• Een precieze maar dreigende evocatie van de tijdsgeest

    Een precieze maar dreigende evocatie van de tijdsgeest

    Welke opties zijn er als je persoonlijke idealen niet stroken met die van de maatschappij waarin je leeft? Je kan koppig vasthouden aan je eigen principes, rebelleren en de boel op stelten zetten à la Greta Thunberg. Of je kan je kop in het zand steken, je ziel verkopen en je overleveren aan de maatschappij in de hoop dat het wat oplevert. Beide principes zijn beproefde strategieën doorheen de wereldgeschiedenis, maar weinig worden zo accuraat weergegeven als in Mefisto van Klaus Mann. Deze controversiële maar belangrijke roman dateert van 1936, maar onlangs gaf uitgeverij Schokland het werk opnieuw uit als achttiende deel in zijn reeks Kritische Klassieken.

    Een van de belangrijkste schrijversfamilies uit het interbellum is ongetwijfeld de familie Mann. Buddenbrooks van nobelprijswinnaar Thomas Mann wordt nog altijd beschouwd als een klassieker die iedereen gelezen moet hebben, maar ook diens broer Heinrich Mann was een niet onbegenadigd schrijver. Zoon Klaus Mann is minder gekend, maar niet minder belangrijk. Hij groeide op als overtuigd liberaal en democraat, verkende Europa en de wereld en schreef openlijk over zijn homoseksualiteit. Maar toen de nazi’s in 1933 aan de macht kwamen in Duitsland was er voor hem nog weinig om optimistisch over te zijn. Hij vluchtte, eerst naar Nederland, later naar de VS om uiteindelijk in 1949, na tal van depressies, een einde aan zijn leven te maken. 

    Hoogtepunt Exilliteratuur

    Het magnum opus van Klaus Mann is ongetwijfeld Mefisto, dat vaak het hoogtepunt wordt genoemd van de antifascistische exilliteratuur tijdens het Derde Rijk. Het werk is gebaseerd op de Faustlegende waarin het hoofdpersonage zijn ziel verkoopt aan de duivel in ruil voor geld en macht. In Mefisto maken we kennis met Hendrik Höfgen, toneelspeler in Hamburg, notoir antifascist, links georiënteerd met marxistisch-socialistische sympathieën. Stap voor stap zien we hoe hij zijn idealen opoffert tot meerdere eer en glorie van zichzelf. Hij klimt omhoog op de sociale ladder, wordt vriend en beschermeling van Hermann Goering en schopt het uiteindelijk tot intendant van Hitlers staatstheater. 

    Mann schrijft indringende portretten van uiteenlopende personages en schotelt de lezer een precieze, maar dreigende evocatie van de tijdsgeest voor. Op een scherpzinnige en gedetailleerde manier weet hij de juiste sfeer te capteren die vandaag zeer ongemakkelijk aanvoelt. Ondanks de gruwelijke en verachtelijke keuzes die sommige personages maken, slaagt Mann er ook in wat humor in zijn werk aan te brengen. Hij toont hoe de tomeloze ambitie en machtswellust van een aanvankelijk tweederangsacteur het succes hebben bepaald van het fascisme. Höfgen verraadt alles en iedereen: zijn vrienden, zijn publiek, maar ook zichzelf. Zijn glansrol is Mefisto uit Faust, en ook hij sluit een pact met de duivel, hier in de gedaante van Goering, Hitler en bij uitbreiding de nazi’s.

    Beeld van individuele meelopers

    De ondertitel Roman van een carrière zegt alles. Het gemak waarmee verschillende figuren uit de kunst- en wetenschapswereld zichzelf prostitueerden en zich lieten corrumperen voor geld, macht en lijfsbehoud is een thema dat niet alleen voorkomt in dit werk, maar is van alle tijden. Daarom ook is het korte naschrift in Manns werk zo veelzeggend. Hij schreef: ‘Iedere persoon in dit boek stelt een type voor en is geen portret.’ Hij wilde enkel een beeld schetsen van de intellectuele meelopers van die tijd en de rampzalige gevolgen daarvan voor de hele maatschappij. Hoewel hij types wilde portretteren, baseerde hij zijn personages op echt bestaande mensen en kennissen, een techniek die hij in meerdere van zijn boeken gebruikte.

    Zo is Höfgen gebaseerd op de Duitse acteur Gründgen, korte tijd zwager van Mann, iemand die zijn principes verloochende en na de oorlog opnieuw een grote carrière wist op te bouwen ondanks zijn banden met het regime. Hoewel Mefisto in 1936 door uitgeverij Querido in Nederland werd uitgegeven, zou het nog een hele tijd duren vooraleer het ook in Duitsland werd uitgegeven. Het boek stond immers op de verboden lijst in Duitsland omdat het de naam van Gründgen zou schaden, ook na diens dood in 1966 bleef zijn familie zich halsstarrig verzetten tegen een Duitse publicatie van het boek. Pas in 1981 kon men in Duitsland het werk van Klaus Mann lezen. 

    Mefisto. Roman van een carrière, blijkt ook vandaag een hoogst actueel boek. Het toont aan hoe in dictatoriale of totalitaire regimes soms vreemde keuzes worden gemaakt. De verleiding om ‘een pact te sluiten met de duivel’ is soms groot. Als dit inspeelt op de primaire behoeften, zoals overleven, zijn veel mensen geneigd om zich hieraan over te leveren. Het is makkelijker en voordeliger. Klaus Mann lijkt het nageslacht te waarschuwen voor deze al te makkelijke capitulatie. 

     

  • Boeiende schets van culturele leven in de zeventiende eeuw

    Boeiende schets van culturele leven in de zeventiende eeuw

    De zeventiende eeuw, ook wel Gouden Eeuw genoemd, was de eeuw dat Amsterdam politiek, economisch en cultureel gezien op de kaart werd gezet. De Nederlandse Republiek werd de grootste macht ter wereld en straalde dat ook uit. Cultuurhistoricus Frans Blom schetst in Podium van Europa de ontstaansgeschiedenis van de Amsterdamse Schouwburg. Hij neemt de lezer mee op een reis vol verrassingen en wendingen in het zeventiende-eeuwse theaterlandschap. Dat meenemen, mag u letterlijk nemen. Blom heet ons in het eerste hoofdstuk Welkom en sluit af met een rondje Napraten. Daarmee houdt hij zijn publiek bij de theatertraditie. 

    Vandaag de dag blijft enkel de gerestaureerde schouwburgpoort over aan de Keizersgracht, met daarboven Vondels woorden ‘De weereld is een speel toneel/ Elck speelt zijn rol en krijght zijn deel’. In 1638 opende het eerste publieke theater van Nederland met Vondels Gysbreght van Aemstel, een soort van Nederlandse versie van Vergilius’ Aeneis, waarin de belegering en ondergang van het laatmiddeleeuwse Amsterdam wordt afgerond met de voorspelling van zijn luisterrijke toekomst. Het stuk zal tot 1800 het meest gespeelde stuk uit het repertoire van de stadsschouwburg blijven. 

    Bloemrijk overzicht

    Blom slaagt erin op een zeer bloemrijke en onderhoudende manier een gedetailleerd en volledig overzicht te bieden van het Amsterdamse theater in de zeventiende eeuw. Daarvoor heeft hij heel wat onderzoek gedaan en biedt hij de lezer een mix aan van economische en artistieke gegevens, zoals ook zijn subtitel Creativiteit en ondernemen in de Amsterdamse Schouwburg van de zeventiende eeuw aangeeft. Hij bestudeerde een groot aantal digitaal beschikbare bronnen met data over opvoeringen, recettes, aantallen toeschouwers en las de gedrukte tekstboekjes om zo tot conclusies te komen over de populariteit van de stukken. Hij werd gepassioneerd door de verrassende bevindingen van deze gegevens en wil met dit boek de geboorte van het culturele uitgangsleven en de slag om het publiek wereldkundig maken. Zo ontdekte hij dat de opbrengsten van het theater naar het Burgerweeshuis en het Oudemannengasthuis gingen, die op hun beurt weer investeerders werden van het theater en de bestuurders aanwezen.  

    De Amsterdamse Schouwburg stond open voor publiek uit alle lagen van de bevolking en schotelde een reeks aan boeiende thema’s voor. De verhaalstof was zeer divers en zeker niet enkel van de hand van de grote Nederlandse schrijvers als Vondel, Hooft of Bredero. Heel wat populaire stukken kwamen uit het ‘vijandige’ Spanje waar Lope de Vega en Calderon de la Barca als het ware twee hofleveranciers van het Amsterdamse theater werden. Hun stukken werden weliswaar naar Nederlandse hand gezet, maar bleven toch dicht bij het origineel. Ook Bijbelverhalen als Jozef en Esther waren bijzonder in trek, naast scabreuze kluchten als afsluiter van een toneelavond. Naar het einde van de eeuw toe werd alles wat serieuzer en was er meer aandacht voor de klassiekere Franse stukken. Blom laat de lezer alle stukken opnieuw beleven. Hij beschrijft elk stuk, en de impact op het publiek daarvan, tot in detail. Dat vergt heel wat van de lezer, maar het is aangenaam verteld en biedt een unieke inkijk op het theater van toen.

    Aangenaam naslagwerk 

    Tegen de achtergrond van deze stukken spelen zich achter de schermen ook heel wat drama’s en verhalen af. Ook deze onthoudt Blom de lezer niet. De theatervernieuwingen worden uitvoerig aangekaart, zowel de technische als bijvoorbeeld de eerste vrouwelijke acteurs die op het podium verschenen. De vele intriges en disputen tussen acteurs en schrijvers, geldschieters, belangengroepen, alles komt aan bod en dat maakt Podium van Europa een boeiende historische schets van het culturele leven toentertijd. Want ook het publiek speelt een belangrijke rol in het werk: aan de hand van de populariteit van de stukken kan men ook achterhalen welke topics hot waren op welke momenten. Bovendien kenden heel wat stukken internationale aandacht en werd Amsterdam een doorgeefluik van theater vooral naar de Duitstalige wereld.

