• Op wolken lopen

    Op wolken lopen

    Het oorspronkelijk in het Duits geschreven boek Boven aarde, beneden hemel van de Duits/Japanse schrijfster Milena Michiko Flašar (1980) heeft een aangename nonchalante toon. Deze is ongetwijfeld het resultaat van juist niet nonchalant schrijven. Er zit zes jaar tussen de publicatie van haar vorige roman — Meneer Katõ speelt familie — en deze. Haar debuut, Een bijna volmaakte vriendschap, verscheen in 2015.

    Boven aarde, beneden hemel wortelt ondanks de half-Duitse achtergrond van de schrijfster in de Japanse cultuur. Het boek speelt zich bijna geheel af in Tokio. Flašar kiest in de 25-jarige juffrouw Suzu een hoofdpersonage dat haar dagen het liefst in volledige eenzaamheid slijt. Saai? Niet als het fijne pennetje van de schrijfster haar tot leven wekt. ‘Landschappelijk bekeken situeerde ik mezelf ergens tussen woestijn en steppe.’ Haar hamster Punsuke spiegelt haar leven. Punsuke kruipt weg in zijn holletje, weigert elk contact, maar als juffrouw Suzu noodgedwongen haar zieke collega Takada een tijdje in huis opneemt, leeft de hamster helemaal op. Hij komt uit zijn holletje en laat zich zelfs weer een beetje aaien.

    Kodokusha

    Juffrouw Suzu komt vooral goed tot haar recht in het contrast met de energieke meneer Sakai. Hij is de uitbater van een hoogst merkwaardig bedrijf waarvoor juffrouw Suzu als schoonmaakster gaat werken. Het bedrijf, met nog een aantal grappige en bijzondere werknemers, is gespecialiseerd in het opruimen en schoonmaken van huizen waarin lijken langere tijd onopgemerkt hebben gelegen. In het Japans worden dat soort overledenen kodokusha genoemd. ‘Het gaat erom dat je iets voor een dode doet wat je anders alleen voor een levende doet’, zegt meneer Sakai om uit te drukken dat elke dode, ook al is hij of zij nog zo eenzaam en verlaten gestorven, respect verdient.

    Via meneer Sakai en juffrouw Suzu brengt de schrijfster in een aantal adembenemende portretten de zo tragisch gestorvenen tot leven. ‘Samen met de bewoners waren ook de spullen blijven liggen, en hoewel het dode, onbeweeglijke voorwerpen waren, weerspiegelde hun toevallige groepering iets van het moment waarop een mens een lijk was geworden’, bedenkt juffrouw Suzu bijvoorbeeld. Zodoende houdt elke dode de levenden een spiegel voor. Als juffrouw Suzu steeds geconfronteerd wordt met haar eigen tamelijk levenloze bestaan, begint er iets te veranderen. De vraag is of ze uiteindelijk het lef heeft haar leven op de kop te zetten. Want, zo bedenkt ze, als de aarde boven en de hemel beneden was, zouden we op wolken lopen.

     

     

  • Oogst week 36 – 2024

    In den vreemde – Kronieken

    Frida Vogels (1930) is bekend geworden met het driedelige De harde kern (1992) en vooral door het tweede deel waarvoor ze in 1994 de Libris Literatuur Prijs ontving. Tussen 2005 en 2014 zijn elf delen van haar dagboeken gepubliceerd, over de jaren 1954-1978. Vogels schreef meerdere boeken, en vertaalde uit het Italiaans. Haar onderwerp is haar eigen leven, altijd in relatie tot familieleden en vrienden die dan ook uitgebreid beschreven worden, soms als hoofdpersoon. Zichzelf en anderen doorgronden is wat haar drijft, en verantwoording afleggen – aan de onbekende lezer. Ze wil kennen en gekend worden.

    In de proloog van In den vreemde schrijft ze: ‘Ik schrijf woorden op het papier. De lezer zit op mijn schouder en leest mee. (…) Hij heeft me door. Dat is trouwens precies wat ik verlang. Ik stel me voor dat hij me ongenadig zal ontmaskeren, (…) dat ik woorden op papier schrijf is geen gekkenwerk; ik heb me te verantwoorden.’ Het is een veel directere stijl dan de meer omfloerste van haar vroegere boeken. In den vreemde beslaat haar jeugd in Bloemendaal en Laren, de oorlog, haar studietijd in Parijs en Milaan, haar huwelijk met de Italiaanse Ennio, haar leven in Bologna en de jaarlijkse gang van enkele maanden naar Amsterdam om er te schrijven.

    ‘Pappa en mammie hielden een Levensboek bij,’ zo begint ze, ‘over mijn eerste levensjaren en dat boek heb ik pas nu, nu ik tweeënnegentig ben, voor het eerst in handen gekregen. Dat ik ooit die bedrijvige, zorgzame kleine Frida ben geweest waar zij twee toen over schreven, “al zo echt een vrouwtje” zoals pappa tevreden constateerde, kan ik nauwelijks geloven, maar zo is het dus geweest.’

