De ‘Grote Afrikaanse Roman’ lijkt in de lift te zitten. Nadat de in voorbije zomer Kintu van de Oegandese Jennifer Nansubuga Makumbi de bestsellerlijsten aanvoerde, is er nu niets dan lof voor De rook die dondert, debuut van Namwali Serpell en het Zambiaanse antwoord op Kintu. Serpell is geboren in Zambia, maar woont sinds haar negende in de Verenigde Staten. Heden ten dage is ze gerenommeerd hoogleraar Engels aan Berkeley University en wordt ze beschouwd als een van de meest veelbelovende Afrikaanse schrijfsters.
Verschillende genres
De rook die dondert is een ambitieuze roman die speelt tegen de achtergrond van de nieuwe staat Zambia. In een tijdspanne van 120 jaar schetst Serpell het ontstaan en de groei van een natie, met alle problemen en gevoeligheden die ermee gepaard gaan. Ze doet dat op een weergaloze manier. Serpell mixt verschillende genres bij elkaar om zo te komen tot de referentieroman van deze prille staat: zowel de historische roman als de liefdesroman komen aan bod, maar evenzeer thriller en sciencefiction, familiekroniek en psychologische roman, dit alles overgoten met een flinke saus magisch realisme.
Voor de lezer die graag een rechttoe rechtaan verhaal heeft, is het misschien overdreven. Het is immers zaak de hele tijd de onderlinge relaties goed in de gaten te houden. Serpell laat heel wat thema’s aan bod komen in haar grote roman: kolonisatie, racisme, gendergelijkheid, feminisme, liefde, AIDS, nieuwe technologische ontwikkelingen. Dat maakt het boek zo rijk, maar ook ingewikkeld en soms moeilijk om te volgen. Gelukkig heeft ze een stamboom toegevoegd om de onderlinge relaties steeds goed te kunnen bij houden.
Drie oermoeders
Het boek begint en eindigt bij de Victoriawatervallen en de Kambezi-dam. Vandaaruit volgt de lezer de lotgevallen van drie generaties wier lot op wonderbaarlijke wijze met elkaar verbonden lijkt. De drie stammoeders hebben nochtans verschillende achtergronden. De Italiaanse Sibilla, die een afwijking heeft – ze is namelijk overal behaard – volgt haar geliefde om in Zambia een nieuw leven op te bouwen. De veelbelovende Britse tennisspeelster Agnes wordt plots blind, ze wordt verliefd op een zwarte ingenieur en gaat er met hem vandoor naar Zambia.
Daarnaast is er de autochtone Matha, wonderkind tegen wil en dank, maar aangezien meisjes geen onderwijs krijgen in Zambia, doet ze zich voor als jongen om toch te studeren. Ze wordt opgenomen in het Zambiaanse ruimtevaartprogramma, maar wordt ongewenst zwanger en moet noodgedwongen de wetenschap verlaten. De kinderen en kleinkinderen van deze drie oermoeders groeien in vaak moeilijke omstandigheden op in het pas opgerichte Zambia en worden door het lot steeds dichter naar elkaar toe gedreven tot ze in een zinderende finale (in de nabije toekomst) een nieuwe revolutie ontketenen.
Serpell heeft heel veel research gedaan. Heel wat zaken zijn historisch correct, maar ze overdekt alles met een laag fictie. De stijl is zeer direct en beschrijvend, dat maakt het nochtans lijvige boek aangenaam en vlot om lezen. De personages zijn bijzonder goed en gedetailleerd uitgewerkt, levensecht en geloofwaardig, ondanks de soms bizarre gebeurtenissen. Matha, bijvoorbeeld, is een historische figuur die deel uitmaakte van het historische Zambiaanse ruimtevaartprogramma, het Afrikaanse antwoord op de Amerikaanse en Russische race naar de maan. Eigenlijk meer propaganda dan een echt ruimtevaartprogramma, geleid door revolutieleider Nkoloso. De manier waarop Serpell dit deel beschrijft is ronduit schitterend.
Actualiteit versus science-fiction
Hoewel het dus historisch correct is, beschrijft ze dit onderdeel met heel veel ironie en humor en ziet de hilariteit ervan in. Serpell slaagt erin de kritiek op corruptie en onderdrukking op een omfloerste, maar toch duidelijke manier weer te geven. Ook speelt ze graag met motieven. Een van de belangrijkste motieven is ongetwijfeld: hoofdhaar. Haar speelt een belangrijke rol in het leven van nagenoeg alle hoofdpersonages, en met de haargroei of het verlies van haar gaan levens gepaard.
De beschrijving van de race naar een vaccin tegen het Virus (AIDS) doet akelig actueel aan en schetst de problemen waarmee men geconfronteerd wordt bij de ontwikkeling van vaccins. In het laatste deel, puur science-fiction, zoomt Serpell in op de technologische evolutie en beschrijft ze hoe de Afrikaanse bevolking wordt gebruikt als proefkonijn bij verschillende vernieuwingen. Tegelijk probeert ze de weerbaarheid van de kleine revolutionairen te schetsen die niet zomaar geloven in de voordelen van de grote technologische revolutie.
De rook die dondert is een huzarenstuk geworden: rijk aan genres, rijk aan thema’s, rijk aan kleurrijke personages. De beeldende stijl zorgt ervoor dat de lezer zeer betrokken raakt bij het gebeuren, ondanks de soms bizarre gebeurtenissen. Serpell geeft een mooie inkijk op kolonisatie en vooral dekolonisatie en de gevolgen van een zich steeds sneller ontwikkelende maatschappij. Met dit debuut heeft ze zich onmiddellijk op de kaart gezet als betekenisvolle wereldliteratuur schrijver.
Op zelfdoding rust nog altijd een groot taboe. Mensen mijden de nabestaanden en brengen het onderwerp niet graag ter sprake, bang om te kwetsen of wonden open te rijten. Adriënne Schouw maakte het zelf mee en besloot acht jaar na de feiten een en ander vorm te geven in haar ontroerende, maar eerlijke verhaal. In sluitertijd is haar autobiografische debuut waarin ze bewijst talent te hebben om het onbespreekbare toch te verwoorden. Op een subtiele, liefdevolle manier legt ze haar ziel bloot en gaat ze vooral op zoek naar antwoorden.
‘Misschien valt er in een reconstructie een ander licht op te werpen en kan ik zijn onvermogen om verder te leven zo beter aanvaarden.’ Op de warmste nacht van het jaar verhangt Marius Woestenburg zich aan de tak van de boom die hij de dag ervoor nog had gesnoeid. Zijn vrouw Caro blijft achter met drie dochters, totaal verbouwereerd en schijnbaar hulpeloos. Na het verder leven op de automatische piloot komt Caro na anderhalf jaar de man met de hamer tegen en moet ze op zoek naar de zin van het leven, of liever naar een manier om om te gaan met het verleden en de zelfmoord van haar man. Wat volgt is een reconstructie van ingrijpende gebeurtenissen uit het leven van Marius die geleid hebben tot zijn wanhoopsdaad.
Innerlijke verscheurdheid
In sluitertijd is geen sentimenteel relaas van hoe een vrouw worstelt met de plotse zelfmoord van haar man. Het is een minutieuze ontrafeling van de achtergrond die aan de grondslag ligt van zijn beslissing. Langzaam dringt het tot haar door met welke innerlijke verscheurdheid Marius te kampen had, gevoed door negatieve gebeurtenissen in zijn verleden. Het boek neemt zelfmoord als uitgangspunt, maar dat is niet de kern van het hele verhaal. In wezen gaat het over liefdesrelaties en de gevolgen daarvan. Verbroken familierelaties spelen een grote rol in het leven van Marius en hij lijdt zwaar onder de negatieve druk daarvan. Al vroeg krijgt hij te kampen met gevoelens van angst en onzekerheid, met zware depressieve gevoelens. Medicatie brengt enige verlichting, maar hij wil geen slaaf worden van de pillen die zijn echte gevoelens onderdrukken.
Adriënne Schouw slaagt erin om die emoties van intens leed en onvermogen haarfijn weer te geven. Ze heeft aandacht voor de bijzondere karaktertekening van een zeer innemende, maar tegelijk innerlijk verscheurde man. Die tweestrijd, die zijn leven bepaalde, leidde tot zijn onvermijdelijke beslissing. De druk van de maatschappij, de sluimerende woede, de onmacht om alles aan te pakken, leidde tot grote eenzaamheid waaruit niemand hem kon helpen.
