs en kreeg hij nominaties op zijn naam voor de Joost Zwagerman Essayprijs, de C. Buddingh’-prijs en de Poëziedebuutprijs. Zijn dichtkunst reikt tot ver over onze landsgrenzen, maar ook menig theater brengt zijn werk onder de aandacht: zijn roman Het leven zelf werd bewerkt voor toneel. Over het zwijgen, zijn derde roman, gaat over een dichteres die twintig jaar terug ophield met dichten. Maar waarom?

    Marie Verhulp, zo heet ze, doceert tegenwoordig filosofie en bezoekt congressen, musea, concerten en kroegen. Via haar notities, observaties en overwegingen laat Ten Napel de lezer kennismaken met Verhulp, die met veel verschillende, interessante geesten in gesprek raakt. Over het zwijgen is daarom een zinderende roman vol indrukken en innerlijke monologen. Langzamerhand krijgt het portret van deze Marie vorm. Tragisch genoeg lijkt ze zich af te vragen of mensen ook zónder verhalen zouden kunnen leven.

    Over het zwijgen
    Auteur: Roelof ten Napel
    Uitgeverij: Hollands Diep

    Mam, ik ben geen crisis

    Ismail Mamo (1996) vlucht in 2016 uit Syrië voor ISIS. Hij staat dan op het punt geneeskunde te studeren. Vanaf het moment dat hij voet zet op Nederlandse bodem, leert hij zichzelf de taal aan. Twee jaar terug kreeg Mamo nationale bekendheid in een filmpje waarop hij aan andere vluchtelingen bij Ter Apel kleding uitdeelt. Zijn eigen kleren. Hierdoor mag hij dezelfde avond bij programma Op1 zijn verhaal doen, wat hij smakelijk en gevoelvol doet. Toeval of niet: inmiddels is hij student aan de toneelacademie in Arnhem.

    Mam, ik ben geen crisis gaat over alle lichte en donkere kanten van de mens, wanneer die op de vlucht slaat. In tijden van zelfbehoud en angst floreren natuurlijk egoïsme, opportunisme en ellebogenwerk. Vooral wanneer kwaadwillende, louche mensenhandelaren grotendeels bepalen welke wending je lot neemt. Hoe nijpend de situatie voor vluchtelingen ook is, toch dringt hun wanhoop niet tot het grote publiek door. Daarom zijn verhalen als deze, van Mamo en lotgenoten, zo belangrijk.

     

    Mam, ik ben geen crisis
    Auteur: Ismaîl Mamo
    Uitgeverij: Das Mag
  • Gelukkigste tijd

    Gelukkigste tijd

    Er ontstaan gewoontes waarvan je je op zeker moment kunt afvragen waar je mee bezig bent. Wanneer ik in de trapkast de schappen met levensmiddelen zie, vraag ik me opeens af hoe al die blikken met bonen, tomaten, potten tahin, zakken kikkererwten, linzen, de stapel stofzuigerzakken daaronder, naast de uien rood en geel daar gekomen zijn. Die hele voorraadkast bevreemd me, alsof ik in het leven van een ander sta.

    Mijn moeder, ja, zij hamsterde. Maar zij had de oorlog meegemaakt, en daarna de koude oorlog. Die werd niet gevoerd, maar versomberde als een dreigend onweer haar leven. Er moest altijd een paraplu bij de hand zijn. Mijn moeders voorraadkast was haar paraplu, groot genoeg voor het hele gezin. Toen het onweer overdreef, kon ze niet meer stoppen met hamsteren. De rollen waren voorgoed verdeeld, mijn moeder de voorraadkast, mijn vader de boekenkasten. Als zij reclamefolders of een damesblad doornam, zat hij voorovergebogen in zijn stoel met een boek. Tussen haar blaadjes en zijn boeken uit de wereldbibliotheek lag een niet te verbloemen allenigheid.