     

    In den vreemde - Kronieken
    Auteur: Frida Vogels
    Uitgeverij: Van Oorschot 2024

    Boven aarde, beneden hemel

    Kodokushi is een Japans woord voor mensen wier eenzame overlijden voor langere tijd door niemand wordt opgemerkt. Gespecialiseerde schoonmaakdiensten halen de lijken weg en maken de woning schoon. In Boven aarde, beneden hemel van de Oostenrijkse schrijfster Milena Michiko Flašar (1980, Japanse moeder, Oostenrijkse vader) is Suzu nieuw in het werk, waarvoor behalve eerbied en zorg vooral geduld en een sterke maag vereist zijn. In steden met een toenemend aantal mensen en een kleiner en duurder aanbod van woningen groeien de problemen. Mensen zijn afstandelijk, de grens tussen desinteresse en discretie vervaagt, kodokushi komen vaker voor. Suzu, die thuis haar eenzaamheid deelt met een goudhamster, vindt het moeilijk om met mensen om te gaan, inclusief haar eenzelvige collega die net als zij een gebruiksaanwijzing heeft. Toch leert ze in haar werk iedereen snel kennen. Ook de doden, waarvoor ze groot respect toont. Door hen en hun voorbije leven ontdekt ze de waarde van omkijken naar een ander mens. Ook de kleurrijke collega’s van de schoonmaakdienst helpen Suzu zich te ontwikkelen tot iemand die het belang van contact met andere mensen leert kennen en waarderen.

    Net als in Flašars Een bijna volmaakte vriendschap (2015), waarin een jongeman, een hikikomori, twee jaar het huis van zijn ouders niet uit is geweest, zijn de hoofdpersonages sociaal onhandige, geïsoleerde individuen. Langzaamaan laten ze anderen toe, durven ze toenadering te zoeken en de verbinding met een ander mens aan te gaan.
    Ondanks de zwaarte van de onderwerpen weet Milena Michiko Flašar haar verhalen op droogkomische toon lichtvoetig te vertellen.

     

    Boven aarde, beneden hemel
    Auteur: Milena Michiko Flašar
    Uitgeverij: Cossee 2024

    De vriendschap van bomen – Heropvoeding van een bioloog

    Bioloog Arjen Mulder leerde met bomen communiceren en schreef erover in De vriendschap met bomen. Eerder al schreef hij Vanuit de plant gezien (2019) waarin hij zich in planten verplaatste. Voor meer bomenkennis volgde hij een cursus bij fysisch geograaf en boomdruïde Maja Kooistra die in veel werelddelen onderzoek naar bomen deed. Mulder had al ontdekt dat hij met bomen kon communiceren. In De vriendschap met bomen legt hij uit dat bomen onder- en bovengrondse netwerken hebben waarmee ze met elkaar communiceren en ook met dieren en mensen. Bomen kunnen een stemming oproepen, of actief de menselijke somberheid doen verdwijnen en op vragen reageren, schrijft Mulder. Maar of het allemaal echt zo is weet hij niet. Wel heeft hij ontdekt dat je deze wereld alleen kunt kennen via gevoel, intuïtie en zelfkennis. Als je met bomen wilt communiceren moet je de aannames van het psychologisch model loslaten.

    In het radioprogramma Vroege vogels vertelt hij over zijn ervaringen. Hij merkte dat bomen op hem reageren. Of een boom werkelijk zijn onbewuste kan lezen weet hij niet. ‘Ik heb geen flauw idee. (…) Misschien klopt het idee van hoe wij in elkaar zitten wel niet en kunnen wij met ons lichaam veel meer registreren zonder dat we er erg in hebben, maar leren we onszelf om dat niet te doen.’ In het begin nam hij de beslissing om geen verklaringen te zoeken maar het gewoon mee te maken. Hij ontdekte dat er meer mensen waren met dezelfde ervaring. ‘Toen wist ik zeker dat ik niet gek aan het worden was.’

     

    De vriendschap van bomen – Heropvoeding van een bioloog
    Auteur: Arjen Mulder
    Uitgeverij: De Arbeiderspers 2024
  • De vrouwelijke correctie

    De vrouwelijke correctie

    Achter de façades van de sprookjesachtige hoofdstad Wenen anno 1900 is niets wat het lijkt, schrijft vertaler Kris Lauwerys in zijn boek Van licht naar duisternis, met als ondertitel Drie vrouwen in Wenen (1900-1938). Die vrouwen zijn modeontwerpster Emilie Fröge, journaliste Milena Jesenská en schrijfster Veza Canetti. Zij hebben gemeen dat hun bekendheid overschaduwd werd door hun veel bekendere, mannelijke geliefden. Volgens Lauwerys heeft de geschiedschrijving ‘na een eeuwenlange focus op mannen ‘een vrouwelijke correctie’ nodig’.

    Van licht naar duisternis bestaat uit drie delen, elk gewijd aan één van de vrouwen. De bekendste van de drie is Milena Jesenskà, met name door haar intense briefwisseling met Franz Kafka. Emilie Fröge was de jarenlange geliefde van schilder Gustav Klimt en Veza Canetti was echtgenote van de latere Nobelprijswinnaar Elias Canetti. Lauwerys wil het clichébeeld rechtzetten dat zij ‘muze’ of ‘vriendin van’ waren. Hij doet dat door de geschiedenis van Wenen vanaf eind negentiende eeuw te beschrijven aan de hand van het leven van de drie vrouwen, ingebed in een ‘razend interessant, turbulent en in toenemende mate sinister tijdperk’. Het verhaal gaat daardoor zeker niet alleen over de vrouwen, maar vooral ook over hun mannen, hun tijdgenoten en de geschiedenis en gebeurtenissen in Wenen en het einde van het Habsburgse rijk. Het personenregister van het boek bevat dan ook veel namen, ruim vierhonderd, van wie één derde vrouwelijk.

    Emilie Flöge

    Het eerste deel Emilie Flöge gaat over de jongste van de drie zussen Flöge. Emilie Flöge (1874-1952) ging na de lagere school naar de Bürgerschule voor meisjes, daarna volgde ze een naaiopleiding. Volgens Lauwerys deden de meisjes iets wat wat ongewoon was: ‘ze streefden ernaar financieel onafhankelijk te worden.’ Emilie werd ‘een bekwaam naaister met een feilloos gevoel voor vorm en kleur’.