Gebeurtenissen uit het verleden
De motieven die daartoe geleid hebben, beschrijft Schouw aan de hand van enkele gebeurtenissen uit het verleden. In hoofdzaak is het echter eerder een terugblik op het leven, dan een terugblik op de dood. Precies daaruit kan ze de moed vinden om verder te gaan. Daarvan probeert ze lotgenoten met dit boek ook te overtuigen.
Dat deze autobiografische roman gegroeid is uit een vorm van therapeutische rouwverwerking doet geen afbreuk aan de kwaliteit ervan. Adriënne Schouw heeft literair talent en tovert rake en juiste beschrijvingen uit haar pen. In vier hoofdstukken van Lente tot Winter, of 244 dagen, brengt ze haar leven weer op orde. De ontleding van de gemiste signalen, het antwoord op de schuldvraag en vooral het begrijpen van de ultieme beslissing worden goed onderbouwd en gedetailleerd beschreven. Dit boek kan enerzijds troost beiden aan lotgenoten, maar maakt het thema ook meer bespreekbaar bij een breder publiek. De auteur verstaat de kunst om er geen sentimentele of overdreven emotionele terugblik van te maken, maar een manier om de donkere zijde van iemands leven te begrijpen en ermee te leren leven. Haar manier van rouwverwerking toont hoe je in het reine kan komen met de soms vreemde en aanvankelijk onbegrijpelijke beslissingen van iemand die je dacht door en door te kennen.
Eerder publiceerde literatuurwetenschapper, docent literatuurgeschiedenis en columnist Liesje Schreuders twee romans. Aan de wilde kant (1996) en De zondagsleraar (2001) waren zeer bescheiden succesjes. Meer aanzien kreeg haar vertaling van de dichtbundel Finisterre van Eugenio Montale in 2017. Wellicht kreeg de auteur weer de smaak te pakken en bundelde ze haar schrijfsels nu in Onder deze wereld. De bundel claimt een definitie te zoeken van het modernisme. Modernismen is de ondertitel van de bundel, een bonte verzameling van poëzie, proza en ondefinieerbare stukjes, verspreid over een zestigtal bladzijden.
In de omschrijving staat te lezen ‘Het is onmogelijk om definities te geven van wat zo abstract is als een beweging in de tijd’, daarmee doelend op het feit dat het modernisme moeilijk te definiëren valt. In feite verwijst ze hiermee rechtstreeks naar haar eigen werk, want wat volgt is inderdaad een reeks aan abstracte, ontoegankelijke literatuur waar kop noch staart aan te knopen valt. Onder deze wereld behoort tot het minst toegankelijke wat de Nederlandse literatuur de jongste jaren zoal heeft voortgebracht. Het feit dat zes maanden na het verschijnen ervan nog geen enkele recensie bestaat, duidt er wellicht op dat geen enkele recensent zich durft te wagen aan een beoordeling omdat het werk simpelweg niet te begrijpen valt. Wellicht kan de auteur zelf wel enige betekenis vinden in haar stukjes, maar voor de (zelfs geoefende) lezer blijft zowel de inhoud als het doel een raadsel.
Onsamenhangende woordenbrij
‘Het modernisme is pretentieus, intransigent, intolerant, vertroebeld, pervers’ staat verder nog te lezen in de omschrijving. Vermoedelijk doelt Schreuders opnieuw op haar eigen werk. Zeker, ze goochelt met termen en namen die ergens verwijzen naar de grondleggers en wegbereiders van het modernisme zoals de Vijftigers, Malevich, Marsman, Kafka, Rilke en Edna O’Brien, maar verder dan dat komt het niet. Haar gedichten bevatten veel herhaling en zijn een onsamenhangende woordenbrij, die bijna nergens het aanvaardbare niveau haalt van betekenisvolle en belangrijke poëzie. Alleen in muraille 1 konden enkele zinnen bekoren.
Ook de prozastukjes zijn van bedenkelijke makelij. Het lijken aan elkaar geplakte, onsamenhangende alinea’s die nergens op slaan en niet bij elkaar lijken te passen: ‘Het macrobiotisch commentaar op Cicero. De passievrucht en de wegenbouwer. Het fenomeen van de baarddragende warme bakker. Angst is een wekker. Vreugde is een stem van goud. Van hout. Het fenomeen van lichte honger, tussen twee maaltijden in. Het fenomeen van luchtdruk als beweging, ontspanning of ontploffing. In de keuken lees ik damesbladen. Uit nostalgie naar toen ik damesbladen las in de keuken, lees ik damesbladen in de keuken maar ik begrijp weer niet waar het toen over ging…’. Opnieuw een soort van woordenbrij om bladzijden te vullen of om toch maar aan te tonen dat modernisme ontoegankelijk en pretentieus is.
Modernismen worden niet uitgelegd
Toegegeven, ‘Een opa van de wereld’ is best genietbaar en betekenisvol. Een opa laat zijn kleindochter altijd winnen bij een kaartspelletje, terwijl hij in gedachten mijmert over wat ‘winnen’ eigenlijk betekent, in al zijn betekenissen. Liesje Schreuders wint met Onder deze wereld echter niets. Wie zulke ontoegankelijke teksten schrijft, doet dat voor zichzelf, als therapie, als in een roes, zonder publiek voor ogen. Is dat dan niet waardevol? Toch wel, maar enkel voor de persoon in kwestie. Schreuders Modernismen worden op deze manier niet uitgelegd, niet aan het grote publiek, maar ook niet aan de geoefende lezer. Mary Shelley schreef Frankenstein na een avondje spookverhalen en heel wat verdovende middelen onder vrienden in Zwitserland. Maar ondanks al het groteske wordt Frankenstein nog steeds gelezen. In het slotgedicht A.U.P. schrijft Schreuders ‘in een opium droom’… Het lijkt wel of haar hele bundel ook op dergelijke wijze is ontstaan, alleen bestaat er grote twijfel of deze binnen tweehonderd jaar ook nog gelezen zal worden. Om toch met een positieve noot te eindigen: de omslagafbeelding van Sarah Dijkink is een knap staaltje tekenwerk.
In Vlaanderen komt elke jongere voor het eerst in contact met Luuk Gruwez aan het eind van het middelbaar onderwijs, waar zijn (vroege) gedichten gelezen worden als de voorbeelden bij uitstek van de neo-romantiek. Ondertussen is de Vlaamse schrijver, dichter en essayist geëvolueerd, maar is zijn werk nog steeds doordrenkt van de geest van de romantiek. In 1998 verscheen in de reeks Privé-domein zijn Het land van de wangen, een ode aan Limburg, de nieuwe heimat waar West-Vlaming Gruwez zich sinds 1976 had gevestigd en enigszins een afrekening met zijn geboortestreek. Het werk kreeg die titel verwijzend naar het feit dat de mensen in Gruwez’ ogen daar onophoudelijk glimlachen. Ruim twintig jaar later brengt hij nu de pendant daarvan uit, Het land van de handen, een citaat uit zijn vorige boek waarin hij stelt: ‘West-Vlaanderen is het land van de handen. Daarmee kan men wurgen, daarmee kan men strelen, daarmee kan men zijn centen tellen.’ Hij verwees daarmee naar het mercantiele karakter van zijn streek en het feit dat mensen daar in de eerste plaats alleen aan geld denken.
Vervat tussen het Introïtus en de Benedictio, verwijzend naarhet begin en einde van een katholieke eredienst, zitten in Het land van de handen meer dan vijfhonderd bladzijden brieven, dagboekfragmenten en mijmeringen uit het leven van Gruwez tussen 28 september 2016 en 28 januari 2019. Hij brengt een ontroerend relaas over die periode in zijn leven, een periode waarin hij voelt dat het einde dichterbij is dan het begin. In zijn eigen poëtische en dagdromende stijl wijst hij bevriende auteurs als Hester Kribbe en Miriam Vanhee op zijn dagelijkse beslommeringen en deelt hij filosofische gedachten. Het werk is geschreven op verschillende plaatsen die een belangrijke rol spelen in zijn leven: zijn woning Huize Sehnsucht in Hasselt, maar evenzeer ook zijn vakantieplaatsen in Griekenland en Zuid-Frankrijk, en verschillende plaatsen in West-Vlaanderen waar hij nog steeds naartoe trekt.
Heimwee en dood
Rode draad door Het land van de handen is een zekere nostalgie en heimwee. De openingsscènes spelen zich af in Het Lijsternest in Ingooigem, voormalige woning van een van Vlaanderens grootste literatoren, Stijn Streuvels, en op amper een boogscheut van Gruwez’ geboortedorp Deerlijk. Met weemoed denkt hij terug aan oude tantes en nonkels, en bezoekt hij hun graven. Zijn vader, die in het eerste deel van de autobiografie nog een veeg uit de pan kreeg als weinig betrokken, lijkt hij nu in een heel ander daglicht te plaatsen nadat hij na diens dood knipselboeken met krantenartikelen over zijn zoon vond.
