• Oogst week 7 — 2026

    Vrouwen in duistere tijden — Tien denkers van blijvende betekenis

    In Vrouwen in duistere tijden — Tien denkers van blijvende betekenis bespreekt Alicja Gescinska tien toonaangevende vrouwen in tien biografische portretten. Rosa Luxemburg, Anna Achmatova, Edith Stein, Hannah Arendt, Martha Gellhorn, Simone Weil, Jeanne Hersch, Etty Hillesum, Barbara Skarga en Judith Shklar. Vrouwen die streden tegen onderdrukking, tegen de ontmenselijking en vernietigingsdrang van de twintigste eeuw. Veel van hen werden vervolgd voor hun daden van verzet: ze stierven in kampen of leefden in ballingschap.

    Alicja Gescinska (1981) is een Pools-Belgische filosoof en schrijver. Ze werd geboren in Warschau en vluchtte op zevenjarige leeftijd naar België. Daar groeide ze, na een kort verblijf in een asielcentrum in Brussel, op in het Oost-Vlaamse dorp Lede. Gescinska studeerde Moreelwetenschappen en promoveerde in 2012 tot Doctor in de Wijsbegeerte aan de Universiteit Gent. Sindsdien werkt ze als onderzoeker, docent en schrijver. Ze schrijft zowel fictie als non-fictie en in 2017 won ze de Debuutprijs voor haar roman Een soort van liefde. Vrouwen in duistere tijden is haar meest recente boek. 

    Vrouwen in duistere tijden — Tien denkers van blijvende betekenis
    Auteur: Alicja Gescinska
    Uitgeverij: De Bezige Bij

    Moet dwalen

    Isi Witlamm snakt naar romantische liefde, naar eeuwige zelfs. Een allesbepalend en misschien wat gevaarlijk verlangen. Want wat kun je redelijkerwijs van het leven verwachten? In Moet dwalen laat Charlotte Mutsaers hem, de titel zegt het al, dan ook hopeloos verdwalen. Met zijn visie van eeuwige liefde als baken blijft Isi geloven dat hij de weg weer zal vinden. Wellicht tevergeefs.

    Charlotte Mutsaers (1942) is beeldend kunstenaar en schrijver. Ze studeerde Nederlands, werkte als docent en volgde de avondopleiding tekenen en schilderen aan het Instituut voor Kunstnijverheidsonderwijs (sinds 1968 Gerrit Rietveld Academie). Sinds de jaren tachtig verschenen er veel romans, verhalen, poëzie en essaybundels van haar hand. Haar werk werd genomineerd voor alle grote literaire prijzen, waarvan ze onder andere de Constantijn Huygensprijs en de P.C. Hooftprijs ontving.

    Moet dwalen
    Auteur: Charlotte Mutsaers

    Uitgeverij: Prometheus

    Meester van de trommels


    In Meester van de trommels laat José Eduardo Agualusa zijn personage Leila Pinto het liefdesverhaal van haar grootouders vertellen. Dit verhaal, over Jan en Lucrécia, is verweven met de geschiedenis van het Koninkrijk Bailundo en het hedendaagse Angola. Agualusa doet hiermee een alternatieve werkelijkheid uit de doeken: antikoloniaal en bedoeld om te laten zien hoe veelvormig de geschiedenis van een land kan zijn.

    José Eduardo Agualusa (1960) is een Angolese schrijver en columnist van Portugees-Braziliaanse afkomst. Hij studeerde landbouwkunde en bosbouw in Lissabon en woont momenteel op Ilha de Moçambique, waar hij werkt als schrijver en journalist. Zijn eerste boek, een roman, verscheen in 1989. Sindsdien publiceerde hij een groot aantal romans, korte verhalen en novelles. Agualusa won meerdere prijzen waaronder, in 2017, de International Dublin Literary Award. Zijn boeken werden vertaald in vijfentwintig talen.

    Meester van de trommels

    Auteur: José Eduardo Agualusa
    Uitgeverij: Koppernik
  • Oogst week 47 — 2025

    Bigi Yari — Tien Surinaams-Nederlandse schrijvers reflecteren op vijftig jaar Surinaamse onafhankelijkheid


    Op 25 november 2025 is het vijftig jaar geleden dat Suriname onafhankelijk werd. Dit maakt 2025 een bigi yari, vijftig jaar srefidensi. Veel families hebben moeten kiezen: blijven we in Suriname of gaan we naar Nederland? Wat betekende deze historische gebeurtenis voor hen en hoe werkt deze vandaag nog door? In Bigi Yari — Tien Surinaams-Nederlandse schrijvers reflecteren op vijftig jaar Surinaamse onafhankelijkheid, samengesteld door Bodil de La Parra en Jeffrey Spalburg, vertellen schrijvers met Surinaamse wortels hun verhaal. Met bijdragen van Iwan Brave, Nina Jurna, Tessa Leuwsha, Cynthia McCleod, Bodil de la Parra, Chris Polanen, Shantie Singh, Jeffrey Spalburg, Prof. Soortkill & Etchica Voorn.

    Bodil de La Parra (1963) is acteur en toneelschrijver. Na de Akademie voor Kleinkunst en een jaar Toneelschool speelt ze onder andere bij Stichting Theater Het Amsterdamse Bos, ’t Muztheater, het Theater van het Oosten, Theater Artemis, het Noord Nederlands Toneel en Toneelgroep Amsterdam. Ze schreef meerdere toneelteksten en een roman, Het verbrande huis. Een Surinaamse familiegeschiedenis.

    Jeffrey Spalburg (1971) is cabaretier, acteur, stand-upcomedian, tekstschrijver, columnist, schrijver en regisseur. Hij deed de theateropleiding aan de Hogeschool voor de Kunsten Utrecht en begon zijn carrière in de hiphop. Sindsdien speelde hij onder andere in theatervoorstellingen en televisieseries, schreef hij voor theater- en televisieshows en werkte hij als regisseur aan verschillende (muziek)theaterprogramma’s.

    Auteur: Bodil de La Parra en Jeffrey Spalburg
    Uitgeverij: Atlas Contact


    Hoeveel duizend uren — Tegen de wanhoop

    Wie het nieuws kijkt wordt dagelijks overspoeld met ellende. Voor veel mensen is dit genoeg reden zich ervoor af te sluiten. Caro Van Thuyne deed juist het tegenovergestelde. Ze keek al het wereldnieuws alsof het haarzelf overkwam in een poging te onderzoeken wat er gebeurt als je pijn echt dichtbij laat komen. In  Hoeveel duizend uren — Tegen de wanhoop neemt ze de lezer mee in die pijn. Wat zou er gebeuren als iedereen naar het nieuws kijkt zoals Van Thuyne deed? Zou het de wereld rechtvaardiger maken?

    Caro Van Thuyne (1970) is een Belgische schrijver die in 2018 debuteerde met de verhalenbundel Wij, het schuim. Met haar roman, Lijn van wee en wens won ze een Bronzen Uil. Sindsdien verschenen er nog twee boeken van haar. Het natuurlogboek Hier begint de natuur en het moederboek Bloedzang. De opbrengst van Hoeveel duizend uren — Tegen de wanhoop gaat naar Child Smile, een organisatie die zich inzet voor kinderen in Gaza.

    Auteur: 
Caro Van Thuyne
    Uitgeverij: Koppernik


    Egelskop


    In Egelskop laat Teddy Tops een naamloze verteller de geschiedenissen van diens beide grootmoeders herschrijven. De ene oma, Levi, een joodse Amsterdamse, zoekt na de hele oorlog ondergedoken te zijn geweest naar een dansschool. Ze wil eindelijk weer in het volle licht kunnen staan. De andere, Jo, wordt als dertiende kind geboren in een plaggenhut in Drenthe. Het gezin verhuist naar Eindhoven, waar ze werken in de Philips-fabriek. Ook zij stapt daarmee van een ondergronds bestaan in het licht.

    Teddy Tops (1989) is presentator, interviewer, schrijver en programmamaker. Ze interviewt gasten voor programma’s als het Marathoninterview, Nooit Meer Slapen en Een Uur Cultuur. Ook organiseert ze festivals, culturele avonden en clubnachten. Voor het platform Mensen Zeggen Dingen leidt ze spoken word. Naar eigen zeggen heeft ze talloze studies geprobeerd, omdat ze maar niet kon kiezen. Aan de Academie voor Journalistiek en de Schrijversvakschool hield ze het het langst vol.

