• Een zoektocht naar verbanden en verbindingen.

    Een zoektocht naar verbanden en verbindingen.

    Bruggen slaan, verbanden leggen: het lijkt een constante te zijn in het werk van de Belgische auteur Koen Peeters. Eerder deed hij het al met De mensengenezer (2017) en De minzamen (2021). Nu doet hij het in zijn nieuwe roman Georges en kunnen we ook al meteen een link vinden met Kamer in Oostende (2021). Daarin voert hij historische figuren als James Ensor, Léon Spilliaert en Jospeh Roth op. Ook in Georges spekt Peeters zijn familiegeschiedenis met historische figuren en creëert zo een mooie mix van feiten en verzinsels met een straffe roman als resultaat. Peeters lijkt te bouwen op een beproefd recept: hij put steeds uit zijn eigen ervaringen en vermengt die met de geschiedenis.

    Georges, Joris, Georgië

    Georges bestaat eigenlijk uit vier verhalen die verbonden zijn door de naam. Het boek is een spel met de naam Georges en allerlei afleidingen daarvan. In het eerste verhaal beschrijft Peeters de bijzondere ontmoetingen en vriendschap die ontstaat tussen postbeambte Georges Vermeire, grootvader van de auteur, en de grote Ierse schrijver James Joyce. In 1926 bracht die immers zijn vakantie door in Oostende en ging hij dagelijks naar het postkantoor om de proefdrukken van de vertalingen van Ulysses af te halen. Het tweede verhaal draait om de vader van de oerknal, Georges Lemaître. Deze bekende priester-wiskundige zoekt steeds verpozing in een parkje in Leuven. Daar ontmoet hij de jonge moeder Paula. Ze raken verwikkeld in een gesprek en een platonische relatie ontstaat tussen de twee. Paula is gehuwd met Jef (Georges) Otten en zij zijn de latere schoonouders van Koen Peeters. De drie Georges die hij tot dan toe heeft opgevoerd zijn ook gelieerd aan elkaar: ze vochten immers samen in de loopgraven achter de Ijzer tijdens Wereldoorlog I.

    In deel drie komen eerder persoonlijke anekdotes en herinneringen naar boven. Koen Peeters mijmert over zijn studententijd in Leuven en zijn vriendschap met Joris. Deze studiegenoot wordt zijn beste vriend, maar houdt er naast zijn fascinatie voor plakboeken, ook een bijzondere drang naar Georgië voor over. Al op jonge leeftijd vertrekt hij naar dat land, op zoek naar zichzelf, en verbreekt hij alle contact tot hij twintig jaar later Koen Peeters uitnodigt. De auteur zal effectief tweemaal naar Tbilisi, de hoofdstad van Georgië reizen om verder onderzoek te doen voor zijn roman. Het laatste verhaal speelt zich volledig af in Georgië. Daarin laat de auteur de bijzondere vriendschap zien tussen de Georgische kunstschilder Niko Pirosmani en Jozef Dzjoegasvili, ongetwijfeld Georgiës beruchtste afstammeling die later onder de naam Jozef Stalin de geschiedenis zal ingaan. Dit gegeven alleen al zorgde voor een diplomatieke rel tussen de Georgische minister van cultuur en auteur Koen Peeters bij de opening van het Europaliafestival in Brussel waar Georgië gastland was. De minister vond het niet kunnen dat er een loopje werd genomen met de historische feiten, ondanks het feit dat Peeters uitlegde dat het om fictie ging.

    Dunne lijn tussen fantasie en werkelijkheid

    Peeters maakt in Georges bijzondere verbindingen, maar slaagt erin een harmonieus geheel te creëren. Hij weet feit en fictie perfect te vermengen en de lezer te overtuigen om het te geloven. Soms is de grens tussen de twee bijzonder fijntjes: misschien is het niet waar, maar het had waar kunnen zijn. Hij vraagt het zichzelf ook af: ‘Mag dit allemaal wel? …Is het toegestaan op deze manier een verhaal te bedenken met de naam Georges?’ Ook voor hem is het een spel, een zoektocht naar verbanden en verbindingen. Bovendien is de karaktertekening ook heel sterk. Het is een van de handelsmerken van Peeters geworden om personages heel realistisch neer te zetten, doodgewone mensen zoals jij en ik, met hun kleine kantjes, zeer herkenbaar zodat ze nog geloofwaardiger overkomen.

    Hij noemt zijn werk zelf een collage, vergelijkbaar met de plakboeken die zijn vriend Joris maakte. Het plakboek Georges is uiteindelijk een knap kunstwerkje geworden. In een vlotte, zeer herkenbare stijl tekent hij hoe de levens van de gewone mens en van de groten der aarde er hadden kunnen uitzien. De historische feiten laat hij nog meer voor zich spreken door enkele foto’s op te nemen in zijn werk. Koen Peeters blijft een eigenzinnige schrijver, een buitenbeentje, met een heel eigen stijl en een apart idee over hoe de perfecte roman er moet uitzien. De grens tussen fantasie en werkelijkheid en het spelen daarmee blijft een belangrijk gegeven in zijn oeuvre. Maar precies dat maakt het zo sterk en aangenaam om lezen.

     

     

  • Over leugens en verwerking

    Over leugens en verwerking

    Kan je het verleden opnieuw uitvinden? Of beter nog: kan een traumatische ervaring ervoor zorgen dat je voor jezelf een volledig fictieve geschiedenis verzint? Dat is een vraag die Julian Barnes al trachtte te beantwoorden in The Sense of an Ending en ook Paul Gellings  probeert hierop een antwoord te formuleren in Terug naar de Stichtstraat en als motto gebruikt hij dan ook een quote uit Barnes’ roman. Gellings is bekend als dichter en vertaler, maar heeft ondertussen toch ook al tien romans op zijn palmares.  Net als in de vorige boeken Zuidelijke wandeling en Zomer van Icarus  speelt Gellings’ nieuwste zich af in de Rivierenbuurt in Amsterdam.

    Het verleden aangepast

    De ik-figuur keert terug naar de straat waar hij als kind is opgegroeid. Een oude vriendin, Maud Eijlander, vraagt hem om samen langs te gaan bij hun oude buurman Chris Bloemhart, die filmbeelden heeft uit hun jeugd. De verteller is tekenaar van beroep en schetst aan de hand van tekeningen zijn jeugd terug. Hoewel hij lang niet meer in Amsterdam is geweest, komen de herinneringen sterk naar boven en krijgt alles door zijn tekentalent visueel gestalte. Hij heeft wel een probleem met de versie van de geschiedenis van Chris Bloemhart, die beweert de eerste bewoner te zijn van de Stichtstraat. De ik-figuur denkt daar anders over. Steeds meer is hij ervan overtuigd dat Bloemhart zijn verleden heeft aangepast. Aangezien de oorlog in het spel was, zou een trauma aan de grondslag hiervan kunnen liggen.

    Gellings schetst het beeld van het naoorlogse Amsterdam in een zeer tekenende stijl. De – vandaag zeer begeerde – buurt van Amsterdam-Zuid, achter de Rai, de Rivierenbuurt krijgt opnieuw vorm in de tekeningen van de verteller. Heel bijzonder is de mijmerende vertelstijl waarin de ik-figuur vandaag terugblikt op zijn jeugd en probeert zijn herinneringen te visualiseren. Iedereen beleefde de oorlog op zijn manier en de beelden die bovenkomen stroken niet met de waarheden die Bloemhart poneert. Gellings graaft verder in het verleden, in de herinneringen en verhalen van buren en ouders en reconstrueert aan de hand daarvan de ware toedracht. Niet alleen het eigen verleden wordt gereconstrueerd, maar ook dat van de buren en andere bewoners van de buurt. De mysteries worden stap voor stap ontrafeld en de puzzelstukjes vallen pas op het einde helemaal in elkaar. De auteur laat uitschijnen dat het liegen van Bloemhart niet zomaar vrijblijvend is: het is zijn manier om een persoonlijk drama en trauma te maskeren en verder te kunnen gaan met het leven.