De dood is trouwens alom aanwezig in het werk, wellicht ook omdat hij zelf het einde voelt naderen, maar het lijkt alsof hij ook een soort van pact met de dood wil sluiten. Hij heeft het katholieke geloof afgezworen, maar tegelijk heeft hij het als agnost of atheïst (hij is er nog niet uit) opvallend vaak over het leven na de dood. Bijzonder aangrijpend is zijn brief aan Benno Barnard na het bericht dat diens dochter is omgekomen in een auto-ongeval. Ook vriend Rob ontvalt hem ondertussen. Hij wordt met de dood van de hond Malu en de Vlaamse Reus Oblokov de Derde geconfronteerd en laat niet na daarover bedenkingen neer te pennen in zijn werk. Opvallend is de (voor)laatste brief aan zijn voormalige vriend en schrijver Eriek Verpale. Ze raakten in onmin en toen stierf Verpale. In een postume brief probeert Gruwez de plooien nog glad te strijken.
Poëtische mijmeringen
Gruwez lijkt een eeuwige twijfelaar en verlangt naar bevestiging. Hij geeft dat ook grif toe. Hij zwijgt niet over zijn depressie en gaat graag in debat met zijn oude klasgenoot, broeder Godfried, abt van de abdij van West-Vleteren waar hij het slotwoord van zijn werk schrijft. Leven en dood, en gerede twijfel, maar ondertussen ook wegdromen… het lijken wel de typische elementen van de romanticus en hij refereert ook zelf graag aan Miltons Paradise Lost en Waughs Brideshead Revisited. De stijl is soms aandoenlijk, vrij poëtisch, maar Gruwez blijft zichzelf en schuwt ook geen harde woorden, op het arrogante af, als hij het niet eens is met bepaalde uitspraken of schrijfsels van collega-auteurs waarvan hij geen hoge pet op heeft.
Groots en monumentaal is het einde van het boek, gesitueerd in de abdij van West-Vleteren. Gruwez heeft net voor het slapengaan het kerkhofje nog eens bezocht en kan de slaap niet vatten. Hij schrijft zijn vrouw een brief die eigenlijk het hele boek samenvat: een mijmering over de angst voor de dood, de lof van het leven, de heimwee naar zijn bakermat en het verlies van zovele vrienden, en waarin hij zich afvraagt hoe het hen nog verder zal vergaan. ‘Want er is geen ander paradijs dan Paradise Lost’ eindigt hij opnieuw met een diep-romantische gedachte.
Af en toe wordt er een boek geschreven dat mythische proporties aanneemt. In Oeganda is dat Kintu, de debuutroman van de Brits-Oegandese schrijfster Jennifer Nansubuga Makumbi. Tien jaar lang werkte ze eraan, waarna ze hem probeerde te slijten aan verschillende uitgeverijen. Uiteindelijk werd het boek in 2014 in Oeganda uitgegeven en kreeg het in 2018 een Engelse vertaling plus eensklaps internationale roem. Even plotseling werd de schrijfster overladen met prijzen, waaronder de fameuze Windham-Campbell Prize van Yale University. Ondertussen staat Kintu bekend als dé grote Oegandese roman en wordt Jennifer Nansubuga Makumbi beschouwd als een van de belangrijkste BAME-schrijvers (Black, Asian and Minority Ethnic) van de wereld.
Kintu start met een korte proloog waarin ene Kamu Kintu op 5 januari 2004 brutaal en zonder reden wordt vermoord in een volkstoeloop in Bwaise, een buitenwijk van Kampala. Daarna begint het eerste van de zes boeken (hoofdstukken) die deel uitmaken van Makumbi’s epos. Ze grijpt terug op de oude mondeling overgeleverde verhalen en begint in 1750. Kintu Kidda, stamvader van een hele clan en gouverneur van de Budduprovincie is onderweg naar de nieuwe kabaka (koning) om deze zijn eer te bewijzen. Per ongeluk brengt hij zijn adoptiezoon om het leven, maar heeft niet de moed om dat in zijn dorp te vertellen. De biologische vader spreekt een vloek uit over de clan. Deze vloek is het uitgangspunt van de volgende hoofdstukken waarin telkens een ander lid van de clan centraal staat, verspreid over de jaren tussen pakweg 1960 en 2004.
Moderne geschiedenis
Vanaf het tweede hoofdstuk ontpopt de roman zich als een soort geschiedenis van Oeganda. Door de ogen van de verschillende personages laat Makumbi de recente ontwikkelingen zien. Ze wil alleen tonen, niet oordelen en doet een schijnbaar objectief relaas van haar land, de beproevingen en problemen. De verhalen zijn soms grappig, vaak schrijnend en meelijwekkend. De persoonlijke problemen van de hoofdpersonages lijken een weerspiegeling van de problemen waar Oeganda mee worstelt. De grote thema’s uit andere Afrikaanse romans, migratie en kolonialisme, raakt Makumbi slechts zijdelings aan. Bij haar wordt duidelijk hoe Oeganda worstelt met zijn onafhankelijkheid en het op zichzelf aangewezen zijn. Naar de kolonialen wordt zeker niet de hele tijd met de vinger gewezen. De politieke regimes van onder andere Idi Amin worden vermeld en kritisch belicht, zowel in positieve zin – op economisch vlak hielp Amin het land wel degelijk vooruit – als in de gekende negatieve zin. Grote thema’s in het verhaal zijn echter relaties en familie, arm versus rijk, de aidsepidemie, volksgebruiken en christendom, maar vooral het dagelijkse leven en het gevecht om te overleven.
Kleurrijke personages
De personages zijn stuk voor stuk levensecht en geloofwaardig: of het nu gaat om de oude man die al tien van zijn twaalf kinderen aan aids heeft verloren, de jongen die als gevolg van een verkrachting wordt geboren, het verstoten meisje dat tracht tegen wil en dank te overleven of om de uit incest tussen tweelingbroer en -zus geboren jongen. Makumbi gaat geen taboe uit de weg. Op bewonderenswaardige wijze kruipen de mensen uit de verhalen uit het dal en gaan ze gewoon verder met hun leven. De lezer raakt geïntrigeerd door hun belevenissen, door het opboksen tegen religie en bijgeloof, tegen rituelen en tradities. De personages zijn kleurrijk en gevarieerd en zijn ongetwijfeld een mooie afspiegeling van de hedendaagse Oegandese samenleving.
Makumbi gebruikt in Kintu ook vaak woorden in het Luganda waarvoor ze van het Britse lezerspubliek veel kritiek kreeg omdat ze weigerde een verklarende woordenlijst toe te voegen. Ze heeft het boek geschreven met een Oegandees publiek voor ogen en anderen moeten maar uit de context afleiden wat die woorden betekenen. Dat maakt het werk, hoewel zeer authentiek, soms ook lastig om te lezen.
Makumbi’s taal is beschrijvend. Ze tekent en schetst er een uniek portret van landschappen en personages mee en weet de juiste sfeer op te roepen om het verhaal meeslepend te maken. Toch houdt ze altijd een zekere afstand tot haar onderwerp en onthoudt ze zich van commentaar. Het is aan de lezer om conclusies te trekken en zich een beeld te vormen van recht en onrecht bij de opbouw van Makumbi’s land.
Subliem sluitstuk
In een magistraal laatste hoofdstuk, De thuiskomst, laat de auteur alle vijf vorige boeken samenkomen in een soort zuiveringsritueel om af te rekenen met de oude vloek die nog steeds over de Kintu-stam heerst. De personages en hun ideeën worden met elkaar geconfronteerd en dat leidt vaak tot voortschrijdende inzichten. Zo krijgt het oude bijgeloof een flinke deuk en accepteert men de moderne tijd. Er wordt beweerd dat Jennifer Nansubuga Makumbi met Kintu het magnum opus van haar land heeft geschreven, net zoals Chinua Achebe dat eerder deed voor Nigeria. Kintu is inderdaad een groots boek, passend in de grote traditie van voorheen mondeling overgeleverde verhalen. Het is een machtig epos over een land in moeilijkheden, al wil de schrijfster dat zelf niet zo gezegd hebben. Kintu is een knap staaltje vertelkunst dat een belangrijke plaats inneemt in de Afrikaanse cultuur en literatuur.
