• Een naakte wolrat en de waarde van de aarde

    Een naakte wolrat en de waarde van de aarde

    Een van de meest opvallende boeken van het voorbije jaar is ongetwijfeld Grondwerk van de Vlaamse auteur Tijl Nuyts. Dit debuut stond op de shortlist van de Boekenbonliteratuurprijs en staat ook nog op de longlist van de Boon-literatuurprijs 2026.  Met Grondwerk debuteert Nuyts als romanschrijver, nadat hij eerder bekend werd als dichter. Nuyts werd geboren in 1993 in Istanboel en woont en werkt in Brussel, een stad die ook in deze roman een belangrijke rol speelt. Als dichter kreeg hij al veel erkenning: zijn bundel Vervoersbewijzenwerd bekroond met de Herman de Coninckprijs. Zijn poëtische achtergrond is duidelijk merkbaar in Grondwerk. Het boek is geen klassieke roman, maar een verhaal dat elementen van fabel en maatschappijkritiek combineert, waarbij taal en beeld centraal staan.

    Het verhaal speelt zich grotendeels af onder het Brusselse Vaderlandsplein. In een ondergronds gangenstelsel wacht een naakte molrat op instructies voor een missie. Zij vertelt het verhaal en kijkt vanuit haar leefwereld naar de mensen boven haar. Geleidelijk aan sluit ze vriendschap met een mens die haar woorden opschrijft. Zo ontstaat een dialoog tussen mens en dier. Tegelijk verschijnen er in Brussel steeds meer zinkgaten, waardoor delen van de stad letterlijk beginnen in te storten. Deze gebeurtenissen vormen geen klassieke plot, maar zijn vooral betekenisvolle beelden van instorting en kwetsbaarheid.

    Klimaatroman

    Een belangrijk thema in Grondwerk is het klimaat en de relatie van de mens met de aarde. De zinkgaten symboliseren een bodem die haar draagkracht verliest door misbruik en verwaarlozing. Nuyts laat zien dat ecologische problemen niet plotseling ontstaan, maar het resultaat zijn van lange tijd genegeerde keuzes. De aarde lijkt letterlijk terug te slaan. Het ondergrondse perspectief benadrukt hoe weinig aandacht mensen hebben voor de fundamenten onder hun voeten, terwijl juist die basis alles mogelijk maakt. De klimaatopwarming laat overal haar sporen na: het verhaal van de oorspronkelijke heimat van de molrat illustreert dit duidelijk.

    De naakte molrat is het centrale personage. Ze leeft in een gemeenschap waarin samenwerking en het welzijn van de groep centraal staan. Vanuit dat standpunt kijkt ze kritisch naar de menselijke samenleving, die volgens haar te individualistisch is en te weinig rekening houdt met de omgeving. Ze ziet de aarde als iets levends, niet als een bron die je kunt gebruiken en achterlaten. Het menselijke personage blijft bewust vaag uitgewerkt. Het is een activist die tracht zaken in beweging te brengen, maar daar hopeloos in faalt. Hij staat voor de mens die voelt dat er iets misloopt, maar niet goed weet hoe dit te veranderen. Door deze keuze verschuift de focus van persoonlijke emoties naar grotere maatschappelijke vragen.

    Poëtisch

    De stijl van Grondwerk is beïnvloed door poëzie. Nuyts schrijft in korte, beeldrijke zinnen en herhaalt bepaalde motieven zoals grond, instorting en verbondenheid. Het verhaal springt tussen observaties en gedachten. Dit maakt het soms uitdagend, maar ook rijk aan betekenis. Het klimaatthema wordt niet uitgelegd met cijfers of feiten, maar door beelden en symbolen, waardoor de lezer actief moet nadenken over de boodschap. De afwisseling in hoofdstukken tussen het leven in Brussel en de herkomst van de molrat maken het geheel bijzonder vlot verteerbaar.

    De roman is bijzonder relevant in een tijd waarin klimaatverandering steeds zichtbaarder wordt. Grondwerklaat zien dat ecologische problemen verbonden zijn met politieke en sociale keuzes. Door Brussel, het centrum van macht en besluitvorming, te laten verzakken, suggereert Nuyts dat systemen hun basis verliezen als ze geen rekening houden met de aarde. Het boek stelt de vraag of vooruitgang mogelijk is zonder zorg voor de omgeving en of een andere manier van samenleven mogelijk is.

    Grondwerk leest bijzonder vlot, maar toch kunnen enkele kanttekeningen gemaakt worden. De originaliteit van het verhaal en het gekozen perspectief zijn bijzonder en vormen ook de sterkte van het boek. De molrat als verteller biedt een frisse blik op de mens en zijn omgang met de aarde. Ook de samenhang tussen klimaat, samenleving en verantwoordelijkheid is goed uitgewerkt. Daartegenover staat dat het boek weinig actie bevat en soms te abstract blijft. Lezers die een duidelijk verhaal met herkenbare personages verwachten, kunnen hier moeite mee hebben, maar het is ongetwijfeld een gedurfd debuut dat aanzet tot nadenken over onze relatie met de aarde. Door zijn rustige tempo en beeldrijke taal blijft het boek lang nazinderen en maakt het de lezer bewust van wat vaak verborgen of vergeten blijft.

     

  • Slachtoffers van een discriminerend rechtssysteem

    Slachtoffers van een discriminerend rechtssysteem

    Een familiekwestie van Claire Lynch is een indringende roman over liefde, moederschap en de blijvende gevolgen van maatschappelijke uitsluiting. Claire Lynch is een Britse schrijfster en literatuurdocente en maakte eerder naam met haar non-fictiewerk Small: On Motherhoods. Daarin verkent ze persoonlijke en maatschappelijke perspectieven op queer ouderschap. Dit thema zet ze ook in haar romandebuut overtuigend voort. Het boek is een van de vier boeken op de shortlist voor de Debut Fiction Award van de Nero awards,  een van de belangrijkste prijzen binnen de Engelstalige literatuur, die op 4 maart 2026 wordt uitgereikt. Lynch putte voor dit boek niet alleen uit persoonlijke gesprekken met oudere generaties lesbische moeders, maar ook uit haar uitvoerig juridisch en historisch onderzoek naar de positie van LGBTQ+-ouders in het Verenigd Koninkrijk in de jaren tachtig. In de auteursnoot aan het einde van de roman benadrukt ze expliciet hoe structurele discriminatie in die periode levens en families blijvend heeft getekend, en hoe weinig van die verhalen collectief bewaard zijn gebleven.

    Een nieuwe liefde

    De roman speelt zich af op twee tijdsniveaus. In de vroege jaren tachtig volgen we Dawn, een jonge moeder die samen met haar man Heron en hun dochter Maggie een ogenschijnlijk conventioneel leven leidt in een Engelse provinciestad. Wanneer Dawn nieuwkomer Hazel ontmoet, ontstaat er een intense liefdesrelatie die haar dwingt haar huwelijk en haar rol als moeder te heroverwegen. Deze persoonlijke ontdekking staat haaks op de juridische en sociale realiteit van die tijd: lesbische moeders liepen een reëel risico hun kinderen te verliezen. In de hedendaagse verhaallijn is Heron inmiddels een oudere man die te horen krijgt dat hij terminaal ziek is. Hij worstelt met de vraag hoe hij zijn dochter Maggie moet inlichten over zijn ziekte, maar ook over het verzwegen verleden dat hun familiegeschiedenis heeft bepaald. De spanning tussen wat verteld is en wat verzwegen werd, vormt het morele hart van de roman.