    In de verhalen van Tove Ditlevsen maakt het huwelijk niet gelukkig. ‘Je kent degene met wie je getrouwd bent niet eens.’, zegt de vrouw die met drie kinderen achterblijft als haar man er vandoor gaat met een jong meisje. In een ander verhaal slapen de man en vrouw gescheiden. De vervreemding zet in. De man kwetst de vrouw. Zijn woorden raken haar waar hij niet komen mag. ‘Het enige wat ze kon doen was mensen ontlopen wier woorden iets raakten, iets geheims dat absoluut met rust gelaten moest worden.’, dacht de vrouw. Elke relatie kent een gebied dat niet door de ander betreden mag worden.

    Ditlevsens verhalen gaan over levens die niet te verenigen zijn, vervreemding van zichzelf en de ander. Daar tussendoor is er die zweem van geloof ‘alles komt goed’. Maar niet heus. Haar verhalen vertonen veel gelijkenissen met haar eigen leven zoals ze dat beschreef in haar memoires, Kinderjaren, Jeugd en Afhankelijkheid. Ze trouwde vier keer, kreeg drie kinderen van verschillende vaders, raakte door toedoen van haar derde echtgenoot, een arts, verslaafd aan opiaten. Zolang ze zich kon herinneren wenste ze zich een normaal leven, een man, huis, kinderen, voldoende eten in huis. Maar de rol van moeder en echtgenote past haar niet. Een verhaal opent met, ‘Helene werd vroeg in de ochtend wakker met een gevoel dat haar hele leven één groot fiasco is.’ Haar man en kinderen negeren haar. Elke dag sloot ze af in de overtuiging ‘dat ze absoluut geen invloed had op haar omgeving’.

    Ditlevsen wilde alleen maar schrijven, maar ook wenste ze zich, ‘een doodgewoon normaal gezin te stichten’. In het verhaal over een dochter die haar moeder met een taxi ophaalt om de vader in het ziekenhuis te bezoeken. ‘Haar hoed zat scheef op haar witte haar en haar hoofd schudde lichtjes aan een stuk door.’ De moeder verwijt de dochter de dure taxi, waarom konden ze niet met de auto…? De rit naar het ziekenhuis is lang. Haar moeder blijft jammeren, dochter krijgt het benauwd, ‘waarom kon ze haar moeders hand niet pakken en er bemoedigend in knijpen?’
    Ditlevsen leed aan depressies en verbleef een aantal keren in een psychiatrische kliniek. Toen ze in 1967 op de gesloten afdeling terechtkwam, schreef ze de eerste twee delen van haar autobiografische trilogie, Kindertijd en Jeugd. Ze noemde die periode ‘de gelukkigste tijd van mijn leven tot nu toe’. Het schrijven overwon niet, op negenvijftigjarige leeftijd beëindigde ze haar leven. 

     

     

    Kwaad geluk / Tove Ditlevsen / vertaling Lammie Post-Oostenbrink / Das Mag uitgevers (2023)


    Inge Meijer is een pseudoniem, reist met het OV, leest.

  • Oogst week 4 – 2023

    Verstild voorjaar

    De biologe Rachel Carson (1907–1964) waarschuwde als een van de eersten voor de gevolgen van het gedrag van de mens op het ecologisch evenwicht van de aarde. Haar boeken zijn inmiddels ook ‘verplichte kost’ voor iedereen die zich actief wil inzetten voor het milieu.

    Carson kreeg van huis uit de liefde voor de natuur mee. Het bleek de basis voor haar keuze om biologie te gaan studeren. Haar voorliefde was de zee, daarover publiceerde ze in 1941 Under the Sea Wind dat lovend werd ontvangen door critici, maar commercieel weinig succesvol was. Mogelijk als gevolg van het feit dat ze een vrouw was en daarom niet voldoende serieus werd genomen. Haar tweede boek The Sea Around Us uit 1951 werd ook positief ontvangen maar wèl goed verkocht, mede dankzij het feit dat het zo goed en voor de niet-wetenschappelijke lezer geschreven was.