Sensorium betekent volgens het woordenboek ‘een waarneming van alle zintuigen’. Een betere titel kon nauwelijks gekozen worden voor deze bloemlezing van de ‘grande dame’ van de Oostenrijkse literatuur Friederike Mayröcker. De bundel Sensorium etc. is een zorgvuldige selectie uit haar poëzie geschreven vanaf 1939. Het werk pretendeert ook niet meer te zijn dan dat. Haar prozawerk en hoorspelen werden niet opgenomen in deze anthologie. Haar poëzie wordt natuurlijk gekenmerkt door heel wat genrefluïde kenmerken, maar telkens met de lyriek als uitgangspunt. De inspiratie voor haar werk kende veel bronnen: haar moeder die als styliste experimenteerde met vormen en kleuren, haar jeugd in Deinzendorf, naar eigen zeggen een zintuiglijk paradijs, de verschillende invloeden van zowel oorlog als de Wiener Gruppe, en haar eigen flamboyante stijl.
Spelen met zintuigen
Het spelen met zintuigen doet denken aan Nederlandstalige poëtische grootmeesters als Guido Gezelle of Paul van Ostaijen, die trouwens ook, net als Mayröcker, volop experimenteerden met bladspiegel en typografie. Mayröcker onderging drie verschillende ontwikkelingsfases in haar werk en in deze bloemlezing worden die ook mooi geïllustreerd. Haar eerste fase noemde ze zelf haar onschuldige fase. Dit verwijst naar de afwezigheid van referenties aan oorlog en geweld die toen volop aan de gang waren (we schrijven 1939-1950). Korte klankvolle gedichten vormen de hoofdmoot. Geleidelijk aan vinden verwijzingen naar dood en oorlog hun weg naar haar poëzie, zonder evenwel afbreuk te doen aan het spelen met klanken en experimenteren met ritme.
Haar nauw contact met de Wiener Gruppe is daar niet vreemd aan. De avantgarde-literatuur uit de eerste helft van de 20e eeuw werd vanonder het stof gehaald en Mayröcker schrijft in de traditie van het expressionisme, dadaïsme en surrealisme met al zijn kenmerken. Uit die periode houdt ze ook haar relatie met Ernst Jandl over. Experimenteren met losse woorden, klanken, ritme, maar evenzeer met leestekens, witregels en dubbele betekenissen zijn legio. Haar derde periode komt na een tijd van relatieve rust op poëtisch gebied. Vanaf de jaren zeventig vorige eeuw wordt haar poëzie iets toegankelijker. Ze blijft complexe beelden tekenen van verschillende zintuigelijke waarnemingen, maar er is een soort van rust neergedaald over het geheel. Een elegische toon krijgt de bovenhand.
Evolutie in haar werk
Na de dood van Ernst Jandl in 2000 krijgt Mayröcker een serieuze knauw. Haar werk bestaat dan uit een soort van razende taal, vol ongebruikelijke samenhangen qua woord en beeld. Opnieuw doen typografische eigenaardigheden hun intrede. Grote prozablokken vinden hun weg in haar dichtwerk en dat neemt alleen maar toe in haar voorlopig laatste ‘gedichten’ uit 2018, gebaseerd op ziekenhuiservaringen. Op dat moment was ze 93 maar nog vol van levensdrang.
Sensorium etc. is geen verzameld werk-uitgave, maar een zeer representatief overzicht van het leven en werk van deze auteur tot nog toe. De verschillende periodes komen aan bod en de samenstellers hebben ook de chronologische volgorde gerespecteerd. Daardoor krijgt de lezer zicht op de evolutie in haar werk. De gedichten van Mayröcker zijn vaak complex en moeilijk toegankelijk, maar de rijkdom van beeld en klank, het spel met woorden en betekenissen zorgen voor een unieke poëziebeleving. Wie een beetje vertrouwd is met de avantgardistische traditie kan veel ontdekken en ten volle genieten van het uitgesproken talent van deze onvergankelijke Oostenrijkse schrijfster. Het tweede deel van de titel van dit werk, etc., is natuurlijk niet lukraak gekozen. Het verwijst naar het veelvuldige gebruik van dit woord en het beletselteken in haar werk. Misschien verwijst het ook naar de multi-interpreteerbaarheid en het aanwezig zijn van zovele aspecten in haar bijzondere poëzie. Dit en nog veel meer, etc.
Christine Lavant geldt als een van Oostenrijks belangrijkste schrijvers. Nochtans belandde haar werk in een vergeethoekje. Pas recentelijk is de belangstelling weer opgebloeid en inmiddels wordt gewerkt aan een uitgave van haar verzameld werk. Das Kind is een van haar eerste prozawerken, en tevens ook het eerste in het Nederlands vertaalde werk van Christine Lavant. Het leven en werk van deze schrijfster wordt gekenmerkt door heel wat tegenstrijdigheden, maar veel daarvan zijn terug te leiden naar haar precaire gezondheidstoestand die haar hele leven beïnvloedde.
Lavant werd in 1915 als Christl Thonhauser geboren in het Lavantdal in Karinthië, vandaar haar pseudoniem, in een zeer arm gezin. Vanaf haar geboorte leed ze aan de ‘armeluisziekte’ scrofulose, een ontstekingsziekte van de halsklieren, die ook haar huid en ogen aantastte. Door haar ziekte kon ze nauwelijks naar school en had weinig sociaal contact. Als twaalfjarige werd ze in Klagenfurt opgenomen in de oogkliniek. Het Kind is het autobiografische relaas van de traumatische ervaringen in die instelling. Haar toestand was zo ernstig dat de artsen besloten tot een zeer riskante röngtenbestraling.
Isolement door ziekte
De scrofulose werd hierdoor wel aangepakt, maar de neveneffecten waren minstens even erg: ernstige brandwonden aan hals en gezicht, ernstige gehoorschade en blijvende helse zenuwpijnen. Haar ogen, oren en hals zaten constant in het verband, waardoor ze zich van de wereld afgesloten voelde. Haar situatie leidde opnieuw tot pesterijen en isolement binnen de muren van het koude, afstandelijke hospitaal. Ze beschrijft in een poëtische taal de ervaringen vanuit het oogpunt van een kind dat het moeilijk heeft. Een kind dat worstelt met zichzelf, met haar ziekte, met het geloof en de afwezigheid van enige vorm van affectie. Haar familie zocht haar tijdens haar verblijf in de instelling nooit op.
Dit alles leidde tot een voortdurende angst waarin het kind leefde. Deze werd versterkt door de koude omgeving: hoge ziekenhuisgangen, afstandelijke zusters, steriele omgevingen, vijandige andere kinderen. Op bijna elke bladzijde van deze novelle staat het woord ‘bang’ of ‘angstig’. Veiligheid vindt het kind enkel in de hoeken, want dan is het langs twee kanten beschermd. Af en toe probeert het te ontsnappen aan de realiteit door in een droomwereld van sprookjes weg te vluchten.
Een belangrijke rol wordt ingenomen door de godsvrees van het kind. Dat is op zijn minst tegenstrijdig te noemen. Lavant keerde zich in haar latere leven af van de godsdienst, maar hier weegt ze nog alles af wat ze doet, bang om zonden te begaan. Het kind bidt tot God om haar te helpen, maar vervloekt tegelijk de onmacht waarin het zich bevindt. Wordt ze gestraft omdat ze niet voldoet aan de eisen?
Ambivalentie en moeilijke relaties
Die ambivalentie blijft Lavant haar hele leven aanhangen. Zo staat ze bekend als notoir tegenstander van het nationaalsocialisme, bang voor haar situatie als psychiatrisch patiënte, maar tegelijk laat ze zich helpen door vooraanstaande nazi’s. Ook in haar gedichten trekt ze fel van leer tegen God en de kerk, maar anderzijds is ze voortdurend op zoek naar houvast, troost en verlossing bij een god. Ook streefde ze naar roem als dichteres, maar eenmaal bekend wie achter haar pseudoniem schuilging, was ze helemaal niet tevreden. Haar leven en werk vol tegenstrijdigheden uitte zich ook in haar moeilijke mentale en lichamelijke toestand, en meerdere problematische relaties. Meermaals liet ze zich opnemen in klinieken en behandelen door psychiaters.
Als dichter bezit Lavant de natuurlijke gave om te spelen met taal. Korte en lange zinnen wisselen elkaar af en vaak ontdekt de lezer meer door wat er niet gezegd wordt. De angsten van het kind schuilen achter en onder iedere frase, uit het geheel spreekt broosheid en kwetsbaarheid. De pijn die Lavant haar hele leven meedroeg, krijgt een vooraanstaande rol in dit korte, maar krachtige verhaal.
Ondanks dit gevecht tegen en met het leven bouwde Christine Lavant een bijzondere schrijfcarrière op. Vooral voor haar dichtwerk viel ze regelmatig in de prijzen. Ze ontving tweemaal de Georg-Trakl-Prijs en in 1970 kreeg ze zelfs de Grote Oostenrijkse Staatsprijs voor Literatuur. In 1973 stierf ze na een beroerte. Haar werk raakte ondergesneeuwd in de vergetelheid, maar wordt nu weer als vaandeldrager van de Oostenrijkse literatuur geprezen.