    Dawn is het meest uitgewerkte en complexe personage. Haar innerlijke strijd wordt zeer genuanceerd en empathisch beschreven: ze is geen heldin die moedig breekt met alle conventies, maar een vrouw die laveert tussen liefde, angst en verantwoordelijkheid. Haar keuze voor Hazel is geen simpele bevrijding, maar een keuze met aanzienlijke gevolgen, waaronder het verlies van de voogdij over Maggie. Lynch toont heel duidelijk hoe Dawn niet alleen door individuen, maar vooral door een vijandig juridisch systeem wordt veroordeeld. Hazel fungeert in dat opzicht vooral als katalysator: zij staat voor een alternatieve levensmogelijkheid, maar blijft als personage minder diep uitgewerkt, wat haar rol soms enkel functioneel maakt.

    Heron is een complexer figuur. Hij vertegenwoordigt de normen en zekerheden van zijn tijd en handelt altijd vanuit wat hij als bescherming en verantwoordelijkheid ziet. Hij is een man die tekortschiet in emotionele openheid en verbeeldingskracht. Toch blijft zijn innerlijk leven relatief beperkt uitgewerkt. Maggie belichaamt de latere generatie die moet leren omgaan met de morele complexiteit van het verleden. Haar perspectief onderstreept hoe keuzes van ouders blijven doorwerken, zelfs decennia later.

    Onherstelbare effecten

    Qua stijl kiest Lynch voor een sobere, heldere taal die heel dicht bij de personages blijft. De eenvoudige stijl maakt het boek zeer toegankelijk. De afwisseling tussen verleden en heden is zorgvuldig opgebouwd en zorgt voor een heel geleidelijke onthulling van feiten en emoties. Deze structuur versterkt het gevoel dat het verleden nooit afgesloten is, maar voortdurend doorwerkt in het heden.

    De grote kracht van Een familiekwestie ligt in de maatschappelijke relevantie. Lynch toont hoe wetgeving en sociale normen concrete levens ontwrichten, zonder het verhaal te reduceren tot een pamflet. De emotionele impact van de roman zit vooral in het alledaagse: gemiste momenten, verzwegen gesprekken en onherstelbare breuken. Ook wat niet gezegd of getoond wordt is belangrijk

    In haar auteursnoot plaatst Lynch het verhaal expliciet in de context van de Britse LGBTQ+-geschiedenis. Ze wijst erop dat pas recent erkenning groeit voor het onrecht dat lesbische moeders in de jaren tachtig werd aangedaan, en dat Een familiekwestie bedoeld is als literaire herinnering aan die vergeten realiteit. Die reflectie geeft de roman extra gewicht en maakt duidelijk dat dit verhaal niet louter fictie is, maar wortelt in structureel onrecht.

    Een familiekwestie een ontroerende en betekenisvolle roman die overtuigt door zijn morele ernst en emotionele eerlijkheid. Het boek biedt een genuanceerd en noodzakelijk perspectief op familie, liefde en verlies. Het is vooral een roman die blijft nazinderen door wat niet meer ongedaan gemaakt kan worden — en precies daarin schuilt zijn kracht.

     

     

  • Alledaagse situaties in Gaza

    Alledaagse situaties in Gaza

    De genocide in Gaza laat niemand onberoerd. In de zomer van 2023, enkele maanden voor het uitbreken van de oorlog, werd het project Stemmen uit Gaza opgezet, een initiatief van uitgeverij Jurgen Maas in samenwerking met de Nederlandse Hope Foundation. Dit project heeft als doel jaarlijks het werk van een Palestijnse auteur uit Gaza uit te geven in het Nederlands. De Hope Foundation wil onder andere via kunst, cultuur en onderwijs Palestijnse kinderen en jongeren in Gaza perspectief, verwerking van trauma en creatieve expressie bieden.

    Het eerste werk, de roman Een tuin voor verloren benen van Mahmoud Jouda werd goed ontvangen. Communicatie moeilijkheden door de oorlogshandelingen zorgden ervoor dat er tot dit jaar gewacht moest worden voor het tweede werk verscheen. Dat werd de verhalenbundel De man die achteromkeek. Dit werk van Amer Almassri biedt een uniek venster op het leven in Gaza. Almassri, een Palestijnse schrijver uit Gaza, richtte zich al vroeg op literatuur naast zijn ingenieursstudie. Hij beschrijft menselijke gevoelens en dagelijkse ervaringen tegen de achtergrond van een samenleving die gebukt gaat onder conflict, tradities en sociale beperkingen.

    Verhalen

    Acht verschillende verhalen die elk op hun eigen manier een inkijk bieden op het leven in Gaza. Telkens gebruikt de auteur een andere stijl en onderwerp, maar ze hebben gemeen dat de menselijke emoties en alledaagse worstelingen centraal staan. Zo is er het verhaal van Hazim, een voormalige welgestelde man die nu aardappelrooier is, en die geconfronteerd wordt met zijn vroegere geliefde, inmiddels getrouwd en moeder. Of Zainab, een jonge vrouw gevangen in een huwelijk en onder druk van familieverwachtingen, die uiteindelijk een belangrijke keuze maakt over haar eigen leven. En Wagon 10 naar Caïro waarin een bende jonge schoolmeisjes de trein neemt naar Caïro om te ontsnappen aan de beklemmingen van Gaza.

    Dat die trein allang niet meer bestaat, maakt het verhaal des te  pakkender. Andere verhalen spelen in op sociale conventies, genderongelijkheid, traditie versus verlangen, herinnering en verlies. Soms komt de dreiging van geweld en oorlog impliciet naar voren zoals in ‘Verjaardag in een schuilkelder’, of in de achtergrond van eengebeurtenis, maar zelden als direct politiek statement. De verhalen creëren een sfeer waarin alledaagse situaties – een trein die stilvalt, een vrouw die vastloopt in haar dagelijkse leven – worden doorspekt met betekenis en reflectie.

    Mensen

    Almassri’s stijl kenmerkt zich door een subtiel evenwicht tussen ernst en lichtheid. Zijn taalgebruik is concreet en beeldrijk, maar zonder veel overbodige woorden. Hij werkt vaak met symboliek en onverwachte, soms absurdistische wendingen. Humor, ironie en absurditeit worden afgewisseld met verdriet, heimwee en frustratie, waardoor de lezer zowel wordt geraakt als aan het denken gezet. De toon is niet moraliserend; het verhaal ontwikkelt zich door observaties, dialogen en de gedragingen van de personages. Vaak  zien we pas aan het einde wat de implicaties zijn van hun keuzes en omstandigheden.

    De personages in De man die achteromkeek zijn geen klassieke helden; het zijn gewone mensen, vaak arbeiders, moeders, geliefden, mensen die proberen hun waardigheid te behouden binnen sociale structuren die hen beperken. Ze worstelen met verlies, verplichtingen en verlangens, en hun menselijkheid en veerkracht worden zichtbaar in kleine handelingen, herinneringen en reacties op hun omgeving. Almassri gebruikt hen om universele thema’s te verkennen: verlies en herinnering, identiteit, sociale verhoudingen en genderrollen, en de veerkracht van het menselijk leven. Humor en absurditeit gebruikt hij om het contrast tussen het alledaagse en de soms harde realiteit van Gaza te benadrukken. De verhalen reduceren de werkelijkheid van Gaza niet tot oorlog of politiek, maar tonen hoe gewone mensen hun leven leiden temidden van beperkingen, dreiging en sociale druk. De bundel is een mooie illustratie van de gewone menselijke ervaring, waarin empathie en herkenning bij de lezer centraal staan.

    Veerkracht

    De verhalen in  De man die achteromkeek zijn aangrijpend, maar worden nooit sentimenteel. Almassri gebruikt een zeer toegankelijke, maar beeldrijke stijl en kan emoties en situaties overbrengen die anders moeilijk voor te stellen zijn. Sommige verhalen zijn wat kort en bieden daardoor te weinig ruimte voor diepgaande psychologische ontwikkeling van personages of duidelijke motivatie. Ook het gebrek aan expliciete (historische of politieke) achtergrondinformatie maakt het soms moeilijk om de verhalen volledig te kunnen plaatsen. Desondanks is de bundel geslaagd in het bieden van een authentieke stem uit Gaza.