    Serene vertelling

    Gellings voert verschillende personages op, maar de ik-verteller staat natuurlijk centraal. De wijze waarop de lezer samen met dat personage in het verleden en de herinneringen duikt, zorgt ervoor dat hij zich makkelijk met hem kan identificeren. Door het ik-perspectief te gebruiken twijfelt de lezer samen met de ik-verteller aan het verhaal van Bloemhart. Ook dit personage wordt uitstekend uitgediept en druppelsgewijs toont de auteur de beweegredenen van Bloemharts leugens. Naast de goed uitgewerkte personages, is de sfeer van zijn vertelling de grootste troef. De lezer wordt helemaal meegenomen en ondergedompeld in het Amsterdam van net na de oorlog en krijgt een haarscherp beeld van het leven in de Stichtstraat. Hij roept het moeilijke herstel van na de oorlog op waarin elkeen op zijn eigen manier probeert om te gaan met zijn oorlogservaringen. Hij weet hierin mooi te schetsen hoe dit voor de een al veel moeilijker verloopt dan voor de ander. Tegen de achtergrond van dit alles houdt Paul Gellings de toon heel sereen. Nergens klinken echte verwijten door, niemand wordt veroordeeld. Ondanks alle leugens en maskeringen tracht hij een waarheidsgetrouw beeld te schetsen van een moeilijke periode in het leven van de gewone mens. De roman lijkt een mix te zijn van memoires, oorlogsverhaal en whodunnit, maar finaal is het een mooie melancholische vertelling en herleving van het verleden. De poëtische vertelstijl blijft een handelsmerk van Paul Gellings en dat maakt de leeservaring zoveel dieper.

     

     

  • Een belangrijke Oekraïense stem

    Een belangrijke Oekraïense stem

    Met Mijn langste boektournee trekt Oksana Zaboezjko Europa en de wereld rond om het op te nemen voor haar vaderland Oekraïne in het conflict met de Russische agressor. De schrijfster vertrok aan de vooravond van het conflict naar Polen voor een boekvoorstelling en keerde niet meer terug. Sindsdien leeft ze in onvrijwillige ballingschap, maar haar stem wordt wel gehoord. In het kader daarvan werd haar verhalenbundel Zusters ook wereldwijd vertaald en werd het een groot succes. Oksana Zaboezjko behoort tot de belangrijkste Oekraïense schrijvers en dichters. Haar academische achtergrond en duidelijke standpunten zorgen ervoor dat ze wereldwijd gehoor krijgt.

    Aparte stijl

    Zusters is een zeer ontroerende bundel waarin de vrouwen van Oekraïne een stem krijgen. De politieke beslommeringen zijn nooit ver weg en zijn het decor waartegen de verhalen zich afspelen. Verhalen die gekenmerkt worden door een onderhuidse, sluimerende woede tegenover het misbruik door de politieke machthebbers. De verhalen van Zaboezjko lezen aanvankelijk niet eenvoudig. Het is niet makkelijk om zich onmiddellijk in te leven of in te lezen, maar voor wie doorbijt, ontvouwt zich een nieuwe wereld vol rijke woordenschat en ongeziene stijl. Het is een stijl vol beelden die aan elkaar geweven worden op onnavolgbare wijze. Lange zinnen, soms langer dan een bladzijde, vol nevenschikkingen, onderschikkingen, bijzin na bijzin, gescheiden enkel door komma’s en kommapunten. Zaboezjko associeert de hele tijd en in een soort van stream-of-consciousness slaagt ze erin heel rake formuleringen uit haar pen te laten vloeien. De personages zijn echt en de lezer voelt hun pijn, hun frustratie, hun gevecht. Gelukkig weet de schrijfster er ook humor in te steken door een en ander af en toe te relativeren.

    Altijd aanwezige politiek

    Zusters telt vijf aparte verhalen. In het eerste verhaal Zusje, mijn zusje verschijnt haar geaborteerde zusje aan Darka. In een verhaal vol tijdsprongen maakt de lezer kennis met een door de politiek gedwongen abortus, en hoe moeder en dochter daarmee (moeten) leren leven.

    In Meisjes wordt Darka opnieuw opgevoerd. Ze is op weg naar een klasreünie. Ook hier speelt de auteur opnieuw met de tijd. De lezer leeft mee met de ontluikende liefdesrelatie tussen Darka en het nieuwe meisje in de klas, Lena. Maar als de politiek zich subtiel begint te moeien, verraadt Darka haar vriendinnetje, en wordt Lena beschimpt en bespot.

    Het meest politiek gekleurde verhaal is ongetwijfeld Een album voor Gustaaf. Een Nederlandse journalist zoekt foto’s voor zijn reportage over de Oranjerevolutie. Hij komt terecht bij een Oekraïens koppel dat veel foto’s nam gedurende de maanden van de opstand. Het verhaal is een aanklacht tegen de sensatiezucht van de journalisten, die enkel de mooie plaatjes wilden, maar niet echt het conflict doorhadden. Zaboeskjo laat duidelijk uitschijnen dat Oekraïne wel degelijk democratisch was en eeuwenlang het Litouws wetboekmodel volgde, tot de Sovjet-Unie alles kapotmaakte. Aan de hand van de foto’s krijgt de lezer een waarheidsgetrouwe schets van de gewone burger die in opstand kwam tegen de pro-Russische Janoekovitsj. De gebeurtenissen rond het Maidanplein worden geschetst vanuit de ogen van zij die het werkelijk meemaakten. Gustaaf, de fotograaf, laat het allemaal aan zich passeren en heeft enkel oog voor de foto’s, niet voor het verhaal. Opnieuw ervaart de lezer de ingehouden, achterliggende woede en frustratie.

    Hier had uw reclame kunnen staan is het kortste verhaal uit de bundel en lijkt de vreemde eend in de bijt. Het handelt over een paar handschoenen gekocht in Wenen, waarvan er een verloren gaat. Banaal op het eerste gezicht, maar wanneer blijkt dat ze zeer goed passen bij de oranje sjaal van de revolutie, en dat de handschoenmaker later gestorven blijkt te zijn, krijgt ook dit verhaal weer een beladen betekenis.

    Na de derde bel geen toegang tot de zaal is het laatste en tevens  langste verhaal uit de bundel. Operazangeres Olha zit in de overgang en heeft het moeilijk met haar puberende dochter. De hormonen spelen bij beide vrouwen een rol, wat zorgt voor spanning en de conflicten laaien hoog op. Toch wil moeder haar dochter waarschuwen en een les meegeven voor het leven. Olha worstelt met een gebeurtenis die plaatsvond toen ze zelf zeventien was. Mede op instigatie van haar toenmalige liefje die een politieke schuld had in te lossen, ging ze naar bed met een man. Ze werd verkracht, maar twijfelt of het wel verkrachting was en gaat nog steeds gebukt onder zware schuldgevoelens. Ze heeft het nu lastig met haar dochter die volwassen wordt en een relatie heeft met een verminkte soldaat.

    Verplichte literatuur

    Zusters is een relevante en belangrijke verhalenbundel die de wereld toont hoe de vrouwen van Oekraïne worstelen met hun identiteit en getekend worden door het aanhoudende politieke conflict. Zaboesjka wil de gewone mens een stem geven en doet dat op een heel eigen manier. De enorme woordenstroom zorgt ervoor dat de lezer in een stroomversnelling terechtkomt en blijft lezen, ondanks de lange zinnen die nochtans heel soepel ogen. De verhalen zijn schrijnend, maar swingen en vallen nooit in. De stem van Zaboeskja zou vandaag iedereen moeten horen voor een beter begrip van het leven van de gewone mens tegen de achtergrond van de Oekraïens-Russische oorlog.

     

     

  • In memoriam Wessel te Gussinklo (1941-2023)


     

    Met Wessel te Gussinklo verliest de Nederlandse literatuur een volstrekt unieke stem. Het duurde lang voor de in Utrecht geboren auteur erkenning kreeg. Het stigma ‘miskend genie’ kon zeker op hem gekleefd worden. Toen hij in 2019 de BookSpot Literatuurprijs ontving voor De Hoogstapelaar, leerde ik de schrijver en zijn werk beter kennen. In de eerste week van het nieuwe jaar maakte ik een afspraak met hem voor een interview voor Literair Nederland. Hij nodigde me uit naar zijn woonplaats Kamperland in Noord-Beveland, Zeeland te komen. Het was bar koud, zijn vrouw Odilia zou erwtensoep maken waaraan we ons konden warmen, zo zei hij. 