    Later begon ze zich enorme zorgen te maken over het toegenomen gebruik van pesticiden en het effect daarvan op het milieu. Ze publiceerde daarover in 1962 in Silent Spring (Dode lente, 1964). Dit begint met een fabel over een stadje waar al het leven verdwijnt en mens en dier vreemde ziekteverschijnselen krijgen, maar dat de opmaat is voor de inhoud over de schadelijke gevolgen van overmatig gebruik van pesticiden. Dit boek werd ondanks kritiek en tegenwerking van de pesticidefabrikanten een bestseller. Het heeft de discussie over het gebruik van deze bestrijdingmiddelen op gang gebracht waardoor sommigen zelfs verboden werden. Silent Spring is onlangs onder de titel Verstilde lente opnieuw uitgebracht door uitgeverij Athenaeum. Het geldt nog steeds een van de meest zinvolle en goed leesbare titels op dit gebied.

    Verstild voorjaar
    Auteur: Rachel Carson
    Uitgeverij: Uitgeverij Athenaeum (2022)

    Kwaad geluk

    Tove Ditlevsen (1917 – 1976) is een Deense schrijfster die in Nederland nog niet zo lang bekend is. Zij had een moeilijk leven. Ze groeide in grote armoede in Kopenhagen op bij ouders die samen ongelukkig waren, moest al jong voor inkomsten zorgen, kreeg te kampen met verslavingen en trouwde vier keer, en elke keer was het geen succes. Veel van haar levenservaringen komen terug in haar boeken. De thematiek in haar boeken mag dan zwaar zijn, haar manier van schrijven allerminst. Daarom vindt men haar in Denemarken waarschijnlijk nog steeds een van de grootste auteurs van het land.

    Internationaal wint zij nu aan bekendheid. Aanleiding daarvoor is mogelijk haar plek op een jubileumlijst uit 2020, uitgebracht door haar uitgeverij die dat jaar 250 jaar bestond. Ze eindigde met haar roman Straat van de kindertijd op basis van de stemmen van zo’n 40.000 lezers, in de top tien van de beste boeken uit het fonds van deze uitgeverij. Sinds 2020 verschijnt haar werk in Nederland bij Uitgeverij Das Mag.

    Na Straat van de kindertijd kwam in een periode tussen ’67 en ’71 een trilogie van Ditlevsen uit Kindertijd, Jeugd en Afhankelijkheid.
    Over deze trilogie schrijft vertaalster Lammie Post: ‘Het is bijzonder hoe het verhaal van een meisje dat opgroeit in de jaren tussen de Eerste en Tweede Wereldoorlog zoveel mensen weet te raken, en hoe herkenbaar haar verhaal nog steeds is.’

    Kwaad geluk uit 1963 is de eerste verhalenbundel die van Ditlevsen in Nederland verschijnt. Daarin schrijft ze vanuit geobsedeerde hoofdpersonen en komen haar bekende thema’s aan de orde: onbereikbaar geluk, ongelukkige huwelijken en dominante moeders. De verhalen uit deze bundel vormen de basis voor de titels uit de zogenoemde Kopenhagen-trilogie.

    Kwaad geluk
    Auteur: Tove Ditlevsen
    Uitgeverij: Das Mag (2023)

    De lokroep van Elisium

    Tot slot aandacht voor De lokroep van Elisium van de Estlandse schrijver en filmmaker Ilmar Taska (1953), een heel ander boek dan zijn roman Pobeda 1946 dat handelt over de onderdrukking van Estland door de Sovjet-Unie.

    In De lokroep van Elisium gaat het om de mogelijkheid om in een virtuele wereld, het Elysium-portal, historische bekendheden te ontmoeten. Met behulp van kunstmatige intelligentie is bestaand materiaal zoals films en interviews ingezet om de digitale karakters ‘authentiek’ te maken.
    De hoofdpersonen gaan in die virtuele wereld in gesprek met bijvoorbeeld Marlene Dietrich, Marilyn Monroe, John F. Kennedy en Vladimir Lenin. Maar niet alles blijkt te zijn zoals het lijkt.