    Verhalen over mensen die hun veerkracht tonen onder moeilijke omstandigheden. Een zowel emotioneel als intellectueel sterk geschreven verhalenbundel die de lezer toont over hoe mensen hun leven (moeten) leiden in moeilijke omstandigheden in het Gaza van vandaag en in conflictgebieden in het algemeen.

     

  • Luisteren naar wat onuitgesproken blijft

    Luisteren naar wat onuitgesproken blijft

    Eljakim van de Sande is een veelzijdige kunstenaar die zich beweegt tussen muziek, theater en literatuur. Hij studeerde kleinkunst in Utrecht, bracht in 2018 het album Sway uit onder zijn artiestennaam Celsus en ontwikkelde zich tot een maker die verschillende disciplines combineert om thema’s als identiteit, herinnering en vervreemding te verkennen. Zijn debuutroman Kostganger past perfect binnen dat artistieke universum. Het boek maakt deel uit van een breder project waarin ook een theatervoorstelling en een muziekalbum voorkomen. Van de Sande is dus niet enkel schrijver in de traditionele zin, maar eerder een verhalenverteller die zijn publiek op verschillende manieren laat nadenken over wat het betekent om thuis te zijn — of juist niet.

    Kostganger speelt zich af in een afgelegen dorp in het noorden van Nederland, waar sinds Hemelvaartsdag 1973 niets meer lijkt te zijn zoals het was. De tijd staat stil, de bewoners volgen hun routines zonder doel, en er hangt een sluier van leegte over alles. De grote dag van het dorp, de jaarlijkse Lambertusmarkt, krijgt van jaar tot jaar minder betekenis tot grote frustratie van de inwoners. In die verstilde gemeenschap groeit Lenno op, een jonge man die het onbehagen voelt, die beseft dat er iets niet klopt, dat er iets verloren is gegaan. Hij wil antwoorden, maar niemand spreekt nog echt. Vanuit zijn perspectief — en dat van enkele andere dorpsbewoners — ontvouwt zich een verhaal dat evenveel over stiltes als over woorden gaat. Wat er precies gebeurde op die bewuste dag in 1973 blijft onduidelijk, maar de nasleep ervan is voelbaar in elk gebaar, in elk huis, in elke herhaling van het dagelijks leven.

    Fragmentarische novelle

    De roman is compact, nauwelijks meer dan honderd bladzijden, en voelt daardoor eerder als een novelle dan als een klassieke roman. Toch weet Van de Sande in die beperkte ruimte een gelaagd verhaal te schetsen. De opbouw is fragmentarisch: losse scènes en gedachten wisselen elkaar af, zonder strakke chronologie. Die keuze benadrukt het gevoel van desoriëntatie dat de personages ervaren. De structuur van het boek doet denken aan het ritme van herinneringen: losse flarden, herhalingen en echo’s. De spanning zit niet in grote gebeurtenissen, maar in de traagheid van het vertellen, in wat onuitgesproken blijft en in de kleine breuken tussen de zinnen.

    Van de Sande schrijft in een sobere, poëtische stijl die soms doet denken aan de ingetogen toon van een auteur als Tommy Wieringa in Dit zijn de namen. Zijn taal is zuinig, maar geladen; elke zin lijkt zorgvuldig gewogen. Er is veel aandacht voor sfeer en ritme, voor de cadans van stilte. De beschrijvingen van het landschap — het vlakke noorden, de weidse lucht, het beklemmende niets — versterken precies het gevoel van die verstilling. Het is een taal die vertraagt, die de lezer uitnodigt om te luisteren naar wat onuitgesproken blijft. De stijl is introspectief, maar nooit ontoegankelijk: juist door zijn eenvoud weet Van de Sande diepe emotie op te roepen.

    Stilstaan of losbreken

    De personages zijn grotendeels schaduwen, schimmen van mensen die ooit vol leven waren. Lenno is de enige die zich lijkt te verzetten tegen de lethargie van het dorp, al weet ook hij niet precies hoe. Zijn drang om te begrijpen, om los te breken, verwijst naar de centrale thematiek: de spanning tussen blijven en vertrekken, tussen herinnering en vergetelheid. De andere bewoners verbeelden collectieve stilstand, een gemeenschap die de pijn van vroeger niet kan benoemen en daardoor vastzit in zichzelf.

    De dieperliggende betekenis van Kostganger ligt in de manier waarop het boek het begrip ‘thuis’ onderzoekt. Wat betekent het om ergens thuis te horen als dat thuis zelf ontzield is geraakt? Het dorp staat symbool voor het menselijk verlangen naar geborgenheid, maar ook voor de angst om te verdwijnen in de sleur van het bekende. De gebeurtenis op Hemelvaartsdag 1973 — waarvan de aard nooit volledig wordt onthuld — fungeert als metafoor voor trauma: iets wat zich ooit voltrok en sindsdien het ritme van het leven onzichtbaar bepaalt. In die zin gaat Kostganger niet alleen over een plaats of een tijd, maar over het onvermogen om vooruit te komen zolang het verleden niet is doorleefd. Het is een roman over stilstand, over de stilte na een breuk die nooit geheeld is.

    Muzikale compositie

    Van de Sande’s achtergrond als muzikant en theatermaker is voelbaar in de compositie van het boek. De zinnen hebben muzikaliteit vol herhaling en ritme. Tegelijkertijd roept het boek een sterk visueel beeld op: het dorp als decor, de trage beweging van de dagen, de dreigende wolkenlucht. Het is alsof elk hoofdstuk een scène is, elke passage een klank. Daarmee overstijgt Kostganger het puur literaire: het is een zintuiglijke ervaring waarin tekst, geluid en beeld in elkaar overlopen.

    Als literair debuut is Kostganger bijzonder geslaagd. Het is een ingetogen, bedachtzaam werk dat zijn kracht vindt in sfeer en symboliek, niet in plot of actie. Van de Sande koos niet voor het evidente, niet voor een rechttoe rechtaan verhaal. Hij durft te vertrouwen op stilte, op suggestie, op het vermogen van de lezer om te luisteren tussen de regels. Dat maakt het boek rijk, maar ook veeleisend: wie houdt van snelle verhaallijnen of uitgesproken emoties zal Kostganger vlug opzij leggen. Toch is het juist die terughoudendheid die het boek zo memorabel maakt. Het is een roman die langzaam onder de huid kruipt, die je laat nadenken over je eigen plaats in de wereld, over de manier waarop tijd en herinnering ons vasthouden.

    Met Kostganger levert Eljakim van de Sande een sterk en oorspronkelijk debuut af. Het is een boek dat je niet leest om te weten hoe het afloopt, maar om stil te staan bij wat er blijft hangen wanneer woorden tekortschieten. In zijn soberheid schuilt een diepe menselijkheid. Kostganger is een kleine roman met een groot hart — een poëtische ode aan het verlies, aan het verlangen, en aan het trage, pijnlijke proces van verder leven.

     

  • Levensecht en eigentijds

    Levensecht en eigentijds

    Sally Rooney is inmiddels een naam die niet meer weg te denken is uit de internationale literatuur. Sinds haar debuut Conversations with Friends en het megasucces van Normal People wordt ze overal ter wereld gelezen, besproken en soms ook verguisd. Ze wordt de stem van haar generatie genoemd, een auteur die de twijfels en verlangens van jonge volwassenen weet te vangen in glashelder proza. Maar met haar vierde roman, Intermezzo, gooit Rooney het over een andere boeg. Het boek voelt ambitieuzer, donkerder en stilistisch uitdagender dan wat we van haar gewend zijn.