    De avond voor ons interview belde Te Gussinklo of we het interview niet per telefoon konden doen. De heisa van de voorbije maanden rond de BookSpot had zijn tol geëist. Hij was moe en had zijn rust nodig. Het werd een telefonisch interview dat enkele uren duurde. Zowel de schrijver als ikzelf genoten enorm van dit onderhoudende gesprek.


    Van miskend naar laureaat

    Het werk van Te Gussinklo was tot dan toe onder de radar gebleven, de BookSpot had daar verandering in gebracht. Nochtans was te Gussinklo geen onbekende in het literaire wereldje. Na zijn studies psychologie in Utrecht en Zürich besloot hij zich al gauw te wijden aan de literatuur. Hij schreef essays die gekenmerkt werden door hun maatschappijkritiek en zijn eigenzinnige filosofische denkbeelden. Zelf hield hij meer van zijn romans. Het was een lange weg om daar gehoor voor te vinden. Pas na tien jaar vond hij een uitgever voor De verboden tuin (1986), waarvoor hij prompt de Anton Wachterprijs kreeg. In dat boek voert hij voor het eerst Ewout Meyster op, een tienjarige eigenzinnige jongen die leeft in zijn eigen paradijselijke wereld. 

    Ewout Meyster kan gerust het alter ego van Wessel te Gussinklo genoemd worden en zal daarna nog in nog drie andere boeken verschijnen. De tetralogie rond dit hoofdpersonage wordt ook wel het magnum opus van Te Gussinklo genoemd. In De opdracht (1995) gaat de veertienjarige Ewout naar een zomerkamp voor kinderen van oorlogsslachtoffers. Ewout Meyster probeert door de jaren (en de boeken heen) te ontsnappen aan zijn dominante moeder en afwezige vader. Ook hier zien we de parallellen met de schrijver. Te Gussinklo’s vader werd in 1944 door de Duitsers geëxecuteerd. De opdracht kende meerdere herdrukken, werd genomineerd voor De Gouden Uil en de Libris literatuurprijs en kreeg drie andere literaire prijzen. 


    Periode van stilte

    Daarna wordt het wat stil rond de schrijver. Er worden nog een aantal essays gepubliceerd en als in 2008 zijn toenmalige vrouw sterft door een ongeval, is het gedaan met schrijven. Hij is zijn inspiratie en zijn pen kwijt. Tot hij zijn tweede vrouw Odilia ontmoet. Zij wordt zijn muze en moedigt hem aan opnieuw te gaan schrijven. Wessel te Gussinklo probeert verder te werken aan zijn Ewout Meyster-cyclus, maar het lijkt hem niet te lukken. 

    Dan verschijnt in 2014 Zeer helder licht. Hijzelf vond dit ongetwijfeld zijn beste roman, maar voelde zich gepasseerd. Hij had, naar eigen zeggen, zonder enig voorbehoud de AKO-literatuurprijs hiervoor moeten krijgen, maar die ging naar Oorlog en terpentijn van Hertmans. Ik kende Zeer helder licht niet, maar na het interview stuurde Wessel te Gussinklo me het boek met een mooie opdracht. Het blijft een van de mooiste herinneringen aan een empathische, en in eerste instantie miskend schrijver.

    Het boek is inderdaad een parel, een eigenzinnige, maar luchthartige liefdeshistorie. In 2015 verscheen zijn controversiële, maar zeer gewaardeerde essay We zullen aan God gelijk zijn. Ondertussen werkte de schrijver ijverig verder aan zijn Ewout Meyster-boeken. In 2019 publiceerde hij, bijna vijfentwintig jaar na het eerste deel, De hoogstapelaar, een hoogtepunt in de Nederlandse literatuur. Ewout is ondertussen zeventien en een snoever. Een buitenstaander die zijn weg probeert te vinden, die iets wil bereiken en zich vergelijkt met Churchill, Roosevelt en zelfs Hitler. 

    Dichter bij zijn alter ego komt Wessel te Gussinklo niet. Net als Ewout dweept hij met Sartre: ‘Sartre was voor mij een verlossing. Alle zaken die hij beschrijft, zag en voelde ik ook. Maar die herkende ik niet bij anderen. Die waren allemaal argeloos en naiëf zichzelf, vrolijke jongetjes en kindertjes, ik niet! Ik zat voortdurend te tobben, allemaal vreemde dingen te denken, dat ik gek was of  ernstig gestoord. Sartre was helemaal nieuw, modieus, schokkend, verrassend. Ewout  is gewoon iedereen voor, hij is een van de weinigen aan de spits van het nieuwe. Ewout herkent zichzelf in de ideeën van Sartre. Hij is niet alleen beïnvloed door hem, hij herkent zichzelf in Sartre. Hij heeft een soort van schok van herkenning in Sartre, wat ikzelf ook heb gehad. Zo zit het dus in elkaar!’


    Tetralogie voltooid

    En nog was het niet gedaan met Ewout. In Op weg naar De Hartz (2021) maakt hij de laatste keer zijn opwachting. De nu 23-jarige Ewout leert de liefde en de filosofie kennen, maar wordt geteisterd door verraad en bedrog. Te Gussinklo kon de Boekenbon literatuurprijs zelf niet meer ophalen. Hij was toen al te ziek: een leveroperatie en hartproblemen teisterden zijn toen al tanende gezondheid. Hij bleef echter verder schrijven tot het eind. 

    Het werk van Wessel te Gussinklo neemt  in de Nederlandse literatuur een unieke plaats in. Dat het grote publiek niet volgde, deerde hem niet. Hij vond zichzelf wel de betere literator in ons taalgebied en liet zich wel eens laatdunkend uit over de stijl van Pfeiffer, Uphoff of andere populaire schrijvers. Hij zocht het mediacircus niet op en bleef altijd zijn eigengereide zelve. Hij was evenwel de ideale gesprekspartner, hij nam zijn tijd, bleef geïnteresseerd en schuwde de discussie niet. Zijn dwepen met Sartre en Mulisch en zijn eigendunk maakten hem misschien minder geliefd bij zijn collega’s. 

    En wat te zeggen over zijn boeken? Zijn moeilijk toegankelijke en ietwat archaïsche stijl hebben een inlooptijd nodig. Eens gewend aan de stijl, word je als lezer omvergeblazen door zijn virtuositeit. Hij ontdoet zijn onderwerp van alle franjes en graaft naar het ongrijpbare en onnoembare. Hij gebruikt daarvoor een taal die volstrekt uniek is, alleen al het woord ‘hoogstapelaar’ getuigt daarvan. 

    Toen ik hem aan het eind van ons interview vroeg hoe hij wilde dat zijn schrijverschap herinnerd zou worden, antwoordde hij, ‘Ik hoop dat er over mijn schrijverschap gezegd zal worden: hij was de meest kwaliteitsrijke Nederlandstalige schrijver van de afgelopen decennia. Het is wel  een steen in een vijver gooien, maar wat Van het Reve al zei: de dingen altijd voor je houden is ook niet goed, dus, nou ja.’

    Wessel te Gussinklo overleed woensdag thuis in Kamperland, waar hij sinds 2007 woonde. Hij werd 82 jaar.

     

     


    Lees hier het interview uit 2019.
    Auteursfoto via uitgeverij Koppernik.



  • De hopeloze zoektocht van een existentialist

    De hopeloze zoektocht van een existentialist

    Vreemd hoe grote talenten soms vergeten worden. Daarom is het noodzakelijk om af en toe eens te grasduinen in ons literaire verleden en meesterwerken van onder het stof te halen. Uitgeverij Koppernik bracht Het verbrande kind van Stig Dagerman opnieuw uit. Deze Zweed werd bestempeld als een van de grootste Europese schrijvers ooit, maar belandde in de vergeethoek. In de jaren veertig van vorige eeuw debuteerde hij met De Slang, schreef nog enkele korte verhalen en bracht in 1948 zijn meesterwerk Het verbrande kind uit. Daarna bleef het stil rond hem tot zijn zelfmoord op 31-jarige leeftijd in 1954.

    Existentialist pur sang

    Als journalist reisde Dagerman in 1946 door het vernietigde Europa en het zien van al die ellende heeft zeker een grote invloed gehad op zijn werk. Hij is een existentialist pur sang en treedt daarmee in de voetsporen van Sartre en Camus, maar anders dan bij hen straalt uit zijn werk een bodemloze diepte en peilloze leegte. Waar de anderen proberen om die leegte te vullen door zelf doortastende keuzes te maken, falen de personages van Dagerman onherroepelijk. Alles eindigt steeds in hypocrisie, (zelf)bedrog, angst en wanhoop.