    Auteur: Teddy Tops

    Uitgeverij: Nijgh & Van Ditmar

  • Postmodern meesterwerk uit Schotland

    Postmodern meesterwerk uit Schotland

    De roman Poor Things (1992) van Alasdair Gray, vertaald door Robbert-Jan Henkes als Arm ding, werd beroemd door de veelbekroonde verfilming van Yorgos Lanthimos in 2023 met Emma Stone in de hoofdrol. Alasdair Gray (1934-2019) was een bijzonder interessant auteur die voor een ware renaissance van de Schotse literatuur zorgde met zijn omvangrijke romandebuut Lanark. A Life in Four Books (1981). Hij was een van Schotlands belangrijkste beeldend kunstenaars en alleen al om de illustraties en de typografie is zijn literaire werk een waar genoegen. Dat geldt ook voor Arm ding. ‘Voorvallen uit het vroege leven van Archibald McCandless M.D. van de Schotse Dienst Volksgezondheid, bezorgd door Alasdair Gray.’

    Arm ding is zijn belangrijkste boek, meer nog dan in zijn debuut laat hij hierin zien hoe cruciaal de rol van de stad Glasgow in de Britse geschiedenis was. Eind negentiende eeuw stond Glasgow in wetenschappelijk en economisch opzicht boven Londen op nummer een in the British Empire.

    Verdronken vrouw tot leven gewekt

    Met Arm ding schreef Gray een verhaal over een anonieme vrouw in het victoriaanse Glasgow die zichzelf verdronk. Ze wordt door de geleerde Godwin Baxter gevonden en met het brein van haar ongeboren dochter weer tot leven gewekt en opgenomen in zijn huis. Hij noemt haar Bella Baxter. Baxter ontfermde zich ook over Archibald McCandless (Archie), een boeren bastaardkind dat op de universiteit gepest werd om zijn accent en kleding. Bella, die aanvankelijk de motoriek van een peuter heeft alsook het bijbehorende taalgebruik, ontwikkelt zich snel. Baxter laat Archie nauwkeurig Bella’s vorderingen noteren. Archie wordt verliefd op haar en Baxter besluit dat ze later met elkaar zullen trouwen.

    Ondertussen laat Bella zich ‘ontvoeren’ door de charmante losbol, advocaat Duncan Wedderburn, voor een tour door Europa. Tijdens haar afwezigheid ontvangen Archie en Baxter korte levenstekens van haar. Ondertussen beweegt Bella zich zowel geestelijk als fysiek steeds soepeler en begint ze na te denken over de samenleving.

    Wedderburn wil ook met Bella trouwen, maar zij is niet van plan haar belofte aan Archie te verbreken. De teleurgestelde advocaat vlucht in drank en gokken, waarna ze berooid stranden in Parijs. Om geld te verdienen werkt Bella een tijdje in een bordeel en maakt via een collega kennis met het socialisme.

    De werkelijkheid over Bella

    In Alexandrië wordt ze geconfronteerd met verschrikkelijke armoede en raakt overstuur, ook omdat ze plotseling aan haar dode dochtertje moet denken. Als ze uiteindelijk thuiskomt, vertelt ze over de ellende in Alexandrië en vraagt zich af wat zij kan doen. Baxter raadt haar aan de problemen dicht bij huis te bestrijden door arts te worden in het arme deel van Glasgow.

    Als Archie en Bella gaan trouwen worden ze in de kerk verrast door een gezelschap van vijf mannen. Ene Sir Aubrey de la Pole Blessington beweert dat Bella, Victoria heet en zijn vrouw is. Ook Bella’s vader, een steenrijke spoorwegmagnaat, is aanwezig, evenals een lijfarts, een advocaat en een privédetective. Baxter nodigt het gezelschap uit om in zijn woning van gedachten te wisselen. Dan blijkt Blessington zijn echtgenote jaren geleden aan clitoridectomie wilde onderwerpen. Ondertussen ging hij vreemd met een dienstmeisje. Als Bella vervolgens onthult dat Blessington de gemaskerde, prematuur ejaculerende ‘mister Spankybot’ uit haar Parijse bordeel is, wordt het de man te veel en pleegt hij zelfmoord.

    Bella en Archie krijgen drie zoons. Archie wordt voorzitter van de Glasgowse Burgerlijke Verheffingstrust en Bella leidt een kraamkliniek en schrijft pamfletten voor de beroemde Fabian Society en het vrouwenkiesrecht.

    ‘FINIS’

    Maar dan kennen we Gray niet: er volgen nog 35 bladzijden met kritische en historische kanttekeningen van bezorger Alasdair Gray, die ons al vergastte op een inleiding van acht pagina’s voor het relaas van Archie.

    Postmoderne trukendoos

    Zowel de inleiding als de kanttekeningen rammelen verdacht. Want Gray gebruikte voor Arm ding de hele postmoderne trukendoos. Verschillende ‘authentieke’ teksten die elkaar opzettelijk lijken tegen te spreken, plus de daarbij behorende typografie. Zo te zien komt het officiële cv van Blessington, de dertiende baronet van die naam, uit Who is Who? uit 1883. Maar de manier waarop het cv vermeldt hoe het latere parlementslid in alle mogelijke uithoeken van het koloniale Britse Imperium heeft huisgehouden, is zelfs voor die dagen hoogst overdreven en onwaarschijnlijk. Laat staan de locaties van sommige van zijn veldslagen: Fumuckenugger, Bullubgur.

    De intertekstualiteit gebruikt Gray dan ook op allerlei manieren. Hij verwijst indirect naar een hele reeks auteurs, van Dostojewski – De speler – en Dickens tot Arthur Conan Doyle. Ook speelt hij met de namen van zijn personages. Zo verwijst de tweede voornaam van Godwin Bysshe Baxter naar Percy Bysshe Shelley. Shelly trouwde met Mary Wolstonecraft, dochter van de politieke filosoof William Godwin en auteur van Frankenstein; or, The Modern Prometheus (1818). Het verhaal dat werd geconcipieerd in Byrons Villa Diodati bij het meer van Geneve. Daar denken we aan Lady Blessingtons uiterst populaire Conversations of Lord Byron (1834).

    Gray’s eigen scenario

    De verfilming is werkelijk bijzonder: ‘Frankenstein meets Pygmalion’, met een beetje ‘steampunk’. Maar Gray zou zeker teleurgesteld zijn geweest dat scenarist Tony McNamara de locatie heeft verplaatst van Glasgow naar Londen. Er is bewijs dat de auteur dat zelf nooit zou hebben gedaan. Namelijk Gray’s eigen scenario dat in zijn bundel A Gray Play Book (2009) staat.  Tijdens het schrijven van die roman wist Gray ‘zeker’ dat hiermee een carrière zou beginnen als schrijver voor het bioscoopscherm. Want Frankenstein en horror gothic waren destijds populairder dan ooit en hij had zijn roman met ruime hand voorzien van een negentiende-eeuwse sfeer en de bijbehorende kostuums.

    Een filmscenarioschrijver ziet een ander medium voor zich en moet daardoor afwijken van de gelaagde, postmoderne structuur van een tekst (en in dit geval, ook beeld). Vooral het probleem van de opzettelijke inconsistenties en contradicties oplossen. Wat te doen met de verschillende versies van de werkelijkheid? In dit geval: wie sprak de waarheid? Archie of de weduwe Victoria? Bovendien blijken vanuit het scenario-perspectief de dialogen in Arm ding soms wel er lang en de (bijna-) herhalingen tamelijk overbodig. Zo is Godwin Baxter in zijn sociale en politieke betogen langdradig, net als het lange verhaal van de spoormagnaat. Sterker is dat het geval bij de ‘missionarissen’ zoals Gray ze noemt, Hooker en Astley. Hun ellenlange redevoeringen om Bella te overtuigen, worden spoedig saai en vervelend als je ze door acteurs ziet uitspreken.

    Het boek vertaald naar een filmscenario

    De wanhopige en razende brief van Wedderburn in het boek heeft Gray ‘vertaald’ in een bezoek van twee artsen aan het gesticht waarin de advocaat verblijft. De man begint te vertellen en we zien hem, maanden eerder, opgewekt het huis van Baxter binnengaan en vervolgens Bella het hof maken. Dan zien we de reis van de minnaars door Europa, soms afgewisseld met scènes uit het gesticht, meestal met Wedderburns voice-over. Hetzelfde procedé hanteert Gray voor het weergeven van Bella’s lange reisverslagen.

    Na de zelfmoord van Blessington toont Gray een serie film stills, als uit een fotoalbum: Archie in zijn kantoor; Diens echtgenote in een geanimeerd gesprek met de Fabians Shaw, Wells en Webb; Victoria die de Royal Albert Hall toespreekt over vrouwenkiesrecht; Met haar assistentes in de geboortekliniek; Met haar drie kinderen.