    Pobeba 1946 werd op deze site besproken door Huub Bartman: ‘Ilmar Taska heeft een boek geschreven dat je ademloos leest. De spanning wordt prachtig opgebouwd met een filmische directheid. Hier verraadt Taska zijn eigenlijke stiel van scenarioschrijver en filmmaker. Die is af te lezen aan de opbouw en vormgeving van het verhaal. De verwikkelingen waarmee de hoofdrolspelers geconfronteerd worden volgen elkaar in korte scènes en in hoog tempo op zonder dat dit ten koste gaat van de psychologische en filosofische diepgang.’

    De lokroep van Elisium
    Auteur: Ilmar Taska
    Uitgeverij: Uitgeverij Nobelman (2023)
  • Oogst week 18 – 2021

    De vrouw in de bontjas

    ‘Er is geen leeftijd waarop een vrouw alleen hoort te leven. Zolang ze jong is, heeft ze een chaperon nodig. Later een bewaakster. Ik leef alleen. Dat komt door juni 1940, want op de weg van die juni ben ik de mensen kwijtgeraakt dankzij wie ik niet alleen was. Alles is volledig in elkaar gestort. Dus hier sta ik, in Nice, met mijn laatste briefjes van honderd frank. En mijn jeugd aan een zijden draadje. Waarom komt alles altijd tegelijkertijd?’ Al op één van de eerste pagina’s lezen we deze verzuchting van een vrouw die zojuist een tafereel heeft meegemaakt in een kruidenierswinkel waar een morsige grijsaard kaviaar kocht. Weer buiten voelt ze dat de man haar achtervolgt.
    Het is het begin van de novelle De vrouw in de bontjas van Elsa Triolet over een jonge vrouw die in het begin van de oorlog haar minnaar is verloren. Ze ziet wat er om haar heen gebeurt maar het voelt voor haar alsof ze er nauwelijks nog deel van uitmaakt.
    De Frans-joodse schrijfster Elsa Triolet (1896-1970) werd geboren als Ella Joerjevna Kagan in Moskou. Ze was (na een mislukt huwelijk met een Franse officier Triolet) de vrouw van Louis Aragon. De vrouw in de bontjas uit 1944 is het eerste verhaal dat van haar in het Nederlands is vertaald.

    De vrouw in de bontjas
    Auteur: Elsa Triolet
    Uitgeverij: Vleugels

    Winnetou

    Hoeveel jongens zijn in de jaren ’60 en ’70 van de vorige eeuw niet opgegroeid met de vijftien Prisma-pockets over de helden Winnetou en Old Shatterhand? De originele Duitse versie van Karl May verscheen in 1893 in drie delen. Het was knap werk want May was nooit in Amerika geweest; hij baseerde zijn verhalen louter op persoonlijke studie. We zijn nu bijna 130 jaar verder. Blijven de verhalen over de vriendschap tussen het opperhoofd van de Apachen, Winnetou, en de Duitse landmeter die om de kracht van zijn vuist Old Shatterhand werd genoemd, nu nog overeind? Uitgeverij IJzer vindt van wel. In een nieuwe frisse vertaling verscheen het eerste deel van de trilogie. De vertalers verklaren in hun nawoord hun keuzes in onze tijd waarin het kolonialistische en racistische vocabulaire ter discussie staat. Zo leggen ze uit waarom ‘roodhuid’ is gehandhaafd en waarom niet ‘blanke’ maar ‘withuid’ wordt gebruikt.

    Winnetou
    Auteur: Karl May
    Uitgeverij: IJzer

    Op de schouders van de natuur

    De Noorse Anne Sverdrup-Thygeson is hoogleraar ecologie. Van haar is in Nederlandse vertaling verschenen Op de schouders van de natuur. Het is een prachtig geïllustreerd boek over biodiversiteit en het belang ervan voor ons voortbestaan als mens. In haar voorwoord schrijft ze: ‘Ik had het geluk op te groeien in een gezin waarin het vanzelfsprekend was om veel tijd buiten door te brengen en waarvan de leden geïnteresseerd waren in verhalen en taal die de relatie tussen ons en de natuur beschrijft in het verleden en het heden. Waarin het geen probleem was dat ik graag alles wilde weten en waar werd geprobeerd mijn eeuwige vragen over hoe alles eigenlijk met elkaar samenhing te beantwoorden’. Maar ze is niet alleen de bevlogen wetenschapper. Ze kan ook schrijven. Geen wonder, want ‘Als kind verzamelde ik mooie woorden, woorden die feestelijk in je mond golfden en rolden als ik ze las, zoals onomatopoetikon of woorden die van je huig over je tong huppelden voor ze op het puntje van je tong belandden, zoals trigonometrisch punt. Mijn opa leerde me dat het klein hoefblad in het Latijn Tussilago farfara heette’.