    Spel van bedrog en leugens

    Het verbrande kind opent met de begrafenis van een vrouw. Het is de moeder van de 20-jarige Bengt. Hij belandt daardoor in een zeer diepe crisis en krijgt weinig steun van zijn schijnbaar opgeluchte vader. Al gauw wordt duidelijk waarom. Vader heeft al geruime tijd een affaire met een zekere Gun. Het verdriet en de rouw van Bengt slaan om in een blinde woede en haat jegens zijn vader en hij zint op wraak. Zijn vriendin Berit kan geen soelaas brengen. Hij heeft een heel koude relatie met haar en probeert afstand te nemen en te houden. Zijn wraak zal er uiteindelijk in bestaan door zelf een relatie aan te gaan met Gun, de minnares van zijn vader. Zo belandt ook hij in een spel van bedrog en leugens. Uiteindelijk trouwt Bengt toch met Berit, maar een mislukte zelfmoordpoging toont al aan dat het niet zo’n gelukkig huwelijk is. De blijvende zoektocht naar geluk en liefde eindigt steeds in angst en wanhoop.

    Beklemmende sfeer

    Dagerman heeft een aparte stijl. Hij schrijft zeer krachtig proza op een gebalde en afstandelijke manier. Die bijzondere stijl voelt bevreemdend aan en dat is ook de bedoeling. In de openingsscène heeft hij het over de vrouw, de echtgenoot en de zoon, zonder een zweem gevoel. Het begrafenisritueel beschrijft hij zeer koel en de beklemmende sfeer houdt hij de hele tijd aan. Ook in zijn taal probeert hij aan te geven dat het leven leeg, koud en onverschillig is. Bengt probeert op zoek te gaan naar liefde en vriendschap om die leegte te vullen, maar faalt daar faliekant in. Soms lijkt het alsof de leegte draagbaar is, in die luttele momenten dat hij opgaat in de intimiteit met Gun of Berit, maar de leegte vullen lukt niet.

    Het verhaal wordt onderbroken door brieven van Bengt aan zichzelf. Ook hier wordt de lezer geconfronteerd met de hopeloze zoektocht van Bengt. Net als in Camus’ De mythe van Sisyphus kent Bengt korte momenten van geluk, zoals Sisyphus wanneer hij de steen weer ophaalt om naar boven te rollen, alleen zijn ze bij Bengt een stuk korter. Dagermans werk zit daarnaast ook vol met symbolen en motieven. Zo is er de steeds terugkerende rode jurk, het paar schoenen, de hond en vooral de brandende kaars, waaraan ook Bengt zich verbrandt. Net als zijn vader, net als de mensheid is hij evenmin vrij van bedrog en hypocrisie en is hij dus ook ‘verbrand’. Ook in het echte leven geraakt Dagerman niet uit deze existentiële crisis en zal dat dus leiden tot zijn zelfmoord in 1954.

    Het verbrande kind leest aanvankelijk wat stroef door de afstandelijkheid, die herinnert aan de stijl van de Nieuwe Zakelijkheid. Maar anders dan de Bordewijks en Elsschots van toen, slaagt Dagerman erin met zijn afstandelijke stijl bijzondere en diepe emoties op te roepen die raken aan onze meest duistere angsten en twijfels. Het boek zet de na-oorlogse mens een spiegel voor en raakt tot in de kern van de ziel. De diepste zielenroerselen komen er op een ongemakkelijke manier in naar boven en het zet aan tot denken over liefde en haat, hoop en wanhoop, leven en dood. Het verbrande kind is het zeker waard om afgestoft te worden en opnieuw de aandacht te krijgen die het verdient.

     

     

  • Traumaverwerking in naoorlogs Duitsland

    Traumaverwerking in naoorlogs Duitsland

    In Duitsland worstelen nog steeds heel wat mensen met het traumatische verleden dat hen is opgezadeld door de Tweede Wereldoorlog. De foute keuzes of al dan niet opgelegde rollen van verre en dichte familieleden zorgen nog steeds voor gevoelens van schaamte en verwarring. Op zijn 73ste schreef Edgar Selge de frustraties hierover van zich af in de semi-autobiografische roman Eindelijk heb je ons gevonden. Het werd onmiddellijk bestempeld als een van de belangrijkste boeken over de verwerking van trauma’s en het opgroeien in het na-oorlogse Duitsland. Belangrijk ook, omdat de auteur niet zomaar de eerste de beste is. Edgar Selge is in Duitsland een gevierd acteur. Vooral zijn rol als commissaris Tauber in Polizieruf-110 staat op het netvlies gebrand van elke Duitse Krimi-liefhebber. Daarnaast speelde hij in tientallen andere reeksen en films. Eindelijk heb je ons gevonden is zijn debuutroman.

    Pijnlijk verleden

    Premisse van de roman is de relatie tussen ouders en hun kinderen in het naoorlogse Duitsland. Edgar is de vierde van vijf zoons in een familie die een prominente rol heeft in de maatschappij. Vader is directeur van een jeugdgevangenis en probeert zijn rol in de gemeenschap weer in te nemen na de Tweede Wereldoorlog. Vader is streng en tiranniek voor zijn kinderen, maar heeft ook een zachter kantje. Zijn grote passie is muziek. Zelf is hij een niet zo begenadigd pianospeler, maar af en toe geeft hij samen met andere muzikanten huisconcerten waarop ook de jeugddelinquenten worden uitgenodigd. Het gezin is getekend door twee gebeurtenissen uit het verleden, die maar met mondjesmaat doorheen het verhaal naar boven komen. Enerzijds is er de rol van de vader in de Tweede Wereldoorlog. Die was niet zo koosjer. Ook na de oorlog onderhield hij als gevangenisdirecteur nog vriendschappelijke betrekkingen met foute en veroordeelde nazi-officieren. Toen dat aan het licht kwam, werd hij overgeplaatst naar de huidige instelling. De aanwezigheid van vooroordelen van rechtsnationalisten, het onderliggende antisemitisme zit kort na de oorlog nog steeds ingebakken bij heel wat Duitsers en vormt de ondertoon bij veel uitspraken en acties van de oudere personages in het boek. Anderzijds gaat het gezin ook gebukt onder een grote rouw, maar vooral het verdringen van het verdriet over de dood van een van de kinderen. Die sloeg met een croquethamer op een handgranaat en overleefde het ongeval niet. Impliciet wordt hier vaak naar verwezen, maar vader snoert iedereen de mond die erover begint.

    Gedeeld trauma

    Eindelijk heb je ons gevonden kan de lezer pas volledig doorgronden wanneer alle puzzelstukjes in elkaar vallen. De worsteling met het verleden leidt tot een generatieconflict in het gezin Selge. Muziek is het enige dat hen verbindt. Zonder muziek is er geen gezin, want vaders houding zorgt voor een definitieve verwijdering van al zijn zonen. Die komen elk op hun manier in verzet tegen hun vader en hebben elk hun eigen manier om aan hem te ontsnappen. Als de jonge Edgar kenbaar maakt aan zijn broers dat hij niet alleen lichamelijk mishandeld wordt door vader, maar dat er ook sprake is van seksuele opdringerigheid, antwoorden de broers met een lakonieke ‘been there, done that.’ Het verzet van de jonge Edgar die zich stort in film en kunst en steelt om zijn escapades te kunnen betalen, wordt steevast ‘beloond’ met de harde riem van vader, terwijl moeder ook maar lijdzaam toeziet.