    Rouwverwerking

    De roman draait rond twee broers in Dublin. Peter, 32, is een briljante, maar zelfdestructieve advocaat die mensenrechtenzaken pleit, maar intussen zijn eigen leven nauwelijks op de rails krijgt. Zijn tien jaar jongere broer Ivan is een voormalig schaaktalent dat zich opnieuw op het spel stort, terwijl hij een geheime relatie aangaat met Margaret, een vrouw van zesendertig uit Leitrim. Ook Peter worstelt met ingewikkelde liefdes. Enerzijds blijft hij emotioneel verstrikt in zijn ex Sylvia, die na een zwaar ongeluk een seksuele relatie niet meer ziet zitten. Anderzijds begint hij tegelijk iets met Naomi, een veel jongere studente die geld verdient met expliciete foto’s online. Over al deze relaties hangt de schaduw van het verlies van hun vader, dat de broers ieder op hun eigen manier proberen te verwerken.

    Geslaagd vertelexperiment

    Rooney kiest voor een opvallend vertelexperiment. In plaats van haar kenmerkende sobere stijl en strakke dialogen, krijgen we drie heel verschillende stemmen. Peters passages zijn fragmentarisch, soms haast staccato: korte, afgebroken zinnen die de chaos in zijn hoofd perfect weerspiegelen, een soort van stream-of-consciousness. Ivan klinkt luchtiger, met droge humor en een zekere lichtheid die past bij een jonger iemand die nog zoekend is. En dan is er nog Margaret, die traag en bedachtzaam spreekt, als een soort tegengewicht voor de onrust van de broers. Bovendien gebruikt Rooney geen  aanhalingstekens, waardoor dialogen en gedachten in elkaar overlopen. Dat maakt het lezen intens, maar soms ook moeilijker en verwarrend. Het is geen roman die je zomaar even gedachteloos kunt weglezen; hij vraagt concentratie en geduld. Toch is die vorm geen spielerei, maar inhoudelijk doordacht. Peters fragmentarische stijl laat voelen hoe hij de controle over zijn leven verliest. Ivan, jonger en nog kneedbaar, klinkt toegankelijker, bijna uitnodigend. Margaret brengt dan weer balans en reflectie. Zo wordt Intermezzo niet alleen een verhaal over rouw en liefde, maar ook een oefening in perspectief: wie kijkt, wie spreekt, en hoe kleurt taal onze beleving van verdriet?

    Kleinmenselijke thema’s

    De thematiek is herkenbaar voor wie eerder werk van Rooney las: relaties, macht, intimiteit, onzekerheid. Maar in Intermezzo komt daar een duidelijke laag van rouw en familiebanden bij. Hoe gaan twee heel verschillende mensen om met hetzelfde verlies? Hoe houd je elkaar vast als broers, wanneer je elk je eigen copingmechanisme hebt? Rooney schrijft daarover zonder pathetiek, maar met een melancholische scherpte die ontroert. De broers lijken elkaar soms te verliezen in hun verdriet, maar er is altijd dat onderhuidse besef van verbondenheid. Ook de liefdesverhalen zijn typisch Rooney: ongemakkelijk, gelaagd, vol spanning. Het leeftijdsverschil tussen Ivan en Margaret roept vragen op over macht en wederkerigheid. Peter laveert tussen de volwassen Sylvia en de jonge Naomi, en juist die driehoek legt bloot hoe verlangen vaak ook met controle en kwetsbaarheid te maken heeft. Rooney veroordeelt niet, maar legt bloot. Ze schrijft over mensen zoals ze zijn: tegenstrijdig, soms egoïstisch, vaak onzeker, altijd zoekend. Dat is ook meteen de kracht van de roman. Rooney maakt haar personages geloofwaardig door hun tekortkomingen. Peter kan briljant pleiten in de rechtszaal, maar faalt in zijn privéleven. Ivan is charmant en intelligent, maar ook onzettend naïef. Margaret is tegelijk liefdevol en afstandelijk. Die ambiguïteit maakt dat je als lezer voortdurend heen en weer geslingerd wordt: je begrijpt hun keuzes, maar je fronst er ook de wenkbrauwen bij.

    Valkuilen

    Waar sterktes zijn, zijn ook valkuilen. Niet iedereen zal gecharmeerd zijn van de experimentele stijl. De fragmenten van Peter kunnen vermoeiend worden, en het ontbreken van duidelijke dialoogmarkeringen leidt soms tot frustratie. Ook de keuze om vooral vanuit mannelijke perspectieven te schrijven, waarbij vrouwen soms vooral dienen als spiegels of katalysatoren, is een punt van kritiek dat al vaker naar voren kwam. Bovendien klinkt het bredere maatschappelijke engagement dat haar eerdere werk typeerde hier minder luid. Rooney’s personages lijken zich vooral in hun eigen universum te bewegen, ver weg van de grote politieke vraagstukken.

    Toch is Intermezzo in veel opzichten Rooney’s meest geslaagde roman tot nu toe. Ze durft meer risico’s te nemen, zowel stilistisch als thematisch. Het resultaat is een boek dat niet iedereen zal bevallen, maar dat wel blijft hangen. Het is literatuur die traag binnendringt, die je dwingt stil te staan bij hoe mensen omgaan met verlies en liefde, bij hoe broers elkaar kunnen kwijtraken en terugvinden, bij hoe intieme relaties altijd balanceren tussen macht en overgave.

    Wie op zoek is naar een lichtvoetige pageturner, zal teleurgesteld zijn. Intermezzo vraagt inspanning en aandacht. Maar wie zich eraan overgeeft, ontdekt een rijk, gelaagd verhaal dat je niet zomaar loslaat. Rooney toont zich hier niet alleen als de chroniqueur van een generatie, maar als een auteur die blijft groeien, die durft te experimenteren en die diep onder de huid van haar personages kruipt.

     

     

  • Een roman vol weemoed en melancholie

    Een roman vol weemoed en melancholie

    De Franse schrijver Patrick Modiano werd in eigen land al fel gelauwerd met onder meer de prestigieuze Prix Goncourt, voor hij in 2014 internationale erkenning kreeg met de Nobelprijs voor de literatuur. Modiano’s werk draait veelal rond hetzelfde thema: de zoektocht naar zijn eigen verleden en herinneringen van toen. In zijn jeugd werd hij nogal aan zijn lot overgelaten door zijn ouders en zocht hij zijn toevlucht in boeken en verhalen. De ondertoon van zijn werk is steevast melancholisch en het meeste speelt zich af in de straten van Parijs. In zijn nieuwste roman De danseres is dat niet anders.

    In De danseres staat Modiano’s grote thema ‘zoeken’ opnieuw centraal. Het is een samenbrengen van losse beelden en herinneringen uit het verleden om betekenis te geven aan het bestaan. Hij probeert verschillende puzzelstukjes op zijn plaats te laten vallen en zo in het reine te komen met zichzelf. Hoofdpersonage is een jonge man, een schrijver van teksten, die ronddwaalt in Parijs in de late jaren vijftig van de vorige eeuw. Op zoek naar een kamer, komt hij via zijn louche huisbaas Serge Verzini, in contact met een danseres. Deze woont samen met haar zoontje Pierre en huisgenoot Hovine. Al vrij snel ontwikkelt het hoofdpersonage een fascinatie voor de danseres, die met vaste structuren en een strenge discipline grip tracht te krijgen op haar leven. Zo probeert ze ook de demonen uit haar verleden te verjagen. De relatie tussen de ik-persoon en de danseres blijft onduidelijk. Ze maken samen lange en stilzwijgende wandelingen door de straten van Parijs, hij haalt Pierre af van school en speelt oppas als de danseres moet oefenen of zich inlaat met de beau-monde van Parijs als Béjart, Noerejev en anderen. Het verhaal eindigt niet echt, maar is een aaneenschakeling van herinneringen aan die tijd.