    Arm ding in vertaling van Henkes leest prettig, al had de titel natuurlijk moeten zijn Arme dingen, zoals het origineel in meervoud. Het vertalen leek soms niet eenvoudig. Bella heeft bijvoorbeeld de gewoonte om voor- en achternamen in te korten waardoor ze een dubbelzinnige betekenis krijgen: God, Candle, Bell en Wed. Ze gebruikt ‘wed’ ook als werkwoordelijke aanduiding voor de geslachtsdaad. Maar wat moet de lezer met ‘Kaars’ en ‘huwen’? Blessingtons posh lost Henkes op door hem te laten spreken als corpsleden: ‘polisie’ en ‘justisie’. ‘Lame vrouw los, mneer’. Dat werkt niet altijd goed, maar we mogen Koppernik en Henkes dankbaar zijn dat een prachtboek als Arm ding nu in waardig Nederlands beschikbaar is voor de lezer.

     

     

  • Oogst week 42 – 2025

    Tussen heden en morgen

    In Tussen heden en morgen van Jenny Erpenbeck lijkt dezelfde joodse vrouw steeds opnieuw te sterven. Stierf ze als baby, aan het begin van de twintigste eeuw, in het stadje Brody? Of in Wenen, vlak na de Eerste Wereldoorlog? Erpenbeck vertelt het verhaal van deze vrouw steeds opnieuw en steeds met een ander dodelijk einde om de lezer zo mee te nemen in de geschiedenis van de hele twintigste eeuw.

    Jenny Erpenbeck (1967) is een Duitse schrijver en opera regisseur. Ze is geboren in Oost-Berlijn en studeerde theater van 1988 tot 1990 theater aan de Humboldt Universiteit van Berlijn. Vanaf 1990 studeerde ze voor Muziektheater regisseur aan het Hanns Eisler Muziek Conservatorium, een studie die ze in 1994 afrondde. Erpenbeck schreef romans, novelles, korte verhalen, essays en toneelstukken en won meerdere prijzen, waaronder in 2024 de Internationale Booker Prijs voor haar roman Kairos.

    Tussen heden en morgen
    Auteur: Jenny Erpenbeck
    Uitgeverij: De Geus

    Heldingen

    Heldinnen van Kate Zambreno komt voort uit hun blog genaamd Frances Farmer is My Sister en de anti-patriarchale onlinegemeenschap die zich daaromheen vormde. Zambreno onderzocht modernistische schrijfsters als Vivienne Eliot, Jane Bowles, Jean Rhys en Zelda Fitzgerald op een radicaal nieuwe manier. Deze vrouwen waren meer dan alleen muzen voor mannelijke schrijvers, maar hun eigen werk en de bijdragen aan het werk van hun echtgenoten werden verdoezeld en vergeten. Een deel van hen werd opgesloten in psychiatrische instellingen. Heldinnen is een literair manifest dat aan de kaak stelt hoe de vrouwelijke ervaring als minderwaardig wordt weggezet en de woede daarover in banen leidt om ons zo alsnog te bevrijden van het patriarchale keurslijf.

    Kate Zambreno (1977) is een Amerikaanse schrijver van romans, essays en kritieken en professor aan de Colombia Universiteit en het Sarah Lawrence College, waar hen schrijven onderwijst. Zambreno studeerde journalistiek aan de Northwestern Universiteit en performance theory aan de Universiteit van Chigaco. Hen publiceerde meerdere boeken, waarvan Heldinnen de meest recente is.

    Heldingen
    Auteur: Kate Zambreno
    Uitgeverij: Koppernik

    Het gezoem van bijna alles

    Een bankje begroeid met mimosa. In Het gezoem van bijna alles van Coco Schrijber is het bijna alsof Cato er al negen jaar zit, bevroren sinds haar jongetjes door een koelkast werden verpletterd. De zuidwestenwind blaast tranen in haar glazen oog. Waarom komt ze nu toch in beweging? Heeft het te maken met de plotselinge dood van haar buurvrouw of met de wijn die ze heel de dag drinkt? Misschien komt het door het gezoem van alles bij elkaar. Ze schrijft een paar zinnen waardoor alles weer in beweging komt.

    Coco Schrijber (1961) is een Nederlandse schrijver en filmregisseur van documentaires. Ze studeerde aan de Rietveldacademie. Met haar documentaire over verveling, Bloody Mondays & Strawberry Pies, won ze meerdere prijzen waaronder in 2008 het Gouden Kalf. Ook was deze film de Nederlandse inzending voor de Oscars. Schrijber werd drie keer genomineerd voor de Jan Hanlo Essayprijs klein en schreef drie boeken. In 2016 interviewde Literair Nederland haar over haar boek De luchtvegers.

    Het gezoem van bijna alles
    Auteur: Coco Schrijber
    Uitgeverij: Querido
  • Hoe verhalen kunnen ontstaan

    Hoe verhalen kunnen ontstaan

    In De naaister en de wind (uit 1991 en nu vertaald) laat de Argentijnse auteur César Aira (1949) opnieuw zien waarom zijn werk moeilijk in traditionele literaire categorieën valt. In De schimmen (Los fantasmas, uit 1990), combineerde hij het realistische decor van een flatgebouw in aanbouw met geestachtige verschijningen die alleen door bepaalde personages werden waargenomen. Deze onverwachte vermenging van het alledaagse en het fantastische is ook in De naaister en de wind aanwezig. De roman begint in een café in Parijs, waar Aira zichzelf als verteller opvoert en probeert te bedenken hoe hij een verhaal moet beginnen waarvan alleen de titel al vaststaat. Dit zet de toon voor een associatieve tekst die zich zonder vast plan ontwikkelt en zich niets aantrekt van conventionele logica of structuur.

    De vertelling balanceert tussen autobiografie en fictie, tussen herinnering en vergeten, droom en werkelijkheid. Het traditionele verhaal met een duidelijke plot en karakterontwikkeling maakt hier plaats voor een experiment waarin het proces van schrijven zelf centraal staat. Aira wil iets vertellen, maar wil vooral laten zien hoe verhalen ontstaan en wat vertellen überhaupt betekent.

    Vergeten als vertrekpunt

    Het uitgangspunt van de roman is een vergeten droom. Vaag herinnert Aira zich een perfect verhaal dat hij ooit droomde, maar dat bij zijn ontwaken volledig verdwenen was. In plaats van dat verhaal terug te halen, besluit hij het vergeten zelf tot onderwerp te maken. Zo schept hij een verhaal dat niet voortkomt uit herinnering of inspiratie, maar juist uit het ontbreken daarvan.

    Het eerste concrete verhaal volgt Delia, een naaister uit Pringles die werkt aan een trouwjurk. Wanneer haar zoon Omar gaat spelen in de bestelauto van de buurman die plotseling wegrijdt, zet Delia zonder aarzeling een achtervolging in die naar Patagonië voert. Haar man Ramon gaat vervolgens achter haar aan, en al snel sluit zich ook een verliefde wind zich aan als een eigenzinnig personage. Dan verschijnt er een demonisch kind, en de trouwjurk begint op mysterieuze wijze te zweven, wat leidt tot een keten van bizarre, onverwachte gebeurtenissen.

    Aira’s logica hanteert is niet die van oorzaak en gevolg, maar een droomlogica waarin het ongeloofwaardige binnen het verhaal vanzelfsprekend wordt. Uitleg of verantwoording zijn niet nodig. Wat telt, is dat het verhaal blijft bewegen en veranderen.

    Schrijven als een voortdurend experiment

    Aira, die in één jaar wel vier titels kan publiceren, schrijft zonder revisies in één vloeiende beweging. Hierdoor vervagen traditionele literaire grenzen: personages veranderen of verdwijnen plotseling en het narratief rekt de conventionele logica op zonder die te breken. Dit resulteert in een boek dat eerder voelt als een momentopname van een creatieve beweging dan als een afgerond product. Het ontbreken van een duidelijke spanningsboog of voorspelbare plot kan voor sommige lezers bevrijdend zijn, omdat het de lezer uitnodigt mee te gaan in het onvoorspelbare. Anderen kunnen het gevoel van houvast missen.  

    Een opvallend aspect is het meta-niveau van deze roman. Regelmatig keert Aira terug naar het café in Parijs, laat zijn vertelstem verdwijnen en weer opduiken, en speelt met de grenzen tussen fictie en werkelijkheid. Deze zelfreflectie over het schrijfproces zorgt voor een dynamiek die het verhaal levendig houdt.

    Toch is dit geen louter intellectueel spel, nog afgezien van de mogelijkheid dat de auteur verwijst naar verdwijningen die in Argentinië onder de dictatuur niet ongewoon waren – maar zo’n boodschap laat de auteur geheel voor rekening van de lezer. In doorlopend hoog tempo bevat dit boek juist veel humor, slapstick en absurdistische situaties die aan Monty Python doen denken. Deze speelse toon voorkomt elke zwaarte, ondanks de filosofische thema’s over geheugen, identiteit en de aard van verhalen. 