    Haat en liefde

    Selge bouwt zijn verhaal op aan de hand van kleine voorvallen en anekdotes uit zijn jeugd. Het lijkt op een verwerking van niet alleen de trauma’s uit zijn jeugd, maar ook de rouwverwerking van de dood van zijn broers. Bovendien probeert hij de moeizame relatie met zijn vader te duiden: een verhaal van liefde en opgekropte woede, van aantrekken en afstoten, want ondanks de foute keuzes en de mishandeling door zijn vader, herkent hij heel wat daarvan in zichzelf. In een aangrijpend laatste hoofdstuk over de korte ziekte en dood van zijn broer Andreas legt Slege zijn hele ziel bloot. Hij spreekt zijn broer toe en probeert de daden van zowel zijn ouders als zichzelf te verklaren. In de dromen die hij heeft over vader en moeder komen de trauma’s weer boven, maar zit altijd ook een verbondenheid vervat. Het resultaat is een melancholisch verhaal van aantrekken en afstoten, van geweld, verdriet, maar ook liefde. De personages zijn echt en hoewel niet alles autobiografisch is, is het wel een krachttoer om de sfeer en de verwerking van het opgroeien in het naoorlogse Duitsland perfect weergegeven, gekaderd, in kleine, maar betekenisvolle anekdotes. Bovendien doet Selge dat in de juiste stijl die eveneens aantrekt en afstoot. Prachtig geformuleerde zinnen met humoristische toetsen en gruwelijke gebeurtenissen. Qua traumaverwerking van een generatie kan dit zeker tellen.

     

  • Mooie verzameling van essays

    Mooie verzameling van essays

    Carel Peeters kan gerust een ‘eminence grise’ genoemd worden in de wereld van de literaire kritiek. Niet alleen was hij hoogleraar in deze discipline, daarnaast kent het grote publiek hem vooral van zijn vele bijdragen in ‘zijn’ Vrij Nederland. Hij was een tijd hoofdredacteur, maar het meest gekend zijn ongetwijfeld zijn kronieken of essays. 51 daarvan werden nu gebundeld in Lof van de combinatie, een eigentijdse verzameling van zijn beschouwende en persoonlijke ideeën over verschillende denkers van vroeger en nu. Opvallend is dat hij verschillende van deze essays ook herwerkte: hij was immers niet meer gebonden aan de plaatsbeperkingen die eigen zijn aan het tijdschrift.

    Ars combinatoria

    Uitgangspunt van Lof van de combinatie zijn de ideeën uit het 13e-eeuws werk Ars combinatoria van de Spaanse arts Ramon Llull. Deze deed een poging om via verschillende combinaties de grote godsdiensten (christendom, islam en jodendom) te verzoenen. Carel Peeters stelt dat het precies de prikkelende combinaties zijn die het eigenzinnige genre van het essay hebben grootgemaakt. Wanneer verschillende soorten kennis en emoties gecombineerd worden, kan men dieper doordringen tot de werkelijkheid. Door te nuanceren en te precizeren wordt het makkelijker om moeilijke zaken uit te leggen. Door te combineren wil hij verschillen laten ontstaan. Kruisbestuivingen, paradoxen en tegenstrijdigheden zorgen voor een juister begrip. Daarnaast bekritiseert hij het hyperindividuele collectivisme, maar paradoxaal genoeg niet het individualisme. Dat wordt daarentegen wel bedreigd volgens Peeters door de combinatie van sociale media en het neoliberalisme.

    Affiniteiten

    Naast een inleidend essay over de Ars combinatoria en een afsluitende Coda bestaat het werk uit verschillende delen die draaien rond een centraal thema. In het eerste deel behandelt hij denkers waarmee hij Affiniteiten heeft. Niet toevallig zijn de eerste twee essays hierin gewijd aan Menno Ter Braak waarmee Peeters lijkt te dwepen. Ter Braak noemt hij de uitzonderlijke combinatie van een rebelse puber en een gezwinde grijsaard.  Zijn reflectie over Ter Braaks Het nationaalsocialisme als rancuneleer uit 1937 is bijzonder. Daarin vergelijkt hij de rancune en boosheid over de wereld met vandaag. Hij noemt rancune een inherent onderdeel van de democratie en schetst de parallellen met de hedendaagse extreemrechtse partijen die door demagogie en simplisme de Europese cultuur bedreigen.

    Niet door één deur

    In Niet door één deur zijn de essays gewijd aan auteurs en denkers die volledig ingaan tegen Peeters’ eigen denkbeelden en waar hij een absolute hekel aan heeft. Hij schrijft rechttoe rechtaan en geeft ongezouten zijn mening. Hij verwijt Thierry Baudet het misbruik van Serotonine van Houllebecq. Baudet gebruikt het als pleidooi voor een wedergeboorte van de tradtionele waarden, weg van de vrijheid van het liberalisme en het individu. De intellectuele verleiding van Frits Bolkestein noemt Peeters weinig genuanceerd of diepgravend. De brutale uitspraken van Bolkestein bewijzen enkel dat hij vol is van zichzelf. En in Een digitale draaitol neemt hij wonderkind van de moderne essayistiek Allesendro Baricco op de korrel. Diens The Game over de digitale revolutie noemt hij populistisch en weinig consequent.

    Coda

    Oud en sterk lijkt wel een ode te zijn aan de klassiekers die hem boeien en die een blijvende invloed op hem hebben. Naast essays over Thomas More en Francis Bacon is vooral Twee soorten heersers een interessant essay. Daarin plaatst hij Erasmus en Machiavelli tegenover elkaar, elk met hun eigen tegengestelde denkbeelden over oorlog en vrede, en opnieuw maakt hij de link met vandaag. In het Innerlijk rijk exploreert Peeters het psychische vermogen van de mens, maar laat hij niet na zijn combinatieleer te gebruiken zoals Over optimistisch pessimisme duidelijk aantoont. Het poëtisch beginsel bekijkt hoe dichters doorheen de jaren de kunst van het combineren op een hoger niveau hebben gebracht zoals bijvoorbeeld het oorlogsdagboek van Hanny Michaelis duidelijk aantoont.  Het laatste hoofdstuk krijgt de titel Enigma’s en is een amalgaam van essays die niet passen in de vorige delen, maar wel over het combineren gaan. Peeters sluit af met een indrukwekkend Coda, waarin hij pleit voor een individualisme dat samengaat met betrokkenheid zoals hij het zag en las bij zijn leermeesters Ter Braak en du Perron.

    Lof van de combinatie is een mooie verzameling van essays die ook vandaag nog relevant zijn en die doen stilstaan bij enkele belangrijke evoluties. Peeters leert dat we door de kunst van het  combineren zaken in een ander perspectief kunnen plaatsen en zo tot nieuwe inzichten kunnen komen. Bovendien trekt hij veel parallellen tussen vroeger en nu en waarschuwt hij voor de negatieve elementen die onze huidige maatschappij bedreigen. Het werk is geen pageturner, maar een naslagwerk om af en toe een essay na te lezen en nodigt absoluut uit om de besproken figuren en werken van naderbij te bestuderen.

  • Lessen uit het verleden

    Lessen uit het verleden

    In 2012 verwierf kunsthistoricus en redacteur bij de Frankfurter Allgemeine Zeitung Florian Illies wereldwijd faam met zijn aparte vertelling 1913: Het laatste gouden jaar van de twintigste eeuw, een caleidoscopische verzameling van anekdotes en fragmenten die zorgden voor de perfecte evocatie van dat bijzondere jaar. In zijn nieuwe boek doet hij deze krachttoer nog eens over. Liefde in tijden van haat 1929-1939 is een unieke, maar bonte verzameling fragmenten uit dagboeken, brieven, biografieën en andere persoonlijke documenten van de toenmalige beaumonde van Berlijn, en bij uitbreiding Europa. Illies schetst een verrassend en intiem beeld van een periode waarover al heel wat inkt is gevloeid. De manier waarop hij alles presenteert is echter zo uniek en beeldend dat men qua sfeerbeeld niet om dit boek heen kan.

    Politieke context

    Liefde in tijden van haat 1929-1939 mist in de Nederlandse vertaling zijn ondertitel: Chronik eines Gefühls, een subtitel die spijkers met koppen slaat. Gevoelens en erotiek vormen de hoofdbrok in deze verzameling. Illies koos voor deze periode omdat die zorgde voor een rollercoaster aan emoties. Het is belangrijk om toch iets van de politieke geschiedenis en achtergrond te kennen om het werk volledig te begrijpen. Na de Eerste Wereldoorlog zit men nog vast in onverwerkte trauma’s en de wederopbouw. Men probeert dit achter zich te laten en de roaring twenties zorgen voor een sfeer waarin alles lijkt te kunnen en te mogen, met heel veel verdraagzaamheid en openheid, een periode van seksuele revolutie avant-la-lettre, opvallend liberaal en experimenteel. Vanaf 1929 echter komen er barsten in dat vrijheidsgevoel: de beurscrash zorgt voor een eerste deuk van onzekerheid en dan is er ook de gestage groei van het nazisme en de macht van Hitler. In 1933 komt het keerpunt. Alles wat voorheen mocht en kon, wordt door het nieuwe regime aan banden gelegd en zal uiteindelijk uitmonden in de Tweede Wereldoorlog. Tegen deze achtergrond moeten we het werk van Illies lezen.