    Via vader Hermann Flöge ontstond contact met de broers Gustav (1862-1918) en Ernst Klimt. Na enige tijd vraagt Ernst om de hand van Helene Flöge, zij is zwanger en ‘de familie-eer moet gered’. Ruim een jaar later overlijdt Ernst echter onverwacht en Gustav Klimt en Emilie Flöge worden voogd van het dochtertje.

    Gustav was ‘een charmeur, een verleider, een vriend van de familie’ en hij bracht vakanties met hen door. Emilie ontmoet Gustav regelmatig, zoekt hem op in zijn atelier en er ontstaat een verborgen relatie. Emilie heeft ‘er alles aan gedaan om haar sporen uit te wissen’, maar er zijn ondertussen vierhonderd poststukken en zeven brieven opgedoken die ‘indirect licht werpen op het leven van de jonge Emilie’ en op de relatie met Gustav Klimt. Die speelde zich af tussen 1895 en 1899. ‘Hun relatie zal zich kenmerken door wederzijdse artistieke bevruchting. Zij worden elkaars muze.’ In die tijd zette Emilie ‘haar eerste stappen als modeontwerpster’ en zij zet zich af tegen de conservatieve mode voor vrouwen waarbij ze door het korset werden ingesnoerd.

    Wenen
    In het eerste deel schrijft Lauwerys naast het leven van Emilie, veel over de ontwikkeling van het politieke en culturele leven in Wenen, met de opkomst van het anti-semitisme en vroege nationalisme – mede als gevolg van de massale immigratie. Meer dan de helft van de bewoners is immigrant, afkomstig uit alle hoeken van het Habsburgse rijk en Duitsland. ‘Het nationaliteitenprobleem zal onopgelost blijven tot de Eerste Wereldoorlog en tot die tijd de politiek van Oostenrijk-Hongarije domineren.’ Net als de groeiende aanwezigheid van de uit het Oosten gevluchte Joden, oplopend van 100 duizend tot 175 duizend. Doordat de Joden eeuwenlang ‘landbouwer noch ambachtsman mochten zijn, legden ze zich traditioneel op de handel, het bankwezen, industrie en intellectuele beroepen toe.’  Lauwerys geeft daarvan voorbeelden uit het culturele leven en de financiële en industriële en handelswereld in Wenen en concludeert: ‘Dat alles wekte afgunst en zou het antisemitisme aanwakkeren.’

    Milena Jezenská

    Het tweede deel Milena Jezenská is het kortste, de relatie en de briefwisseling met Franz Kafka duurden ook niet zo lang.  Veel van wat is beschreven in het eerste deel geldt bovendien ook voor de tijd dat hun intensiefste briefwisseling duurde, van december 1919 tot najaar 1920.

    Milena Jesenskà (1896-1944) groeide op in ‘een beschermde, burgerlijke omgeving’ in Praag.  Haar vader was hoogleraar en de familie woonde in het centrum van Praag.   Op haar elfde ging zij naar het eerste meisjesgymnasium in Oostenrijk-Hongarije. Helaas kreeg haar moeder een ongeneeslijke ziekte en twee jaar lang moest zij na schooltijd de zorg voor haar moeder op zich nemen. Na de dood van haar moeder is ze ‘het ankerpunt in haar leven kwijt.’ Milena dwaalt af van het pad dat haar vader voor haar heeft uitgestippeld: zij laat overal in de stad onbetaalde rekeningen achter, ze steelt bloemen uit een park en verdovende middelen uit de apotheek van haar vader. ‘Frustraties, onbegrip en woede, van beide kanten.’ Van haar vader krijgt ze ook te horen wat zich in zijn behandelkamer afspeelt om de verminkte soldaten weer toonbaar te maken. Ze breekt haar intussen begonnen medicijnstudie af, en krijgt een relatie met een tien jaar oudere man. Milena wordt zwanger, haar vader zorgt voor een abortus, ze trouwen en ‘het jonge paar vertrekt in ballingschap naar Wenen.’

    Journalist
    Via haar man maakt ze in het Weense café Herrenhof kennis met literaire vrienden en intellectuele vriendinnen van haar man. Ze wordt echter slechts beschouwd als ‘de vrouw van’. Na veel problemen met haar (huwelijkse) leven, lukt het Milena een eerste artikel te schrijven voor het Praagse tijdschrift Tribuna. Ze krijgt daarna opdrachten voor meerdere stukken per week en gaat vervolgens ook voor een andere krant schrijven. In de jaren twintig zal ze zich ontwikkelen tot een ‘gerespecteerd journalist en vertaler’.  Als na de oorlog in Wenen grote hongersnood ontstaat, vindt de jonge journaliste haar onderwerp. Milena heeft een grote maatschappelijke betrokkenheid. Uit gehechtheid aan haar man blijft ze toch in de stad: ‘Wenen is haar broodwinning geworden.’

    Vertaler
    In 1919 ontdekt Milena het verhaal De stoker van Kafka en ze vraagt hem of ze het in het Tsjechisch mag vertalen. ‘Kafka was zichtbaar ingenomen met het idee.’ Het is een eerste vertaling van zijn werk. Kafka schrijft haar, als hij het tijdschrift met de vertaling heeft ontvangen, dat die ‘een bijna vanzelfsprekende waarheid’ bezit. De maanden erna volgt een steeds intensiever wordende briefwisseling, Kafka schrijft eerst om de paar dagen, dan dagelijks lange brieven. Al snel worden de brieven intiem en na een paar maanden wil Milena dat hij naar Wenen komt. Kafka is bang voor de eventuele gevolgen voor haar huwelijk, maar hij gaat wel. Ze ontmoeten elkaar later weer in een grensplaats tussen Oostenrijk en Tsjechoslowakije, maar ‘het is een catastrofe’. De briefwisseling hapert en Kafka wordt zieker. Ze zien elkaar nog een paar keer – het einde van Kafka nadert snel. Milena gaat een jaar later terug naar Praag en wordt een bekende journaliste.