    Magisch realisme zonder symboliek

    Hoewel het verhaal bovennatuurlijke elementen bevat, zoals een verliefde wind en een zwevende trouwjurk, past Aira’s stijl niet echt in het genre van het magisch realisme. Waar bij auteurs als García Márquez of Isabel Allende het magische vaak symbool is voor diepere culturele of historische thema’s, is Aira’s magie ongrijpbaar en los van betekenis.

    De wonderlijke gebeurtenissen zijn niet geladen met metaforische lagen, maar functioneren als elementen die de droomachtige sfeer van het verhaal versterken. Zijn wereld volgt de principes van het surrealisme en het groteske: personages zijn minder psychologisch uitgewerkt dan dat ze beweging en verandering belichamen.

    Toch is er ruimte voor subtiele melancholie. De passages waarin Aira terugkeert naar zijn jeugd in Pringles roepen een verlangen op naar het ongrijpbare verleden, naar dromen en herinneringen die net buiten bereik blijven. Dit spanningsveld tussen absurditeit en existentiële reflectie geeft de roman een onverwachte diepte.

    Een verhaal zonder vaste bestemming

    De naaister en de wind biedt geen traditionele afronding, catharsis of eenduidige betekenis. Het verhaal laat zich lezen als een experiment, een improvisatie met een open structuur die desoriënterend kan zijn, maar het verhaal ook verrassend rijk en gelaagd maakt.

    Voor lezers die zich kunnen overgeven aan het onvoorspelbare en onbegrensde, biedt De naaister en de wind een uniek avontuur. Het spoort aan tot nadenken over de aard van herinnering, identiteit en de rol van de schrijver. Dit boek laat zien hoe verhalen kunnen ontstaan, niet uit wat er ís maar uit wat ontbreekt. Het toont de onvermoede opbrengst uit vergeten en verdwalen.

     

     

  • De jongen op de achterste rij van de klassenfoto

    De jongen op de achterste rij van de klassenfoto

    In Blauw of de kleur van blijdschap voert Anke Scheeren (1982) haar protagonist Egbert Klein mee op een ongewone missie: het promoten van windenergie in Mongolië. Egbert is een introverte en onopvallende man die zijn dagen slijt bij een duurzaamheidsbedrijf. Zonder nadere verklaring wordt hij uit zijn routine gerukt. De opdracht zaait vooral onzekerheid en onbehagen — hij voelt zich verre van de aangewezen figuur om in een vreemd land het gezicht te zijn van zijn bedrijf. Maar geleidelijk groeit Egbert in zijn rol en raakt hij verknocht aan het doel. Wat eerst een last was, gaat hij beschouwen als zijn eigen verantwoordelijkheid, bijna als een kwetsbaar kind dat om zorg vraagt.

    Dat juist hij zich zo vastbijt in deze onderneming is alleen te begrijpen wanneer we achter zijn verlegen façade kijken. Vanaf de eerste bladzijde gunt Scheeren de lezer een blik in Egberts binnenste; een landschap even kil als schrijnend. Hij kan zichzelf omschrijven in ontluisterende bewoordingen: “Ik ben die jongen op de achterste rij van alle klassenfoto’s. Ik ben hard geworden kauwgom onder een schoolbank. […] Ik ben niemand, volstrekt niemand.” Deze sombere zelfportrettering vormt het startpunt van een reis die vooral een innerlijke blijkt te zijn.

    De wereld als spiegel

    De roman volgt Egbert door een ruig en spaarzaam bevolkt landschap dat zelden verlichting biedt. Mongolië met zijn eindeloze vlakten, koude straten en schaarse menselijkheid, ontvouwt zich in sobere, suggestieve beelden. Ontmoetingen blijven zeldzaam; communicatie blijft fragmentarisch. De fysieke leegte van de steppe weerspiegelt Egberts binnenste.

    Egbert Klein doet denken aan Frits van Egters, de beroemde hoofdpersoon uit Gerard Reve’s De Avonden (1947). Net als Frits is Egbert een verlegen figuur die worstelt met zijn plek in de wereld en zich gevangen voelt in de sleur van alledag. Beide personages dragen een diep gevoel van ongemak en existentiële onzekerheid met zich mee, en hun innerlijke monologen onthullen een melancholie die even pijnlijk als herkenbaar is. Waar Frits cynisch en soms bijtend scherp observeert, blijft Egbert ingetogen, maar ook hij worstelt met vervreemding en een gevoel van zinloosheid. De stiltes en kleine momenten van desillusie bij Egbert resoneren sterk de toon die Reve neerzette: het schrille contrast tussen het alledaagse en de onuitgesproken dieptes van het innerlijk leven. 

    De oorzaak van Egberts onvermogen om geluk te ervaren, ontvouwt zich bijna geruisloos, tussen de regels. Een diepgaand persoonlijk drama behandelt Scheeren met spaarzame beknoptheid, alsof het zwijgen rondom deze pijn de zwaarte ervan alleen maar versterkt. Tegelijk groeit er een behoedzame verstandhouding, een broze en wederzijdse herkenning tussen Egbert en Batu, zijn gids. Deze subtiele terughoudendheid typeert Scheerens literaire handschrift. Zelfs momenten die naar openbaring neigen vergroot ze niet uit, maar laat ze bewust in stilte vervagen; een doordachte stilistische keuze.

    Tragikomische gevoeligheid

    Blauw of de kleur van blijdschap is geen conventioneel ontwikkelingsverhaal. Egberts aard wijzigt nauwelijks. Wel verandert het perspectief van de lezer: wie geneigd is Egbert als tragikomisch figuur te beschouwen ontwikkelt gaandeweg sympathie voor zijn aarzelingen en gelatenheid. Zijn gevoeligheid voor de wereld drukt zich uit in ongemak bij het onverwachte, een lichamelijke afkeer van verandering, in een subtiel ‘wurgend gevoel’ dat als een lichte druk door het verhaal loopt.

    Toch is de roman niet zonder humor — wrange humor, weliswaar. De absurditeit van een onervaren werknemer die een campagne moet opzetten voor windmolens in een land waar de wind alomtegenwoordig is, biedt ruimte voor ironie. Scheeren benut die, zonder haar te expliciteren. De worsteling om de missie te laten slagen krijgt geen melodramatische glans, maar is het onvermijdelijke resultaat van een systeem dat mensen inzet als pionnen, zonder oog voor hun eigenheid.

    Taal als sfeerdrager

    Het taalgebruik is overwegend sober en zorgvuldig: Scheeren verkiest precisie en suggestie zonder zich op te dringen, zodat de lezer ruimte krijgt om Egberts emoties en gedachten zelf te ervaren. In enkele scènes wijkt ze bewust af van deze sobere stijl en kiest voor een lyrischer taalgebruik: voor de ontmoeting met het paard gebruikt ze beeldende, bijna dromerige taal waardoor het onduidelijk blijft wat feit is en wat verbeelding. Ook in de zwemscène met het kind wordt de melancholie versterkt door intenser en beeldender taalgebruik, waardoor de emotionele betekenis van het moment tastbaar wordt.

    Of Egbert zijn opdracht volbrengt mag voor hem persoonlijk van belang zijn, voor het verhaal is het ondergeschikt. De kern van deze roman ligt niet in het resultaat, maar in de reis: traag, onbeholpen, pijnlijk soms. Blauw of de kleur van blijdschap is een roman die zich niet opdringt, maar onderhuids werkt. Scheeren onthult de leegte en het onvermogen van haar hoofdpersoon: niet met grote gebaren, maar met subtiele nuances. De lezer die zich aan het trage ritme overgeeft, ontdekt dat dit boek dat zijn kracht ontleent aan terughoudendheid, en dat stilte evenveel kan zeggen als het gesproken woord.

     

  • Een luchtspiegeling, een onhoorbare roep

    Een luchtspiegeling, een onhoorbare roep

    Meteen in de eerste paar zinnen en op de eerste pagina’s van de debuutroman van de Amerikaanse interdisciplinair kunstenaar en schrijver Anne de Marcken wordt veel maar tegelijk ook weinig informatie gegeven. We lezen dat de ik-persoon de linkerarm is kwijtgeraakt. En dat ene Janice 2 hem heeft opgeraapt en meegenomen naar het hotel. De ik leeft in een nieuw bestaan, dat van een ‘ondode’ in een postapocalyptische wereld.

    Ene Mitchem, die zijn penis afbrak, zegt dat de ik-figuur rouwt. Om de arm én het leven. Mitchem blijkt een prediker te zijn, die vertelt dat ‘alleen de ondoden werkelijk de betekenis van het leven kunnen begrijpen’. Geen enkele hotelgast herinnert zich zijn/haar naam. De naam wordt ook, in tegenstelling tot de arm, niet gemist. De ik – die gaandeweg het verhaal een vrouw blijkt te zijn – vindt een overhemd dat zich makkelijk laat dichtknopen. Het is rood, van het bloed (?) van een man die de ik doodde en waarvan ze een been opat. Misschien om dichter bij diens of haar eigen pijn te komen, die te internaliseren?