    Carpe Diem

    Hij verdeelt zijn werk ook mooi in drie delen: Ervoor, 1933, Erna. Hij heeft er bewust voor gekozen de levens van de artistieke en intellectuele elite als focus te nemen en niet dat van de gewone mens. Dat had enerzijds een praktische reden, er was van bekende kunstenaars, filosofen en schrijvers veel materiaal voorhanden, en anderzijds sprak het ook meer tot de verbeelding. Zij waren precies die vrijgevochten zielen die graag experimenteerden en het niet zo nauw namen met de huwelijkse trouw. Bertolt Brecht en Lotte Lenya, Marlène Dietrich, de hele familie Mann, Leni Riefenstahl, maar evenzeer Sartre en De Beauvoir, Hemingway, Anaïs Nin en Henry Miller, Picasso… allemaal passeren ze de revue met hun kleine kantjes en bijzonder seksuele voorkeuren. Bovendien geeft het werk ook een bijzondere kijk op de verhouding tussen en de positie van mannen en vrouwen in die maatschappij. De vrouwen waren modern, stonden op hun persoonlijke vrijheden en rechten. Ze namen belangrijke posities in en waren onafhankelijk. Ze experimenteerden met allerlei vormen van liefde en seks, zowel met mannen als vrouwen, hielden zich niet in voor ménages à trois. De mannen kwamen hardvochtig en weinig empathisch over en hielden zich voor niets of niemand in, zeker niet op het vlak van de liefde. Bertolt Brecht en Pablo Picasso worden niet getekend als de meest attente mannen, en dat is slechts een understatement. Voor 1933 leefde men op een roze wolk en het carpe diem-principe voerde de boventoon. De tolerantie voor alle mogelijke liefdesrelaties waarvoor de LGBTQi-beweging nu vecht was toen een feit.

    Keerpunt 1933

    Aan alle vrijheden die men zich veroorloofde, kwam een abrupt einde in 1933 toen Hitler aan de macht kwam. De oude waarden kregen de bovenhand en het was terug naar af. Joden kregen de schuld van alles en moesten halsoverkop met hebben en houden het land verlaten, mooie liefdesrelaties tussen hetzelfde geslacht werden gedwongen in de kiem gesmoord. Dat leidde tot massale emigratie van de artistieke elite, maar vaak ook tot persoonlijke drama’s met extreme armoede of zelfdodingen tot gevolg. Dichteres Else Lasker-Schüler, grande dame van het Duitse expressionisme, wordt op straat in elkaar geslagen met een gescheurde tong als resultaat en kon wekenlang niet meer spreken. Erik Kärstner zag zijn werk en dat van vele van zijn vrienden als Heine, Mann en Remarque in de boekenverbranding verloren gaan. Tegelijkertijd gaan Sartre en De Beauvoir in Berlijn gewoon verder met hun seksuele escapades alsof er niets aan de hand is.

    Sfeerschepping

    Illies probeert met zijn montage- en collagetechniek vooral aan sfeerschepping te doen. Hier en daar dikt hij de anekdotes wat aan met persoonlijke opmerkingen en commentaren, maar het grote oordeel laat hij uiteindelijk over aan de lezer zelf. Hij voert honderden bekende figuren op en laat ze zelf aan het woord. De tegenstellingen zijn vaak groot tussen man en vrouw, jood en niet-jood, Europeaan en Amerikaan, maar allemaal werden ze geraakt en beïnvloed door deze bijzondere periode in de twintigste eeuw. Illies lijkt tussen de regels door ook te waarschuwen voor de tekens vandaag: het extreme wokedenken, het op de helling staan van verworven vrijheden (abortus, homohuwelijk in de VS), de oorlog in Oekraïne, de antivaxers… Er lijkt opnieuw haat te worden gezaaid na een periode van relatieve welvaart. Hij lijkt de mensen te waarschuwen om niet in dezelfde val te lopen als in 1933. Daarom blijft het belangrijk aandacht te hebben voor het verleden en hieruit te leren.

    Liefde in tijden van haat 1929-1939 is geen roman, maar een anekdotische vertelling en zo moet ze ook gelezen worden. Niet in één ruk doorlezen, maar gestaag, af en toe een aantal bladzijden en ze laten bezinken en overdenken. En vandaaruit verbanden leggen en conclusies trekken. Een oefening, maar de moeite waard.

     

     

  • Een conflict vanuit verschillend perspectief

    Een conflict vanuit verschillend perspectief

    Maart 2016. Brussel en Parijs worden opgeschrikt door vreselijke aanslagen met tientallen doden en gewonden. Niets wordt meer zoals voorheen en tot vandaag voelt men in beide steden de naweeën van deze terroristische aanslagen. De Spaanse journaliste en bestsellerschrijfster Julia Navarro gebruikt deze context om een intrigerend boek te schrijven over de complexiteit van de hedendaagse samenleving. Na het gigantische succes van Zeg me wie ik ben, ook populair geworden door de verfilming, gaat ze op zoek naar een nieuw succes, al valt te betwijfelen of Vanuit het niets langs dezelfde hoge toppen scheert.

    Leeftijdsgenoten, de een Arabier, de ander Jood

    Tijdens een mislukte Israëlische missie in Libanon waarbij men de terroristische leider sjeik Mohsin tracht uit te schakelen, zijn Abir en Ismail getuige van de dood van hun ouders. Abir zweert wraak, maar wordt tegen wil en dank overgebracht naar Parijs waar hij samen met zijn broertje wordt opgevoed door zijn oom Jamal. Het verschil tussen de open, liberale samenleving en het verstikkende fundamentalisme van het gezin waarin hij opgroeit, valt hem zwaar. Als hij bovendien keer op keer afgewezen en vernederd en uitgemaakt wordt door Marion, het meisje uit zijn klas waar hij een oogje op heeft, maakt hij zijn keuze. Hij keert zich definitief af van de Westerse samenleving, wordt lid van De Cirkel, een terroristische organisatie en wordt in Afghanistan opgeleid tot martelaar. Daarnaast is er de Franse, katholieke jongen Jacob Baudin. Hij groeit op in Beiroet waar zijn vader werkt, maar ook zijn gezin verhuist naar Parijs. Hij krijgt eveneens te maken met bespottingen en beschimpingen omwille van zijn ‘rare’ accent. Als zijn vader plots overlijdt, neemt zijn moeder hem mee naar Israël en vertelt ze hem dat hij eigenlijk een jood is. Hij worstelt met zijn joodse identiteit en wordt diesntweigeraar. Als  informaticaspecialist komt hij uiteindelijk toch terecht bij de geheime dienst. Bij de mislukte missie in Libanon is hij getuige van de moord op Abirs ouders en hoort hij de verwensingen van Abir.Hij wordt verscheurd door schuldgevoelens bij het aanhoren van de jammerkreet van deze jongen. Twintig jaar na deze feiten worden in Brussel verschillend terroristische aanslagen gepleegd. Jacob  herkent de stem van Abir wanneer de aanslagen worden opgeëist. Omdat Brussel, zetel van verschillende internationale instellingen zoals de NAVO en de EU, het doelwit is, werken de geheime diensten van verschillende landen samen om de dader te vatten.

    Slachtoffers en daders

    Vanuit het niets is een fantastisch opgezette roman die jammer genoeg zijn uitwerking mist. Het uitgangspunt is knap: Navarro wil een conflict, een aanslag van beide kanten belichten, zowel vanuit de kant van de dader, als vanuit de kant van het slachtoffer. Door betrokkenen van beide zijden op te voeren, de een geplaagd door wraakgevoelens, de andere door schuldgevoelens, creëert de auteur een spanningsboog die veel mogelijkheden biedt. De thema’s die zij aanraakt zijn legio.

    Vanuit het niets is een verhaal over identiteit en de zoektocht ernaar, over thuisgrond, over de complexiteit van de huidige samenleving waarin Westerse en Oosterse waarden en normen moeilijk met elkaar te verenigen zijn. Ook speelt op de achtergrond het historische conflict in Libanon en de hele Israëlische kwestie een rol.

