• Oogst week 4 – 2026

    Oogst week 4 – 2026

    Deining

    ‘Er bestaat geen twijfel over dat Jones een van de meest getalenteerde schrijvers van Groot-Brittannië is,’ aldus The Independent on Sunday.

    De Britse Cynan Jones (1975), geboren en getogen in Wales, is de auteur van vijf korte romans en diverse korte verhalen. Hij werd genomineerd voor talloze internationale prijzen. Zijn werk is gepubliceerd in meer dan twintig landen en zijn korte verhalen zijn uitgezonden op BBC Radio 4 en verschenen in diverse bloemlezingen en publicaties, waaronder Granta Magazine en The New Yorker. Hij schreef ook het scenario voor een aflevering van de met een BAFTA bekroonde misdaadserie Hinterland en Three Tales, een verzameling verhalen voor kinderen.

    Deining (oorspronkelijke titel Pulse) is de recent verschenen verhalenbundel in vertaling van Manon Smits. Een man trekt de sneeuw in om de beer te achtervolgen die de vallei terroriseert, een vader probeert het goed te maken met de zoon die hij verliet, een geliefde wordt te hulp geroepen wanneer de bevalling van een koe vreselijk misgaat, een hevige storm dreigt een boom op de elektriciteitskabels boven het huis van een gezin te blazen. Angst, kwetsbaarheid en vastberadenheid verwerkt Jones op aangrijpende wijze.

    Deining
    Auteur: Cynan Jones
    Uitgeverij: Koppernik

    Wildnissen

    Wildnissen is de nieuwe bundel van de Vlaamse dichter Xavier Roelens. Een dichter kijkt als vader naar een wereld in crisis. Tussen angst en verwondering, wanhoop en hoop, ontstaan gedichten vol bezorgdheid, tederheid en een verlangen naar wildheid.

    In een wereld die op een klimaatramp afstevent, koos Xavier Roelens toch voor zelfgemaakte kinderen. Nu voelt hij de verantwoordelijkheid. Met moeder de angst aan het stuur wil hij uit de wagen stappen en stilstaan bij alle gevoelens die bij het vaderschap komen kijken: van depressie tot vreugde, van verdriet tot ontzetting. De feiten broeien in zijn hoofd. Hij kijkt van zijn zonen naar de presidenten die met oorlog de overbevolking aanpakken. Hij zit in zijn zetel een lyrisch-ecologisch traktaat te schrijven, een pleidooi voor wildnissen, maar hij gaat uiteindelijk liever wandelen.

    Xavier Roelens (Rekkem, 1976) is poëzie-enthousiast. Hij was coördinator aan de SchrijversAcademie, de Vlaamse schrijfopleiding voor gevorderden en geeft sinds enkele jaren les in Ieper en Tielt aan schrijvers in spé.

    Hij was hoofdredacteur van het literaire tijdschrift En er is, stelde met Maarten De Pourq de bloemlezing Op het oog samen. Eigen gedichten verschenen in o.a. DWB, NRC Handelsblad, De Revisor, Het liegend konijn en Poëziekrant of waren te horen op Crossing Border en De Nachten. Hij is redacteur van In Letterland.

    Zelf debuteerde hij, na een korte carrière in het slammilieu, in 2007 met Er is een spookrijder gesignaleerd. Zijn ecologisch geïnspireerde bundel Stormen, olielekken, motetten (2012) werd door de jury van de Herman de Coninckprijs tot de vijf beste Vlaamse bundels van dat jaar gerekend. Voor Onze kinderjaren (2018) vroeg hij aan 365 mensen naar hun vroegste herinnering als kind en maakte daar 77 gedichten mee. De bundel werd genomineerd voor de Grote Poëzieprijs 2019. Zijn werk is vertaald in het Engels, Frans, Russisch en Kroatisch. Zijn nieuwste werk, Wildnissen, verschijnt januari 2026.

    Wildnissen
    Auteur: Xavier Roelens
    Uitgeverij: Atlas Contact

    Chita, herinneringen aan Last island

    Een heldere novelle waarin de mens wordt onderworpen aan de schoonheid én de wreedheid van de natuur. Klimaatroman avant la lettre.

    Lacfadio Hearn is geen onbekende bij Literair Nederland. De Grieks-Ierse schrijver, vertaler en leraar uit de negentiende eeuw, woonde jarenlang in Japan woonde en introduceerde de Japanse cultuur en literatuur in de westerse wereld. Zoals met zijn verzamelingen van legendes en spookverhalen, Kwaidan.