    Het boeiende en bloeiende theaterleven kent na 1672 een serieuze terugval. Ook dat is Bom niet ontgaan. De Republiek werd door Franse troepen onder de voet gelopen en dat betekende de doodsteek voor veel populaire stukken. In 1677 ging het theater weer open, maar de luchtige stukken van Jan Vos en bijna alle scabreuze kluchten werden van het repertoire geschrapt en maakten plaats voor serieuzere stukken die eerder gericht waren tot een elitair publiek. De ‘schouwburg van het spektakel’ maakte plaats voor dat van de ‘beschaafde lach’. Het volk bepaalde niet meer wat ze te zien kregen, maar een intellectuele elite nam het over. 

    Podium van Europa is een aangenaam naslagwerk geworden met aandacht voor diverse aspecten van het zeventiende-eeuwse Amsterdamse culturele leven, gelardeerd met heel wat originele citaten en opgesmukt met relevant cijfer- en datamateriaal. Blom toont de lezer hoe het er op het podium en achter de schermen aan toe ging en dat in een bloemrijke taal met veel aandacht voor detail.

     

     

  • Leren van een vogel hoe te leven

    Leren van een vogel hoe te leven

    Over vader-zoonrelaties zijn al tal van boeken geschreven. Dat opvoeding en een warm nest levensbelangrijk zijn in het opgroeien, is duidelijk. Dat laatste mag je in Vlieglessen ook letterlijk nemen. De rode draad is een jonge ekster die uit het nest is gevallen en door hoofdfiguur Charlie wordt gered van een gewisse dood. De opvoeding van de ekster zorgt bij Charlie voor een reflectie op zijn eigen opvoeding en zijn hobbelige verleden. De roman is het autobiografische debuut van Charlie Gilmour, adoptiezoon van Pink Floyd-legende David Gilmour.

    Wanneer zijn vriendin Yana met een gevallen ekstertje thuiskomt, en daarna voor een week vertrekt, staat Charlie alleen voor de opvoeding van de vogel. Al gauw groeit er een innige band tussen hem en Benzene, zoals hij de ekster heeft gedoopt. Tevens vallen hem de gelijkenissen op tussen hem en zijn biologische vader, de controversiële dichter, acteur, toneelschrijver en activist Heathcote Williams. Hij liet zijn gezin in de steek toen Charlie amper zes maanden oud was. Ook hij had een innige band met een vogel, een kauw die uit een kerktoren was gevallen.

    Traumatische jeugd

    In een van zijn dichtbundels wijdde hij verschillende gedichten aan zijn band met het beestje. Charlie grijpt hiernaar terug en schetst de moeizame relatie met zijn vader. Deze hield grote afstand.  Er was nauwelijks contact, behalve nu en dan een kaartje of een gesigneerd exemplaar van een nieuw boek. Zijn ‘pa’ David Gilmour omarmde hem als zijn eigen zoon, maar kon niet verhinderen dat het woelige verleden diep had ingehakt op de jonge Charlie. Deze zocht zijn toevlucht in drugs en drank, en reageerde fel na elke nieuwe afwijzing van Heathcote. Hij ging het verkeerde pad op en belandde ook enkele maanden in de cel. Zijn vriendin Yana bracht rust in zijn leven en ook de omgang met Benzene maakte hem meer en meer verantwoordelijk.

    Toch blijft hij steeds worstelen met zichzelf en is hij bang om de volgende stap te zetten. Hij twijfelt sterk aan zijn capaciteiten om een gezin te stichten en een goede vader te worden. Zit het ontbreken van verantwoordelijkheidszin niet in de genen? Hij heeft een heilige schrik om in dezelfde fouten te vervallen als Heathcote. Op het einde van diens leven leert hij zijn halfzussen kennen waarmee hij daarvoor nooit contact had. Zij schetsen een ander beeld van Heathcote en nemen hem op in hun familie. Dat brengt een zekere rust en een zeker vertrouwen teweeg bij Charlie. 

    Levenslessen

    De titel Vlieglessen – overigens een goede vertaling van de Engelse titel Featherhood: On Birds and Fathers – slaat eigenlijk spijkers met koppen. Net zoals de ekster leert vliegen en opgroeit, leert ook Charlie hoe het leven in elkaar zit. Het opvoeden van de ekster houdt Charlie als het ware een spiegel voor en hij wordt telkens geconfronteerd met zijn eigen turbulente leven en zijn existentiële twijfels. Telkens hij de volgroeide ekster wil vrijlaten, keert die onverwijld terug. Vrijheid is een lastig ding, ook voor Charlie. De levenslessen die hij onderging, zorgen er uiteindelijk voor dat hij stappen zet in het onbekende, het nieuwe, maar ook dat hij berust. Hetachcote sterft, maar zijn dochtertje wordt geboren en Benzene vliegt dan toch zijn vrijheid tegemoet. Een mix van rouw en liefde, van vrijheid en geborgenheid.

    Gilmours autobiografische roman is een sterk staaltje vertelkunst. De lezer komt veel te weten over kraaiachtigen, maar wordt vooral geraakt door de eerlijkheid waarmee de auteur zijn leven en zijn twijfels voorlegt. Vlieglessen is zoveel meer dan het verhaal over een man en een vogel, een verhaal over een vader en een zoon. Het biedt een ingetogen, maar aangrijpende blik op het leven zoals het is: niets is vanzelfsprekend. Net zoals een jonge ekster die uit het nest valt en weer opstaat, kan het leven een rollercoaster zijn van pijn en vreugde, vrijheid en gevangenschap, rouw en liefde.

    Allemaal grote thema’s die vloeiend verbonden zijn in een prachtig verteld verhaal over een niet zo fijne jeugd en het verwerken daarvan. Gilmour slaagt erin de juiste toon te vinden om zijn memoires te vertellen. De stijl is de perfecte mix tussen scherpzinnige observatie, nostalgische terugblik en de nodige dosis humor. Daardoor blijft de lezer niet achter met een zwaar en donker gevoel, maar met een voldane glimlach om de lippen en het besef dat wat hij net gelezen heeft een ongewoon mooie vertelling is die doet nadenken en stilstaan bij de kleine en belangrijke dingen des levens. Gilmours debuut is er een om te koesteren.

     

  • Geweld en grof gespuis op het Mexicaanse platteland

    Geweld en grof gespuis op het Mexicaanse platteland

    Boeken die je overrompelen, je komt ze zelden tegen. Maar zo af en toe raast er een over je heen. En dat is precies wat Orkaanseizoen doet. Als een woeste storm beukt deze roman in op alles wat je rechthoudt in het leven en vernietigt elke positief beeld dat je in de realiteit ontwaart. De Mexicaanse Fernanda Melchor werd terecht verschillende malen bekroond voor haar tweede roman en haalde zelfs de shortlist van de International Booker Prize 2020.

    Wervelend is wel het minste wat je kunt zeggen over Orkaanseizoen. Het boek begint vrij klassiek met enkele magisch-realistische elementen, helemaal in de traditie van de typische Latijns-Amerikaanse literatuur. Maar het duurt niet lang voor Melchor losbarst. Ze schetst het reilen en zeilen van een dorpsgemeenschap die in armoede en chaos leeft, La Matosa. Het is een plaats die leeft van roddels en afgunst.

    Enig aanzien was er voor de Heks omdat ze met al haar kruidendrankjes oplossingen bood voor ongewenste zwangerschappen, onverklaarbare aandoeningen of andere opgelopen ziektes en verwondingen. Haar vurige relatie met de duivel nemen de doprsbewoners er maar bij, maar als ze in het orkaanseizoen meegesleurd wordt door de modderstroom en net als vele anderen sterft, wordt haar duivelskind de nieuwe ‘Kleine Heks’. Het boek opent met de vondst van het lijk van deze heks. Zij is vermoord. De zoektocht die Melchor ontwikkelt in haar roman is er niet zozeer een naar de moordenaar, maar toont wel hoe alles in elkaar haakt in de kleine dorpsgemeenschap, en tenslotte zie je hoe de Kleine Heks aan haar dood kwam. De Kleine Heks blijkt ook geen vrouw te zijn, maar een travestiet die de hele dorpsgemeenschap, vooral de mannen, diende met seksuele gunsten.

    Lustvol geweld

    De personages zijn zeer donker en schuwen grof geweld, lustbevredigende seks, mateloze drank en drugs helemaal niet. Het gevolg is een samenleving die aaneen lijkt te hangen van fysieke en verbale uitbarstingen, waar niemand voor de ander wil onderdoen. Verkrachtingen, moord en andere uitspattingen zijn legio, maar worden oogluikend toegestaan als er maar gewin uit voorkomt voor de een of de ander. De personages zitten vast in de klassieke rolpatronen. De mannen zijn macho’s die ‘gebruik maken’ van de vrouwen en hen behandelen als bezit en slaaf, maar daarnaast doen ze zich ook allemaal te goed aan homoseksuele uitspattingen om hun lusten te kunnen botvieren.

    De stijl is wat dit boek zo wervelend maakt. Melchor schrijft ellenlange volzinnen – soms verschillende pagina’s voor één zin. Dat maakt het in het begin wat lastig, maar werkt op de lange duur zo meeslepend dat je als lezer helemaal mee in het avontuur wordt getrokken. Makkelijk lezen is het niet, maar bruisend zeker. Ze doorspekt alles met de grove schutting- en straattaal van de personages en gaat geen taboes uit de weg. Alles wordt rauw, realistisch, voluit beschreven zonder er doekjes om te winden.

    Uitzichtloos bestaan

    Melchor toont dat er niet te ontsnappen valt aan je lot in een achtergestelde dorpsgemeenschap op het Mexicaanse platteland. De personages zitten stuk voor stuk vast in een spiraal van armoede en geweld. Hun pogingen om eruit weg te geraken zijn halfslachtig en leiden tot niets. Om toch een beetje te kunnen ontsnappen aan hun armetierige leventje doen ze zich dan maar te goed aan drugs, seks (met wie of wat doet er even niet toe), verkopen ze zichzelf aan iedereen die ervoor betaalt om dan daarmee opnieuw een cirkel van drank en drugs te beginnen. De hele omgeving is corrupt en iedereen doet eraan mee: ook de gezagsdragers of ondersteuners. Op geen enkel moment is enig perspectief te bespeuren, er is geen enkele hoop en alles is uitzichtloos.