De Taiwanese Chen Mao-ping (1943-1991) beter bekend als Sanmao, is als schrijver een fenomeen in Taiwan. Een kwarteeuw na haar dood blijven er herdrukken van haar werk verschijnen en is ze met name in China en Taiwan nog steeds razend populair. Onder de reislustige Chinezen heeft zowat iedereen haar werk gelezen. De in Chongqing geboren schrijver bood met haar verhalen een brede kijk op de wereld voor een publiek dat nog van die wereld was afgesloten. Ze woonde op verschillende plekken in de wereld, maar in deze verhalenbundel Berichten uit de Sahara doet ze het relaas van de jaren 1973-1975 die ze doorbracht in de Sahara met haar Spaanse echtgenoot José. Nadat haar man in 1979 na een duikersongeluk overleed, keerde ze terug naar Taiwan. Ze bleef schrijven en reizen, maar pleegde uiteindelijk in 1991 zelfmoord. Berichten uit de Sahara dateert uit 1976 en kreeg nu een puike vertaling in het Nederlands door Annelous Stiggelbout.
Woestijnverhalen
Wat de verhalen in deze bundel bindt, is de plaats waar ze geschreven zijn, de plaats waar ze zich afspelen, de Sahara. Dat op zich is iets unieks, aangezien in de literatuur over deze regio weinig bekend is. Sanmao schrijft rechttoe rechtaan zonder in te gaan op de diepmenselijke psyche. Ze schrijft over wat ze ziet en meemaakt in het noorden van Afrika. Daardoor doen haar verhalen vaak aan als een non-fictie beschrijving van het leven in de woestijn. Wat het apart maakt is de ongedwongen en eerlijke stijl die Sanmao gebruikt, zonder daarbij enige zelfspot uit de weg te gaan. Ze beschrijft de fouten die ze maakte, de gebruiken van de bedoeïenen, de onhebbelijkheden van haar buren, de warme manier van omgaan met elkaar. Tegelijk voelt de lezer ook de beperkingen van de regio door de hitte, het gebrek aan grondstoffen en middelen. Soms voelt het aan als De Gouden Raad van Tante Kaat of Hoe te overleven in de woestijn?, maar allemaal op een zeer eenvoudige en eerlijke manier beschreven.
Op zich staande belevenissen
De verhalen zijn een verzameling losse belevenissen in de woestijn, die los van elkaar gelezen kunnen worden. Soms is het storend niet te weten of de verhalen elkaar chronologisch opvolgen of niet, maar eens die horde genomen, is het een aangenaam werk om te lezen. Verwacht geen lange of ingewikkelde literaire volzinnen, maar een objectief relaas van het leven in de hitte en de zon. Soms mist er enige duiding, maar Sanmao schrijft lustig door, zonder bedenkingen of eigen meningen. Wel waakt ze erover haar boek te spijzen met humor. Die komt veelal voor uit de bizarre gebeurtenissen die zich afspelen in haar dagelijkse leven in de woestijn. Zo vallen er regelmatig geiten door het dak, verdwijnen er vaak spullen omdat de lokale bevolking zich dat gewoon toe eigent zonder zich daar vragen bij te stellen. Sanmao wordt zelf ook gezien als een soort attractie en ontpopt zich als het ware tot een genezeres binnen de leefgemeenschap.
Inzicht in het leven van Sanmao
Naast de twintig verhalen die in Berichten uit de Sahara zijn opgenomen biedt deze uitgave ook een goed inzicht in het leven van Sanmao zelf. In een Woord Vooraf schetst vertaler Annelous Stiggelbout naast het leven van Sanmao, ook het belang van haar als schrijver voor de Chinese literatuur. Daarna volgt een inleiding van de auteur zelf die ze schreef toen ze terug in Taipei aankwam en waarin ze mijmert over haar leven in de woestijn en haar lezers rechtstreeks aanspreekt. Ontroerend is ook de laatste bijdrage in het werk. Daar vinden we Een paar dingetjes over Sanmao waarin haar jongste broer dieper ingaat op de tragische figuur die zijn zus was. Het is een ode aan zijn zus die ‘anders’ was vanaf het begin. Iemand met een eigen mening en verborgen talenten, met een zwervende natuur die uiteindelijk haar ondergang zou betekenen. Het is voor haar broer een manier van afscheid nemen. Berichten uit de Sahara is een bijzondere bundel, een mix van verschillende genres – reisdagboeken, fictie en memoires – in een heel eenvoudige no-nonsense stijl die een kijk biedt op een onontgonnen gebied.
Schrijven over transformaties is een uitdaging voor de schrijver. Ovidius schreef met Metamorphosen wellicht de bekendste verhalenbundel met dat thema, hoewel ook Kafka zich er graag aan waagde met De gedaanteverwisseling, waarin een man in een kakkerlak verandert. Dit verhaal inspireerde weer de Ierse schrijver Ian McEwan tot het schrijven van de schitterende Brexit-parodie, The Cockroach. Interessant thema moet ook Jeroen van Kan gedacht hebben en hij schreef prompt een interessante verhalenbundel waarin het thema transformatie centraal staat. Van Kan kende zelf ook verschillende transformaties, zo was hij redacteur van de literaire tijdschriften De Tweede Ronde en Tirade, werkte hij jarenlang voor de VPRO-radio en presenteerde tot vorig jaar het VPRO Boeken waarna hij directeur werd van de Stichting Literaire Activiteiten Amsterdam (SLAA). In 2017 werd hij ‘ontmaskerd’ toen bleek dat hij onder het pseudoniem Wesley Abstmeyer gedichten publiceerde. Dit leidde uiteindelijk tot de publicatie van zijn debuutbundel De wereld onleesbaar.
Transformaties en zelfmoord
Hoe Matt een dode vis werd is een verhalenbundel met zeven verhalen, waarbij vooral de drie langere verhalen overtuigen. Het motto van Ovidius luidt: ‘Jaag mij uit het rijk van dood en leven allebei! Gun mij een andere vorm!’ Meteen een aanduiding van de twee belangrijkste thema’s van de bundel, transformaties en zelfmoord. Van Kan was zeer geraakt door de zelfmoorden van zijn voorganger bij VPRO Boeken, Wim Brands en van schrijver Joost Zwagerman. Die gebeurtenissen lijken een spoor te hebben nagelaten, het thema dan ook prominent aanwezig in de bundel.
In het openingsverhaal Het delicate monster, wordt Philip Verstaggen geconfronteerd met een vergroeiing van zijn kaakbeen. Nauwgezet en tot in de details krijgt de lezer een beschrijving van het tandartsbezoek. Als blijkt dat de tandarts hem niet kan helpen, wordt hij constant doorgestuurd van kaakchirurg tot plastisch chirurg en psycholoog toe. Allen zetelen ze in het Centraal College Uitzonderlijk Medische Gevallen. Overal hoort hij hetzelfde, niemand kan hem helpen en hij moet berusten in zijn lot. Uiteindelijk is zijn misvorming van zodanige aard dat hij als wetenschappelijk onderzoeksobject gebruikt zal worden.
Kwispelen met de ketting is aanvankelijk een warrig verhaal over schrijverschap en zelfmoord. Het verhaal wisselt voortdurend van perspectief en toont de teloorgang van een schrijverskoppel: hij een ietwat misnoegde , weinig succesvolle auteur, zij een succesvolle soapschrijfster. Als zijn tegenpool Saquelle, razendpopulaire auteur, zelfmoord pleegt, zit er voor hem maar een ding op. Hij worstelt met het leven en wil eraan ontsnappen. Uiteindelijk toont hij hoe de drang naar de dood, los van alle twijfel, overwint. De voorbereidingen en de uiteindelijke sprong van het dak sluiten het verhaal af. Dit verhaal wordt beter naarmate het einde nadert.
De metamorfoseur
Een interludium in de bundel is het zeer korte Neem me mee, een mysterieus interactief contact tussen een jong meisje dat met haar ouders zit te eten in een restaurant en een oudere man aan een ander tafeltje. De precieze bedoeling is onduidelijk, ook na herhaaldelijk herlezen. Van een heel andere orde is het heel leuke en bijzonder leesbare titelverhaal. Matt is een man van kleine gestalte die allerlei gedaanten kan aannemen. Gedurende zijn levensverhaal leert de lezer hoe hij ‘metamorfoseur is geworden. Hij kan in alles veranderen wat hij maar wil, maar omdat zijn ouders verdronken zijn na een schipbreuk, wil hij niet veranderen in iets wat met de zee te maken heeft. Als hij op een avond moet optreden voor de visser vakbond, slaat het noodlot toe, zoals uit de titel blijkt. In dit verhaal toont van Kan wat hij allemaal in zijn mars heeft: het is een boeiend verhaal, origineel met spanning en een mooie balans tussen gevoels uitersten.