    Zijn novelle Chita: A Memory of Last Island uit 1889 over Last Island is nu door Koppernik opnieuw uitgegeven in de Nederlandse vertaling van Barbara de Lange.

    In 1856 heeft een verwoestende orkaan het eiland Last Island, nabij New Orleans, volledig weggevaagd. In de nasleep van de storm redt de visser Feliu Viosca een kind. Zijn vrouw Carmen werd al tijden geplaagd door dromen waarin hun overleden dochter, Conchita, terugkeerde – en haar droom lijkt even waarheid te worden. Ze dopen het kind Chita, en leren haar zwemmen, laten haar kennismaken met hun geloof, en met alles wat je moet weten over het leven aan de kust. Ze weten dat haar moeder dood is, maar hoe zit het met haar vader, die op de lijst van vermisten stond.

    Chita is gebaseerd op historische feite en oorspronkelijk in 1888 gepubliceerd als feuilleton in Harper’s New Monthly Magazine. Hearn heeft een heldere, vlotte pen. Met veel mooie natuurbeschrijvingen geeft hij inzicht in het hardvochtige leven van de lokale bevolking.

     

     

    Chita, herinneringen aan Last island
    Auteur: Lafcadio Hearn
    Uitgeverij: Koppernik
  • Luchtige eeuwenoude klassiekers

    Luchtige eeuwenoude klassiekers

    Uit de ondertitel van de verhalenbundel Kwaidan – Japanse spookverhalen van de Grieks-Ierse schrijver Lafcadio Hearn (1850-1904) weten we dat het om spookverhalen gaat. Heel erg spookachtig zijn ze niet, eerder zijn het grimmige sprookjes. Japanse sprookjes en legendes die vaak al eeuwenoud zijn en mondeling overgeleverd werden. Het is dankzij Hearn, die ze in het Engels opschreef, dat ze een weg vonden buiten Japan. Na vele omzwervingen over de wereld kwam Hearn op zijn veertigste in Japan terecht, eerst als journalist, later werd hij leraar Engels. Hij voelde zich er thuis. Hij ontmoette zijn Japanse vrouw, een dochter van een vooraanstaande Japanse Samoerai-familie, en werd ineens een insider. Hearn raakte – inmiddels meer dan honderd jaar geleden – gefascineerd door de Japanse mythologie en folklore. Gemengd met zijn herinneringen aan zijn Griekse en Ierse jeugd schreef hij de verhalen in zijn eigen woorden op. Ze werden weer vertaald naar het Japans en worden nog steeds gezien als klassiekers.

    Zingen voor zielen

    Het openingsverhaal Mimi-nashi-Hôichi zet meteen de toon; zevenhonderd jaar geleden werd de laatste zeeslag geleverd tussen twee clans, de Heike en de Minamoto-clan. ‘De Heike kwamen daarbij jammerlijk om het leven, samen met hun vrouwen en kinderen en ook hun kindkeizer. (…) En al zevenhonderd jaar spookt het op die zee en aan die kust.’ Er zijn vreemde krabben te vinden, de zogenaamde Heike krabben, met een mensengezicht op hun rug, het zouden de geesten van de Heikekrijgers zijn. Er is ook een begraafplaats aangelegd op de kust met een gedenkteken van de verdronken keizer en zijn vazallen. Hôichi, een blinde bard, leefde een paar honderd jaar later. Hij was een begenadigd zanger en beroemd omdat hij de geschiedenis van de zeeslag zo voortreffelijk kon voordragen. Op leeftijd gekomen leefde hij in een klooster en werd beschermd door een priester. Op een dag werd hij opgehaald door een vreemdeling die hem meenam naar zijn hooggeplaatste meester. Die wilde Hôichi’s voordracht horen. Hôichi zong en speelde met zijn luit de sterren van de hemel. Om hem heen prevelden stemmen: ‘Wat een kunstenaar.’ ‘Nooit is er in onze provincie zulke geweldige muziek gehoord.’ En Hôichi speelde maar wist niet welke monsters hij voor zich had. Hij zat op de begraafplaats en speelde voor hun dolende geesten. Langzamerhand raakte hij uitgeput, de priester kwam hem redden, maar toen was het eigenlijk al te laat.

    Schuld en trouw

    Oshidori is ook zo’n prachtig betekenisvol verhaal. De jager Sonjô had honger en schoot het mannetje van een mandarijneendenpaartje dood. Volgens de noot, waar de verhalen rijkelijk van zijn voorzien, zijn mandarijneenden in het verre oosten van oudsher een symbool voor huwelijkse liefde. De vrouwtjeseend, verteerd door verdriet, bezocht Sonjô in zijn dromen en huilde zo smartelijk, dat hij het gevoel had dat zijn hart uit zijn lijf werd gerukt. De volgende dag zag hij de vrouwtjeseend weer en met haar doordringende blik op hem gericht deed ze zichzelf iets aan. Sonjô voelde zich zo schuldig dat hij monnik werd.