    Op de schouders van de natuur
    Auteur: Anne Sverdrup-Thygeson
    Uitgeverij: De Bezige Bij
  • Wat hangt ons boven het hoofd?

    Wat hangt ons boven het hoofd?

    Het gaat slecht met de bijen. Van de 358 soorten wilde bijen in Nederland staat 56 procent op de rode lijst. De honingbij, die in volken leeft, wordt sinds een aantal jaren gedecimeerd door de ‘verdwijnziekte’, ook wel CCD genoemd: Colony Collapse Disorder, een aandoening die hele bijenvolken wegvaagt. De geleerden zijn er nog niet uit.
    Nu gaat het slecht met de hele natuur, maar de massale bijensterfte kan de menselijke soort al op korte termijn het leven zuur maken. Geen bijen, dan geen bestuiving van voedselgewassen, dus voedselgebrek, hongersnood, migratie, strijd – het is gemakkelijk hier een apocalyptisch scenario te schetsen dat helemaal niet denkbeeldig is. Bayer, de grote producent van bestrijdingsmiddelen, lobbyt intussen bij de Nederlandse overheid om een verbod op zijn neonicotinoïden te voorkomen.

    Stof te over voor een spannend verhaal. Over actievoerders die de strijd aanbinden met de makers en gebruikers van het landbouwgif. Of een toekomstfantasie over een wereld waarin bovengenoemd rampenscenario werkelijkheid is geworden.
    De Noorse kinderboekenschrijfster Maja Lunde (de gedachte dringt zich op aan Die Biene Maja – nomen est omen) biedt ons in De geschiedenis van de bijen, haar eerste roman voor volwasseneneen blik op de toestand in onze wereld over tachtig jaar en die stemt niet vrolijk. Haar boek behelst een impliciete oproep tot een ingrijpende koerswijziging in landbouw en economie en daarmee in de hele westerse samenleving. Het is een tendensroman vol maatschappijkritiek, een Max Havelaar van de bijen.

    Het boek bestaat uit drie grotendeels op zichzelf staande verhalen, die aan het eind van de roman losjes met elkaar verbonden blijken. Ze worden om en om verteld, in niet al te lange hoofdstukjes die de naam dragen van de hoofdpersoon, die tevens de verteller is. Jammer dat alledrie de geschiedenissen vanuit een ik-perspectief worden verteld. Dat leidt tot eenvormigheid in toon en verteltrant.

    Tao, China, 2098
    Verhaal 1, van verteller Tao (een Chinese vrouw), begint in 2098 in China, in ‘District 242, Shirong, Sichuan’. De bevolking van de streek werkt in de fruitteelt. Omdat er geen bijen meer zijn, klauteren de mensen de perenbomen in en bestuiven ze de bloesems met een kwastje. Dat is overigens geen futuristische waanzin; er zijn delen van China waar dat nu reeds gebeurt, zoals te zien is in de Zwitserse documentaire More than Honey uit 2012. De dwangarbeid doet denken aan de tijd van Mao. De mensen zijn ondervoed, uitgeput en onvrij.
    Haar verhaal toont een wereld in verval, maar het allerlaatste woord dat Tao spreekt, en daarmee eindigt de roman, is toch ‘hoop’.
    Ze heeft een zoon die op raadselachtige wijze sterft en door de autoriteiten zonder pardon wordt afgevoerd. Tao laat het er niet bij zitten.
    De twee andere verhalen zijn ondergeschikt aan Tao’s geschiedenis.