    Te veel en te vol

    We krijgen een inkijkje in de opinies en motieven van de hoofdrolspelers en hun stappen worden tot in detail beschreven. De nevenpersonages zijn echter te stereotiep en verdienden meer aandacht: de fundamentalistische en autoritaire oom Jamal of de flirterige en vrijgevochten Marion bevestigen alleen maar de clichés. Het boek verliest geloofwaardigheid omdat te veel toevalligheden uit heden en verleden plots met elkaar in verband staan. Het lijkt alsof Navarro te veel in één keer heeft willen vertellen. Op het einde komen ook veel (irrelevante) personages aan bod die niet echt bijdragen aan het verhaal. Ook aan de dialogen schort het een en ander, deze komen soms gekunsteld over. Wat ook stoort zijn de vele herhalingen van (ook letterlijke )uitspraken van de beide hoofdpersonen of van de beschrijving van gebeurtenissen.

    Vanuit het niets evenaart niet de kwaliteit van Navarro’s voorgaande boeken, hoewel de idee die erachter schuilt boeiend is. Navarro wil dat de lezer nadenkt over de verander(en)de wereld in al zijn complexiteit. Ze wil de mens leren samenleven met en naast elkaar, met begrip voor elkaars waarden en normen. Als politiek journaliste heeft ze kennis van zaken en de insteek is zeker interessant, alleen jammer dat de uitwerking niet helemaal aanslaat.

     

  • Wie zijn we en hoe moeten we ons gedragen?

    Wie zijn we en hoe moeten we ons gedragen?

    ‘Wie zijn we?’ Een vraag die de mensheid, en inzonderheid de filosofie, al eeuwenlang bezighoudt. Deze existentiële vraag is ook het uitgangspunt van Charles Foster. Deze Britse excentriekeling maakte naam op vele gebieden: naast auteur is hij ook afgestudeerd diernenarts, doceert hij medisch recht en ethiek in Oxford, is hij advocaat, amateur-muzikant en vader van zes kinderen. In 2017 verscheen zijn aparte boek Leven als een beest waarin hij onderzocht in hoeverre je je als mens kan verplaatsen  in een ander wezen. Hij had al tig boeken over het onderwerp gelezen, maar dat bracht hem geen voldoening en dus besloot hij enkele maanden effectief in de huid te kruipen van een das, otter, vos, hert en gierzwaluw. Het boek werd prompt een bestseller. Dat moest dus een vervolg krijgen en het resultaat is Leven als een mens. Daarin gaat hij nog steeds op zoek naar het antwoord op de initiële vraag en ditmaal kruipt Foster in de huid van onze voorouders. Zijn uitgebreide boekenkennis deed hem drie cruciale periodes uit onze geschiedenis selecteren die bepalend geweest zijn voor onze (in zijn ogen) negatieve evolutie en die zowat 35.000 van de voorbije 40.000 jaar omvatten.

    Doodsteek van ons mens-zijn

    Eerst dompelt hij zich samen met zijn zoon Tom onder in het leven van de jager-verzamelaar uit het laatpaleolithicum. In de bossen van Derbyshire worden ze één met de natuur en het heelal, overleven op roadkill en hebben heel wat transcendentale belevingen. Het blijft volgens Foster de periode waarin we echt mens waren. Vanaf dan ging het alleen maar bergaf. In het neolithicum lag de kiem van ons verlies aan het échte leven. We werden sedentaire landbouwers en sloten ons deel af van de natuur. We plantten afrasteringen en stelden grenzen. Dit had een heleboel zaken tot gevolg, ook biologisch zoals het verlies aan hersenmassa, concentratie en beweging, maar ook het ontstaan van tandbederf, epidemieën en dergelijke meer. De definitieve doodsteek voor de mens in relatie met zijn omgeving en de natuur werd gegeven door de Verlichtingsdenkers van de achtiende eeuw. René Descartes motto Cogito, ergo sum zorgde voor de definitieve scheiding tussen de mens en alles wat niet-mens is en dus niet ‘bestaat’ en enkel materie is.

    Eclectisch

    Leven als een mens is geen gewoon boek. Het weerspiegelt ook de man die Charles Foster zelf is niet eenduidig. Het is een eclectisch allegaartje en houdt het midden tussen een wetenschappelijk traktaat, een reisdagboek en een avonturenroman doorspekt met autobiografische noten. Soms wegen de wetenschappelijke argumenten wat door en wordt de taal iets moeilijker. De vijftig bladzijden voetnoten zorgen hier voor wat soelaas. Soms is het grappig en wordt het gelukzaligheidsgevoel tot leven gewekt. Foster wilde vooral proefondervindelijk ervaren hoe je als mens in het leven staat en hoe alles met alles verbonden is, wars van alle wetenschappelijke verklaringen. Want ook dat is Leven als een mens. Hij gaat in tegen de heersende theorieën en wetenschappelijke verklaringen. Hij hekelt het feit dat door de Verlichting de wetenschap een dogma is geworden, fundamentalistischer dan heel wat religies die we vandaag als dusdanig zien. Zijn onderzoek is atypisch en misschien weinig wetenschappelijk en wordt daardoor door heel wat collega’s argwanend bekeken. Voor Foster is het vooral een pleidooi om de relaties  tussen alles wat is weer te zien.

    Romantiek

    In zekere zin kun je Foster een romanticus noemen die pleit voor een terugkeer naar de natuur. Hij heeft het niet begrepen op wetenschappers voor wie axioma’s heilig zijn. Intuïtie speelde bij de aanvang van wetenschappelijk onderzoek een grote rol en daar moeten we volgens hem weer naartoe. De Romantiek was een reactie op het Verlichtingsdenken, maar een terechte reactie. Het bewustzijn an sich is onverklaarbaar, vandaar ook de vele onverklaarbare zaken waarop de wetenschap geen enkel antwoord heeft zoals bijnadood-ervaringen of telepathie. In zijn tocht door de eeuwen heen wordt hij begeleid door X en zijn zoon, twee schaduwen uit het laatpaleoliticum die voor hem echt zijn. Deze onverklaarbare verschijningen zijn voor hem het bewijs dat niet alles te vatten is in wetenschap en dat we bewust in het leven moeten staan en loskomen van het puur biologische, mathematische en materiële van vandaag.

    Leven als een mens is een aangenaam en kritisch pseudo-wetenschappelijk werk dat de lezer doet stilstaan bij enkele fundamentele waarden van het bestaan, dat doet nadenken over wie of wat we zijn als mens en ons bewuster doet nadenken over onze relatie met de natuur en het heelal.

     

     

  • Ontworsteling uit een benauwend keurslijf

    Ontworsteling uit een benauwend keurslijf

    In 2019 overleed in Paramaribo Bea Vianen, de meest gelezen Surinaamse auteur in de jaren zeventig en tachtig. Omdat haar werk van onschatbaar belang is voor een beter begrip van de ontwikkeling van Suriname, werd vorig jaar de herziene versie van haar debuutroman Sarnami, hai of Suriname, ik ben opnieuw uitgegeven. De kern van Vianens verhalen is de lastige verhouding tussen de verschillende etnische bevolkingsgroepen van haar land. Zelf is ze het kind van een gemengd huwelijk en ze spreekt dus uit eigen ervaring. Daarnaast staan in haar werk de vele tegenstellingen centraal in een land dat nog steeds bepaald wordt door zijn koloniaal verleden. De beklemmende verstikking van het harde leven staat in schril contrast met de drang naar vrijheid die Bea Vianen in nagenoeg al haar boeken nastreeft.

    Suriname, ik ben vertelt het verhaal van S., een tienermeisje dat zonder moeder opgroeit in de arme wijken van Paramaribo. Zich bewust wordend van haar eigen identiteit gaat ze op zoek naar waar ze vandaan komt, wie waren haar grootouders en moeder? Haar vader, een norse, autoritaire man, is enerzijds streng, maar anderzijds ook onverschillig tegenover S. en haar broertje Ata.
    Ze gaat naar school en blijkt daar ook goed in te zijn. Ze wil graag verder studeren, haar vader ziet een andere rol voor haar weggelegd. Dit coming-of-age verhaal toont hoe S. opgroeit tussen een mengelmoes van jongeren met een verschillende achtergrond: Chinezen, Hindoes, Javanen, zwarten. Wat ze wel gemeen hebben is hun armoede en hun trouw aan de eigen culturele tradities.