    Dode kraai

    De ik vindt vervolgens een dode kraai en heeft daar in haar lichaam, onder de ribben, ruimte voor uitgesneden. Gewikkeld in het rode overhemd zit hij daar. Of is het slechts het gevoel daarvan, in de borst, dat kan worden omschreven als een kraai? De kraai zou dan kunnen staan voor de stem van de natuur in ons, als geweten. Natuur op de manier zoals de 18de-eeuwse Duitse filosoof Herder het verwoordde: als innerlijke kracht. De ik voelt hoe de kraai ‘daarbinnen een besluit neemt’, dingen voorziet. Zo heeft hij het over een hoed en even later gáát het ook over een hoed. Of over een taart, en even later worden er bessen geplukt.
    De ik stelt zich voor hoe de kraai naar beneden zou kijken en ziet wat zij ziet: ‘een ongeregelde groep guerilla-activisten’ die haar omsingelt en insluit in een net. Als was ze zelf een vogel. Ze gaan richting een open plek waar ze op de grond wordt neergelegd, een menigte haar omsingelt en op een gegeven moment ruimte maakt voor iemand in een overall. Ze wordt los gemaakt uit het net en ziet enkele hoge kruisen rondom de open plek staan. Aan de meeste hangt een onthoofd lichaam. De ik wordt ook onthoofd. Ze wordt ondersteboven opgehangen, zoals de apostel Paulus.
    Dan verschijnt een oude vrouw uit het bos die haar naar beneden haalt. Maar wat is ze nog, met één arm, geen hoofd en een holte onder het hart waarin de kraai zit? Ze verdwijnt in het water. Symbool voor zowel leven als dood.

    Verdriet

    Het gaat in dit boek niet om leven of dood, niet om iets of niets, echt of onecht, wel of geen arm. Het draait allemaal om verdriet. Dat honger eigenlijk verdriet is, of vraatzuchtige hoop. ‘Een luchtspiegeling. Die altijd wijkt. De zwarte zwerm achter mijn tanden.’ Verdriet is een tijdmachine, zoals een andere hotelgast, Marguerite, er een op het dak bouwt. Wanneer die in brand wordt gestoken ‘huilt ze alsof huilen zingen is’. Op het dak ‘duurt het eeuwig en dan is het voorbij’.

    Het boek wordt regelmatig vergeleken met Max Porters Verdriet is een ding met veren (2016). De kraaien in beide boeken verschillen echter wezenlijk van elkaar. Om te beginnen omhelst hij bij Porter ter kennismaking de ik-figuur, overal veren achterlatend. ‘IN JE REET, IN JE EIKEL, IN JE BEK.’ Maar niet in de hartstreek. Bij Porter is de kraai omgekeerd ‘een mythe om je in te hullen. Om je in te verhullen’. De kraai kijkt ook niet naar beneden, niet vooruit maar achteruit en zegt: ‘ACUUT TRAUMA-GEÏNDUCEERD COMA.’ De kraai fungeert hier als een psychiater en een huisvriend, wat wezenlijk anders is dan bij De Marcken die bovendien dieper reikt.

    Nouveau roman 2.0

    De formele overeenkomst is dat beide boeken uit veel witte tussenruimtes en korte, soms uiterst korte passages bestaan. Inhoudelijk is Porter minder hermetisch. Je zou het boek van De Marcken een nouveau roman 2.0 kunnen noemen, à la Janice 2. In zo’n roman is gebroken met tradities qua taal en vorm en wordt daarmee geëxperimenteerd. Er is geen verhaal of intrige, laat staan een plot, maar wel is er sprake van veel vervreemdingseffecten. Het gegeven van de kraai, waar De Marcken kortom een mooi en diepgaand spel mee speelt, is ook door andere schrijvers opgepakt. Soms al even metafysisch en minder experimenteel in het verhaal Zwartwaterkoorts in de gelijknamige verhalenbundel van Rascha Peper (2009).

    Als de roman van De Marcken dan toch ergens mee kan worden vergeleken, dan is het met een film als The Tree of Life van Terrence Malick. Vooral een begrip als ‘genade’ dat beiden bezigen als het postapocalyptische slot van deze film, doet denken aan de beschrijvingen van De Marcken. Je ziet er mensen als zombies, zoals de ik-figuur in het boek zichzelf ook beschrijft: ‘als de zombies uit een B-film – schijnbaar gedachteloos, toegevend aan een onhoorbare roep’, hoewel Malick zeker niet onder B-filmers kan worden geschaard.

    Dit kleine boek is een grootse debuutroman, mooi vertaald door Karina van Santen en Martine Vosmaer, die al eerder gezamenlijk Gezelschap van Samuel Beckett vertaalden. Nog zo’n naam die dit boek oproept.

  • Niets is verboden in een land waar alles verboden is

    Niets is verboden in een land waar alles verboden is

    Willem du Gardijn heeft met Het koor van de 300 moordenaressen een indrukwekkende roman geschreven over repressie en wat dat met een mens doet. We schrijven de Koude Oorlogtijd, met name de jaren ’80 van de vorige eeuw in Oost-Berlijn. ‘Für Frieden und Sozialismus…’ is de groet die pioniertjes van 6 tot 14 jaar jong massaal beantwoorden met ‘… seid bereit – immer bereit’. Hoofdpersonen Lena en Maksa zitten aan het begin van de roman in de tram als er twee volksagenten instappen die tegenover hen gaan zitten en naar hen kijken. Lena schrikt, maar probeert zichzelf gerust te stellen. ‘Mag hij?’ vraagt ze zich in stilte af? ‘Ja dat mag hij, want niets is verboden in dit land waar alles verboden is.’ Ze voelt zich ongemakkelijk, gegeneerd, betrapt. Ze zou neutraal naar buiten willen kijken, maar dat lukt niet. Er zijn vele zaken in haar leven die ze liever anders zou zien, maar die onveranderbaar zijn gebleken.

    De eerste drie van de in totaal zes hoofdstukken die de roman telt sleuren de lezer indringend mee in de beklemming van leven in een totalitair geregeerd land en in de paranoia, waanzin, onzekerheid, angst en het wantrouwen die de bijbehorende controle voor individuele mensen met zich meebrengt. Grip krijgen op het verhaal vereist de nodige aandacht, omdat het niet alleen wordt verteld vanuit het wisselende perspectief van de twee vrouwen, maar vooral omdat dat gebeurt vanuit hun innerlijke monologen die in bijpassend eindeloos lang meanderende zinnen de omgeving en hun beider gedachtes, overwegingen en beschouwingen beschrijven. De symboliek is overduidelijk: alleen die ‘Gedanken sind frei’. Zwijgen is goud in hun wereld die beheerst wordt door controle en waarin je niet weet wie te vertrouwen is. Hun onvrijheid en machteloosheid in de stad waarin je – zoals Maksa het verwoordt – schuldig bent om wie je bent, ‘schuldig omdat de zon ondergaat’ is op een knappe manier heel dichtbij geschreven.

    Verzet en verraad

    Tussen de regels door laat met name Lena regelmatig – in haar gedachtes – meer of minder cynisch en kritisch haar mening of gevoel blijken. Als kind voelt ze al verzet. Ze wil geen vis in een vissenkom zijn, maar één in de zee en en ze weet dat ze daar niet alleen in staat. Ze ‘hoort’ de gedachten vol ontevredenheid van mensen op straat en ze voelt dan al dat ‘de heiningen van het volwassenleven’ inhouden ‘onder het mom van collectiviteit mensen van elkaar te scheiden en te onderscheiden’. Honecker krijgt een veeg uit de pan als ze langs een van de vele alom aanwezige portretten van hem loopt: ‘Als je in de buurt bent van zijn door buislampen verlichte hoofd weet je wat je moet doen, je verzetten tegen nazi’s, die zitten overal.’
    ‘Sterft gij oude vormen en gedachten’ citeert ze de Internationale net zo cynisch als ze beschrijft wat de nieuwe tijd inhoudt, namelijk blij in plaats van boos zijn met het kleine: ‘(…) als je je niet gelukkig voelt, speel dat je gelukkig bent.’

    Maksa is net zo gepijnigd eenzaam en ontredderd, maar ze is uit ander hout gesneden. Lena bespeurt al in het begin van de roman ‘wolken op haar voorhoofd, mijn vriendin heeft iets (…)’, maar Maksa kan er niet over praten. Via haar is vooral invoelbaar hoe mensen tegen elkaar worden uitgespeeld. ‘Ik kan er niet tegenop,’ denkt Maksa, en: ‘Als hij kan liegen, kan ik dat ook.’ Dit leidt halverwege het boek tot een catastrofale clou van een mislukte tunnelontsnapping door verraad waarbij zelfs doden vallen en Lena na vreselijke verhoorsessies in een vrouwengevangenis buiten Berlijn belandt. Maksa kan hierna haar evenbeeld in de spiegel niet meer verdragen, zegt ze.