    William Savage, Groot-Brittanië, 1852
    Verhaal 2 begint in ‘Maryville, Hertfordshire, Groot-Brittannië, 1852′. Hoofdpersoon is William Savage, een tot depressiviteit geneigde winkelier in zaden en kruiden die bezeten is van de wens de perfecte bijenkast te ontwerpen, een kast om bijen te ’temmen’. Daarmee hoopt hij wetenschappelijk aanzien te verwerven. Hij vertegenwoordigt, samen met de verteller van verhaal 3, de verkeerde omgang met de natuur. Hij ontwikkelt inderdaad een nieuw soort kast, maar een ander blijkt hem voor te zijn geweest.
    Ook hij heeft een zoon, waar hij grote verwachtingen van heeft. Het blijkt een nietsnut. Gelukkig heeft hij ook een dochter, Charlotte, door William langdurig genegeerd, die hem helpt en zich eveneens in bijen verdiept. Zij emigreert uiteindelijk naar de Verenigde Staten en neemt de bouwtekeningen van vaders nieuwe bijenkast mee.

    George, Verenigde Staten, 2007
    Verhaal 3, van verteller George, speelt zich ruwweg in onze tijd af. Het begint in 2007 in ‘Autumn Hill, Ohio, USA’. George is boer en imker en ziet zijn bijenvolken te gronde gaan aan onbekende oorzaken, mogelijk de ‘verdwijnziekte’. Naarmate het boek vordert, ontdekt de lezer dat George een verre nazaat is van Charlotte en dus ook van William. Hij heeft Charlottes bouwtekeningen ingelijst aan de muur hangen.
    Ook hier een zoon, Tom. Tussen hem en George botert het niet erg. Hij moet niets hebben van het boerenbedrijf. Later neemt hij de bijenhouderij van zijn vader over en pakt hij alles ‘bijvriendelijker’ aan. Toch zullen ook zijn bijenvolken sterven.

    Rentmeesters
    Tom schrijft een boek, De blinde imker, waarin de deplorabele toestand in de wereld aan het eind van de 21e eeuw wordt aangekondigd en waarin hij de weg naar herstel schetst. Die remedie krijgt de lezer overigens niet met zoveel woorden te horen. Zijn boek verschijnt in 2037 en is in het Chinees vertaald.
    Belangrijk in De blinde imker is de gedachte dat je moet ‘handelen tegen je instinct in, omdat je beter weet; om in de natuur te kunnen leven, mét de natuur te kunnen leven, moest je de natuur uit jezelf halen (…) je moest de natuur in jezelf leren trotseren’.
    Dat is een gedachte die je niet zo vaak hoort in groene kringen; vaak wordt de ‘menselijke natuur’, tezamen met ‘de natuur’ in het algemeen, als intrinsiek goed beschouwd.
    Onder de ‘natuur in jezelf’ moeten we hier onze slechte inborst verstaan, de menselijke hebzucht en geldingsdrang, en het misplaatste gevoel heersers van de schepping te zijn in plaats van onderdeel van het grote geheel en ‘rentmeesters’.
    Het boek bevat meer gedachtegoed van christelijke snit. Het heeft bovendien een lichte anti-technologische strekking.

    Tao zorgt dat de leiding van haar geteisterde land het boek in handen krijgt. Hoop daagt: ‘Eindelijk werd het visioen van Thomas Savage werkelijkheid. We lieten de controle los, het bos kreeg de kans zich te verspreiden. In de aarde zouden andere gewassen geplant worden, grotere gebieden zouden verwilderen.’ Dit lezen we op de voorlaatste bladzijde. Eerder is de lezer al te weten gekomen dat de wereldbevolking terugloopt als gevolg van alle ellende.