    Veza Canetti

    Veza Canetti is deel III. Veza Taubner (1897-1962) is geboren in Wenen, haar ouders wonen in Leopoldstadt, waar de meeste Joden wonen. Ze groeide op in de Sefardische gemeenschap, maar was ‘een typische geassimileerde Weense Joodse vrouw.’  Haar vader sterft al als zij zeven jaar is, haar moeder hertrouwt als zij veertien is met een rijke Jood uit Sarajevo.  Deze man is ‘schatrijk, maar tegelijk is hij een ontzettende vrek … een huistiran, tegen wie Veza jarenlang een stellingoorlog heeft uitgevochten.’ Over haar jeugd en opleiding schrijft Lauwerys weinig, er is weinig bronnenmateriaal. Tot haar zestiende volgde Veza een meisjeslyceum. Voordat Veza jaren later kennismaakte met Elias, leerde ze eerder het gezin Canetti al kennen maar het contact met hem ‘bleef beperkt tot hoffelijkheden’. Veza en Elias ontmoeten elkaar in 1924 voor het eerst, na een lezing van Karl Kraus, die ‘een moreel kompas’ voor haar was en een inspiratiebron voor de beginnend schrijfster. In de jaren twintig schreef ze wel, maar er was nog niets gepubliceerd. Over haar werk in die tijd is weinig bekend, ze vertaalde en was lerares Engels. Publiceren gebeurde pas in de vroege jaren dertig met een reeks in één van de meest in aanzien staande kranten. Een eerste verhaal in boekvorm verscheen in 1932 bij een linkse uitgeverij, waarvoor Elias ook vertaalwerk deed. In 1935 zou Elias Canetti’s eerste roman Die Blendung verschijnen. Veza was socialiste en een van de eerste schrijfsters over macht en huiselijk geweld binnen het huwelijk. Volgens Lauwerys is ‘Veza net zozeer Elias’ muze’ als hij voor haar. Maar ’in de loop der jaren zijn de twee verstrikt geraakt in een kluwen van wederzijdse afhankelijkheid.’ Veza heeft besloten Elias zijn vrijheid te gunnen, waar het om vrouwen gaat. Zij ‘intussen verpietert in haar rol van huishoudster en secretaresse in dienst van de schrijver.’  Pas na de dood van Elias Canetti in 1994, die haar posthuum als mede-auteur van Massa en macht heeft verklaard, werden haar korte verhalen en haar roman gepubliceerd.

    De ‘vrouwelijke correctuur’ is Lauwerys gelukt met de ontsluiting van het leven en de betekenis van de drie vrouwen aan de hand van recente biografische bronnen.  De ondertitel zet de lezer wel wat op het verkeerde been, aangezien het grootste deel van het boek over de politieke en culturele context gaat, en een leerzame blik geeft op het Wenen van begin 20e eeuw tot de Tweede Wereldoorlog.

     

     

  • Oogst week 20 – 2024

    Het land achter de zee

    Midden in de grootste hedendaagse crisis tussen Israël en de Palestijnen is er een boek verschenen dat vertelt over de Joodse overlevenden van de Holocaust die na de oorlog naar Palestina vertrokken, destijds nog Brits mandaatgebied. Het land achter de zee is gebaseerd op een ooggetuigenverslag dat historisch letterkundige dr. Frans Blom een aantal jaar geleden in handen kreeg.

    Het is niet alleen een hoofdstuk uit de pijnlijke geschiedenis van het Palestijnse volk en Israël, het laat ook het verband zien met huidige vluchtelingencrises. De Joodse vluchtelingen werden beschouwd als illegale migranten en geïnterneerd in kampen op Cyprus waar tienduizenden werden opgesloten. Dat deze kampen hebben bestaan was al lang bekend, maar persoonlijke verhalen over dit drama waren dat nog niet of nauwelijks.

    Het ooggetuigenverslag is van de hand van de Joodse Amsterdammer Emil Pimentel (1923-1988), die twee jaar in zo’n kamp heeft vastgezeten en die in 1988 in Israël is overleden. Zijn zoon bezorgde het materiaal dat Emil had geschreven. Het was heel veel: dagboeken, gedichten, brieven en korte verhalen. Niemand had het ooit gelezen. Dat heeft zijn familie pas dertig jaar na zijn dood gedaan.

    In voorwoord ‘Tot de lezer’ staat: ‘Het verhaal van Emiles migratie is een essentieel onderdeel van de Joodse naoorlogse geschiedenis en de ontwikkelingen in het Midden-Oosten. Tegelijk kan het een spiegel zijn voor het heden. Het grootste conflict van het Midden-Oosten, dat door de migratie na de Holocaust voor het eerst hevig oplaaide en nu bijna dagelijks het nieuws beheerst, is na 75 jaar strijd zo diepgeworteld en zo complex dat er ondanks herhaalde pogingen nog geen begin van een oplossing in zicht is.’

    Het land achter de zee
    Auteur: Frans R.E. Blom, Vivian Beekman
    Uitgeverij: Uitgeverij Querido (2024)

    Wat onbesproken bleef

    In Wat onbesproken bleef doet Daniël erg zijn best om met zijn vader in gesprek te gaan om zo achter een hoop geheimzinnigheid te komen. Maar het gaat moeizaam, zeker als Daniël vraagt over de oorlog en zijn Joodse moeder.