    Orkaanseizoen is een gitzwarte, uiterst pessimistische schets van een maatschappij die aan zijn lot overgelaten wordt. Melchor lijkt hiermee een aanklacht te sturen richting Mexicaanse overheid met de oproep om hieraan iets te doen. Ze biedt evenwel geen oplossingen. Dat maakt het boek nog rauwer en donkerder. Orkaanseizoen ontdoet het beeld van een idyllisch leven op het platteland van al zijn franjes en toont op een overweldigende manier wat er schort aan het leven daar, de bittere realiteit van een uitzichtloze gemeenschap. Melchor doet dat in een unieke opzwepende stijl die haar woede nog eens extra in de verf zet. De lezer blijft verweesd, murw geslagen achter en kan alleen maar met met ontzetting terugblikken.

     

     

  • Roman over de trends in onze huidige maatschappij

    Roman over de trends in onze huidige maatschappij

    Vorig jaar verscheen van Henk van Straten de novelle Kwaad Bloed, het eerste deel van de zogenaamde witte-mannentrilogie. Daarin wist Van Straten de gruwelijkheid van een vernederde jongeman zeer raak en aangrijpend neer te zetten en kreeg daar in de literaire wereld misschien te weinig aandacht voor. Met Ernest Hemingway is gecanceld, het tweede deel, zet hij volop de aanval in tegen de heersende cancelculture en het overdreven woke-denken van de huidige maatschappij. Hij doet dat op een zeer cynische en ironische toon waardoor het aangenaam om te lezen is. De roman wisselt sterke momenten af met enkele mindere scènes, maar van Straten probeert wel maatschappelijk relevant te blijven.

    Hoofdpersoon van de roman is een loser, een nobody die verder niet met naam wordt genoemd. Hij is fotocurator in een museum waar een tentoonstelling loopt over Hemingway, het voorbeeld bij uitstek van de klassieke witte (foute?) man. De curator zit midden in een identiteitscrisis: zijn vrouw heeft hem verlaten, zijn hond luistert niet naar hem, de vele antidepressiva bieden geen soelaas, ook een affaire met een jong meisje loopt slecht af. Alles verandert als Ronnie Van Boekel en zijn zoon Bas, dakdekkers, in zijn leven verschijnen. Ronnie is een op-en-top echte testosteronbonk die rechttoe rechtaan alles aanpakt. Ronnie zet de ongehoorzame hond naar zijn hand en zorgt ervoor dat het hoofdpersonage zijn leven weer op de rails zet.

    Opeenstapeling van woede

    Als de fototentoonstelling van Hemingway na heel wat protest van feministen, anti-racisten en dierenactivisten wordt gecanceld, raakt het leven van de hoofdpersoon nog meer in het slop. Zijn overste, zelf een aantal percentages Indonesisch bloed in haar lijf, vernedert hem en zet hem op non-actief na een vermeende ongewenste intimiteitenzaak. Gelukkig is er Ronnie die hem meeneemt naar een cursus middeleeuws zwaardvechten. Daar leert hij (imaginair) zijn vijanden te verslaan en vindt hij zijn uitlaatklep. Wat hij op dat moment niet weet, is dat het gaat om een groep extremisten met neo-nazistische sympathieën. Wat volgt is een samenloop van omstandigheden en opeenstapeling van woede waardoor hij uiteindelijk in de gevangenis belandt. Daar komt hij tot inkeer en kan hij alles op een rijtje zetten.

    Henk van Straten slaagt erin om op zeer aangename wijze een beeld te schetsen van de witte man die het vandaag hard te verduren krijgt. Na de emancipatie van verschillende bevolkingsgroepen, lijkt nu deze categorie te moeten vechten om te overleven. De cynische ondertoon is nooit ver weg, enige overdrijving hoort daar natuurlijk ook bij. De auteur laat een groot aantal populaire en controversiële maatschappelijke thema’s aan bod komen en dat maakt het werk relevant: #MeToo, racisme, white male supremacy, Black Lives Matter en de hele discussie tussen links en rechts. Bij deze thema’s haalt hij expliciete voorbeelden aan en stelt de lezer voor een aantal dilemma’s: is het hoofdpersonage echt fout of zit het overdreven woke-denken hier voor iets tussen. Henk van Straten klaagt hier sterk het gegeven van politieke correctheid aan. Als men zo doorgaat, mag en kan niets meer gezegd worden. Het is een impliciete oproep aan links om ook in te gaan tegen wat hij de ‘de woke waanzin van vandaag’ noemt. De kritiek die de lezer hierop kan hebben is dat alles wel heel expliciet en overdreven wordt voorgesteld waardoor hij de neiging heeft de kant te kiezen van de arme curator, gelukkig maakt de vorm van de satire een en ander goed.

    Sterkere thema’s tussen de lijnen

    Sterker zijn de thema’s die tussen de lijnen door verwerkt zijn en die voor een deel autobiografisch zijn. Tussen alle problemen door werkt het hoofdpersonage aan een fototentoonstelling over zijn vriend Semmie die uit het leven stapte. Naast maatschappelijk onvrede en mannelijkheid zijn depressie en zelfmoord zeker ook onderliggende onderwerpen waar Van Straten heel genuanceerd over schrijft. De zelfmoord van een vriend heeft er serieus op in gehakt en dat laat zich merken. De personages zijn raak getypeerd en dragen bij tot het geheel. Aan de ene kant heb je de op drift geraakte curator, de sukkel die zelf geen mening heeft, maar desondanks bij alles wat speelt in de maatschappij, betrokken lijkt te worden. Daartegenover heb je de nuchtere dakdekker die voor alles een oplossing lijkt te hebben, de overdreven correcte Yvonne, curator van museum, de zwarte collega Jeffrey die het racisme in Amerika fileert en er zijn eigen ideeën over heeft. Elk personage is voortreffelijk gecast en speelt zijn rol in het verhaal.

    Ernest Hemingway is gecanceld is een kind van zijn tijd. In tijden waarin politieke correctheid belangrijk lijkt, durft van Straten hier op geheel eigen wijze tegen in te gaan en stelt zich de vraag of het niet even ‘normaler’ kan. Wie het cynisme en de satire kan onderscheiden van wat er echt toe doet, lees deze roman die aan het denken zet over de trends in onze huidige maatschappij.

     

  • Een belangrijk boek dat inzicht geeft in de huidige situatie van Aleksej Navalny

    Een belangrijk boek dat inzicht geeft in de huidige situatie van Aleksej Navalny

    De boom van de hoop, Navalny in de traditie van onrecht in Rusland, is een bloemlezing ter ondersteuning van de talloze Russen die huisarrest hebben of gevangen zitten omwille van het gebruikmaken van het recht op vrije meningsuiting en het recht op demonstratie. De voorbije maanden werden tienduizenden Russische betogers tegen het regime hardhandig aangepakt door de oproerpolitie. Hun ‘misdaad’ was dat ze gerechtigheid wilden voor Aleksej Navalny, de oppositieleider die als enige durft op te staan tegen Poetin en ondertussen is uitgegroeid tot een wereldwijd fenomeen. Vanuit alle hoeken van de wereld krijgt deze anti-corruptie voorvechter steun, en hoe meer Poetin hem in de hoek drumt, hoe groter de steun wordt. 

    Ondertussen zit Navalny alweer enige tijd in de cel, op basis van een aanklacht die door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens ‘willekeurig en onredelijk’ werd genoemd. Na zijn vergiftiging vorig jaar met het zenuwgas novitsjok hing Navalny’s leven aan een zijden draadje, maar hij gaf de moed niet op. Na zijn genezing keerde hij onmiddellijk terug naar Rusland, waar hij prompt werd gearresteerd. Sedert maart probeert hij tegen wil en dank te overleven in een strafkolonie honderd kilometer ten noorden van Moskou. Nog steeds worden zijn rechten geschonden, zo weigerde men aanvankelijk medische hulp. Ondertussen schreeuwt de wereld om zijn vrijlating.

    De bundel verschijnt ter gelegenheid van de uitreiking van de ‘prijs voor morele moed’ door het Forum van de Mensenrechten en Democratie aan Navalny. In de uitgave wordt een interessante vergelijking gemaakt tussen de huidige situatie en de Koude oorlog, de vroegere dissidenten (Sacharov, Martsjenko, Charms, …) en Navalny. Men kan niet anders dan vaststellen dat hier geen evolutie in zit. De schrijvers werkten belangeloos mee aan deze uitgave, de opbrengst gaat naar een organisatie die de vrijheid van meningsuiting in Rusland bevordert. Navalny roept op tot een boodschap van hoop, en dit werk is een eerbetoon aan hem en aan alle anderen die een strijd voeren voor een beter Rusland. De titel De boom van de hoop verwijst naar een verhaal van Varlam Sjamalov die zelf zeventien jaar in strafkampen heeft doorgebracht. Daarin beschrijft hij een dwergden die, ondanks de strenge winter en de meters sneeuw, zich steeds weer opricht. Maar er zijn wel meer woorden van hoop in de bundel. De bundel is verdeeld in de drie delen: ‘Navalny’, ‘Moet’ en ‘Vrij’.

    Navalny

    In het eerste deel verkondigt Maxim Osipov de lof over Navalny. Hij vergelijkt hem met Mathias Rust, die het in 1987 aandurfde met zijn vliegtuigje op het Rode Plein te landen. Osipov hoopt op verandering en ziet in Navalny met zijn frisse verschijning en heroïsche genialiteit de oplossing. Tegelijk is Osipov neerslachtig en de wanhoop nabij. Hij vergelijkt het systeem en de geheime dienst zelfs met het Duitsland van de jaren dertig. Hij roept op tot verzoening en vraagt Navalny vol te houden.
    Hella Rottenberg schetst een mooi beeld van de carrière en aanpak van Navalny. Ze beschrijft hoe hij als jurist en zakenman in de politiek stapte en de anticorruptie beweging in gang zette. Ook zijn gecontesteerde methode van het ‘slimme stemmen’ komt aan bod: een systeem waar hij opriep op andere kandidaten dan de regeringskandidaten te stemmen, ook al waren ook die niet de ‘juiste mensen’. In de vergiftiging van Navalny ziet ze het bewijs dat het Kremlin bang is. Ze roept op te volharden want, ‘alles kan in één dag veranderen…Kijk naar de Sovjet-Unie, kijk naar de DDR’. 