    Parijs

    Ook in De danseres drijft het handelsmerk van Modiano boven: hij schetst het Parijs van toen in een rustige, gedempte, bedroefde sfeer, vol weemoed en melancholie. Tegelijkertijd wordt het boek nooit zwaar en zorgt hij voor een soort ongrijpbare lichtheid. De danseres telt honderd pagina’s, is ingedeeld in korte hoofdstukken en kent veel witruimtes. Sfeerschepping staat duidelijk centraal. Het personage van Pierre, het zoontje van de danseres, toont duidelijke verwijzingen naar Modiano’s eigen jeugd: een afwezige moeder en een onkenbare vader die zich bezighield met louche praktijken. Hetzelfde kan gezegd worden van de danseres zelf: net zoals Modiano wordt ze belaagd door spoken uit het verleden. Het dansen trekt haar uit het moeras, geeft zin en structuur aan haar leven. Misschien is dat wat de hoofdfiguur zo bewondert in haar.

    De ik-figuur graaft diep in het geheugen en tracht verstopte herinneringen naar boven te halen. Vaak is het niet duidelijk of het wel herinneringen zijn, dan wel verzinsels of dromen. Er hangt een soort van nevel rond het geheel. Wel duidelijk is dat de oerbron van alles het mistige Parijs is. Met alle vage en halve herinneringen lijkt het wel of er een zwart-witfilm wordt afgespeeld in de straten van de wereldstad, bevolkt met bijzondere, weemoedige personages.  De ik-figuur blijft de hele tijd een soort van mysterieuze schim, die via zijn herinneringen op zoek gaat naar meetpunten in zijn leven. Hij tracht zin te geven aan zijn verleden en na te gaan wie hij werkelijk is.

    Dat hij zijn flarden van herinneringen ook vaak zelf in twijfelt trekt, is onderdeel van zijn bestaan. Alles is in de vergetelheid geraakt , maar onderhuids blijft een weemoedig verlangen aanwezig naar vroeger. In de openingsbladzijden noemt hij Parijs onherkenbaar door de vele toeristen die met hun koffertjes door de straten lopen en zorgen voor onrust. Typisch voor Modiano is ook dat het bij die sfeerbeelden en halve herinneringen blijft. De zoektocht lijkt eeuwig verder te gaan.  De danseres mag gerust de exponent genoemd worden van zijn werk. Vintage Modiano, een mix van lichtheid en melancholie en het mysterieuze zoeken naar betekenis in het verleden en Parijs.

     

     

  • Getekend door de littekens van het verleden

    Getekend door de littekens van het verleden

    De Antwerpse auteur Paul Verrept heeft zo ondertussen een patent op zeer gestileerde verhalen. Dat heeft vermoedelijk ook te maken met zijn achtergrond als illustrator en grafisch ontwerper. Zijn verhalen zijn strak, weinig uitbundig, niets teveel of tekort, maar vaak over nostalgische en diepe thema’s. Hij houdt ervan om te spelen met de tijd en de grenzen tussen heden en verleden, zoals in zijn prentenboek Mist (2006) of zijn jeugdboek De bank (2014). In zijn nieuwste boek Het jaagpad is dat niet anders.

    Het jaagpad is een zeer conceptueel boek. Zelf gebruikte Verrept het beeld van op elkaar liggende filmprojecties om zijn boek te omschrijven. Hij vertelt twee verhalen tegelijkertijd, alsof je twee films over elkaar projecteert en dan zelf verbanden ziet of legt. De lezer volgt het hoofdpersonage Lucas, een vereenzaamde zestiger die in de grote stad woont. Hij neemt de trein naar zijn geboortedorp om nostalgisch te mijmeren over zijn geboortehuis. Hij observeert zijn huis vanachter het raam van het dorpscafé dat ertegenover ligt. Verrept maakt een sprong in de tijd en de achttienjarige Claus verlaat zijn ouderlijk huis in het kleine dorp, neemt afscheid van zijn ouders en trekt naar de grote stad om op kamers te gaan en te studeren. Lucas raakt geobsedeerd door deze jonge student en blijft hem achtervolgen. Als Claus om zich heen kijkt, ziet hij niemand. Op zijn beurt raakt Claus geobsedeerd door een zekere Maria, een meisje op de trein, en blijft haar achtervolgen tot haar huis.

    ‘Alles is overal en altijd’

    Hoewel het verhaal van Lucas zich afspeelt in 2024 en dat van Claus in 1981, blijken de twee elkaar toch te kunnen achtervolgen. Dit magisch realistisch tintje is bedoeld en ook het feit dat de namen anagrammen zijn, is geen toeval. Verrept diept de personages niet ten gronde uit, maar met een paar rake schetsen kan de lezer zich toch een beeld vormen van de twee mannen, die misschien wel een en dezelfde zijn. De donkere en beklemmende sfeer tijdens de achtervolgingen dragen ook bij aan de emoties die de auteur wil losmaken bij de lezer. De twee hoofdfiguren bestaan eerder, dan dat ze zich bewust zijn van zichzelf. Verrept wil de noodlottigheid en onvrijheid waarin mensen hun spoor volgen door het leven weergeven, de voorbestemdheid van het leven. Zo lijken de twee echt door elkaar geweven. Hij beschrijft het zelf kort en krachtig als ‘Alles is overal en altijd’. Eenzaamheid en isolement voeren de boventoon. Lucas en Claus zijn daar de exponenten van. Ze hunkeren naar aanraking. Hun dromen en verlangens worden uitvergroot, maar blijven onbeantwoord, evenals hun niet aflatende seksuele begeerte. Het elkaar begluren, het niet vertrouwen van elkaar, alles heeft zijn diepere wortels.

    En daar raakt Verrept de kern van zijn verhaal. De mens is kwetsbaar en het verleden kan een diepe invloed hebben op het heden. In de laatste bladzijden toont hij de oorsprong van de extreme eenzaamheid en het isolement, verklaart hij waarom de mannen zo moeilijk contact kunnen leggen. Pas aan het eind laat hij zien hoe de littekens van het verleden zich vasthechten aan de persoonlijkheid en de mannen tot levenslang veroordelen. De zeer gestileerde taal, met weinig versieringen, het bijna zakelijke, het sec vermelden van wat hij ziet, nauwgezette observaties van het gebeuren, zorgen voor een klinische weergave die daardoor een ietwat ongemakkelijk gevoel heeft. Ook de lezer zit gewrongen en voelt de eenzaamheid en kwetsbaarheid, en tegelijkertijd de ongrijpbaarheid der dingen. Een zwaar thema dat Paul Verrept op bijzondere wijze naar boven weet te brengen en nog even doet nazinderen in het hoofd van de lezer.

     

     

  • Over grenzen

    Over grenzen

    Er zijn zo van die boeken waardoor je na een eerste lezing wat verweesd achterblijft. Verweesd, of zelfs wat verdwaasd. Wat heb ik nu eigenlijk gelezen? Wat is de bedoeling van dit werk? Dit was ook de eerste gedachte na het lezen van de novelle De bruidegom was een hond van Yoko Tawada. Slechts 68 bladzijden, maar toch een bizarre leeservaring. Nochtans is de auteur niet van de minste. Tawada is een van de meest gelezen, meest vertaalde en best verkopende Japanse auteurs, die haar werken zowel in het Japans als Duits schrijft. Ze won al verschillende literaire prijzen waaronder de prestigieuze Japanse Akutagawaprijs voor deze novelle. De bruidegom was een hond behoort tot haar vroegere werk en verscheen voor het eerst in 1993. Nu bracht Koppernik het uit in een vertaling van Luk van Haute.