Wisselende duiding
De bundel sluit af met drie kortere verhalen waarvan vooral De doodroker blijft hangen. Daarin wordt de lezer geconfronteerd met een man die weet dat hij door te blijven roken een eind maakt aan zijn leven. Hij vindt zichzelf een experiment: wat zal er allemaal mislopen als ik blijf roken? Zijn tenen zijn al geamputeerd, zijn benen zullen volgen. Ook een beroerte behoort tot de mogelijkheden. Dat schijnt hem allemaal niet te deren. Dood moet men toch. In het laatste verhaal In de orde van Apollo toont de auteur wat er kan gebeuren als de routine van alledag in het leven van een oude man wordt gebroken.
Hoe Matt een dode vis werd is een interessante verhalenbundel met wisselende kwaliteit. Waarbij het titelverhaal getuigt van een groot talent, Van Kan slaagt er moeiteloos in de lezer volledig op sleeptouw te nemen. De wat kortere verhalen ontberen een duidelijkheid die de lust tot verder lezen kan ontnemen.
Cynan Jones begint een naam te worden in de literaire wereld. De Welsche schrijver heeft een patent op zeer poëtisch taalgebruik en zegt nog meer met zijn witregels dan met wat hij wel beschrijft. Wie een spannend, wervelend verhaal verwacht, kan hier beter aan voorbij gaan. Een roman van Cynan Jones moet je savoureren. Lezen, herkauwen, overpeinzen. Eerder verschenen al De Lange Droogte en Inham bij Koppernik, twee werken waarmee hij heel wat literaire prijzen won. Met De wetten van Water gaat Cynan Jones verder op zijn beproefde elan.
Verontrustend toekomstbeeld
Het is een dystopische en verontrustende roman die helemaal past in het toekomstbeeld dat ons vandaag de dag wordt voorgeschoteld. Door klimaatverandering is drinkwater schaars geworden, het wordt beschouwd als het nieuwe goud. De stad – niet nader genoemd, maar tussen de regels door is Londen te herkennen – wordt voorzien van water door de Watertrein, die het doelwit is geworden van sabotage en overvallen. Zware bewaking is dan ook noodzakelijk. Om een oplossing te bieden voor het waterprobleem zal een gigantische ijsberg naar de stad worden gesleept. Daartoe wordt een ijsdok gebouwd, waardoor talloze woningen worden onteigend. Dat is zo’n ingrijpende maatregel voor veel burgers dat er talloze demonstraties volgen. Cynan Jones vertelt het verhaal van verschillende mensen die aan de zijlijn staan of wier levens op een of andere manier verstrengeld zijn met het watertekort en leren om te gaan met de gevolgen van een veranderde maatschappij, zowel de positieve als de negatieve aspecten daarvan.
De wetten van Water werd oorspronkelijk gebracht als twaalf luisterverhalen voor BBC-radio. Ze duurden elk vijftien minuten en gingen over het leven van verschillende mensen in de stad van de toekomst. Jones adapteerde de verhalen en maakte er een roman van. Het geheel is dus eigenlijk een verzameling van twaalf verhalen, ongeveer gelijk van lengte, waarin beschreven wordt welke rol het water speelt in het leven van de mens. In eerste instantie lijken de verhalen los van elkaar te staan. Maar of het nu gaat om een bewaker van de Watertrein, een professor die nieuw leven ontdekt in het ijs, een ouder wordende man die beseft dat hij zijn huis zal moeten verlaten of een journalist die alles verslaat, het water is de bindende kracht.
Minimalistische stijl
De stijl van Jones is minimalistisch te noemen, wat natuurlijk zijn handelsmerk is. Hij gebruikt opvallend veel witregels en probeert al het overbodige weg te laten zodat enkel de essentie bewaard blijft. Waar dat in zijn vorige romans uitstekend lukte, blijft de lezer hier af en toe met een leeg en verweesd gevoel achter. Stillicide is de Engels titel van het verhaal. Stillicidum, een doorlopend druppen van water, lijkt zich ook in zijn stijl te manifesteren. Druppelsgewijs stuurt hij poëtische zinnen op de lezer af. Maar er moeten natuurlijk genoeg druppels zijn om een plas te vormen. Het lijkt alsof Jones te veel heeft geschrapt, waardoor het ook veel vergt van de lezer. Het resultaat is een warrig amalgaam van poëtische zinnen waarbij het moeilijk wordt door de bomen het bos te zien. Daarnaast gebruikt hij nogal wat moeilijke en technische woorden (verwijzend naar verschillende chemische en biologische processen) waardoor de lezer opnieuw naar adem hapt.
Het is een negatief en pessimistisch toekomstbeeld dat Jones schetst. Uiteindelijk heeft de mens de aarde kapot gekregen en moet de gevolgen daarvan onder ogen zien. Het werk is fascinerend en zet zeker aan tot nadenken, maar het verhaal had meer kracht gehad met iets meer body. Toegegeven, de karakters zijn mooi in hun eenvoud en sterk in hun strijd met de natuur, hun strijd om te overleven, om liefde en verdriet een plaats te geven. Maar de combinatie van te veel suggesties en te weinig verbindende factoren, werkt niet overtuigend genoeg om aan De wetten van water dezelfde kracht en inhoud te geven als zijn vorige werken. Een lezer echt overtuigen kan alleen door de balans te vinden tussen vertellen, suggestie en schrappen. In De Wetten van water is iets te veel gesneden waardoor de lezer weliswaar gefascineerd achterblijft maar met een wrange nasmaak.
Terwijl Vallen is als vliegen nog overal geroemd wordt als welhaast het beste Nederlandse boek van 2019, zou men bijna vergeten dat ook De ochtend valt van Manon Uphoff herdrukt werd. Deze opvallende novelle die in 2013 werd bekroond met de Opzij-literatuurprijs verscheen eind 2019 in een nieuw jasje, mooi geïllustreerd met tekeningen van Sylvia Weve. Subtiele, suggestieve novelles zijn niet nieuw voor Uphoff. Ook met De vanger (2002) en De bastaard (2004) bekoorde ze haar lezers. De ochtend valt is een bijzonder korte novelle. In amper 62 bladzijden vertelt ze het verhaal van een ontwricht gezin ergens in de jaren zestig in Engeland.
Suggestieve overheerst
Ook hier is de suggestie vaak veel belangrijker dan wat er werkelijk geschreven staat. Alles wordt gezien vanuit het gezichtspunt van de tiener Michael, die vanaf het begin duidelijk maakt: ‘Wij zijn normale kinderen, in een normaal huis.’ Niets is minder waar. Centraal staat een ingrijpende gebeurtenis in het gezin. Op een avond is Michael getuige van de moord van zijn vader op zijn moeder. Althans dat ziet of denkt hij gezien te hebben. De volgende ochtend ligt op de keukentafel een eenvoudig briefje in het handschrift van zijn moeder: ‘Jongens, vergeef me, het spijt me, ik moet hier weg, zo kan het niet blijven.’ Vader houdt vol dat ‘Mah’ is weggegaan en dat ze wel zal terugkeren. Wat de waarheid is, blijft in het midden en is ook niet belangrijk voor het verhaal. Michael begint zich vragen te stellen over wat hij al dan niet gezien heeft, maar beseft dat de toekomst van het gezin op zijn schouders rust.
Ontspoord gezin
Na verloop van tijd begint de herinnering aan de gebeurtenis en aan de moeder te vervagen, bij iedereen van het gezin. Michael neemt de taken van zijn moeder over: wassen, koken, poetsen en de zorg voor zijn vader, broertje Glenn en zusje Natalee. Dan blijkt algauw dat het hier niet gaat om een doorsnee gezin. Het is een ontspoord gezin dat probeert het hoofd boven water te houden. De lezer ontdekt dat er heel wat speelde in het gezin, ook voor moeder ‘vertrok’.
‘Mah was bezig de binnenkant van haar linkerarm te bewerken met een scheermesje, met lange verticale halen. Het was een bizar gezicht omdat ze het deed aan de ontbijttafel, tussen de broodjes en beschuitjes met aardbeienjam door.’