    Menselijke spookverschijningen

    De verhalen zijn kort en helder geschreven met veel poëtische vertalingen van Japanse gedichtjes en Haiku’s. Ze gaan over trouw en eer, religie en ronddwalende zielen als spookverschijningen, die zich voordoen als een mens, zoals de Heike krab met een mensengezicht op zijn pantser, of een ranke schoonheid die als ze zich omdraait een monster blijkt te zijn. Of een kersenboom die al honderden jaren bloeit op 16 januari. Hearn is gefascineerd door die verpersoonlijking van natuurverschijnselen.

    Zielen van overledenen zwerven graag rond in Hearns vertolkingen, zoals de overleden vrouw die iedere nacht iets kwam zoeken in haar oude huis en daarmee haar kinderen angst aanjoeg. Ook dromen, als uiting van het onderbewustzijn, spelen een rol. Een man beleefde drieëntwintig jaar een heerlijke droom, uiteindelijk bleek deze slechts een paar minuten te hebben geduurd, maar dan vindt hij een bewijs van iets dat in zijn droom plaatsvond. Al is het slechts het dode lichaam van een vrouwtjesmier.

    Een Samoerai met uitzonderlijke lichaamskracht wordt monnik – ‘een wolk en waterreiziger’. Om een gezin te behoeden voor het kwaad, hakt hij het hoofd af van een ‘rokuro-kubi’, een monster met een uitgerekte hals. Bij deze monsters kan het hoofd terugkeren naar het lichaam, zolang dat niet verplaatst wordt. Precies dat doet deze dappere monnik, het lichaam verplaatsen, maar dan bijt het hoofd met de angstaanjagende gelaatsuitdrukking zich aan hem vast en zit hij er voortaan mee opgescheept. Welgemoed neemt hij het hoofd mee op zijn reizen, tot hij er afstand van weet te doen. In die zin zijn de verhalen ook humoristisch.

    Insectenstudies

    De zeventien spookverhalen worden afgesloten met drie insectenstudies. De eerste gaat over vlinders. Veel symboliek over vlinders komt overigens uit China, zegt Hearn. ‘In de Japanse overlevering kan een vlinder echter zowel de ziel van een dood als van een levend iemand zijn. Zielen hebben zelfs de gewoonte een vlindervorm aan te nemen om aan te kondigen dat ze definitief het lichaam hebben verlaten; en daarom moet elke vlinder die een huis binnenkomt altijd vriendelijk tegemoet worden getreden.’
    Opgenomen zijn een prachtige Haiku en het gesprek met een vlinder, beide poëtisch door Hearn verwoord.

    In de tweede insectenstudie gaat Hearn in op ‘Muggen’, een hilarisch verhaal, want de muggen leggen hun eieren in zogenaamde ‘mizutanes’, langwerpige waterbakjes, en bloembakken waarvan er duizenden zijn te vinden op de boeddhistische begraafplaats achter Hearns huis. Met andere woorden, hij wordt geteisterd door de muggen en zint op een manier om van ze af te komen.

    Mieren is de derde studie en verreweg het interessantst. Het essay begint met een man die met een crème op zijn oren de gesprekken tussen mieren kan verstaan. Hearn bestudeert de Cambridge Natural History en beschrijft naar aanleiding daarvan de opmerkelijke verschijnselen in het leven van mieren. Mieren verstaan de kunst van het samenleven in maatschappijen in veel opzichten beter dan onze eigen soort en ‘zijn ons ver vooruit in de verwerving van bepaalde kundes en kunsten die sterk bevorderlijk zijn voor het maatschappelijk leven.’ Vervolgens schept hij de sociale maatschappij van een mierenvolk met: ‘Ontzagwekkend fatsoen, de vreselijke moraliteit van de mier. (…) Vergeleken bij de ethiek van de mier schieten onze aantrekkelijke gedragsidealen minstens miljoenen jaren tekort.’