    Ook rechter Egbert Myjer wil dat men blijft hameren op het aambeeld. Rusland heeft iets uit te leggen wat betreft het garanderen van de mensenrechten. Hij geeft enkele voorbeelden van inbreuken.  Volgens Myjer is het toekennen van de ‘Prijs voor morele moed’ aan Navalny van groot belang en toont het dat de wereld achter hem staat. In het fragment uit Kinderen van Brezjnev toont Sana Valiulina dat er in wezen niets is veranderd. Ook toen werden moedige Russen gemarteld, opgesloten en vergeten in de strafkampen. Grunberg parafraseert dan weer Dostojevski: ‘Hoe een staat omgaat met vermeende en echte vijanden – doorgaans vermeende – daaraan is de beschaving van die staat af te lezen.’

    Moet 

    Mikhail Kazachkov noemt Navalny een nationale held, omdat hij voor het land zijn leven op het spel zet. Hij stelt dat Navalny het vertrouwen nodig heeft van iedereen  omdat hij iets doet waar anderen niet toe in staat zijn. Ook teksten van Karel van het Reve uit 1973 zijn in de bundel opgenomen. Daarin onderzocht hij waar de macht van een dictatoriaal regime op berustte en kondigde hij het ineenstorten van de Sovjet-Unie aan. En is er een bijzondere bijdrage over het parcours van dissident Andrej Almarik, dat zeer sterke gelijkenissen vertoont met dat van Navalny. Na enkele gedichten van Osip Mandelstam, volgt een zeer aangrijpend fragment van Anatoli Martsjenko ‘Wat ik wou zeggen’, waarin hij aanhaalt dat ‘publiciteit het enige strijdmiddel is tegen het kwaad en de wetteloosheid van vandaag’.  Dit alles wordt geïllustreerd door fragmenten van twee andere dissidenten, Solzjenitsyn en Charms. Het hoofdstuk wordt afgesloten met twee verhalen van Varlam Sjalamov, waaronder ‘De dwergden’.

    Vrij

    Journalist Hubert Smeets’ analyse van Rusland is haarfijn. De hele nationaal-populistische ideologie wordt gekenmerkt door een anti-beleid en is gebaseerd op  wantrouwen en angst bij de burger. Er dreigt een nieuwe Koude Oorlog waarin het tot een confrontatie komt tussen een gesloten, nationalistisch en autoritair bestel tegenover het kosmopolitische, pluriforme politieke ideaal. Hella Rottenberg komt nog terug op de kritiek als zou Navalny een populist en xenofobe nationalist zijn. Er waren inderdaad twijfels over zijn ideeën, maar sinds 2011 kan hij daar niet meer op betrapt worden en distantiëerde hij zich openlijk van zijn vroegere ideeën. Michel Krielaars roept Amnesty International dan ook op om Navalny  te steunen. Amnesty doet dit niet omwille van zijn vroegere uitspraken. Ook Sana Valiulina roept Amnesty op om Navalny de erkenning en bescherming van ‘gewetensgevangene’ te geven. 

    In een interview met econoom Sergei Guriev legde Navalny zijn plannen voor het ‘Rusland van de toekomst’ bloot. Hij zou eerst de bezem willen halen door het rechterlijke systeem, een duidelijke hervorming van de rechtspraak en een belasting voor de oligarchen. Hij pleit voor een herverdeling van de bevoegdheden van president, parlement, regering en wil vrijheid van meningsuiting, ook in de media. Ten slotte moeten ook de corruptie en het onderwijs aangepakt worden. Lev Rubinstein heeft het in zijn bijdrage over de leugen en het liegen. Hij vergelijkt de Sovjet leugens met de leugens van vandaag. Het grote verschil is dat ze vroeger vertrouwd, afgesproken en inert waren, terwijl de huidige leugens beledigend zijn voor ieder mens persoonlijk. Het boek sluit af met enkele dagboekfragmenten van Navalny zelf van 15 maart tot 23 april, waarin hij zijn lot aanklaagt. Het weigeren van medische hulp, zijn hongerstaking en de uiteindelijke toegift. Hij spreekt een woord van dank en hoop uit voor iedereen.   

    De boom van de hoop. Navalny in de traditie van onrecht in Rusland is een belangrijk boek dat inzicht geeft in de huidige situatie van Navalny en eveneens terugblikt op het verleden en een corrupt systeem toont. Het is schrijnend hoe weinig er in de voorbije eeuw is veranderd in een land met een rijke traditie dat telkens weer zijn dissidenten het zwijgen oplegt. Het boek is een eyeopener en een schreeuw om hulp en steun voor allen die beknot worden in hun vrijheid van meningsuiting.

     

     

  • Teveel autofictie in historisch opgezette roman

    Teveel autofictie in historisch opgezette roman

    De positie van de vrouw is de voorbije eeuwen en zeker de laatste decennia sterk verbeterd, zeker in de westerse wereld. Toch is het werk nog niet af. Een van de mensen die daar actief toe bijdraagt is de Zweedse feministe en invloedrijke schrijfster Karolina Ramqvist. Met haar vijfde roman, De berenvrouw, vertelt ze het schrijnende verhaal van een gevallen en verbannen vrouw in de zestiende eeuw die tracht te overleven op een onbewoond eiland. De auteur tracht via verschillende bronnen de geschiedenis te reconstrueren waarbij ze alles terugkoppelt naar haar eigen leven. Daardoor kan De berenvrouw moeilijk een gewone roman genoemd worden. Het is een bont allegaartje geworden van non-fictie, memoires, autobiografie en ook wel fictie en dat maakt het geheel minder sterk dan waarschijnlijk de bedoeling was. Het idee is nochtans veelbelovend, de link tussen de lotgevallen van de zestiende-eeuws Marguerite en Ramqvists eigen verhaal, wie ze was en wat ze is geworden.

    In 1541 vertrekt Marguerite met haar voogd naar de nieuwe Franse gebieden in Canada, waarvan hij het hoofd zal worden. Onderweg valt ze ten prooi aan een seksueel schandaal en wordt ze samen met haar nieuwe geliefde achtergelaten op een onbewoond eiland. Daar moeten ze de strijd aangaan tegen de kou, honger, wilde dieren en de eenzaamheid. Als haar man en later haar kind sterven, blijft ze achter met haar kamermeisje, die even later zelfmoord pleegt. Dan is Marguerite alleen met de elementen. Op zich een sterk verhaal dat zeker de moeite waard is om uit te spitten. Alleen is de manier waarop Ramqvist dit doet niet echt aantrekkelijk en aangenaam om lezen. Daar zijn diverse redenen voor. Ze verwijst uitgebreid naar de verschillende bronnen die ze hiervoor heeft geraadpleegd.

    Meerdere bronnen

    Eerst is er de geschiedschrijver André Thevet die de naam van Marguerite voor het noemt in 1574, maar dan blijkt dat ook Margaretha van Navarra al over ‘de vrouw op het eiland’ had geschreven. Verder las ze  de zestiende-eeuwse schrijver François de Belleforest, maar de grootste invloed lijkt A colony of One: the history of a Brave Woman (1983) van Elizabeth Boyer te hebben gehad. Meer en meer krijgt de aandacht voor de bronnen de overhand en vervalt de ‘roman’ in een soort van historische kritiek. Op zich niets mis mee, maar wie een roman verwacht stoort zich aan de wetenschappelijke insteek. Het uitpluizen en doorgronden van die bronnen lijkt obsessief te worden waardoor zowel het verhaal als de bedoeling van het werk naar de achtergrond verdwijnen.

    Dan is er de wat onduidelijke terugkoppeling naar het leven van Karolina Ramqvist zelf. Ze laat doorschemeren dat ze door een ‘duistere periode’ is gegaan en dat ze door dit boek uit die spreekwoordelijke put tracht te klimmen. Of de persoonlijke crisis te maken heeft met haar schrijverschap of met haar moederschap, waarnaar ze heel vaak verwijst, wordt niet geëxpliciteerd, wellicht is het een combinatie van beide. Het staat sowieso vast dat het schrijven van deze roman een soort therapie was voor de auteur. Alleen rijst hier de vraag naar de methodiek en de verhaalstof. Ramqvist hoorde het verhaal over Marguerite van een vriendin en had beloofd er niet over te schrijven. Uiteindelijk kon ze het niet loslaten en zag ze de gelijkenissen met haar eigen worstelingen. Voor haar blijkbaar het ideale uitgangspunt voor deze roman. 

    Therapeutisch zelfbeklag

    Het verhaal over Marguerite is en blijft boeiend. Ook de weergave van de verschillende bronnen en de verschillende interpretaties van wat er precies gebeurd is in 1541 kan aangenaam leesvoer bieden. De beschrijving van het zware leven op het eiland en de dramatische gebeurtenissen raken de lezer en stemmen tot nadenken. De zoektocht van de auteur naar overblijfselen uit die tijd draagt bij aan de spanning en het achterhalen van de waarheid. Zo gaat ze op zoek naar het kasteel van waaruit de missie is vertrokken, bezoekt ze musea met overblijfselen en gebruiksvoorwerpen uit die tijd om zich een beter beeld te vormen en alles tot in de details te kunnen beschrijven.

    Het meest interessante is de pentekening van het eiland waarop verschillende cruciale gegevens staan aangeduid. Het jammere van het geheel is dat Ramqvist te pas en te onpas komt aandraven met haar schrijverssessies in New York, Mexico City of Californië, waar ze aan feministische bijdragen werkt die niet echt ter zake zijn op dat moment. Ook haar voortdurend gezeur en getwijfel over het moederschap en schrijverschap halen constant de drive en spanning uit het verhaal. Ramqvist had met De berenvrouw een fantastische historische roman kunnen schrijven, de stof lag voor het grijpen, maar ze maakte er een therapeutisch zelfbeklag van dat de hele mystiek rond de verhaalstof teniet doet. 