Zelfverminking, zelfverloochening en verwaarlozing zijn prominent aanwezig in het gezin. Alles speelt zich af in de beklemmende sfeer van het huis. De lezer zit mee opgesloten in de bedompte, kille ruimte en krijgt een claustrofobisch gevoel. Die beklemming zit ook in het hoofd van Michael die samen met de rest van het gezin een eenzaam bestaan leidt.
Wrang gevoel
Uphoff brengt heel subtiel verschillende thema’s aan. Die moeten aangevuld worden door de lezer zelf. Ze werkt met heel veel witregels, die niet alleen het gemis van de moeder suggereren, maar evenzeer ruimte bieden aan de lezer om na te denken en in te vullen. Uphoff blijft spaarzaam met informatie en doet een beroep op het inlevingsvermogen van de lezer. De harde realiteit van misbruik en incest wordt niet als dusdanig genoemd, maar is tussen de regels aanwezig. Daarnaast zoekt de lezer naar de waarheid achter het verhaal, de juiste toedracht van wat Michael zag. Voortdurend balancerend tussen fantasie en werkelijkheid die ook aanwezig is in het hoofd van Michael. De stijl van korte en suggestieve beelden werkt wonderwel. Er wordt vaak meer gezegd in wat niet beschreven wordt. Na lezing leg je deze krachtige novelle niet zomaar opzij. Wat blijft is een wrange mengeling van medelijden en hulpeloosheid, en een hoofd vol tegenstrijdige gedachten.
Wessel te Gussinklo won onlangs de BookSpot Literatuurprijs en werd overstelpt met interviews, tv-optredens en fotografen. De drukte van de voorbije maanden heeft zijn sporen nagelaten. Daarom vindt dit interview via de telefoon plaats. De schrijver heeft behoefte aan rust, om ongestoord te werken aan het vervolg van zijn tetralogie rond Ewout Meyster, het hoofdpersonage van zijn debuut De verboden tuin (1986), gevolgd door De opdracht (1995) en De hoogstapelaar (2019). Voor zijn eersteling, De verboden tuin, kon hij tien jaar lang geen uitgever vinden. Nadat het verscheen, kreeg het onmiddellijk de Anton Wachterprijs. Na het succes van De opdracht bleef het lange tijd stil rond de schrijver, maar dat had zo zijn redenen. Na zijn hele leven in de buurt van Utrecht te hebben gewoond, verhuisde hij in 2007 naar Kamperland in Zeeland en bouwde, ver van alle drukte, een nieuw leven op.
Voor het grote publiek bleef deze schrijver lange tijd onder de radar. Het winnen van de BookSpot Literatuurprijs bracht daar verandering in. Een gesprek met een literator pur sang, over het winnen van literaire prijzen, De hoogstapelaar en zijn schrijverschap.
De hoogstapelaar was een onverwachte winnaar. Heeft u dat verrast?
‘Dat ik gewonnen heb pleit voor de kwaliteit van de jury. Naar relevantie was het boek van Manon Uphoff door de hele MeToo beweging die iedereen bezighoudt, misschien wel de favoriet. En met het hele mediacircus rondom en de populariteit van Buwalda, gaf ik mezelf weinig kans. Zo ging het tenminste in 2014. Ik deed toen mee voor de AKO-literatuurprijs met Zeer helder licht. Er was toen het boek Oorlog en terpentijn van Stefan Hertmans, precies 100 jaar na de Eerste Wereldoorlog, en dat won.’
Hoe komt het dat uw boeken nooit het grote publiek hebben bereikt.
‘Ja, ik heb een ingewikkelde naam en ben Noord-Nederlands, en ik kom nooit op tv. Heb dat ook een aantal keren geweigerd na de dood van mijn eerste vrouw en dan vragen ze je niet meer. Daarna schreef ik enkel essays wat niet zo populair is. Bovendien woon ik niet in de buurt van Amsterdam, heel bewust. Dat betekent dat er weinig gerefereerd wordt aan mij. Ik behoor tot de zogenaamde ‘stervende’ schrijvers, zij die niet op tv komen. Gelukkig heb ik genoeg kwaliteit om te blijven drijven. Belangrijk voor mij is mijn boeken te kunnen schrijven, ze zo goed mogelijk te schrijven. Succes is natuurlijk leuk en aardig, maar tevreden zijn met jezelf, met wat je doet, is het hoogste. Je bent natuurlijk nooit echt tevreden. Maar wel zo tevreden als het kan, ik heb het gevoel dat ik de laatste jaren er wel uithaal wat er in zit.’
In De hoogstapelaar is Ewout Meyster weer hoofdpersonage. Er zit vierentwintig jaar tussen De opdracht en deze laatste roman. Waarom duurde het zo lang ?
‘Kijk, in 1998 overleed mijn eerste vrouw. Toen was de poëzie uit mijn leven verdwenen. Ik kon alleen nog essays schrijven. Het emotionele bestaan, de blik op het bestaan in de ruimste zin, heeft in veel opzichten toch ook met liefde te maken. Als de binding met het leven, de liefde, de menselijke samenhang weg is, dan ben je een soort van buitenstaander, die essayistisch toekijkt. Ik had geen romans meer in mij. Toen kwam ik Odilia tegen, en zo kwam alles langzaam weer op gang. Een andere vrouw, met een andere blik en een ander temperament, maakte mij toch weer scheppend.”
Is Odilia uw muze?
“Absoluut. In 2013 kwam het schrijven weer wat op gang. Het was niet eenvoudig, het was ook weer een emotioneel heroriënteren. Ik had daarvoor al een paar keer geprobeerd het vierde deel te schrijven, het vervolg op De hoogstapelaar. Twee keer probeerde ik het, maar kwam niet verder dan één bladzijde. En toen, in 2013, lukte het weer met Zeer helder licht. Mijn vrouw kan mijn boeken beoordelen. Als schrijver zie je de onderkant van het tapijt, zie je de losse knoopjes, de verkeerd gespannen draden, maar de bovenkant, dat wat gezien moet worden, dat zie je als schrijver niet. Mijn vrouw is de eerste lezer of beter, luisteraar. Elke dag als ik wat geschreven heb, lees ik het haar voor om te weten wat ze ervan vindt, maar ook om het zelf te horen.’
Waarom deze bijzondere titel ‘De hoogstapelaar’. Een woord dat velen niet kennen. In het woordenboek staat ‘blaaskaak, snoever’, maar het refereert uiteraard aan ‘Bekentnisse des Hochstaplers Felix Krull’ van Thomas Mann.
‘Het past wel bij Ewout Meyster, het is een snoevertje, een opscheppertje. Hij zit nog in een soort van vacuüm voor de volwassenheid. Daarbij kom je in hiërarchieën, dictatoriale en meedogenloze structuren die alles kapot maken. Hoe groot je kwaliteiten ook zijn, je wordt gemeten en beoordeeld. Je moet op alle mogelijke manieren jezelf stroomlijnen om je plaats te kunnen veroveren. Dat gebeurt evenwel nog niet in de puberteit. Dan kijk je nog naar die volwassenheid. Dan denk je hoogstens zoals jihadisten, lieden van de ETA, of IRA, “de wereld moet heel anders en die volwassenen hebben alles verkeerd gedaan. We moeten alles opnieuw doen.” Zo kijk je als puber tegen het leven aan. Daarna kom je in het echte leven terecht en moet je je aanpassen. Binnen de bestaande structuren je plaats zien te vinden. Maar een puber is een buitenstaander.’
Ewout Meyster zit op die grens, hij is zeventien, bijna achttien. Hij worstelt met het volwassen worden, maar tegelijkertijd geeft hij ook advies aan zijn ‘vrienden’ over hoe ze het moeten aanpakken. Het is heel dubbel voor Ewout.
‘Kijk, hij is zichzelf aan het scheppen als een echt baasje. Hij geniet niet voor niks van die foto’s van bekende en beroemde mensen. “Als volwassene wil ik worden als Churchill, als die of die dirigent. Een machtig persoon wil ik worden als volwassene, ik begin nu alvast te oefenen.” Dat is eigenlijk wat hij aan het doen is. “Ik ga een kereltje van belang worden.” En die zogenaamde vrienden, zijn natuurlijk geen vrienden. Dat zijn pionnen waarmee hij schaakt in het leven. Hij heeft die nodig. Neem nu die Meindert. Die heeft hij nodig om zichzelf te bewijzen dat hij superieur is aan hem. Zo probeert hij alles een beetje uit, en dat laat hij dan weer op anderen. Het zijn geen vrienden, maar allemaal oefenmodellen om het kereltje te worden dat hij graag zou willen zijn.
Je hebt het over oefenmodellen. Ewout groeit op zonder vader. Is het niet zo dat hij de hele tijd op zoek is naar een rolmodel, een voorbeeld om zich aan te spiegelen?