    In het persoonlijke nawoord van kunstenares en schrijfster Jannie Regnerus, die in 2000 een jaar in een artist residence in Japan woonde, vertelt ze hoeveel ze heeft gehad aan Hearns gids, die haar met zijn heldere en poëtische beschrijvingen hielp de Japanse wereld betekenis en reliëf te geven. Dankzij de uitstekend lezende vertaling uit het Engels door Barbara de Lange zijn Hearns Japanse spookverhalen een luchtige leeservaring voor het slapengaan. Ze zijn ook interessant voor de beeldvorming van Japanse, en Chinese, oude cultuur.

     

  • Oogst week 44 – 2024

    Oogst week 44 – 2024

    Waarom het kind in de polenta kookt

    In Waarom het kind in de polenta kookt van de van oorsprong Roemeense Aglaja Veteranyi (1962–2002) komt de achtergrond van de schrijfster herkenbaar naar voren. Haar familie vluchtte tijdens het regime van Ceauşescu naar Zwitserland. Omdat haar ouders beide circusartiest waren, was de familie altijd onderweg en overal een buitenstaander, met alle problemen van dien. Ze bleven niet alleen in Zwitserland, maar reisden ook door Europa, Afrika en Zuid-Amerika. Hierdoor bleef Veteranyi lange tijd analfabeet. Toen ze weer terug was in Zwitserland leerde zij zichzelf Duits lezen en schrijven. Dat werd ook de taal waarin ze schreef.

    Waarom het kind in de polenta kookt uit 1999 is haar debuut. Het was meteen een groot succes. Het is een coming-of-age roman die gaat over twee zusjes in een Roemeense circusfamilie. Zij maken zich elke dag zorgen om hun moeder die elke avond in de trapeze hangt. Om die zorgen te vergeten, vertellen ze elkaar verhalen die soms erg gruwelijk worden.

    Aglaja Veteranyi pleegde in 2002 zelfmoord

     

     

    Waarom het kind in de polenta kookt
    Auteur: Aglaja Veteranyi
    Uitgeverij: Uitgeverij Oevers (2024)

    Ik wens mijn huis as 

    Darja Serenko (1993) is een Russische dichter, curator en politiek activist. Zij is medeoprichter van de Feminist Anti-War Resistance (FAS)-beweging die in februari 2022 opgericht werd als protest tegen de Russische invasie van Oekraïne. Al snel had de organisatie veel aanhangers. Nog geen jaar later wordt de FAS in Rusland als ‘buitenlands agent’ betiteld, maar krijgt daarna ook de Vredesprijs van Aken 2023.
    Vanwege een bericht op social media om steun te betuigen aan Alexsej Navalny krijgt Serenko 15 dagen celstraf. In die dagen begint ze aan Ik wens mijn huis as. Momenteel woont zij in Georgië.

    Ik wens mijn huis as bestaat uit twee afzonderlijke delen: Meisjes en instituties (2021), dat gebaseerd is op eigen ervaringen, en Ik wens mijn huis as (2023), waarin zij haar verblijf in de gevangenis centraal zet.

    Eva Hartog gaat op 1 november a.s. in de Koninklijke Schouwburg in Den Haag met Serenko in gesprek. Hartog woonde en werkte jarenlang als correspondent in Rusland. In 2023 kreeg zij te horen dat ze dat land uit moest. Ze is als journalist verbonden aan o.a. De Groene Amsterdammer en Time Magazine.

    Ik wens mijn huis as 
    Auteur: Darja Serenko
    Uitgeverij: Uitgeverij Koppernik (2024)

    Kwaidan

    Kwaidan zijn Japanse spookverhalen en legendes. De schrijver van deze bundel Kwaidan werd in 1850 in Griekenland geboren als Patrick Lafcadio Hearn. Zijn vader was Iers, zijn moeder Grieks. Na zijn jeugd in Dublin emigreerde hij op jonge leeftijd naar de Verenigde Staten, werd journalist en kwam uiteindelijk als correspondent terecht in Japan waar hij het staatsburgerschap kreeg en hij de rest van zijn leven zou blijven. Zijn Japanse naam is Koizumi Yakumo.

    Kwaidan bevat huiveringwekkende spookverhalen die gebaseerd zijn op Japanse folklore maar ook vol zitten met herinneringen aan de eigen spookachtige jeugd van de auteur in Ierland. Het wordt bevolkt door allerlei angstaanjagende en enge wezens.

    Het is een verzameling verhalen geworden die inmiddels tot de Japanse klassiekers behoort. Kwaidan is door Barbara de Lange vanuit het Engels vertaald, en is voorzien van een nawoord door Jannie Regnerus. Specifieke Japanse begrippen worden in noten onderaan de pagina toegelicht.

    Kwaidan
    Auteur: Lafcadio Hearn
    Uitgeverij: Uitgeverij Koppernik (2024)