    Louterend zingen

    De laatste drie hoofdstukken van het boek beschrijven Lena’s overlevingsstrijd in gevangenschap na de desastreuze ontknoping bij de tunnel naar West-Berlijn die geen tunnel bleek, en Maksa’s wraak uit wanhoop. Weer worden de interne gevechten indringend, inleefbaar en zeer knap beschreven. Met depersonalisatie, buiten haarzelf treden, houdt Lena zich staande tijdens de martelingen. Eenmaal in de vrouwengevangenis in Hohenbrunnen, waarvoor de beruchte vrouwengevangenis in Hoheneck model heeft gestaan, treden er voor haar andere fasen aan. Een louterende rol bij haar mentaal opkrabbelen heeft de samenzang in de gevangenis. Als kind heeft Lena de magie van zingen al ervaren. Ze mag dan wel eens mee naar een zanguitvoering waarin haar moeder meezingt. ‘Met mijn handjesvolle levensjaren [voel ik] aan dat er met zingen iets op het spel wordt gezet.’

    Praten zonder strijd en beoordeling, is praten dat op zingen lijkt, een ‘koor van stemmen’ ervaart ze dan al. In de vrouwengevangenis is er een ander koor, een koor van 300 vrouwen die allen op beschuldiging van moord opgesloten zitten. En er is vooral ‘het vrouwtje’, de leider van het koor. Ze blijkt empathisch en geïnteresseerd en ze is verantwoordelijk voor veel verbeteringen in het gevangenisregime. Lena voelt zich voor het eerst sinds tijden niet alleen en dankzij het samen zingen geniet ze. ‘Een koor is het tegendeel van gevangen zijn (…) ik voel geen beperkingen.’ Het zingen werkt helend voor haar. Geloofwaardig of niet: de macht van ‘het vrouwtje’ en het herstel van Lena onder andere door het samen zingen, hoopvol is het in ieder geval. Willem du Gardijn breekt een lans voor een wereld waarin mensen elkaar liefhebben, niet kapot maken. De apotheose van het boek leidt naar vrede en acceptatie, naar vergeving en verzoening.

    Met Het koor van de 300 moordenaressen heeft historicus Du Gardijn niet alleen een overtuigende psychologische roman afgeleverd, maar ook – voor wie de Koude Oorlog heeft meegemaakt – een ‘throwback memory’ waarin het Oostblok volop tot leven komt met Trabantjes en Wartburgauto’s, vopo’s en stasi’s. Dit alles tegen het decor van de alomtegenwoordige muur in Berlijn en bij de Friedrichstrasse met het beroemde overstapstation voor reizigers van west naar oost en vice versa, sinds 2011 het Tränenpalastmuseum. Het lachen is velen vergaan maar als er hoop is gebleven lijkt dat terecht, zowel in de echte werkelijkheid als in de verhaalwerkelijkheid van Du Gardijn.

     

     

  • Literaire vertolking van het triviale

    Literaire vertolking van het triviale

    De roman Poel van de Ierse Claire-Louise Bennett, is geen verhaal met een kop, middenstuk en staart. Toch sleurt de auteur de lezer haar gedachtewereld binnen en houdt hem vast dankzij onder andere haar oog voor detail. Pond, Bennetts debuut, verscheen in 2015 en kwam op de shortlist van de Dylan Thomas Prize terecht. Acht jaar later is Poel verschenen bij Koppernik in een uitstekend lezende vertaling van Karina van Santen en Martine Vosmaer.

    Bennett beschrijft een zelfverkozen periode, een soort niemandsland, tussen twee liefdes in. De ene liaison is verbroken, want stond in een slecht gesternte, de volgende dient zich aan met een pril aftasten. In deze periode onderzoekt ze haar eenzaamheid, ze woont alleen in een cottage in the middle of nowhere en beschrijft haar allenigheid. Tragiek loert om de hoek, maar haar zelfspot is komisch en hilarisch, waardoor het nooit zwaar wordt.

    De titel verwijst naar een poel op het terrein bij de cottage. Ze ergert zich aan het lullige stukje vochtig triplex er vlak naast waar het woord poel op staat gekrabbeld, om vervolgens in te gaan op de vraag of het wel of niet erg is als kinderen erin vallen.

    Oog voor detail

    De naamloze vertelster leren we kennen via haar eindeloze gedachtestroom die associatief ingaat op de triviale details uit haar dagelijks leven. – ‘Soms is een banaan bij de koffie lekker. (…) Haverkoeken erbij kunnen ook lekker zijn, het grove soort. (…) Peren mengen niet goed.’

    Ze schrijft over de post van de buren, die vochtig wordt in de brievenbus. ‘(…) ze lijken geen van allen even vaak in de brievenbus te kijken als ik wat nogal ongebruikelijk is als je in aanmerking neemt dat ze allemaal vrij geregeld best interessante dingen lijken te krijgen.’ Soms haalt ze de brieven van de buren uit de bus, droogt ze op de radiator, waar ze rustig een week kunnen blijven liggen, of ze vergeet ze helemaal.

    De knoppen van haar oude fornuis zijn gespleten en gebroken. Bennett wijdt er een heel hoofdstuk aan, wat prachtig proza oplevert. ‘Ik ben al een hele tijd bij de laatste knop aangeland, een paar maanden denk ik zo en pas de laatste tijd ben ik gaan inzien dat dit bedrieglijk triviale defect in feite niet iets kleins is.’ Ze denkt aan de laatste vrouw op aarde, die nog duizend lucifers heeft die staan voor de duizend dagen dat ze nog leeft. En ze schrijft de fabrikant in Zuid-Afrika een aandoenlijke brief, alsof hij god is. Uiteindelijk kan ze met een tang de knoppen van haar fornuis toch nog gebruiken.
    Haar vulpennen en de kleur inkt waarmee ze schrijft zijn voer voor overpeinzing. Ze schrijft met verschillende vulpennen, die allemaal een andere kleur inkt hebben, iedere kleur heeft een eigen functie. Groen stond voor haar geheimen, tot ze begreep dat daar een stigma aankleefde. Maar het was geen reden om niet meer met groen te schrijven, juist als het stigma ongeluk betekende, tartte ze liever het lot.

    Diepgang in de lichtheid

    Maar ze meandert evenzogoed langs diepgevoelde gevoelens om tot zelfinzicht te komen. ‘Inderdaad hoe verheffend het vanbinnen ook voelt, alcohol versterkt niet bepaald het charmantste aspect van je publieke arsenaal – dus, ter verheldering tijdens deze levendige en gewiekste drinkgelagen worden niet louter zelfvertrouwen en vrolijkheid nagestreefd, maar ook het stimuleren van een verfijndere techniek.’

    Of ze houdt zich bezig met natuurverschijnselen, zoals de maan. Als ze uit de supermarkt komt, staat deze recht voor haar ‘wanneer de automatische deuren wegschuiven. De hemel is nog niet zwart dus de maan heeft een soevereiniteit die ze niet vaak bezit.’ Ze praat tegen de maan, vindt dat hij een babyface heeft, waarop de maan zijn ogen devoot neerslaat. Althans, dat gevoel heeft ze. Het is een manier om te personifiëren, wat Bennett graag doet, dingen tot leven brengen.

    Er zijn vrienden en mannen, maar vanuit haar beschrijvende denkwereld lijkt ze nauwelijks met ze in contact te zijn, behalve in beschonken toestand. Ze heeft het gevoel ‘dat de omgang met de man in kwestie over het geheel genomen beduidend beter verliep wanneer ik wat alcohol had ingenomen.’

    De rake observaties vanuit een licht lethargische staat maken het boek zo goed, en haar associatieve geest is boeiend en nooit saai, daarbij is haar taalgebruik in lange heldere zinnen weergaloos. Dat ze zich richt op de details van het kleine leven om zich heen door de dingen vaak treffend te personifiëren, schept herkenning. Het kan niet anders dan dat triviale zaken beschreven met de pen van Claire-Louise Bennett ineens literatuur worden.

     

  • Oogst week 19 – 2025

    De naaister en de wind

    De ik uit De naaister en de wind van de Argentijnse schrijver César Aira (1949) is een jaar of negen en speelt met zijn vriendje Omar op straat, waarbij ze in de lege oplegger van een vrachtwagen klimmen. ‘We probeerden elkaar angst te jagen, wat vreemd was zo midden op de dag en ook hadden we geen maskers en vermommingen (…) de angst bleek effectiever dan verwacht. Bij de eerste poging was die al buitensporig. Omar begon. Ik ging op de vloer zitten, dicht bij de rand aan de achterkant, en hij ging tegen de wand aan de andere kant staan. Hij zei “nu” en kwam met zware, trage stappen en zonder bekken te trekken of gebaren te maken (dat was niet nodig) op me af. De angst die me beving was zo groot dat ik mijn ogen moet hebben dichtgedaan. Toen ik ze weer opende was Omar er niet meer.’