    Papieren zakdoekjes

    In De bruidegom was een hond maken we kennis met Mitsuko Kitamura, naar eigen zeggen 39 jaar, een dame die haar huis openstelt voor bijlessen. Kinderen gaan met plezier naar de lessen van juf Kitamura ,of naar Klas Viezemura, zoals ze die soms noemen, omdat ze altijd bizarre verhalen vertelt. Zo leert ze de kinderen papieren zakdoekjes te hergebruiken, ook als ze al vochtig zijn en vol met snot, zelfs om daarna hun billetjes mee af te vegen, want dat voelt zo zacht. Of ze vertelt het verhaal van een prinses die een hond had die haar billetjes schoonlikte na het poepen. De kinderen komen thuis met die vreemde verhalen. Ouders roddelen over die vertelsels, bellen elkaar op, maar geloven toch niet alles wat er verteld wordt. Kinderen hebben immers een rijke fantasie en er doen verschillende versies van de verhalen de ronde. Opeens komt er een man in het leven van Mitsuko. Plots is hij daar, begint het huis schoon te maken en heeft veelvuldig seks met haar. Details over de man, Taro genaamd, en zijn achtergrond zijn niet bekend. Ook hierrond ontstaan de wildste verhalen, tot een moeder Mitsuko aanspreekt en zegt dat Taro de weggelopen man is van Ryoko, een vrouw aan de andere kant van de stad. Na een ontmoeting met Ryoko leert Mitsuko dat Taro ook een relatie heeft met de vader van een van haar leerlingen. Het eind is bizar en verrassend.

    (Voor)oordelen?

    Geruchten leiden een eigen leven en worden ook steeds groter en vreemder. Dat lijkt een van de thema’s te zijn die Tawada meegeeft in deze novelle. Na elke les komt er wel een roddel bij, maar het blijft altijd ‘van horen zeggen’. Wordt de waarheid geweld aangedaan of niet? In lange zinnen, maar toch een zakelijke en nuchtere stijl beschrijft de auteur tot in de details de controversiële handelingen van juf Kitamura. Een handelsmerk van deze populaire Japanse auteur is het schrijven over grenzen:  het verschil tussen culturele en geografische grenzen of ook de grenzen tussen droom en werkelijkheid. In De bruidegom was een hond worden de situaties steeds absurder en kan je je als lezer afvragen of er geen grenzen worden overschreden. Waar trek je de grens? Wie oordeelt daarover? Zijn we niet te veel aan het vooroordelen en veroordelen? Het hoofdpersonage Mitsuko lijkt zich niet veel aan te trekken van de grenzen en de lezer krijgt ook een houding van, tja, moet kunnen, toch? Maar wanneer gaat het dan te ver? Is er sprake van grensoverschrijdend gedrag? Ook de ouders in het werkje worstelen hiermee. In elk geval lijkt Tawada te stellen dat het best ok is om anders te zijn, om niet mee te gaan in de conventies en geplogenheden van de heersende maatschappij. Oordelen en veroordelen liggen niet ver uiteen. De invloed van Kafka is ook heel duidelijk aanwezig in haar werk en het kan perfect gerekend worden tot de absurde literatuur, al is Haruka Murakami en het postmodernisme ook niet ver weg. In elk geval kan De bruidegom was een hond best een tweede lezing verdragen en de lezer doen stilstaan bij het anders-zijn en anders-denken, los van het feit of grenzen al dan niet worden overschreden.

     

     

  • Carnavalesk en absurd

    Carnavalesk en absurd

    Liefhebbers van James Joyce zullen zich in de handen wrijven met Het Dalkey-archief van Flann O’Brien, dat nu, zestig jaar na zijn verschijningsdatum, voor het eerst in het Nederlands vertaald is. Flann O’Brien (pseudoniem van Brian O’Nolan, 1911-1966), is naast James Joyce en Samuel Beckett, de derde grote naam van het twintigste-eeuwse Ierse schrijversfirmament, al mogen we Oscar Wilde en Brendan Beehan ook niet vergeten. De grote Joyce zelf was lovend over O’Brien en noemde hem ‘een echte schrijver, met de ware humoristische geest’. Niets is minder waar: naast zijn columns in de Irish Times viel O’Brien vooral op met zijn hilarische absurdistische romans, waarvan At Swim-Two-Birds (1939) ongetwijfeld zijn meesterwerk is.

    O’Brien schreef slechts vijf romans en overleed vrij vroeg, geplaagd door alcoholisme en kanker. Bij ons is het werk van O’Brien minder bekend, ook al omdat het net als Joyce’s werk minder toegankelijk is of minder begrepen werd. De vertaling van Het Dalkey-archief door Robbert-Jan Henkes mag dan ook als een krachttoer gezien worden, al had deze natuurlijk al wat ervaring door zijn vertalingen van Joyce. Uitgeverij Kopernik nam een risico door dit werk nu uit te geven, maar het zal de voor velen onbekende en vergeten topauteur misschien opnieuw in de belangstelling brengen.

    Kroegvrienden

    Plaats van handeling, zoals de titel al aangeeft, is het kleine kustplaatsje Dalkey, ongeveer twintig kilometer ten zuiden van Dublin. Twee kroegvrienden Mick en Hackett bezoeken regelmatig de bar van hotel Colza, waar ze bediend worden door mevrouw Lavetry, die ze vaak smalend ‘Lavatory’ of toiletpot noemen. Na een zwempartijtje ontmoeten de twee vrienden de excentrieke De Selby en worden ze uitgenodigd in zijn verborgen stulpje. Bij zelfgestookte whiskey doet deze theoloog en uitvinder hen uit de doeken hoe hij de tijd kan doen stilstaan en de wereld kan vernietigen met een zelfuitgevonden substantie. Daarenboven is hij ook in staat terug te gaan in de tijd en voert hij diepfilosofische en theologische gesprekken met heiligen en kerkvaders. De volgende dag zijn Mick en Hackett daar ook zelf getuige van in een onderwatergrot.

    Mick wil De Selby weerhouden van het vernietigen van de wereld en doet een beroep op brigadier Fottrell, een man die steeds met de fiets aan de hand loopt omdat hij bang is dat hij anders met zijn fiets zal vergroeien door metaalmoleculenuitwisselingen. Om anderen hiervoor te behoeden prikt hij ook constant banden van fietsen stuk. Om afleiding te vinden voor De Selby wil hij hem in contact brengen met James Joyce. Mick is namelijk te weten gekomen dat de grote James Joyce nog zou leven in Skerries, een dorpje even ten noorden van Dublin. Hij gaat op zoek en ontmoet de schrijver, die nu barman is. Hij probeert hem te confronteren met zijn grote werk Ulysses, maar daar schijnt Joyce geen oren naar te hebben. Hij veracht het werk zelfs. Uiteindelijk vraagt hij Micks hulp om in te treden bij de jezuïeten.

    Absurdisme

    Het
    Dalkey-archief lijkt niet alleen één en al chaos, maar is het ook. Structuur en een lijn hoeft de lezer er niet in te zoeken. Dat was ook niet de bedoeling van Flann O’Brien, voor wie de wereld ook één en al chaos was, al dan niet gelinkt aan zijn overmatig drankgebruik. Er wordt overigens nogal wat afgedronken in Het Dalkey-archief: elk gesprek gaat gepaard met talloze rondjes alcohol, waardoor de gesprekken vaak ontaarden in krachttermen en absurde uitspraken. Het boek moet het vooral hebben van de flamboyante en aparte stijl die O’Brien eigen was. Zijn cynische uitlatingen over wetenschap, intellectuele hoogmoed en religie zijn zijn handelsmerk. Hij spot met alles waarmee gespot kan worden en schuwt blasfemische uitspraken niet. Zijn personages zijn carnavalesk en absurd, maar daardoor juist zo aanstekelijk.