    Benauwend keurslijf

    S. wordt volwassen, ziet de veranderingen aan haar lichaam en ziet hoe vriendinnen met jongens ‘omgaan’. Ze wil ook losbreken, maar seks is voor haar een stap te ver. Voor het eerst krijgt de lezer haar naam voluit te horen, Sita, als de godin van de vruchtbaarheid. Ze voelt zich aangetrokken tot Islam, een moslimjongen, maar kan natuurlijk niet openlijk met hem omgaan. Ze heeft immers gezien hoe haar vriendin Seliha zware klappen kreeg van haar vader omdat ze met de verkeerde jongen omging. Toch blijft ze gecharmeerd door Islam. Er volgt een spel van aantrekken en afstoten, tot het onvermijdelijke gebeurt. Sita wordt verkracht, raakt zwanger en moet trouwen. Om te ontsnappen aan het keurslijf van haar leven en haar vrijheid te herwinnen, moet ze uiteindelijk een hartverscheurende keuze maken.

    Suriname, ik ben leest heel vlot. De eenvoudige woordenschat en korte zinnen dragen zeker bij tot de leesbaarheid. Vianens stijl is zeer direct en soms hard. Ze gaat niets uit de weg, schrijft niet omfloerst en laat scheldpartijen tussen de verschillende groepen hun gang gaan om de tegenstellingen nog dikker in de verf te zetten. De kommer en kwel van het harde leven in de moeilijke buurten van Suriname worden accuraat beschreven en ze slaagt erin om de juiste sfeer te creëren. De omgeving wordt zeer nauwgezet weergegeven waarbij alle zintuigen aan bod komen. De lezer snuift als het ware de geuren, smaken en kleuren op van het Surinaamse leven.

    Vanuit vrouwelijk perspectief

    Belangrijk in dit hele werk is het vrouwelijke perspectief. Alles wordt vanuit de ogen en belevingswereld van Sita beschreven. Vianen schetst het beeld van de onderdanige en gehoorzame vrouw, maar geeft haar een stem en doet haar hunkeren naar de vrijheid waarvoor ze uiteindelijk zal kiezen. De mannen in het verhaal zijn hard, ruw en gewelddadig. Ze behandelen de vrouw wreed en zijn onverschillig tegenover liefde, kinderen en lossen problemen op met de vuisten. Het leven voor een vrouw in deze context leidt steevast tot ongewenste zwangerschap en een ongelukkig huwelijk. Vianen heeft dit zelf gezien in haar eigen familie en probeert door haar werk een uitweg te bieden. Sita moet keuzes maken. Ze wil een zelfstandige vrouw zijn , een eigen leven leiden en vecht voor haar plek in die moeilijke maatschappij vol tegenstellingen. Tevergeefs, zo lijkt het aanvankelijk, maar uiteindelijk zal ze uitbreken. 

    Suriname, ik ben is het hartverscheurend verhaal van een jonge vrouw die moet opboksen tegen een wereld waarin haar plek op voorhand is bepaald door culturele tradities. Vianen toont dat het streven naar vrijheid het hoogste goed is, maar laat tegelijk zien dat men daarvoor soms grote offers moet doen. Haar werk blijft belangrijk en actueel, en grijpt nog steeds naar de keel, meer dan vijftig jaar na datum.

     

  • Ergens wringt het in deze zakelijke vertelling

    Ergens wringt het in deze zakelijke vertelling

    Bik is de korte titel van het onlangs verschenen nieuwe werk van Cor Gout. Naast muzikant en filosoof is deze ex-uitgever van het literair tijdschrift Extaze een veelschrijver in verschillende genres: korte verhalen, gedichten, teksten bij een prentenboek en een leporello, boeken over muziek, songteksten en verhandelingen over filosofische onderwerpen. Bik is zijn debuutroman, hoewel er vraagtekens gezet kunnen worden bij de vraag of het werk onder het label ‘roman’ kan worden gecatalogeerd. Bik is het relaas van het levensverhaal van Hagenaar Simon Johannes Bik, telg uit een geslacht hoedenmakers- en verkopers. Hun zaak Bik hoeden en petten was gevestigd in Geest 32a in Den Haag. Jo, de zus van Bik was de laatste uitbaatster, daarna verdween de hoedenzaak.

    Bedrogen in de liefde

    De ‘roman’ start in het Berlijn van 1937. Gout geeft een gedetailleerde schets van hoe het culturele en politieke leven eraan toe ging in het vooroorlogse Berlijn. Dat doet hij op een documentair-achtige manier en in een zeer droge stijl. In het eerste hoofdstuk maakt de lezer kennis met Bik. Hij staat in voor het verhandelen van stoffen in opdracht van zijn vader en leert de bevallige Irmina kennen die zelf een stoffenzaak heeft. Ze beginnen een relatie en Bik is helemaal verloren. Hij blijft in Berlijn en met haar hulp zoekt hij een job in de auto-industrie, zijn andere passie. Maar Bik is blijkbaar niet de enige die in de gunst staat van Irmina. In het geheim houdt ze er een relatie op na met de vijftig jaar oudere Ulli die boven de stoffenzaak woont. Bik keert bedrogen en vernederd terug naar Den Haag.

    Opnieuw volgt een documentaireschets over de wijk Kortenbos en in het volgende hoofdstuk wordt Bik ingelijfd als een soort spion voor de Duitsers. Hij moet infiltreren in het verzet, maar zijn zwakke karakter zorgt ervoor dat hij daarin niet slaagt. Na de oorlog worden zijn ouders opgepakt voor collaboratie, zijn vader zal pas jaren later als een gebroken man weer vrijkomen. Bik zelf blijft onder de radar wat betreft zijn oorlogsactiviteiten. Hij blijft hunkeren naar zijn verloren liefde Irmina, maar het blijft enkel bij brieven. Zijn zus Jo neemt de hoedenwinkel over en Bik gaat erboven wonen. Het boek kabbelt verder met korte fragmenten uit het verdere leven van Bik: zijn werk, de dood van zijn moeder, zus en broer en zijn uiteindelijke dood in 2007. Hij stierf eenzaam en afgesloten van de rest van de wereld.

    Roemloos einde

    Bik is moeilijk te duiden als boek. Het kan een documentaireroman of non-fictieroman genoemd worden. De personages en locaties zijn niet fictief, maar misschien is het leven van Bik wel wat geromantiseerd. Het werk is een tijdschets van verschillende rakelings verbonden thema’s over verschillende decennia. De wereld in Berlijn en de opkomst van het nazisme in 1937, de familie Bik, hun hoedenzaak en hun dubieuze rol in de Tweede Wereldoorlog en de nasleep daarvan en de groei van de Haagse wijk Kortenbos. Het bindmiddel is het hoofdpersonage Bik, een fletse figuur met weinig ruggengraat, die het geluk niet vindt en een roemloos einde kent.  

    In de opbouw wordt elk hoofdstuk voorafgegaan door een accurate beschrijving van het onderwerp. De stijl in deze informatieve stukken is vergelijkbaar met de stijl in de andere hoofdstukken: afstandelijk, zakelijk, koel. Dat maakt het voor de lezer moeilijk om empathisch mee te leven met Bik. Biks hartstocht voor Irmina is tussen de regels door wel ergens aanwezig, maar ergens wringt het.  Het kan natuurlijk de bedoeling zijn van de auteur om de koelheid van het personage door te trekken naar de stijl. Verder neemt Cor Gout in zijn werk heel wat voetnoten, brieven en een bronnenlijst op, is het werk doorspekt met foto’s en een lijst met wat men op Biks nachtkastje vond bij zijn dood. Typische elementen die men aantreft in een non-fictie werk en zaken die ook allemaal verifieerbaar zijn. 

    Een biografie kunnen we het werk niet noemen, daarvoor zijn er te veel fictieve stukken. Voor een roman zijn er echter te veel non-fictie kenmerken. Het boek laat de lezer achter met een dubbel gevoel, het is moeilijk te plaatsen. Een nostalgische, maar zakelijke terugblik op het geslacht Bik in de Geest in Den Haag benadert misschien de beste omschrijving. Een tijdschets, maar zeker niet pakkend of aangrijpend. Cor Gouts debuutroman is op zijn minst apart te noemen, maar daar blijft het dan ook bij.