     

     

  • Haarfijne analyse van ongelijkheid in de Amerikaanse samenleving

    Haarfijne analyse van ongelijkheid in de Amerikaanse samenleving

    Hoe ziet het leven eruit voor een moslim in het Amerika van vandaag? In Treurzang voor een thuisland probeert de Amerikaanse toneelschrijver met migratieachtegrond Ayad Akhtar daar een antwoord op te geven. Het boek is een gefundeerde en ontroerende aanklacht tegen de Amerikaanse samenleving van vandaag, maar misschien is die wel altijd zo geweest. Akhtar, zoon van Pakistaanse ouders, is net aan zijn proefstuk toe. In 2013 schokte hij weldenkend Amerika met zijn toneelstuk Disgraced waarvoor hij de Pulitzerprijs kreeg. Daarin voert hij Amir op, een moslim die voor zichzelf een normaal  leven tracht op te bouwen in Amerika na 9/11. In Treurzang voor een thuisland trekt de auteur de lijn door en schetst hij een onthutsend beeld van een moslimvijandige wereld die na de verkiezing van Trump in 2016 alleen maar erger is geworden.

    Documentaire roman

    Het boek wordt een roman genoemd, hoewel het eigenlijk een amalgaam is van verschillende verhalen door de jaren heen. Daardoor komt het misschien wat chaotisch over. Maar het is wel een zeer relevant boek met enkele ‘tranches de vie’ uit het leven van de schrijver zelf. Soms is het beschouwend, soms heel kritisch en het komt heel vaak over als documentaire. Toch benadrukt de auteur dat het een roman is. Hij heeft feit en fictie vermengd, geheel in Trump-stijl ‘fake news’ gebruikt om enkele zaken duidelijker te stellen, ongeacht of ze hem nu al dan niet zijn overkomen, maar ongetwijfeld realistische gebeurtenissen in zijn omgeving. 

    Akhtar is de zoon van een gerenommeerd cardioloog die zijn nieuwe thuisland omarmde en de verpersoonlijking was van de ‘American Dream’. Trump behoorde tot zijn patiënten en hij bleef Trump tot het einde steunen. Zijn moeder bleef worstelen met de migratie en verlangde naar het oude leven in Pakistan. In deze spanningsboog trachtte Ayad een leven op te bouwen in dit vreemde land. Het ‘land van de vrijheid’ krijgt in zijn relaas een wrange bijklank. Aanvankelijk ziet hij zwarte sneeuw, moet vechten om te overleven en wordt uitgespuwd door de witte meerderheid. De ontmoeting met miljardair Riaz geeft hem nieuwe inzichten. Riaz leert hem hoe het werkelijk in elkaar zit in Amerika en het beeld dat geschetst wordt is onthutsend. Amerika is christelijk tot in zijn diepste wortels, maar draagt de waarden ervan helemaal niet uit. Als moslim en kind van Pakistaanse ouders hoor je er gewoon niet bij.

    Hij voelde zich buitengesloten

    Na 9/11 ging Akhtar zich ook anders gedragen, hij voelde zich buitengesloten, en dit droeg bij tot de verdere verwijdering tussen hem en zijn thuisland waarin hij zich helemaal niet thuis voelt. De verschillende anekdotes geven een haarfijne analyse van de ongelijkheid in de Amerikaanse samenleving op verschillende vlakken. De pure machteloosheid wanneer hem bij een bloeddonatie na 9/11 wordt nageroepen dat men zijn bloed niet nodig heeft. Ook de uitspraak dat Trumps muur er maar vlug moet komen ‘om die fucking apen zoals jullie buiten te houden’ spreken boekdelen. Het beeld van de hedendaagse Amerikaanse samenleving is helemaal niet zo fraai als wel wordt voorgesteld. Het is een sluimerende vulkaan die op elk ogenblik kan uitbarsten op diverse vlakken van de samenleving: economie, politiek, religie, migratie. Akhtar schrijft dat hij onder invloed van zijn vroegere docent filosofie zijn dromen heeft leren duiden en dat die voorspellende gaven hebben. Wat hij voorspellend beschrijft is akelig correct en actueel, denk aan de bestorming van het Capitool in januari 2021. 

    Twijfels of het goed komt

    Dankzij de inzichten en tips van Riaz slaagt Akhtar erin ook miljonair te worden, maar hij is er niet onverdeeld gelukkig mee. In Amerika is geld ook de motor die alles kapot maakt. Land en bevolking kijken aan tegen een gigantische schuldenberg, een bubbel die maar een prikje nodig heeft om alles te verliezen. Wie vandaag wil overleven in Amerika kan enkel het hele systeem omarmen en zich laten meedrijven met de onaflatende geldstroom en hopen dat alles goedkomt. Akhtar heeft er zijn twijfels over, dat laat hij ook duidelijk doorschemeren in de vele beschouwingen. De stijl is bijwijlen meeslepend, soms poëtisch, dan weer sec en informatief. Hij schrijft in vloeiende volzinnen van wel tien regels lang, om daarna zijn frustratie uit te schreeuwen in korte en gevatte boutades.

    Treurzang voor een thuisland is een belangrijk boek. Akhtar stelt de diagnose van een ziek Amerika en waarschuwt zijn bevolking voor de duistere afgrond waarin het land zich dreigt te storten. Hij doet dit in een aangrijpende, soms verbijsterende mix van anekdotische vertellingen, levensbeschouwingen en eerlijke autobiografische ervaringen van een Amerikaan met een migratieachtergrond die het steeds moelijker heeft met de evolutie in zijn geboorteland, zeker in het Trump-tijdperk.  De ‘American Dream’ is voor vele hardwerkende immigranten een fabeltje en zelfs een ware nachtmerrie geworden.

     

     

  • Personages zo weggelopen uit een schilderij van Bruegel 

    Personages zo weggelopen uit een schilderij van Bruegel 

    De roman Wil van Jeroen Olyslaegers uit 2016 werd overladen met lof en tal van literaire prijzen en elke rechtgeaarde literatuurkenner van het werk van Olyslaegers zag het als zijn magnum opus. Zijn nieuwste roman Wildevrouw overstijgt echter deze roman en zorgt voor een nieuw ijkpunt in de Vlaamse literatuur. Net als in Wil, dat focust op het Vlaamse collaboratieverleden, speelt in Wildevrouw de stad Antwerpen de hoofdrol in al zijn geuren en kleuren, en dat mag men vrij letterlijk nemen. Alleen is de setting in de stad vierhonderd jaar vroeger: het begin van de Tachtigjarige Oorlog, de Beeldenstorm, de hagenpreken.

    Als een schilderij van Bruegel, die ook als personage opduikt in deze roman, evoceert Olyslaegers het Antwerpen van toen. De stad gaat gebukt onder ijskoude winters met alle gevolgen van dien. Dit heeft een grote impact op de bewoners. Naast de stad Antwerpen is het tweede hoofdpersonage de imposante Beer, die een populaire herberg runt in de stad. Beer is getekend door het lot. Zijn drie vrouwen stierven in het kraambed, en lieten hem alleen een zoon na, Ward, die van top tot teen behaard is, en die zal uitgroeien tot een mysterieuze, maar populaire prediker. Beer wordt in zijn dagelijkse leven bijgestaan door Margreet, de vroedvrouw die hem na het overlijden van zijn laatste vrouw is blijven steunen en hem helpt in de herberg. 

    Een grote flashback

    Het verhaal is eigenlijk een grote flashback. We schrijven tien jaar later. Beer, verraden en getekend door verkeerde keuzes, heeft een nieuw leven opgebouwd in Amsterdam waar hij ook een kleine herberg runt. Hij geeft zich over aan drank om zijn demonen uit het verleden onder controle te krijgen. Hij blikt terug op zijn Antwerpse verleden in een poging te begrijpen waar het fout is gelopen.

    Enerzijds kan Wildevrouw een historische roman genoemd worden. Het verhaal van Beer wordt geschetst tegen de achtergrond van het woelige Antwerpen van die tijd. Elke factie probeert zijn eigen waarheid kracht bij te zetten: de Spanjaarden, geuzen, lutheranen, joden, vrijdenkers. Elk richten ze hun eigen ‘tempels’ op en gunnen elkaar het licht in de ogen niet. Daarnaast is er de mysterieuze ‘Familie’, een geheim genootschap van kunstenaars, wetenschappers en welstellende handelaars die de wijsheid in pacht menen te hebben en Beers herberg als vergaderplaats hebben gekozen. Historische figuren zoals de cartograaf Abraham Ortelius of de humanist John Dee maken er deel van uit. Het is duidelijk dat verraad en jaloezie ook een rol spelen in deze geschiedenis.

    Maar anderzijds is Wildevrouw zoveel meer dan een historische roman. In de beschrijvingen van de heersende onderlinge relaties en het reilen en zeilen van het Antwerpse alledaagse leven met zijn politieke en religieuze intriges, trekt Olyslaegers duidelijke lijnen naar de huidige samenleving. Religieuze perikelen, xenofobie, het in pacht hebben van de eigen waarheid, fake nieuws en de dreiging van andersgezinden. Het lijkt of er niets nieuws onder de zon is en dat is eigenlijk wat Olyslaegers ons duidelijk wil maken. Dat doet hij in een taal die hij geheel de zijne heeft gemaakt. De Vlaamse ‘ge’-aanspreking komt zeer direct over. Zijn zinnen spatten van het papier zonder bombastisch of overladen te zijn. Bij enig ander auteur zouden we gewagen van gezocht taalgebruik, maar bij Olyslaegers lijkt alles te kloppen. De taal komt natuurlijk, vloeiend en ritmisch over. De lezer wordt meegenomen in een poëtisch taalgebruik dat nooit verveelt en perfect gedoseerd lijkt. 

    Maatschappelijke relevantie

    De personages in Wildevrouw spreken sterk tot de verbeelding. Beer vervalt soms van evenwichtige herbergier tot melancholische dronkaard, van bezorgde vader tot carnavaleske wildeman die de stad onveilig maakt. Maar telkens blijft hij de stoere bink met het kleine hart, getekend door het verleden, vechtend met zijn duivels en zorgend voor zijn geliefden. Ook vroedvrouw Margreet, de blinde Jeroom of medewildeman de Schrale komen goed uit de verf. Ze lijken zo weggelopen uit een schilderij van Bruegel  en dragen bij tot de evocatie van die tijd. 