    O’Brien tracht de grenzen van de werkelijkheid steeds uit te rekken en laat zijn fantasie de vrije loop. Wie daarin meegaat, kan ontzettend genieten van zijn boeken. In het boek zitten ook verwijzingen naar The Third Policeman, geschreven in 1940, maar postuum uitgegeven in 1967. De grandioze vertaling van Het Dalkey-archief kan meteen ook een uitnodiging zijn om dit werk en andere van O’Brien opnieuw te lezen. Hoewel Het Dalkey-archief niet zijn beste boek is, kan het gerust ook een hoogtepunt van surrealisme en absurdisme genoemd worden. Wie vermakelijkheid en het absurde hoog in het vaandel voert, zal genieten van begin tot eind.

     

     

  • Postuum verschenen laatste deel Ewout Meyster-cyclus

    Postuum verschenen laatste deel Ewout Meyster-cyclus

    Toen Wessel te Gussinklo vijf jaar geleden na het winnen van de Book Spotprijs voor De hoogstapelaar,  voor Literair Nederland werd geïnterviewd, vertelde hij bezig te zijn aan zijn laatste boek. Het werd wel heel lang, te veel bladzijden voor één boek. Daarom dacht hij eraan om het op te splitsen in twee delen. In 2021 verscheen dan ook het lijvige Op weg naar de Hartz en ging men ervan uit dat het zijn laatste was, zeker nadat de auteur op 18 oktober 2023 overleden was.

    Maar onlangs, precies een jaar na zijn overlijden bracht uitgeverij Koppernik De uitverkorene uit, het vijfde en onvoltooide deel van de Ewout Meyster-cyclus. Een boek waaraan hij tot de avond voor zijn dood gewerkt heeft. En misschien is het onvoltooide ook in deze zin logisch, Wessel te Gussinklo bleef vervlochten met zijn alter ego en kon er onmogelijk een punt achter zetten. De zoekende Ewout was het symbool geworden voor de met de wereld worstelende Wessel Gussinklo. Bijna veertig jaar lang ging hij op stap met Ewout, als kind en puber die zijn plaats zoekt in De verboden tuin (1986) en De opdracht (1995), en dan na jarenlange stilte de sublieme come-back van Ewout Meyster in De hoogstapelaar (2019) en Op weg naar De Hartz (2021).

    Eigenzinnige stijl

    Gussinklo bleef altijd op de achtergrond in de literaire wereld en brak nooit echt door bij het grote publiek. Erkenning kwam er pas nadat hij in 2019 de Book Spot literatuurprijs won en twee jaar later de Boekenbon literatuurprijs. Toch kwamen zijn boeken niet op de bestsellerlijsten. Dat is te wijten aan te Gussinklo’s eigenzinnige manier van schrijven. Hij had een zeer eigen en aparte stijl, niet om te plezieren, wel om zijn overtuiging mee te geven. Hij wilde dat wat ongrijpbaar en onpeilbaar was toch naar boven brengen. Hij gebruikte een taal waar anderen al lang afstand van genomen hadden. Zijn diepgaande en haarfijne analyses raken tot in het diepste van de ziel en zijn soms moeilijk te doorgronden. Hij vond zichzelf ook een schrijver pur sang en weigerde mee te gaan in de compromissen waaraan populaire schrijvers zich vaak aan overgeven. Ook in De uitverkorene viert die eigenzinnige stijl weer hoogtij.

    In De Uitverkorene bevindt Ewout zich nog steeds in De Hartz, de bijzondere hogeschool met zijn bizarre docenten en studenten die ook onderwerp waren in Op Weg naar De Hartz. Ewout blijft worstelen met zichzelf, maar zijn vriend Meindert probeert zorg te dragen voor hem. Tijdens een lezing van een Duitse professor overstijgt Ewout zichzelf en geeft hij openlijk commentaar. Dat levert hem veel respect op bij de toplieden van het instituut. Tot zijn verwondering wordt hij uitgenodigd tot de hoogste kringen en mag meedenken in de discussies. Tegelijkertijd wordt hij verslonden door een bijna dierlijke lust voor de sensuele Thérèse die steeds zijn pad kruist. Dat De uitverkorene onafgewerkt bleef, is duidelijk.

    Onophoudelijke woordenstroom

    Het geheel is wat chaotisch en wat meer structuur was zeker gewenst. Maar eens te meer toont het werk de stilistische hoogstandjes die eigen zijn aan Wessel te Gussinklo. Hij schrijft in een onophoudelijke woordenstroom, een stream-of-consciousness, die in een zenuwachtig en opzwepend ritme doorgaat, waardoor je als lezer steeds sneller mee moet lezen en soms naar adem moet happen. De stijl, de woordenschat en het ritme zijn van een onnavolgbare uitmuntendheid. Ewout zet de lezer een spiegel voor van de mens die worstelt met zichzelf en de wereld, die zoekt naar waarheid, maar waarvoor de verlossing steeds uitblijft, hoe hard je het ook probeert.

    Wessel te Gussinklo wordt gemist. Ewout Meyster lijkt veroordeeld om voor eeuwig in De Hartz te blijven, of toch niet. In een pakkend nawoord schrijft zijn weduwe Odilia over de laatste dagen. Hoe Wessel tot op het einde doorging, met correcties, aanpassingen, juiste zinswendingen en hoe zij die allemaal opnam. Even voor zijn dood liet hij toch iets los over waar het naartoe ging met Ewout. In een mooi slotakkoord schrijft Odilia hoe zij het vervolg ziet van het personage dat al zo lang de lezer meeneemt op zijn tocht, een visie ingefluisterd door een stervende Wessel te Gussinklo.

     

    Lees hier het interview met Wessel te Gussinklo.

     

     

  • Faust in een eigentijdse variant

    Faust in een eigentijdse variant

    Goethes Faust blijft een onuitputtelijke inspiratiebron voor tal van kunstenaars. De strijd tussen goed en kwaad, het pact met de duivel en de strijd om de ziel van de mens spreken tot de verbeelding en zijn dankbare stof om mee te werken. In de toxische tijdsgeest van vandaag waarin onverdraagzaamheid en eigenbelang overal terrein aan het winnen zijn, is het af en toe nodig om na te denken over wat er werkelijk toe doet. Moet de mens niet op een andere manier naar elkaar kijken? Op een onbevangen en directe manier biedt Joris van der Geest de lezer een inkijk in de verdorven geest van onze naasten. Hij doet de lezer naar adem happen en legt hem dilemma’s voor die niet altijd eenduidig te beantwoorden zijn.

    Spanningsveld tussen man en vrouw

    Joris van der Geest is schrijver, investment banker en tantraleraar. Zijn eerste roman De oneindige marshmallow test (2019) en zijn korte verhalen in Hollands Maandblad gingen niet onopgemerkt voorbij. Met Iedereen is Faust brengt hij een roman die actueel is, blijft nazinderen en uitnodigt tot zelfreflectie.

    De eenvoudige cover van het boek intrigeert al onmiddellijk. Er is een ‘trigger warning’  waarin een aantal begrippen tegenover elkaar worden geplaatst: misogyn versus feministisch, aanranding versus Gutmensch, homofoob versus LGBTQ+ friendly. De lezer weet wat hij mag verwachten. De subtiele duivelsstaart op de achterflap is naast de titel al een serieuze knipoog naar Goethe. Van der Geest gebruikt de klassieke Fauststof, maar draait het verhaal om. In de proloog wordt een bizarre weddenschap gesloten tussen ‘man’ en ‘vrouw’ (lees: God en de duivel) en het spanningsveld tussen de beide geslachten is de premisse van het hele boek.