    Maar het is niet Omar die verdwenen is maar de ik, wiens moeder, de naaister, denkt dat haar zoon per ongeluk ontvoerd is in een vrachtwagen. In paniek gaat ze er met een taxi achteraan. De vader gaat haar weer achterna, in een rood vrachtwagentje, en in een blauw autootje volgt ook de zwangere klant van de naaister, wat een kolderieke achtervolging oplevert. De vader vergokt zijn vrachtauto, de zwangere vrouw baart een monster en de naaister wordt de liefde verklaard door de zuidenwind, een soort opperwezen van de pampa.

    Het klinkt als een komische avonturenroman, maar het boek, oorspronkelijk uit 1994, heeft ook horror- en filosofische elementen, vleugen Zuid-Amerikaans magisch realisme, dadaïsme en surrealisme. Aira weeft er meeslepende herinneringen aan zijn jeugd en geboorteplaats Coronel Pringles (provincie Buenos Aires) en andere overpeinzingen doorheen. Hij wordt gezien als een van de origineelste Zuid-Amerikaanse schrijvers en publiceerde meer dan honderd titels.

     

    De naaister en de wind
    Auteur: César Aira
    Uitgeverij: Koppernik 2025

    Overgave op commando

    Hoofdpersoon Schelvis uit Overgave op commando van Nadia de Vries (1991) droomt ervan een meester te zijn, maar is in plaats daarvan een dienaar. Man noch vrouw is die een ‘soort avatar’ zegt Nadia de Vries in een interview met de Noord-Hollandse Dagbladcombinatie. ‘Diens identiteit wordt steeds bepaald door de manier waarop anderen hen indelen op de klassenladder.’

    Schelvis woont in een dorp aan zee onder de rook van een staalfabriek, heeft een litteken op het gezicht en blauw haar. De meeste dorpelingen werken in de zwarte wolken gruis uitstotende fabriek. Het ‘bezorgde ons rijbewijzen en gevulde koelkasten, we namen de wolken voor lief, alhoewel zij natuurlijk ook nadelen kende. Dankzij de fabriek bezat geen van ons witte kleren. Zelfs de communiejurken werden grijs na een middag aan de waslijn.’ (…) Net als de mensen in de fabriek zagen de orderpickers zelden zonlicht. Hun levens ontvouwden zich in afgesloten ruimten zonder ramen en zonder een klok aan de muur.’ Schelvis ziet een betere toekomst voor zich en besluit naar de stad te vertrekken, weg van diens lage sociale omgeving.

    De Vries kent de omstandigheden waarin ze Schelvis plaatst – haar ouders waren arbeiders – al werd zijzelf door een auto-immuunziekte aan huis gekluisterd. ‘Dit boek is voor mij een experiment,’ zegt ze in het interview. ‘Het onderzoekt de vraag wat er van mij geworden was als ik niet de jeugd had gekregen die ik heb gehad. En ook als ik niet de motivatie had gehad om ergens uit te breken.’ Schelvis is een optimistische personage omdat die ‘wel dingen probeert, maar het ook accepteert wanneer ze niet lukken. Ik denk dat dat een grote wijsheid en kracht laat zien.’ Ondanks dat Schelvis geen geld heeft en nog niet weet hoe de wereld in elkaar zit, ondanks tegenslag, weet die toch beetje bij beetje succes te bereiken.

     

    Overgave op commando
    Auteur: Nadia de Vries
    Uitgeverij: Pluim 2025

    Het verhaal over Mevrouw Berg

    Het verhaal over Mevrouw Berg is een bundel van vijf verhalen geschreven vanuit het perspectief van een kind. Voor kinderen en jongeren is de wereld vaak nog raadselachtig en magisch. In de verhalen uit Het verhaal over Mevrouw Berg ontmoet iemand de eerste liefde, komt een ander erachter dat ze erg op Janis Joplin lijkt, is helderziendheid een onderwerp en gaat een vertelling over glimwormen en kaarten.

    Mevrouw Berg uit de titel van het boek is een hamster waarvoor het kind een grote liefde heeft opgevat. ‘Maar toen ik het weekend daarna kwam, zag ik dat Mevrouw Berg geen eten had gekregen, want ze had aan haar molentje geknaagd. Ik zei tegen mama: “Je moet niet vergeten om haar elke dag eten te geven.” “Nee,” zei mama.”’ Ze stond bij de gootsteen. Maar ze waste niet af. Ze staarde naar de muur en beet alleen op haar lip. “Zal ik je helpen afwassen?” vroeg ik, en ik pakte de theedoek. We deden de afwas. Daarna rende ik naar mijn kamer en knuffelde heel lang met Mevrouw Berg. Die avond zaten haar wangen helemaal vol met zaad.’

    De Noorse schrijver en journalist Ingvild H. Rishøi (1978) heeft in haar boeken vaak het raadselachtige en beangstigende van relaties tussen mensen tot onderwerp, vaak in melancholische sfeer. Ze schreef drie kinderboeken, drie verhalenbundels en de novelle Stargate waarvan de film in oktober van dit jaar uitkomt. Met Stargate en de bundel Winterverhalen verwierf Rishøi grote bekendheid.

     

    Het verhaal over Mevrouw Berg
    Auteur: Ingvild H. Rishøi
    Uitgeverij: Koppernik 2025
  • Getekend door de littekens van het verleden

    Getekend door de littekens van het verleden

    De Antwerpse auteur Paul Verrept heeft zo ondertussen een patent op zeer gestileerde verhalen. Dat heeft vermoedelijk ook te maken met zijn achtergrond als illustrator en grafisch ontwerper. Zijn verhalen zijn strak, weinig uitbundig, niets teveel of tekort, maar vaak over nostalgische en diepe thema’s. Hij houdt ervan om te spelen met de tijd en de grenzen tussen heden en verleden, zoals in zijn prentenboek Mist (2006) of zijn jeugdboek De bank (2014). In zijn nieuwste boek Het jaagpad is dat niet anders.

    Het jaagpad is een zeer conceptueel boek. Zelf gebruikte Verrept het beeld van op elkaar liggende filmprojecties om zijn boek te omschrijven. Hij vertelt twee verhalen tegelijkertijd, alsof je twee films over elkaar projecteert en dan zelf verbanden ziet of legt. De lezer volgt het hoofdpersonage Lucas, een vereenzaamde zestiger die in de grote stad woont. Hij neemt de trein naar zijn geboortedorp om nostalgisch te mijmeren over zijn geboortehuis. Hij observeert zijn huis vanachter het raam van het dorpscafé dat ertegenover ligt. Verrept maakt een sprong in de tijd en de achttienjarige Claus verlaat zijn ouderlijk huis in het kleine dorp, neemt afscheid van zijn ouders en trekt naar de grote stad om op kamers te gaan en te studeren. Lucas raakt geobsedeerd door deze jonge student en blijft hem achtervolgen. Als Claus om zich heen kijkt, ziet hij niemand. Op zijn beurt raakt Claus geobsedeerd door een zekere Maria, een meisje op de trein, en blijft haar achtervolgen tot haar huis.

    ‘Alles is overal en altijd’

    Hoewel het verhaal van Lucas zich afspeelt in 2024 en dat van Claus in 1981, blijken de twee elkaar toch te kunnen achtervolgen. Dit magisch realistisch tintje is bedoeld en ook het feit dat de namen anagrammen zijn, is geen toeval. Verrept diept de personages niet ten gronde uit, maar met een paar rake schetsen kan de lezer zich toch een beeld vormen van de twee mannen, die misschien wel een en dezelfde zijn. De donkere en beklemmende sfeer tijdens de achtervolgingen dragen ook bij aan de emoties die de auteur wil losmaken bij de lezer. De twee hoofdfiguren bestaan eerder, dan dat ze zich bewust zijn van zichzelf. Verrept wil de noodlottigheid en onvrijheid waarin mensen hun spoor volgen door het leven weergeven, de voorbestemdheid van het leven. Zo lijken de twee echt door elkaar geweven. Hij beschrijft het zelf kort en krachtig als ‘Alles is overal en altijd’. Eenzaamheid en isolement voeren de boventoon. Lucas en Claus zijn daar de exponenten van. Ze hunkeren naar aanraking. Hun dromen en verlangens worden uitvergroot, maar blijven onbeantwoord, evenals hun niet aflatende seksuele begeerte. Het elkaar begluren, het niet vertrouwen van elkaar, alles heeft zijn diepere wortels.