    Pas als hij een map met aantekeningen van zijn vader uit de oorlog vindt, krijgt hij iets meer beeld over zowel het leven van zijn vader, die als soldaat in het Duitse leger diende, als dat van zijn moeder.

    Nog even had iedereen gehoopt dat Niek Bremen de presentatie van zijn laatste boek Wat onbesproken bleef zou kunnen bijwonen, maar helaas. De Limburgse schrijver Niek Bremen overleed half maart van dit jaar, zijn boek is onlangs, op 11 mei jl. postuum gepresenteerd. Bremen begon pas laat met schrijven, op 72-jarige leeftijd debuteerde hij met zijn roman Bang voor de liefde. Ook heeft hij verschillende verhalenbundels geschreven. Over Wat ons raakt uit 2021 schreef Daan Lameijer op deze website: ‘Bremen raakt ons ontegenzeggelijk, maar richt zijn pijlen niet op de onderbuik. Liever schotelt hij ons een wonderlijke combinatie voor van gitzwarte nationale historie, niet waargemaakte dromen en een lachwekkende nietszeggendheid.’ Lees hier de hele recensie.

     

     

     

     

     

    Wat onbesproken bleef
    Auteur: Niek Bremen
    Uitgeverij: Uitgeverij In de Knipscheer (2024)

    Van licht naar duisternis

    Aan het begin van de twintigste eeuw bloeiden in Wenen de kunsten en de wetenschap als nooit tevoren. Als we aan bekende namen denken uit die tijd, betreft dat in vrijwel alle gevallen mannen. Alsof de vrouwen niet bestonden of geen belangrijke rol speelden. Met Van licht naar duisternis brengt Kris Lauwerys daar, voor in ieder geval drie vrouwen, verandering in. Het gaat om Emilie Flöge, Milena Jesenská en Veza Taubner-Calderon (Veza Canetti).

    Emilie Flöge was een succesvol modeontwerpster. Gustav Klimt was haar vriend en bewonderaar die haar o.a. afbeeldde in haar eigen ontwerpen op zijn nu zo beroemde werken.
    Milena Jesenská was schrijfster en journalist. Naar aanleiding van haar verzoek aan Kafka om zijn werk te mogen vertalen, onstond een uitgebreide briefwisseling. Kafka’s brieven aan haar zijn bewaard gebleven en werden in 1952 uitgegeven onder de titel Briefe an Milena.

    Veza Taubner-Calderon publiceerde onder pseudoniem en het is ook bekend dat ze meeschreef aan het werk van haar echtgenoot Elias Canetti, zonder daar ooit waardering voor te krijgen. Haar eigen werk werd pas postuum onder haar  naam (Canetti) gepubliceerd en wordt gezien als van groot literair niveau.

    Er zijn meer boeken die over de bloei en neergang van het Wenen uit die tijd gaan. Maar Lauwerys kleurt de stad in mede aan de hand van deze drie vrouwen en hun omgeving en dat is een eigentijdse en hoognodige invalshoek.

    Van licht naar duisternis
    Auteur: Kris Lauwerys
    Uitgeverij: Uitgeverij Athenaeum (2024)
  • Schuldig kinderspel

    Schuldig kinderspel

    Welke keuze heb je als kind? Kun je je ouders ook níet vertrouwen? In Het beroep van mijn vader blikt de Franse schrijver en journalist Sorj Chalandon via zijn alter ego Émile terug op zijn jeugd. Het was een jeugd die gedomineerd werd door zijn paranoïde en agressieve vader, André Choulans. Aanvankelijk lijken diens anekdotes over zijn carrière als zanger of voetballer nog gewoon sterke verhalen. Ernstiger wordt het als hij zegt ook spion te zijn geweest en adviseur van president Charles de Gaulle. Wanneer André zich verraden voelt door De Gaulle maakt hij op een ochtend van zijn twaalfjarige zoon ook een geheim agent: ‘Sta op, rebel!’

    Het is eind april 1961, de krant France-Soir kopt ‘Militaire coup in Algiers’. Op het journaal veroordeelt De Gaulle deze putsch van de dissidente generaals. In 1958 hadden de pied-noirs, de Franse Algerijnen, De Gaulle aan zijn verkiezings­overwin­ning geholpen. Ze hoopten dat hij de onafhankelijkheid van Algerije zou tegenhouden. André voelt zich verraden en sympathiseert met de terreurbeweging OAS, de Organisation de l’Armée Secrète.

    Als eerste opdracht van zijn vader moet Émile de naam van generaal Salan op muren schrijven om zo hun steun uit te drukken aan de oprichter van de OAS. Via zijn vader krijgt Émile ook opdrachten van de Amerikaanse agent Ted, die zijn verrichtingen voor de organisatie nauwgezet volgt. Meer opdrachten volgen die steeds minder onschuldig zijn, zoals het bezorgen van dreigbrieven. Helemaal opgenomen door zijn rol, betrekt Émile een klasgenootje erbij. Zonder medeweten van zijn vader begint Émile hem opdrachten te geven.

    Terreur
    In het grootste deel van Het beroep van mijn vader schrijft Chalandon vanuit het perspectief van het kind. Hij overtuigt hiermee en dat geeft de roman zijn dramatiek. Als lezer heb je al snel door dat André aan waanvoorstellingen lijdt en zijn gezin terroriseert. Door de opdrachten die hij zijn zoon geeft gaat het op school met Émile steeds slechter, waarvoor hij hem afranselt. Ook zijn vrouw krijgt het te verduren wanneer ze bij uitzondering een keer naar een concert gaat. Ook dat ziet André als verraad.