    Hoofpersoon Raphaël is een egocentrische, maar bloedmooie man die in de reclamewereld werkt en zich beweegt tussen de beau monde van Amsterdam. Hij neemt het ervan en beschouwt vrouwen als lust- en gebruiksobject. Nadat hij de vriendin van zijn beste vriend Vincent seksueel vernederd heeft, krijgt hij een koekje van eigen deeg. Hij wordt in de val gelokt, zelf vernederd en daarna gechanteerd. Op zoek naar loutering ontmoet hij de mysterieuze Nagissa. Na seks met haar lijkt hij gehypnotiseerd en wordt hij een echte Gutmensch die zich inzet voor alles en iedereen. Hij behandelt vrouwen met respect en moet de ultieme uitdaging aangaan in het vrouwonvriendelijke Teheran.

    Inzicht door hilariteit

    Iedereen is Faust is een roman geworden met heel veel lagen waarin de auteur in een niets verhullende en expliciete stijl de dingen durft te benoemen. Hoewel het hoofdthema consent lijkt te zijn, komt veel meer aan bod dan enkel dat. De gendergap, grensoverschrijdend gedrag, LGBTQ+ en het algemene goed versus kwaad zijn prominent aanwezig. Van der Geest schrijft ook zeer beeldend en doorspekt het geheel met heel veel humor, sarcasme en veel giftigheid. De personages zijn zeer goed uitgewerkt. Raphaël maakt een hele ontwikkeling door en moet daarvoor door het stof kruipen en doordringen tot zijn diepste zielenroerselen. Noodgedwongen gaat hij die confrontatie aan en komt hij tot inkeer. Hij wordt hierbij geholpen door de hypnose (zoals hij het zelf benoemt) van Nagissa. De vele hallucinaties die ze hem bezorgt, leiden tot revelaties die hem doen inzien wat het juiste is. De lezer moet door de onverwachte en surreële gebeurtenissen wel af en toe de wenkbrauwen fronsen, maar komt tot het besef dat ze een hoger doel dienen. De onderliggende boodschap is duidelijk: een uitnodiging om elkaar beter te leren kennen, begrijpen en respecteren ongeacht ras, geslacht, cultuur of seksuele voorkeur.

    Joris van der Geest maakt handig gebruik van het klassieke Faustverhaal, maar stopt alles in een modern jasje en vertaalt het naar de hedendaagse context van de woke- en cancelcultuur. Bijzonder daarbij is dat hij alles omdraait. Net zoals bij Goethe bestaat het verhaal uit twee delen, goed en kwaad (lees hier: hedonistisch), maar dus in de andere volgorde. Af en toe maakt de auteur ook gebruik van poëtische mijmeringen, gedichten die opeens verschijnen. Wellicht is dit een knipoog naar de engelenkoren in Goethes werk.

    Iedereen is Faust mag gerust een kind van zijn tijd genoemd worden. Tegelijkertijd toont het de lezer dat de bizarre manier waarop mensen zich gedragen en hoe ze handelen van alle tijden is. Dat maakt Van der Geest nog eens pijnlijk duidelijk in zijn eigen brutale, maar duidelijke stijl.

     

  • Is het echt goed zo?

    Is het echt goed zo?

    Dat Maarten Moll een moeizame relatie had met zijn vader bleek eerder al uit zijn vorig werk. De journalist en columnist van Het Parool debuteerde in 2011 met de dichtbundel Lichaam waarin het vooral gaat over de onbereikbare vader. Ook in zijn debuutroman Oberhausen (2016) stond de moelijke relatie tussen vader en zoon centraal. In de nieuwe roman De man op de foto, of zoals de ondertitel zegt Memoir over een afscheid,  staat de auteur stil bij de laatste weken en de dood van zijn vader die in 2022 overleed.

    Antwoorden
    Uitgangspunt van het boek is een foto waarin Molls vader in een zwembad staat, tot boven zijn knieën, starend naar een punt in de verte. Vermoedelijk dateert de foto uit 1980 en is hij genomen ergens op een camping in Luxemburg. Maarten Moll kan maar niet loskomen van de foto en vraagt zich af wie de man op de foto werkelijk was. In de soms ontroerende, maar vaak ook geestige zoektocht die het boek is, slaagt de auteur er niet in een eenduidig antwoord te vinden op die vraag. Moll gaat ook zijn eigen verantwoordelijkheid in de moeilijke relatie niet uit de weg. Het feit dat hij niet close was met zijn vader, daaraan kan hij ook zelf schuld hebben. Wie heeft wie verwaarloosd, lijkt een vraag te zijn die hij zich vaak stelt. In het werk verwijst hij ook naar zijn twee vorige literaire werken waarin hij op zoek ging naar zijn vader en die hem evenmin dichterbij brachten. Als hij hoort dat het leven van vader op zijn einde loopt, probeert de auteur toch nog het ultieme gesprek aan te gaan. Hij tracht antwoorden te krijgen op grote levensvragen, maar de dialogen eindigen steevast met ontwijkende antwoorden of faits divers over de tuin of vogels. De echte gesprekken worden uit de weg gegaan en de ware gevoelens blijven achterwege. Zelfs een laatste gesprek op het doodsbed dat Moll stiekem opneemt met zijn smartphone, levert niets veelzeggends op. De auteur heeft er zelf ook geen sterke gevoelens bij. Als zijn vader uiteindelijk sterft, heeft hij er vrede mee. De dood van zijn kat Puk, toen hij twaalf was, deed hem meer verdriet.

    Afscheid
    Maarten Moll schrijft direct en vlot. Hij weet de juiste woorden te vinden en wordt nergens pathetisch. Hij worstelt met de manier waarop hij zijn werk moet presenteren. Stukken uit het boek verschenen eerder als columns in Het Parool. Daarin merk je ook de taalvirtuositeit van de auteur. Door ze samen te brengen in een boek was hij ook verplicht er een rode draad in aan te brengen. Daarin is hij zeker geslaagd, maar af en toe stoort de herhaling wel. Hij probeert de zaken af te wisselen met wat hij Illusoire conversaties noemt met zijn vriend H. Wellicht zijn dit elementen uit echt gebeurde conversaties die hij had met verschillende vrienden naar aanleiding van de nakende dood van zijn vader. Daarin gaat het vaak over het feit of het geen goed idee zou zijn om fictie van zijn vader te maken. In zijn zoektocht naar de ware vader stootte hij immers op weinig verrassingen of uitspattingen. Vader was een grijze muis die postzegels verzamelde, fotografeerde en in de tuin werkte. Iets spectaculairs zou hem mooier, groter maken. Maar dan komt Moll ook tot het besef dat je de werkelijkheid nooit helemaal kunt vatten, dus ook zijn relaas is een verdraaiing van de werkelijkheid. De onkenbaarheid staat duidelijk centraal en bij het afscheid van zijn vader legt Moll daar zich ook bij neer. Zonder grote emoties, mijmerend over het voorbije en afgelopen leven. Zelfs het opruimen van de spullen van zijn vader maakt weinig bij hem los. Ook zijn moeder lijkt het afscheid goed te kunnen verteren en dat stelt hem enigszins gerust.

    Er zijn al heel wat afscheidsromans verschenen in de Nederlandse literatuur. Denken we maar aan Sprakeloos van Tom Lanoye of Gestameld Liedboek van Erwin Mortier, waarin ze afscheid nemen van hun moeder. Denken we maar aan Tonio van A.F.Th. of aan Schaduwkind van P.F. Thomèse die aan de hand van een roman de dood van hun kind trachten te verwerken. Er zijn echter weinig auteurs die zoveel aandacht schenken aan de relatie met en dood van hun vader als Maarten Moll. En hoewel hij zegt er vrede mee te hebben, laat het feit dat hij al zijn derde werk wijdt aan de relatie met zijn vader, toch het tegendeel vermoeden. De man op de foto is een zoektocht naar het waarom van de afstandelijkheid tussen vader en zoon, weliswaar zonder antwoorden te vinden, maar wat wellicht een belangrijk aandeel vormt in een rouwverwerkingsproces.