‘Hij heeft de ellende dat hij geen vader heeft en dus ook geen begrenzingen. In zekere zin moet hij zijn eigen vader zijn, een soort Baron van Münchhausen die zichzelf uit het moeras omhoog moet trekken. Een vader is een voorbeeld waaraan je je optrekt, maar hij heeft niks. Hoogstens een aantal verre vaders als Churchill, Roosevelt en een beetje Hitler en foto’s van dirigenten en andere belangrijke mannen. Dat zijn abstracte vaders. Dat zijn de modellen waarmee hij speelt. Die kant moet het uit. En dat is natuurlijk idioot. Dan denkt hij, “Hoe houden ze het vol, elke dag hetzelfde.” Terwijl hijzelf ook een kunstenaar is, maar dat weet hij nog niet. Zijn eigen kunstwerk is hijzelf. Dan is hij na alle creatieve vondsten aan het eind van de avond hartstikke moe, uitgeput, moet hij snel naar bed. Zoals elke kunstenaar als hij iets gemaakt heeft. Neem die jazzkelder bijvoorbeeld. Hij heeft daar strapatsen gemaakt en volgens hemzelf heel bijzondere dingen gedaan, maar dan is het ineens op. Hij kan zichzelf, net als een kunstenaar, niet herhalen. Dan glijdt hij weg in een halve schemertoestand, een apathische bewustzijnsverlaging.’
Ewout dweept ook met Sartre. Hoewel hij enkel flarden van zijn werk heeft gelezen, pakt hij daarmee uit tegenover anderen.
‘Hij kan ze overbluffen met Sartre. Dit is ook een vorm van kunst. Hij haalt Sartre aan en iedereen zit sprakeloos naar hem te kijken. Goh, dat-ie dat allemaal weet. Dat is de enige kennis die hij heeft, want verder weet hij helemaal niks.’
Daarmee is het boek een mooi voorbeeld van het existentialistische principe ‘L’enfer, c’est les autres’ ofwel, Eerst besta je, daarna word je pas iemand.
‘Ik ben Sartre pas grondig gaan lezen rond mijn dertigste. In mijn essaybundel Aangeraakt door Goden (2003) heet het eerste deel “Sartre als verlosser”. Sartre was voor mij een verlossing. Alle zaken die hij beschrijft, zag en voelde ik ook. Maar die herkende ik niet bij anderen. Die waren allemaal argeloos en naiëf zichzelf, vrolijke jongetjes en kindertjes, ik niet! Ik zat voortdurend te tobben, allemaal vreemde dingen te denken, dat ik gek was of ernstig gestoord. Hij sprak dat tegen. Sartre was een verlossing voor mij: ik ben niet gek, ik ben geen melaatse, ik ben niet iemand die niet van andere mensen houdt, die allemaal rare en warrige gevoelens heeft. Ik ben zoals Sartre beschrijft hoe mensen zijn, wat een opluchting was. Daarna kwamen Nietzsche en Freud, Jung, Adler. De hele psychologie. Sartre was nieuw, modieus en schokkend. Ewout is in zijn tijd gewoon iedereen voor. Hij is een van de weinigen aan de spits van het nieuwe. Ewout is niet alleen beïnvloed door hem, hij herkent zichzelf ook in Sartre.’
Is ‘De hoogstapelaar’ autobiografisch?
‘De hoogstapelaar is het meest autobiografisch. Het blijft natuurlijk een roman. Er staan heel veel zaken in die helemaal niet autobiografisch zijn, maar die de dwang van het verhaal zijn. Het type is wel autobiografisch: zo’n verwende zwelbast was ik ook op die leeftijd. Later leert het leven je wel andere dingen, maar op een bepaalde leeftijd leek ik er toch wel sterk op.’
Hoe gaat het verder met Ewout Meyster. Komt er nog een vierde deel?
‘Ik ben zeer druk in de weer met het vierde boek. Daar was ik eigenlijk al eerder mee bezig. Van dit derde boek heb ik heel lang gedacht, dat schrijf ik niet, dat sla ik gewoon over. Maar uiteindelijk heb ik het dan toch geschreven tot voldoening van mezelf. Maar het was eerst niet mijn plan. Dat vierde deel was ik al begonnen ergens rond 2010, maar zoals gezegd, dat lukte toen niet. Tot tweemaal toe. Maar dezelfde insteek die ik toen had, heb ik nu wel opnieuw hernomen.’
Heeft u een bepaald schrijfpatroon of -ritueel?
‘Ik schrijf in de ochtend. Vroeger niet. Toen schreef ik aan het eind van de dag. Was ik me een hele dag aan het voorbereiden en schreef aan het eind van de dag, als een soort ontlading mijn bladzijden. Sinds ik in 2013 weer begon met romanschrijven, begin ik meteen als ik opsta. Dan ben ik het meest vitaal. Dan zit ik eerst een uurtje te staren, in de materie te kruipen en daarna schrijf ik één à twee, soms drie bladzijden. Daar doe ik gemiddeld vier uur over, het varieert een beetje. Op die manier, door in de ochtend te schrijven, is mijn dag gered en heb ik daarna vrije tijd.’
Staat een boek al op voorhand vast of werkt u met een plan?
‘Van het verhaal zelf staan alleen de grote lijnen vast, verder niets. Het ontwikkelt zich geleidelijk aan. Na een episode van De hoogstapelaar bijvoorbeeld, moest ik mezelf gaan corrigeren omdat ik niet meer wist hoe het verder moest. Al corrigerend schoten mij weer dingen te binnen en had ik me weer verdiept in de materie en wist ik weer hoe ik verder moest. Mijn meeste romans zijn een verhaal dat doorloopt, met een begin en een eind. De hoogstapelaar is natuurlijk een episodeboek, wat Peter Buwalda vergeleek met De avonden van Reve. Stukje na stukje, zonder een echt verhaal. De enige constante is de aanwezigheid van Ewout Meyser.’
Het hele boek is een monologue interieur in het hoofd van Ewout Meyster. Was dat een bewuste keuze?
‘Nee, of ja, misschien toch wel. Ik kan er op deze manier ironie en het bizarre in kwijt, maar dat is zo gegroeid. De verwerking van het materiaal, dat wat ik voor ogen heb, is deze stijl, een beetje hyperbolisch met aanstellerij, met versieringen die zowel ironisch zijn als evocatief. En wat natuurlijk nodig is: aanwezigheid scheppen. Wat Mulisch bijvoorbeeld zei: “Naast de ster kijken, dan zie je de ster het scherpst.” Wat ik doe is het raadselachtige, het onzichtbare een beetje omcirkelen, dan ernaast kijken om iets zichtbaar te maken.’
In het begin is Ewout aanstellerig en absoluut geen leuk personage. Naarmate het verhaal vordert, word je hem, krijg je medelijden met hem. Dat is een verdienste van de stijl.
‘Dat is ook de bedoeling. Dat je in zijn werkelijkheid kruipt, zijn kijk op de dingen, op het bestaan. Zo leef je, zo moet je leven. Met alle hindernissen, alle problemen, maar ook alle mogelijkheden. Hoe leef je met jezelf en met de wereld. Je gaat mee met zijn blik op het wezenlijke, ook al is het een zeer subjectieve blik van dat ventje.’
Is Ewout een zielig figuur of gewoon een puber die opgroeit?
‘Hij is een normale puber die amoreel, meedogenloos kijkt naar de dingen, uitprobeert, en zonder vooroordelen is. Hij heeft een kille blik op de dingen, maar wel met af en toe een verzachtend moment als hij muziek draait. Het paradijs zal komen, maar eerst moet hij ontzettend zijn best doen.’
Hoe zou u willen dat er op uw schrijverschap wordt teruggekeken?
‘Ik ben in zekere zin een schrijver die niet in de grote lijn past. Ik schrijf iets dat afwijkt en in veel opzichten dieper gaat dan wat normaliter geschreven wordt. Mijn werk is intens, het roept veel op. Ik probeer de diepte naar de oppervlakte te brengen. Vandaar dat mijn stijl ook breed uitwaaiert: bizar, spottend, beschrijvend, nadenkend, vrij diepe lagen onmiddellijk beleefbaar makend. Ik hoop dat er over mijn schrijverschap gezegd zal worden: hij was de meest kwaliteitsrijke Nederlandstalige schrijver van de afgelopen decennia. Het is wel een steen in een vijver gooien, maar wat Van het Reve al zei: de dingen altijd voor je houden is ook niet goed, dus nou ja.’
Auteursfoto verkregen via uitgeverij Koppernik.
De hoogstapelaar werd uitgegeven bij uitgeverij Koppernik, net als zijn andere titels.