    Samenwerking
    De verbindingen tussen de drie levensgeschiedenissen illustreren het motief van ‘verbondenheid’. Naarmate haar verhaal vordert beseft Tao dat ‘het leven van één enkele persoon (…) niet van belang’ is. ‘Mijn dromen over hem waren niet van belang zolang ik niet in staat was het verband te zien, te zien dat dezelfde dromen voor ons allemaal golden.’ Dit is deel van de ‘boodschap’ van de roman: wij zijn, net als de bijen, alleen tot iets constructiefs en duurzaams in staat wanneer we eensgezind opereren, in wederzijdse afhankelijkheid. De drie afzonderlijke verhalen demonstreren dat ook: we zien verbeten individuen die pas in samenwerking met anderen vooruitgang boeken.
    Drie verhalen dus, met in de dystopische geschiedenis van Tao veel spanning, in de negentiende eeuw pijnlijk geestelijk geworstel bij William en het economische slachtofferschap anno nu van George.
    Helaas ook een boel cliché’s, kitsch en sentimentaliteit. Tao’s verhaal bijvoorbeeld doet sterk denken aan de onheilstaferelen die we kennen uit speelfilms.

    Sterke vrouwen
    Tom, onheilsprofeet van een bijenloze toekomst en verkondiger van het verlossende woord, is weliswaar een bijfiguur, maar hij is de enige man in dit boek die een doorslaggevende rol speelt bij het vinden van een oplossing voor de mondiale ramp. Het is daarom jammer dat hij niet beter uit de verf komt. William en George zijn in de eerste plaats slachtoffers en Tao’s man is passief. Het zijn de vrouwen in de roman die werkelijk gewicht in de schaal leggen, van Charlotte tot aan Li Xiara, de vrouw die aan het hoofd staat van de Chinese regering, onverbiddelijk in haar leiderschap maar betrokken bij het volk en vol empathie voor Tao.
    Dit zou je een tweede motief kunnen noemen: vrouwen kunnen niet gemist worden in het bestuur van de wereld.

    Wie dit boek leest, komt veel te weten over bijen en bijenteelt. Ook de geschiedenis van de bijenwetenschap passeert de revue: Swammerdam, Mendel, Darwin en anderen, van wie de lezer graag aanneemt dat ze echt hebben bestaan en gedaan hebben wat dit boek ons vertelt, want de schrijfster heeft haar onderwerp grondig bestudeerd. Alhoewel? William hoort reeds in 1852 de naam Mendel, die toch pas in 1858 met zijn onderzoek begon en wiens eerste publicatie van 1866 dateert.

    Taal
    De geschiedenis van de bijen is hecht gecomponeerd en staat vol betekenisvolle details (tot en met de namen: Tao, Savage). Er zijn boeiende zijsporen en uitweidingen en ook valt er hier en daar wat te lachen. Zonder meer een rijke inhoud, onderhoudend en leerzaam. Toch kleeft er een groot bezwaar aan het boek.
    De taal. Het lezen van deze roman is een bezoeking en dat komt door het erbarmelijke Nederlands. De schrijfster heeft een paar hinderlijke gewoonten en de vertaalster laat steken vallen.
    Maja Lunde rijgt zinnen aaneen waarbij ze het onderwerp na de eerste keer niet meer herhaalt: ‘Ik stapte uit, legde mijn handen op mijn rug om ze te verstoppen. Rick stond al klaar. Maakte kleine sprongetjes. Wilde beginnen.’
    Dit citaat demonstreert meteen haar voorliefde voor hyperkorte zinnetjes. Daarnaast herhaalt ze teveel, soms meer dan eens: ‘Dit ziekenhuis was het laatste op mijn lijst. Ik had de hele lijst afgewerkt, namen doorgestreept, afgekruist.’ De schrijfster is dol op deze stijlfiguur.
    Tenslotte wemelt het van onhandige formuleringen en soms klinkklare onzin: ‘er bleek geen eenvoudigste oplossing’; ‘maakte me aan de ene kant horendol, aan de andere kant ergerde ik me er kapot aan’; ‘ik kon onmogelijk werken met die ademende schaduw van vlees en bloed achter me’; ‘de zelfbestuurbare auto’.

    Als De Bezige Bij dit laat passeren, is het duidelijk dat niet alleen de honingbij maar ook de Nederlandse taal in bescherming moet worden genomen.