    Het is pijnlijk te beseffen dat de roman gebaseerd is op Chalandons eigen jeugd. Een jeugd met een moeder die niet bij machte is haar zoon te beschermen tegen het geweld van haar man – en zichzelf ook niet. En tegelijk zie je Émile zoeken naar de liefde en erkenning van zijn vader. En hoe ver hij ook wil gaan voor zijn vader, klappen zijn het enige dat hij krijgt.

    ‘Ik huilde. Niet van de pijn, maar om de onrechtvaardigheid. Mijn kaakbeen deed zeer, mijn tanden. Ik zwoer het. Ik had nooit iets over hem of over Ted of over wat dan ook verteld. Ik had De Gaulle in mijn eentje willen vermoorden. Ik had hem willen verrassen. Hem een plezier willen doen. Zodat hij trots op me zou zijn.’

    Het enige dat Émile houvast geeft in zijn jeugd is zijn tekentalent. Later, eenmaal volwassen, wordt hij restaurator. Wanneer zijn eigen zoon naar school gaat en het beroep van zijn vader moet invullen, probeert hij te begrijpen wat een restaurator is: ‘schilder op zieke schilderijen’. Het maakt een schrijnend contrast met Émiles eigen jeugd. Maar de laatste hoofdstukken maken duidelijk dat André hem er niet onder heeft gekregen. Wat bijzonder is gezien de thuissituatie in zijn jeugd: ‘In ons gezin was er geen huidcontact. De lippen van de een raakten maar zelden de wang van de ander. We meden zelfs elkaars blik.’

     

  • Oogst week 17 – 2019

    Het beroep van mijn vader

    Deze week uit elk boek een klein citaat. Te beginnen bij Het beroep van mijn vader, de nieuwe roman van de Franse journalist en schrijver Sorj Chalandon (Tunis, 1952).

    Hij begint als volgt:

    ‘Zaterdag 23 april 2011

    We waren maar met z’n tweeën, mijn moeder en ik. Toen het karretje met daarop de doodskist van mijn vader werd binnengereden, moest ik aan een serveerwagentje in een restaurant denken. De lijkdragers waren met zijn drieën. Vale gezichten, zwarte jassen, slecht geknoopte dassen, te korte broeken, witte sokken en slappe schoenen. Ze hadden niets plechtigs of ernstigs, wisten met hun blik en hun handen geen raad. Ik verjoeg een glimlach. Mijn vader zou worden afgevoerd door uitsmijters van een nachtclub.’

    Chalandon had geen gemakkelijke vader. In Het beroep van mijn vader, zijn meest autobiografische roman, stelt hij de vraag hoe je je als kind het beste kunt wapenen tegen de uitbarstingen van een paranoïde vader.
    Hij schreef het na de dood van zijn vader.

    Het beroep van mijn vader
    Auteur: Sorj Chalandon
    Uitgeverij: Atlas Contact

    De kamer waar alle verhalen beginnen

    De kamer waar alle verhalen beginnen van Wouter Godijn (1955) gaat over een redacteur van thrillers, fantasy en sciencefiction die zo door zijn werk in beslag is genomen dat hij ervan droomt. Opvallend is dat hij droomt in de stijl van die genres, en de inhoud van de dromen is te herleiden tot de trauma’s die hij opliep in zijn eigen jeugd.

    Het boek begint als volgt:

    ‘De redacteur was zich aan het uitkleden. Zijn pantalon, als hij hem aanhad een nogal intimiderend kledingstuk, glanzend blauw als de avondhemel vlak voor het écht donker wordt, lag al in een enigszins ambivalente houding, een kruising tussen een prop en netjes opgevouwen, op een parmantig stoeltje niet ver van zijn bed. Hij stond voor een smalle, langgerekte spiegel, waar hij niet in keek en tegelijk wel, en knoopte zijn wit-lichtblauw gestreepte overhemd dat nu een beetje op een jurkje leek open, werktuiglijk speurend naar urinevlekken op het onderste deel (sinds de operatie was het risico daarop groter geworden) en andersoortige ongerechtigheden- hoewel hij de volgende dag sowieso een schoon overhemd zou dragen. Beroepshalve diende hij frisheid en reinheid uit te stralen.’

    De uitgeverij omschrijft De kamer waar alle verhalen beginnen als een ontroerend verhaal over waarschijnlijk de laatste nacht uit het leven van een man die zich heeft geprobeerd te verzoenen met iets wat dat leven heeft verruïneerd, en noemt het spannend, humoristisch en de verbeelding overstijgend.

     

    De kamer waar alle verhalen beginnen
    Auteur: Wouter Godijn
    Uitgeverij: Atlas Contact

    Afhankelijkheidsverklaring

    De proloog van Afhankelijkheidsverklaring van theatermaakster Rebekka de Wit begint als volgt:

    ‘Het schijnt dat Aboriginals een absoluut gevoel voor richting hebben. Als ergens aan de linkerkant van een Aboriginal een gigantische rots staat te blinken in het zonlicht, zal hij die rots lokaliseren aan de hand van de windrichtingen. “Opmerkelijk”, zal hij mompelen. “Een blinkende rots in het noordoosten” Of er loopt een mierenkolonie voorbij, terwijl twee Aboriginals wat ditjes en datjes uitwisselen. Een van hen zou dan kunnen zeggen: “Kijk! Een Australische mierenoptocht, ongeveer tien centimeter ten zuiden van je enkel!”’

    Afhankelijkheidsverklaring is min of meer een logisch vervolg op haar debuut uit 2015 We komen nog één wonder tekort waarin De Wit schreef:

    ‘Ik zou een Declaration of Dependence willen schrijven, omdat dat veel minder bezijden de waarheid klinkt en troostender is dan de gebalde vuist, en independence me vrijwel uitsluitend doet denken aan het alleen zijn, wat er sowieso is.’