    Naast de verschillende maatschappelijke thema’s speelt aanvaarding een grote rol in de roman. Het motief zelf wordt een aantal keren letterlijk aangehaald en Beer moet door de zure appel heen bijten tot hij aan het einde van de roman zijn lot aanvaardt. Aanvaarding is een boodschap die Olyslaegers lijkt mee te geven in Wildevrouw. Niet alleen Beer worstelt daarmee, de meeste personages voeren een strijd: met het leven, met anderen, met zichzelf. Alleen aanvaarding lijkt soelaas te kunnen bieden.

    Olyslaegers schiet zichzelf met Wildevrouw tot in de hoogste regionen van de Vlaamse en Nederlandse literatuur. De combinatie van historische roman en maatschappelijke relevantie, de schitterende taal en de tot de verbeelding sprekende personages maken Wildevrouw tot de roman van 2020.

     

     

  • Zoek de verschillen tussen drieëndertig hoofdstukjes

    Zoek de verschillen tussen drieëndertig hoofdstukjes

    De tijd van de experimentele roman ligt al een tijdje achter ons. Studenten neerlandistiek moeten nog wel enkele klassiekers doorworstelen van Sybren Polet of Ivo Michiels, misschien zelfs Brakman. Aan het gewone lezerspubliek zijn diepgaande experimenten echter niet besteed. De grote romanciers van vandaag als Grunberg, Van der Heijden, Japin of Thomése schrijven verhalend en trachten via andere stijl- of vertel ingrepen de lezer te bekoren. Hier en daar is er nog wel een witte raaf die zich aan het totaal experiment waagt, zoals A.H.J. Dautzenberg. Hij heeft een patent op het experimentele, gezien zijn eerdere roman Geestman of zijn dichtbundel Niet het krassen van de kraai, beide uit 2019. Dautzenberg is een veelschrijver, in tien jaar tijd verschenen maar liefst achtentwintig werken van zijn hand in verschillende genres. Aslast is opnieuw een zuiver literair experiment.

    Verrassende herhaling

    Naar eigen zeggen weet de schrijver ook niet precies waarover het gaat en kijkt hij uit naar welke betekenis anderen in het werk vinden. De roman begint vrij klassiek met een omroepstem in de trein. Daarna volgt een beschrijving van hoofdpersonage P. die zijn veters strikt, een vuiltje uit zijn oog pulkt en om zich heen kijkt in de verder lege coupé. Hij ziet een Mondriaanachtige tekening op de achterwand, masseert zijn schedel, bekijkt het plafond en de handgreep van de noodrem. Ten slotte haalt hij een dichtbundel uit zijn zak en begint te lezen. Dit is te lezen over zes bladzijden. Daarna wordt dit nog eens drieeendertig maal herhaald. Verwarring en verrassing slaan toe bij de lezer na lezing van het tweede stukje: heeft hij nu net hetzelfde gelezen als daarvoor? Wat volgt is een zoektocht naar de verschillen… 

    Dautzenberg brengt telkens minimale, subtiele verschillen aan die een inzicht in de psyche van P. moeten bieden. Van meanderende figuren die uit de Mondriaantekening komen tot de dansende letters van het woord ‘noodrem’. Naast deze inhoudelijke variaties zijn er ook zeer opvallende typografische wijzigingen door het verhaal heen. De beschrijving van P. en zijn innerlijk staan in normaal gedrukte tekst. Alles wat zich buiten hem afspeelt, staat in het eerste stukje vet gedrukt en geleidelijk aan, hoofdstukje na hoofdstukje, vervaagt de tekst tot hij halverwege het boek niet meer zichtbaar is en langzaamaan vervangen wordt door blauwe vlakken, eerst heel licht, maar naar het einde toe zeer donkerblauw. 

    Spel met de lezer

    Dautzenberg speelt in Aslast met zijn publiek. Hij laat het aan de lezer over te ontdekken wat erachter het verhaal schuilt. Dat het werk door zijn experimentele vorm multi-interpreteerbaar is, staat buiten kijf. Het woord Aslast verwijst naar ‘het maximale gewicht op een as met twee wielen’. Moet de titel dan ook letterlijk geïnterpreteerd worden? Hebben we te maken met P. die een zware last met zich meedraagt en uitzoekt waar hij uiteindelijk aankomt? Verwijzen de vervagende teksten en de blauwe vlakken naar een steeds zwaarder wordende last om te dragen en voelt P. zich zodanig ‘blue’ dat hij er geen zin meer in heeft? De dichtbundel is op het einde van de roman vervangen door een Donald Duck en P.’s serieuze houding is een welluidende kinderlach geworden.  Maakt de lezer hier in drieëndertig hoofdstukjes de evolutie mee van een steeds depressiever wordende man die er de brui aan geeft? De lezer blijft achter met een hoop vragen en kan enkel zijn eigen invulling geven, maar wellicht is dat ook de bedoeling van de auteur.  

    In elk geval blijft Aslast een spel van zoek de verschillen tussen drieëndertig hoofdstukjes. In eerste instantie komt het wat bevreemdend over, uiteindelijk is het weinig beklijvend. Wat overblijft is de ‘Spielerei’ en verder  is het weinig hoogstaand. Als Dautzenberg hiermee de experimentele roman nieuw leven wil inblazen, dan is hij daarin niet geslaagd. Maar misschien is dat ook helemaal niet de bedoeling en wil hij eerder de lezer en de literatuur een hak zetten. Als het bedoeld is als een soort ironisch werk waarmee hij de klassieke literatuur op de korrel wil nemen, dan is het een verdienstelijke poging die echter te weinig als zodanig wordt geduid. Aslast roept immers geen blijvende herinnering op en lijkt eerder een eenvoudige manier om het literair experiment opnieuw op de kaart te zetten. 

     

     

  • Een reservaat waarin diersoorten worden gekoesterd en verjaagd

    P.F. Thomése kwam in 1990 de literatuur binnen met de verhalenbundel Zuidland, waarmee hij meteen de AKO-literatuurprijs won. Daarna oogstte hij grote successen met Schaduwkind (2003), een requiem voor zijn overleden dochtertje en naar eigen zeggen zijn beste werk. De onderwaterzwemmer (2015), bezorgde hem in 2016 de Prijs van de lezersjury van de Fintro-literatuurprijs. Vorig jaar verscheen Vaderliefde, een pakkende roman over zijn overleden ouders. Thomése oogstte internationaal succes met zijn boeken. Tussendoor schreef hij enkele komische werken waarin zijn vriend J. Kessels de hoofdrol speelt. Onlangs verscheen de Tilburg Trilogy, een bundeling van de drie boeken over J. Kessels.

    Kris Mattheeuws sprak via een videoverbinding met P.F. Thomése over zijn oeuvre, een boek als een country song, het schoppen tegen schenen en het oprekken van de grenzen van de literatuur.

    Bekend als stilist van serieuze literatuur, leek het vreemd dat uitgerekend Thomése een aantal scabreuze romans schreef waarin borsten en billen in al hun aspecten welig tieren. Boeken waarin de country & western-tearjerkers uit de autoradio jengelt, bier rijkelijk vloeit, het platvloerse en de onderbroekenlol niet uit de weg worden gegaan. Thomése heeft er geen probleem mee, integendeel.

     

    De stijl van de J. Kesselsromans is van een heel andere orde dan het meer serieuze werk dat we van u gewoon zijn. Is daar een specifieke reden toe?

    ‘Een boek schrijf ik niet met voorbedachten rade. Kort nadat Zuidland in 1990, verscheen bij een bibliofiel uitgeverijtje in Heiloo, een serie reisverhalen Deep South & Far West waarin ik met mijn vriend J. Kessels door het country gebied van de VS reisde. Omdat ik net de AKO-literatuurprijs had gewonnen, werd dit boekje ook opgemerkt. En tot mijn verwondering werd het goed onthaald. Gaandeweg is het J. Kessels-werk wel wat scabreuzer en lichtzinniger geworden. Mijn andere boeken hebben daar misschien geen gelijke tred mee gehouden, ik denk dat we alles in dat licht moeten zien. Want ook Het zesde bedrijf (1999) heeft een zekere lichtvoetigheid. Ik probeer in die roman, die zich afspeelt in Parijs tijdens de Franse Revolutie, een soort operetteachtige sfeer te creëren. De recensenten hebben dat toen een beetje gemist omdat ze zich erover verbaasden dat ik een vrouw als hoofdpersoon had gekozen. Een man die over een vrouw schreef, was voor sommigen ‘not done’ of werd op zijn minst gewantrouwd. Het was een beetje omgekeerd seksisme, terwijl ik daar helemaal geen slechte bedoelingen mee had, geen slechtere althans dan met mijn andere personages. Ik denk dat beide kanten, het komische en het tragische, het ernstige en het speelse, altijd aanwezig zijn geweest in mijn werk. In mijn debuut Zuidland is het komische al aanwezig. Ik zag onlangs een optreden van Josse De Pauw waarin hij Leviathan (kort verhaal van Thomése, K.M) als ‘Sprechtheater’ bracht. Ik moet zeggen dat ik dertig jaar na datum toch weer bij bepaalde passages in de lach schoot.’

     

    Het personage J. Kessels kwam tot leven in verhalen over roadtrips in de VS. Waarom besloot u hem als hoofdfiguur op te voeren in maar liefst drie romans? Wat is zo dankbaar aan de figuur Kessels?

    ‘Het is eigenlijk een uit de hand gelopen project. Veel had te maken met het feit dat mijn eerste uitgever Querido geen interesse had in mijn J. Kessels verhalen. Ze wilden er niets van weten, dat was ook een van de redenen om daar weg te gaan. Ik vond het een miskenning van mijn schrijverschap door niet het hele schrijverschap te willen omarmen. Het was ook een soort bevrijding, mede doordat ze bij mijn nieuwe uitgeverij Atlas Contact een groot liefhebber van J. Kessels waren. Zonder enige aarzeling gaven ze het uit. De belangrijkste rol hierin werd echter gespeeld door de redactie van Hard Gras, het literaire voetbalblad. Het blad werd zo populair dat we op een bepaald moment gingen toeren. We zaten in een busje met Anna Enquist, Henk Spaan, Herman Koch, Matthijs van Nieuwkerk en Ronald Giphart. Zij kenden mijn J. Kessels-kant nog niet. 