    En nu is die afhankelijkheidsverklaring er dus. Volgens Atlas Contact is het een bundel met bespiegelingen, verhalen en essays over het meest vanzelfsprekende. Rebekka de Wit probeert als een antropoloog te doorgronden waarom iedereen van zijn doodsangsten uitdagingen probeert te maken, waarom afhankelijkheid als falen wordt gezien en waarom mensen die graag te boek staan als ‘no nonsense’ doorgaans veel nonsens uitkramen.

     

     

     

    Afhankelijkheidsverklaring
    Auteur: Rebekka de Wit
    Uitgeverij: Atlas Contact (2019)

    QualityLand

    ‘Come to where the quality is! Come to QualityLand!’

    Zo begint de inleiding van het bij uitgeverij De Harmonie verschenen boek QualityLand.

    Het gaat verder:

    ‘Je gaat dus voor het eerst van je leven op reis naar QualityLand. Voel je de spanning stijgen? Nou? Volkomen terecht! Want nog even en je zet voet in het land dat zo belangrijk is dat de stichting ervan een nieuwe jaartelling inluidde: QualityTime

    Na de zoveelste crisis in korte tijd onderneemt de regering actie: ‘Meegesleurd in de blinde paniek van de markten vroeg de regering de bedrijfsadviseurs van Big Business Consulting (BBC) om hulp, en zij besloten dat het land vooral een nieuwe naam nodig had. […]

    De bedrijfsadviseurs gaven de creatieve geesten van WereldWijdeWarenhuis (WWW) niet alleen de opdracht om met een nieuwe naam voor het land te komen maar meteen ook een nieuw imago, nieuwe helden, een nieuwe cultuur, kortom: een nieuwe Country Identity.’

    In QualtiyLand vertelt QualityPartner je wie het beste bij je past en zelfrijdende auto’s weten precies waar je naartoe wilt. Werk, vrije tijd en relaties, alles wordt door algoritmes bepaald.

    De Duitse auteur Marc-Uwe Kling is kleinkunstenaar en poetryslammer. Hij was zeer succesvol met zijn debuut De kangoeroekronieken.Daarvan werden in Duitsland een half miljoen exemplaren verkocht. Ook werden de filmrechten verkocht.

    QualityLand
    Auteur: Marc-Uwe Kling
    Uitgeverij: Uitgeverij De Harmonie (2019)
  • Onmachtig om het juiste te doen

    Onmachtig om het juiste te doen

    In Een bijna volmaakte vriendschap draait het om besluiten die geen besluiten zijn. Hoofdpersonen Taguchi Hiro, een zogenaamde ‘hikikomori’, en Ōhara Tetsu, een ‘salaryman’, laten zich drijven door hun gevoel en erkennen tenslotte dat nietsdoen ook een besluit is.

    Een hikikomori is een Japanse jongere die zich langdurig opsluit in het ouderlijk huis, meestal omdat hij of zij zich niet kan of wil aanpassen aan de prestatiemaatschappij. Een salaryman is in Japan een mannelijke werknemer van een bedrijf.

    Bij ik-verteller Taguchi was het niet de prestatiedruk op school waardoor hij een hikikomori werd. Het was nadat hij zijn vriend Kumamoto door een auto overreden zag worden en in zijn herinnering voortdurend diens hand vanaf het asfalt naar hem opgeheven zag, dat hij besloot voortaan op zijn kamer te blijven en het leven te ontwijken.

    In de jaren daarvoor verloochende en verloor hij vriendinnetje Yukiko door haar zijn steun te onthouden op het moment dat zij die nodig had en ook de neergang van een klasgenoot op school had hij misschien kunnen voorkomen als hij niet had weggekeken bij de treiterijen door andere klasgenoten.

    Twee jaar na zijn zelfgekozen afzondering zoekt hij huiverend de buitenwereld weer op. ‘Op een koude februariochtend, gaf ik toe aan mijn verlangen.’ Hij laat zichzelf vrij, zoals hij het noemt.

    Onwennig vermijdt hij iedere aanraking, ieder contact. ‘De gruwelijkste gedachte was die aan twee blikken die op een toevallig moment in elkaar vasthaken.’

    Als hij in een park waar hij als kind met zijn moeder kwam een plek gekozen heeft om zijn dagen door te brengen, komt een oudere man, Ōhara, die Taguchi later ‘Stropdas’ gaat noemen, dagelijks op de bank tegenover hem zitten. Na twee weken wisselen ze wat blikken en woorden en in de toenadering die volgt vertellen ze elkaar langzaam hun geschiedenis. Ook Ōhara kent situaties waarin hij het liet afweten op momenten dat hij een ander, zijn vrouw, houvast had moeten bieden en in de huidige situatie heeft hij een essentiële gebeurtenis, de reden waarom hij op de bank zit, voor haar verzwegen. De consequenties van hun nalatigheid moeten Taguchi en Ōhara met zich meedragen.

    In treffende bewoordingen en betekenisvolle zinnen laat de Oostenrijkse schrijfster Flašar (Japanse moeder, Oostenrijkse vader) zien hoe de jongere en de oudere man, ieder om verschillende redenen en op een andere manier, lijden onder hun huidige bestaan en hun onvermogen om de moreel juiste keuzes te maken. Ōhara zegt: ‘Verteerd door haat verscheen de dood aan mij als een vriend die me hartelijk zou ontvangen, me vriendelijk in zijn hart zou sluiten.’

    Waar Taguchi in het begin van het boek nog denkt: ‘Ik wilde niemand ontmoeten. Iemand ontmoeten betekent verstrikt raken.’ gloort op de bank in het park gaandeweg de hoop. Het praten over de gebeurtenissen en de erkenning zonder oordeel lijken het begin van genezing, van kracht voor een nieuwe start. Als Ōhara op een dag niet komt opdagen, geeft de ontstane vriendschap Taguchi een paar weken later de moed om te besluiten naar hem op zoek te gaan.

    Flašar gebruikt geen aanhalingstekens, zet punten waar je eerder een komma zou verwachten en schrijft soms heel korte en onaffe zinnen. Zoals ‘Stil blijven liggen, terwijl buiten het leven.’ Dat beroep op invulling door de lezer leidt nergens tot onduidelijkheid en heeft een aangename kant omdat het je belet door de tekst te razen – een optie door het ogenschijnlijk eenvoudige taalgebruik – en de kern van de zinnen te missen. Want vele daarvan zijn de moeite waard om nog eens over te lezen en de betekenis tot je te laten doordringen. Ze belichten de psyche van de mens in het algemeen en van het individu in een prestatiegerichte maatschappij in het bijzonder, waar bij falen schaamte op de loer ligt. Dat is in het westen net zo herkenbaar als in Japan. Maar aan het einde van dit uitmuntende boek is het lijden voorbij en de loutering mild. De lezer kan gerust gaan slapen.
    Een bijna volmaakte vriendschap

     

     

  • Recensie: Een hermelijn in Tsjernopol – Gregor von Rezzori

    Recensie door: Hilde van Vlaanderen

    Ruim vijftig jaar geleden, in 1959 stond de schrijver Gregor von Rezzori op de voorpagina van het gerenommeerde Duitse tijdschrift Der Spiegel. Een elegante man met een ietwat spottende blik kijkt de lezer aan. Wanneer je zijn boeken leest, herken je waarschijnlijk deze blik. Von Rezzori was een schrijver, die uitermate nauwkeurig observeerde en zijn waarnemingen op verfijnde, soms barokke wijze uitwerkte in zijn verhalen en romans.

    ‘Niemand doet ooit wat anders dan zijn eigen dood tegemoet lopen. Ook hoort hij niet de klaaglijk weemoedige lokroep van de treinen in de verte, die de stad Tsjernopol verlaten om eenzaam de verloren vlakte op te snellen, een andere eenzame en op zichzelf staande, weemoedig verloren werkelijkheid tegemoet: want eenieder is verloren in zijn eenzaamheid, mensen zowel als steden’.
    Voordat het eerste hoofdstuk begint, hebben we deze intrigerende zin al in een soort voorwoord gelezen. Melancholie ten top: klaaglijk, weemoed, verloren, eenzaam. Zo portretteert Von Rezzori de mensen in de ? verzonnen ? stad Tsjernopol.
    Maar de stad is niet alleen eenzaam, de stad kent ook de spotlach. De lach, die tot kunst verheven was, een waarachtige volkskunst. Hier geeft de schrijver een grappige, uitvoerige beschrijving van verschillende manieren van lachen en vertelt dat we ? de burgers van de stad ? hier heel goed in waren.

    Von Rezzori beschrijft de bevolking van de stad, zoals de prefect Tarangolian, de Engelse gouvernante van het gezin miss Rappaport, de huzaar majoor Tilly en zijn vreemde vrouw, kolonel Turturiuk, de leraar Alexiame, meneer Adamovski , professor Ljubanarov en vele andere boeiende figuren. Hij vertelt over de onderlinge spanningen, de uitbundigheid op een bal, de spotlach, de jaloezie en het duel, dat iedereen meeneemt in voor- en tegenstanders. Al lezend vraag je je steeds af: is dit nu echt gebeurd? Waarschijnlijk niet, of misschien wel.

    Hoewel voorin het boek vermeld staat, dat alle gebeurtenissen aan de verbeelding van de auteur zijn ontsproten, is het niet onwaarschijnlijk, dat Von Rezzori veel anekdotes en gebeurtenissen ooit, misschien in iets andere vorm, heeft meegemaakt in het stadje Czernowitz, waar hij is geboren en naar school gegaan. In het laatste hoofdstuk schrijft hij: ‘Maar ik zei toch al vanaf het begin dat wij, die verhalen vertellen, het altijd over onszelf hebben, op de manier dus hoe die verhalen onze verhalen zijn geworden ? en dat betekent niet alleen: hoe wij ze hebben ervaren, maar ook hoe we ze ons eigen hebben gemaakt door ze te vertellen.’
    Dit laatste hoofdstuk heeft de titel: Liefde en dood van de hermelijn, er wordt een nieuw personage opgevoerd: Mititika Pjovartsjuk, een straatmadeliefje. Majoor Tilly zou haar hebben liefgehad, was bereid alles voor haar op te geven, zij wilde een bontmantel kopen, hij betaalt in de kroeg met zijn zegelring. Later komt hij om onder een tram en zij legt haar jas met de kraag van hermelijn over hem heen…

    Voor dit boek moet je de tijd hebben, rustig lezen, soms herlezen. Er staan prachtige fragmenten in. Het heeft een enorme taalrijkdom, sommige overdenkingen zijn boeiend.
    Het is geen boek, dat in de top-tien komt, maar voor fijnproevers is het zeer de moeite waard.

    Gregor von Rezzori is in de Bukowina ? dat toen nog tot het Habsburgse rijk hoorde, geboren. Tegenwoordig ligt het in Oekraïne. Vanaf 1938 woonde hij in Berlijn en Hamburg. Hij schreef voor de Duitse radio en verschillende kranten. Later had hij een huis in Toscane en in New York. Hij is in 1998 in Italië overleden.

    Een hermelijn in Tsjernopol

    Auteur: Gregor von Rezzori
    Vertaald door: Kris Lauwerys
    Verschenen bij: Uitgeverij Atlas
    Prijs: € 29,95