    Ik verraste hen daar mee en ik maakte er op den duur een sport van om hen achter de coulissen zo hard te doen lachen dat het publiek het ook hoorde. Toen Matthijs van Nieuwkerk zo gierde, is dat voor mij wel de trigger geweest er met nog meer zin mee aan de slag te gaan. Ik besefte toen dat het iets heel bijzonders had, wat ik er eerder nog niet in gezien had. Het komisch effect werd vergroot door het feit dat dit werk zo haaks stond op alles wat ze van mij kenden. Dat heb ik dan ook wel uitgebuit. In die zin zie ik het meer als het werk van een straatmuzikant. Ik begin en er staat onmiddellijk een kring om me heen. Het is informeler dan mijn andere werk, ofschoon het ook heel erg gekunsteld is. Het is mijn meest postmodernistische roman. Het bevat een heleboel metagrappen.’ 

     

    U brengt ook het personage P.F. Thomése naast de figuur van J. Kessels. Zijn de twee antipolen?

    ‘Alles is natuurlijk gebaseerd op mijn vriendschap met J. Kessels. In een vriendschap is er de neiging tot symbiose, maar die bestaat wel uit twee polen. Dat is altijd zo, denk ik.  Bij ons werd dit zeker versterkt en als schrijver versterk je dat nog meer. Het zijn complementaire gestalten, daar kwam ik gaandeweg achter en daar ging ik ook meer mee spelen. Zo valt J. Kessels op rondborstige vrouwen en bekijkt P.F. Thomése het meer van achteren, van de bilzijde. Dat getuigt ook een beetje van het achterbakse van de schrijver die altijd een beetje van achteren zit te loeren, terwijl J. Kessels oprecht is en rondborstige vrouwen met open vizier tegemoet gaat, zonder enige bijgedachte.’

     

    Is er enige gelijkenis tussen het personage Thomése en de auteur Thomése? 

    ‘Autobiografie is oninteressant in de zin dat ik er geen behoefte aan heb feiten getrouw weer te geven. Niet omdat ik iets te verbergen heb, maar omdat ik denk dat het in de tekst zelf zit. De spanning en de gevoelens worden vanzelf waar, meer dan de zogenaamde droge feiten. Door lang te figureren in die boeken ben ik überhaupt langzaamaan op hem gaan lijken. Daar ontkom ik niet aan en dat ga ik ook niet ontkennen. Maar ik denk niet dat wanneer ik mijn zoons naar  hockey breng, andere ouders denken: “Daar heb je die viespeuk weer die altijd in onzedelijke toestanden terechtkomt”.’

     

    De rode draad in de Kessels romans, naast de queeste naar seksuele verlossing, is countrymuziek. Is dat een echte passie en vanwaar die passie?

    ‘Ik ben er een beetje van afgedreven in het tweede en derde boek, maar de verhalen en het eerste boek heb ik proberen te schrijven als een country song, een melodrama. Een country song is melodramatisch in de zin van ‘vroeger was het beter’. Het verlangen naar een vroeger dat er nooit is geweest, zit er altijd in. Nostalgie is de drijfveer en dat maakt misschien ook dat ik het lichtere genre heb gekozen. Nostalgie staat bekend als een oppervlakkige emotie, terwijl iemand met een retrospectieve geest zoals ik niet zonder nostalgie zou kunnen leven. Dat betekent niet altijd het verheerlijken van het verleden, maar evenzeer het lijden aan de onmogelijke terugkeer daarnaar. Dat noem ik mijn country & western gevoel. Daar val je niemand mee lastig, maar in een verhaal kan dat heel goed werken. Het motief om het verlangen over te doen, maar dan goed, speelt een grote rol in zowel J. Kessels: The Novel als in Ik, J. Kessels. Dat verlangen naar verlossing zit ook in country songs. Denk aan het kernbegrip ‘redemption’ bij Johnny Cash. 

    Op de een of andere manier spelen deze zaken in de officiële, erkende literatuur minder een rol omdat men het kinderachtig vindt, of gênant. Als een schrijver dat doet wordt hij op de vingers getikt. Ik zie het bij veel schrijvers gebeuren. Iemand als A.F.Th. van der Heijden is voortdurend zijn verleden aan het herbezoeken en aan het herschrijven. Dat is een klassiek gegeven in de literatuur. Als je het zo vet doet als ik in de J. Kesselsromans, dan worden de wenkbrauwen gefronst. Maar ik denk dat je er juist dan dichterbij komt. Door overdrijving en het thematiseren van het smakeloze. Zoals bijvoorbeeld het literair ejaculerende teruggeilen op een meisje aan de flipperkast in de cafetaria van mijn jeugd. Het is een soort ‘not done’. Ik ken het niet als motief. Wel de onbeantwoorde jeugdliefde, maar niet de al dan niet beantwoordde eerste geilheid of erotische sensatie, en die is eigenlijk veel bepalender.’ 

     

    In de drie romans is een opvallende evolutie in de aanwezigheid van de figuur J. Kessels. In de eerste is hij zeer aanwezig, in de tweede is het op zoek gaan naar, en wordt uiteindelijk gevonden. In de derde is hij afwezig tot het einde. Is dat een bewuste keuze?

    ‘Dat is een autobiografisch gegeven. Het zijn drie boeken geworden omdat J. Kessels er genoeg van kreeg, ook van mij als vriend. Die boeken zijn het afscheid van een vriendschap geworden en dat is in drie stappen gegaan. Elk boek ging er weer een deur dicht en dan was het voorbij. In Het bamischandaal vind ik hem nog kettingrokend terug op een stoep in Shanghai, maar in Ik, J. Kessels moet ik het doen met Peerke Sonnemans die nu zijn beste vriend geworden is.’

     

    Inderdaad. J. Kessels’ rol wordt langzaam maar zeker ingenomen door Peerke Sonnemans. Welke rol speelt hij in het hele verhaal?

    ‘Hij is een epigoon van Kessels maar zonder de grandeur die Kessels heeft. Kessels zou zo uit een country song kunnen komen. Sterker, toen ik met hem door Amerika  trok, werden we dikwijls gefotografeerd omdat ze ervan overtuigd waren dat ik Art Garfunkel was, ik had toen nog meer haar, en hij een country zanger. Peerke daarentegen heeft helemaal geen stijl, hij is berekenend. Hij heeft wel één significant voordeel ten opzichte van P.F. Thomése, hij is hondstrouw. Hij doet alles voor J. Kessels, terwijl P.F. Thomése hem verraadt in toenemende mate. Dat is trouwens ook een vreemd aspect van een autobiografische roman dat niet vaak voorkomt. Dat de ik-verteller een uitermate onsympathieke, onbetrouwbare figuur is, en dat de schrijver die zelf belichaamt, is een unicum.’

     

    U schopt tegen veel schenen. De zogenaamde politieke correctheid is niet aan u besteed? U spot met homo’s, zwarten, collega-schrijvers.  Hebt u daar geen problemen mee of mee gehad?

    ‘Sinds George Floyd en Black Lives Matter is de wereld veranderd. Ik zou het nu, denk ik, niet meer doen, ik zou er tenminste niet meer zo achteloos overheen gaan.  De beweging heeft iets aan het licht gebracht waar je je als schrijver wel rekenschap van moet willen geven. In die zin zijn het dus historische romans geworden. Als ze het zouden willen censureren zou ik me wel met hand en tand verzetten. Men is niet verplicht het te lezen. Ik heb het ook niet bewust gedaan. Ik heb het gedaan omdat ik die country & westernstijl tot leven wilde brengen. Stereotypering is de ruggengraat van een goede country song, die stijlfiguur is verplicht. Alles wordt gestereotypeerd, ikzelf, J. Kessels.

    Ik heb voor deze editie een nieuwe omslag gekozen, in de oorspronkelijke editie had cartoonist Gerrit de Jager op mijn verzoek cartoons gemaakt, dat cartooneske speelt ook bij de leeservaring mee. Dat ontslaat je natuurlijk niet van verantwoordelijkheden. Hier en daar is het explosieve materie geworden. We kijken nu ook anders naar Kuifje in Afrika. Terecht. Al blijft dat album cultuurgoed. Kunstenaars zijn vaak ‘fout’, dat zit een beetje in de aard van het beestje. Als je iedereen gaat cancelen, houd je alleen koorknapen over. Dan heeft kunst geen zin meer. Veel heeft met het vermogen tot zelfspot te maken. Maar niet iedereen is het daarmee eens. In Breda lachen ze erom, in Tilburg hebben ze het er soms moeilijk mee. Dat geldt ook voor de mensen wier identiteit ik heb gebruikt. 

    De personages zijn allemaal bestaande mensen. Toen Frans Schellekens alias De Schel, mijn vriend en gids in Shanghai, na een val van een trap overleed, vroeg zijn familie mij om iets te zeggen op zijn uitvaart. Er werd met klem gevraagd óók iets voor te lezen uit Het bamischandaal. Het publiek herkende het en de lach rolde door de tent, het was ontroerend en hartverwarmend. Dat was heel bijzonder. Zo zie je, het gaat erom hoe je het opvat.’ 

     

    De zeer ironische stijl is dus een bewuste keuze.

    ‘Ja, natuurlijk. Zoals ik het schrijf is alles omkeerbaar. J. Kessels, de centrale figuur, heeft altijd stellige meningen, apodictische uitspraken, oneliners die zo uit een country song kunnen komen en slaan meestal nergens op. De waarheid is in die boeken sowieso op drift geraakt en het omgekeerde is even goed waar. De woorden hebben eigenlijk in die zin geen waarde meer. Daar heb ik ook enorm veel plezier in, om die woorden bijna te gebruiken als een autonome taal, een taal die van de pot gerukt is. 

    Een van mijn allergrootste helden is Nabokov. In Lolita zingen de woorden zich ook helemaal los van hun betekenis en dat is een van de redenen waarom het zo’n fantastisch boek is. Velen vinden het een boek over een pedofiel, maar  het is een boek over taal en die taal is losgeraakt van zijn anker, los van zijn vaste betekenis. Voor Nabokov was Engels ook een vreemde taal. Dat heb ik ook, die vreemdheid, ik druk me uit in een taal die alle kanten op kan. Dat is gemaniëreerd. Zoals de Italianen na de barok deden, ‘alla sua maniera’, op zijn eigen manier, de eigenheid van het schrijven. 

    Taal is natuurlijk iets algemeens, we wisselen uit, we weten allemaal precies wat een woord betekent en als iemand de taal op een eigen manier gebruikt, is het niet meer zo duidelijk. Dat is voor mij als schrijver belangrijk, dat de lezer niet meer weet waarheen hij wordt gevoerd. Daarom gebruik ik mezelf en die vriendschap en dat autobiografische ook. Het begint met twee vrienden die samen naar het café gaan, heel herkenbaar, en dan gaat het verder en komen ze in een krankzinnig universum terecht.’

     

    Het is een boek over vriendschap, maar evenzeer over het verlies van vriendschap. Was het schrijven van boek drie een soort van loutering of catharsis?

    ‘Boek drie is best wel een elegische roman, een elegische pornografie. P.F. Thomése belandt in de armen van een ex van J. Kessels. Hij beleeft iets wat verjaard is, nergens meer op slaat. In zijn gedachten zijn die vrouwen nog de vamps van weleer, maar daar is de tijd ook overheen gegaan.’

     

    Hoe moeilijk is het om over een bestaand figuur te schrijven die ook reacties kan geven. Bij Vaderliefde waren uw ouders al overleden, daar kon geen reactie meer van komen. Hebt u er ooit bij stilgestaan dat dit kon leiden tot de teloorgang van de vriendschap?

    ‘Ik was me daar niet bewust van. Ik had natuurlijk al in 1990 over hem geschreven en toen had ik niet de indruk dat het verkeerd viel. Ik denk dat het probleem ontstond toen de boeken steeds populairder werden. Nolens volens werd hij opeens een lokale beroemdheid, in Tilburg werd hij erop aangesproken. Die receptie heb ik onderschat. Voor mij als schrijver was dat bekend, hij had het er moeite mee. Hij werd opeens een publieke figuur, terwijl hij daar geen behoefte aan had. Maar omdat hij niks zei, was ik me daar niet van bewust. Na het tweede boek kwam de film, het media gedoe daaromheen leidde tot een definitieve breuk.’ 

     

    Om terug te komen op de stijl. Er zijn die twee aspecten in uw werk, het ernstige en het lichtvoetige, dit wordt soms bestempeld als platvloers, onderbroekenlol, goedkope humor? Houdt u zelf van die stijl?

    ‘Jazeker, zeker in een genre als de film. De films van Tarantino kan ik eindeloos bekijken. Ook in de literatuur: ik ben opgegroeid met Gerard Reve en ik hou erg van die Amerikaanse hard boiled stijl. Mijn eerste boek draag ik op aan hardgekookte jongens als Charles Bukowski, Jack Kerouac, Kinky Friedman, Hunter S. Thompson, Schrijvers die ik in verschillende fasen van mijn leven heb gekoesterd. Ik hou ervan met een bepaalde weerzin te kijken naar de lessen Nederlands of de neerlandistiek, waar de literatuur behandeld wordt als een soort reservaat, bepaalde diersoorten worden gekoesterd en andere worden als mussen afgedaan. Dat heb ik ook met de J. Kesselsboeken. Ze moeten wel naast mijn andere boeken kunnen staan, maar dat doen ze soms niet van harte. Daar heb ik wel plezier in. Het is het oprekken van de grenzen van de literatuur. 

    Dat vind ik heel belangrijk, literatuur beslaat het hele leven en de hele werkelijkheid, niet enkel het serieuze deel daarvan. Dat vind ik het knappe van Tarantino. Hij betrekt allerlei banaliteiten in zijn films, hij kan een gesprek over de kwaliteit van koffie opnemen, zoals in Pulp Fiction. W.F. Hermans claimt in zijn essay over antipathieke personages dat een personage weerstand moet oproepen. De lezer wil bevestigd worden, wil een positieve ervaring, gevleid en gerustgesteld worden. Maar de schrijver moet daar tegenin gaan, de lezer uit zijn comfortzone halen. Volgens Hermans gaat het erom dat je als lezer iets te weten komt wat je niet wilde weten maar, nu je het weet, niet meer kan vergeten. Bij Hermans is dat de bittere waarheid, terwijl het bij mij komisch kan zijn de broek te laten zakken.’

     

    Wat zijn uw plannen voor 2021, staat er een nieuw boek op stapel?

    ‘Ik ben al een jaar bezig met Lohengrin. Een roman over een broer-en-zus-achtige verhouding tussen een Amerikaanse jongen die op zoek is naar zijn gesneuvelde vader en een meisje op zoek naar haar weggelopen moeder, verloren zielen in een reële wereld. Ik verwacht het dit jaar af te maken.’

     

    Tilburg trilogy, De J. Kessels romans / P.F. Thomése / 688 pag. / Uitgeverij Prometheus (2020)
    Foto: Annaleen Louwes, (via de uitgeverij)
  • Nieuwe uitgave van verhalenbundel die schuurt

    Nieuwe uitgave van verhalenbundel die schuurt

    Vijfentwintig jaar al draait Manon Uphoff mee in de top van de Nederlandse literaire wereld. Vallen is als vliegen werd vorig jaar door verschillende kranten en literaire bladen uitgeroepen tot beste roman van het jaar. Tijd voor een terugblik moeten zowel Uphoff als haar uitgeverij gedacht hebben en zo kwam er een heruitgave van haar verhalenbundel Begeerte, waarmee ze in 1995 de Nederlandse letteren binnenkwam. Dat debuut was veelgeprezen, het werd genomineerd voor De AKO-literatuurprijs, de Anton Wachterprijs en de ECI-prijs. Het titelverhaal werd bekroond met de Rabobank Lenteprijs voor Literatuur. Deze heruitgave is voorzien van een voorwoord van de schrijfster zelf. Daarin stelt ze onomwonden dat in Begeerte de grond ligt van alles wat ze nu nog schrijft.

    Pubermeisjes

    Begeerte is een bizarre bundel. Na het lezen blijft de lezer achter met een bevreemdend en onaangenaam gevoel. Begeerte staat voor verlangen, maar dit ‘verlangen’ lijkt in de meeste verhalen misplaatst en dat maakt het lastig. Uphoff laat vaak de hoofdrol aan meisjes die balanceren op de grens van volwassenheid. Zij zijn op zoek naar zichzelf en verkennen hun grenzen, maar lijken telkens met open ogen in de val te lopen, vaak gestuurd door lust en seksuele begeerte. Vreemd is bovendien dat ze wel beseffen wat ze doen, maar er toch mee doorgaan, als een soort onweerstaanbare drang, wetende dat het ook tot pijn en verlies kan leiden. Begeerte bestaat uit tien verhalen die je kan opsplitsen in twee grote delen: eerst zijn er vijf meisjes als hoofdrolspelers, daarna verworden de verhalen tot een soort van moraliserende sprookjes, waarin vrouwen nog wel een rol spelen, maar meer aan de zijlijn staan. 

    De rol van het pubermeisje in de eerste verhalen is op zijn minst verontrustend te noemen. In het titelverhaal gaat een meisje ’s nachts mee met een oosterse man met de bedoeling zich te laten ontmaagden. Het hele proces wordt beschreven als een gevecht waarin pijn en lust de hoofdrol spelen en waarbij het meisje ook de man aanmaant om te ‘vechten’. Alles is tot in de puntjes voorbereid door het meisje, en ze lijkt tevreden over het resultaat, ondanks de pijn: “Ik heb in ieder geval gevochten”, lijkt ze te berusten. Nog verontrustender is de houding van het meisje in het verhaal met de dubbelzinnige titel Vlees. Daarin laat een meisje dat gepest wordt zich ‘verleiden’ door De Hazelaar, prototype potloodventer. In ruil voor ‘bescherming’ en een veilig gevoel helpt ze hem graag bij zijn vleselijke lusten, niet wetende wat dit eigenlijk inhoudt.

    Verkeerde mannen

    Of het verhaal Brand waarin een meisje het leven beschrijft van haar twintig jaar oudere zus. Deze laat zich steeds weer in met de verkeerde man en wordt op alle mogelijke manieren mishandeld en vernederd. Als de ik-figuur op het eind van het verhaal haar minnaar uitlaat, mijmert ze: “Het was de eerste nacht dat ik het hart van mijn zus in mijn borst voelde kloppen.”  Zo wordt de lezer steeds met een onaangename schurend gevoel opgezadeld.

    In het tweede deel krijgen we een ander soort verhalen, waarbij Uphoff meer de moraliserende toer opgaat. De verhalen blijven bizar, het verontrustende gevoel blijft, maar alles wordt er explicieter ingelepeld. In het best aangename verhaal Blikman en Sartorius zien we de ongelooflijke fascinatie van een taxidermist voor de stoere en mannelijke jager Sartorius. Zijn verlangen is niet seksueel, maar hij wordt wel verscheurd door begeerte. Als Sartorius uiteindelijk aftakelt, vraagt hij Blikman hem dood te schieten. Verscheurd door een moreel dilemma moet hij keuzes maken. In het laatste verhaal Poep is de walging compleet. Hoe ver wil of kan iemand gaan om zijn begeerte te vervullen? Een vrouw biedt haar villa en al haar bezittingen aan een arme man aan als hij twee grote hondendrollen in haar bijzijn opeet. 

    Gedurfd en uitdagend

    De verbinding tussen lust en pijn, lust en walging, wreedheid en onzinnige macht, spelen een hoofdrol in al haar verhalen. Uphoff heeft ongetwijfeld de gave van het woord en schrijft zeer raak. Toch leest Begeerte niet aangenaam, de lezer blijft wezenloos achter met een beschamend en ongemakkelijk gevoel om wat de personages overkomt en beleven. Het is gedurfd en uitdagend  om zulke verhalen te schrijven. Uphoff geeft in haar verhalen een stem aan vrouwen, aan personages die in de literatuur niet vaak aan bod komen, en dat is zeker een verdienste.