    En daar raakt Verrept de kern van zijn verhaal. De mens is kwetsbaar en het verleden kan een diepe invloed hebben op het heden. In de laatste bladzijden toont hij de oorsprong van de extreme eenzaamheid en het isolement, verklaart hij waarom de mannen zo moeilijk contact kunnen leggen. Pas aan het eind laat hij zien hoe de littekens van het verleden zich vasthechten aan de persoonlijkheid en de mannen tot levenslang veroordelen. De zeer gestileerde taal, met weinig versieringen, het bijna zakelijke, het sec vermelden van wat hij ziet, nauwgezette observaties van het gebeuren, zorgen voor een klinische weergave die daardoor een ietwat ongemakkelijk gevoel heeft. Ook de lezer zit gewrongen en voelt de eenzaamheid en kwetsbaarheid, en tegelijkertijd de ongrijpbaarheid der dingen. Een zwaar thema dat Paul Verrept op bijzondere wijze naar boven weet te brengen en nog even doet nazinderen in het hoofd van de lezer.

     

     

  • Luchtige eeuwenoude klassiekers

    Luchtige eeuwenoude klassiekers

    Uit de ondertitel van de verhalenbundel Kwaidan – Japanse spookverhalen van de Grieks-Ierse schrijver Lafcadio Hearn (1850-1904) weten we dat het om spookverhalen gaat. Heel erg spookachtig zijn ze niet, eerder zijn het grimmige sprookjes. Japanse sprookjes en legendes die vaak al eeuwenoud zijn en mondeling overgeleverd werden. Het is dankzij Hearn, die ze in het Engels opschreef, dat ze een weg vonden buiten Japan. Na vele omzwervingen over de wereld kwam Hearn op zijn veertigste in Japan terecht, eerst als journalist, later werd hij leraar Engels. Hij voelde zich er thuis. Hij ontmoette zijn Japanse vrouw, een dochter van een vooraanstaande Japanse Samoerai-familie, en werd ineens een insider. Hearn raakte – inmiddels meer dan honderd jaar geleden – gefascineerd door de Japanse mythologie en folklore. Gemengd met zijn herinneringen aan zijn Griekse en Ierse jeugd schreef hij de verhalen in zijn eigen woorden op. Ze werden weer vertaald naar het Japans en worden nog steeds gezien als klassiekers.

    Zingen voor zielen

    Het openingsverhaal Mimi-nashi-Hôichi zet meteen de toon; zevenhonderd jaar geleden werd de laatste zeeslag geleverd tussen twee clans, de Heike en de Minamoto-clan. ‘De Heike kwamen daarbij jammerlijk om het leven, samen met hun vrouwen en kinderen en ook hun kindkeizer. (…) En al zevenhonderd jaar spookt het op die zee en aan die kust.’ Er zijn vreemde krabben te vinden, de zogenaamde Heike krabben, met een mensengezicht op hun rug, het zouden de geesten van de Heikekrijgers zijn. Er is ook een begraafplaats aangelegd op de kust met een gedenkteken van de verdronken keizer en zijn vazallen. Hôichi, een blinde bard, leefde een paar honderd jaar later. Hij was een begenadigd zanger en beroemd omdat hij de geschiedenis van de zeeslag zo voortreffelijk kon voordragen. Op leeftijd gekomen leefde hij in een klooster en werd beschermd door een priester. Op een dag werd hij opgehaald door een vreemdeling die hem meenam naar zijn hooggeplaatste meester. Die wilde Hôichi’s voordracht horen. Hôichi zong en speelde met zijn luit de sterren van de hemel. Om hem heen prevelden stemmen: ‘Wat een kunstenaar.’ ‘Nooit is er in onze provincie zulke geweldige muziek gehoord.’ En Hôichi speelde maar wist niet welke monsters hij voor zich had. Hij zat op de begraafplaats en speelde voor hun dolende geesten. Langzamerhand raakte hij uitgeput, de priester kwam hem redden, maar toen was het eigenlijk al te laat.

    Schuld en trouw

    Oshidori is ook zo’n prachtig betekenisvol verhaal. De jager Sonjô had honger en schoot het mannetje van een mandarijneendenpaartje dood. Volgens de noot, waar de verhalen rijkelijk van zijn voorzien, zijn mandarijneenden in het verre oosten van oudsher een symbool voor huwelijkse liefde. De vrouwtjeseend, verteerd door verdriet, bezocht Sonjô in zijn dromen en huilde zo smartelijk, dat hij het gevoel had dat zijn hart uit zijn lijf werd gerukt. De volgende dag zag hij de vrouwtjeseend weer en met haar doordringende blik op hem gericht deed ze zichzelf iets aan. Sonjô voelde zich zo schuldig dat hij monnik werd.

    Menselijke spookverschijningen

    De verhalen zijn kort en helder geschreven met veel poëtische vertalingen van Japanse gedichtjes en Haiku’s. Ze gaan over trouw en eer, religie en ronddwalende zielen als spookverschijningen, die zich voordoen als een mens, zoals de Heike krab met een mensengezicht op zijn pantser, of een ranke schoonheid die als ze zich omdraait een monster blijkt te zijn. Of een kersenboom die al honderden jaren bloeit op 16 januari. Hearn is gefascineerd door die verpersoonlijking van natuurverschijnselen.

    Zielen van overledenen zwerven graag rond in Hearns vertolkingen, zoals de overleden vrouw die iedere nacht iets kwam zoeken in haar oude huis en daarmee haar kinderen angst aanjoeg. Ook dromen, als uiting van het onderbewustzijn, spelen een rol. Een man beleefde drieëntwintig jaar een heerlijke droom, uiteindelijk bleek deze slechts een paar minuten te hebben geduurd, maar dan vindt hij een bewijs van iets dat in zijn droom plaatsvond. Al is het slechts het dode lichaam van een vrouwtjesmier.

    Een Samoerai met uitzonderlijke lichaamskracht wordt monnik – ‘een wolk en waterreiziger’. Om een gezin te behoeden voor het kwaad, hakt hij het hoofd af van een ‘rokuro-kubi’, een monster met een uitgerekte hals. Bij deze monsters kan het hoofd terugkeren naar het lichaam, zolang dat niet verplaatst wordt. Precies dat doet deze dappere monnik, het lichaam verplaatsen, maar dan bijt het hoofd met de angstaanjagende gelaatsuitdrukking zich aan hem vast en zit hij er voortaan mee opgescheept. Welgemoed neemt hij het hoofd mee op zijn reizen, tot hij er afstand van weet te doen. In die zin zijn de verhalen ook humoristisch.

    Insectenstudies

    De zeventien spookverhalen worden afgesloten met drie insectenstudies. De eerste gaat over vlinders. Veel symboliek over vlinders komt overigens uit China, zegt Hearn. ‘In de Japanse overlevering kan een vlinder echter zowel de ziel van een dood als van een levend iemand zijn. Zielen hebben zelfs de gewoonte een vlindervorm aan te nemen om aan te kondigen dat ze definitief het lichaam hebben verlaten; en daarom moet elke vlinder die een huis binnenkomt altijd vriendelijk tegemoet worden getreden.’
    Opgenomen zijn een prachtige Haiku en het gesprek met een vlinder, beide poëtisch door Hearn verwoord.

    In de tweede insectenstudie gaat Hearn in op ‘Muggen’, een hilarisch verhaal, want de muggen leggen hun eieren in zogenaamde ‘mizutanes’, langwerpige waterbakjes, en bloembakken waarvan er duizenden zijn te vinden op de boeddhistische begraafplaats achter Hearns huis. Met andere woorden, hij wordt geteisterd door de muggen en zint op een manier om van ze af te komen.

    Mieren is de derde studie en verreweg het interessantst. Het essay begint met een man die met een crème op zijn oren de gesprekken tussen mieren kan verstaan. Hearn bestudeert de Cambridge Natural History en beschrijft naar aanleiding daarvan de opmerkelijke verschijnselen in het leven van mieren. Mieren verstaan de kunst van het samenleven in maatschappijen in veel opzichten beter dan onze eigen soort en ‘zijn ons ver vooruit in de verwerving van bepaalde kundes en kunsten die sterk bevorderlijk zijn voor het maatschappelijk leven.’ Vervolgens schept hij de sociale maatschappij van een mierenvolk met: ‘Ontzagwekkend fatsoen, de vreselijke moraliteit van de mier. (…) Vergeleken bij de ethiek van de mier schieten onze aantrekkelijke gedragsidealen minstens miljoenen jaren tekort.’

    In het persoonlijke nawoord van kunstenares en schrijfster Jannie Regnerus, die in 2000 een jaar in een artist residence in Japan woonde, vertelt ze hoeveel ze heeft gehad aan Hearns gids, die haar met zijn heldere en poëtische beschrijvingen hielp de Japanse wereld betekenis en reliëf te geven. Dankzij de uitstekend lezende vertaling uit het Engels door Barbara de Lange zijn Hearns Japanse spookverhalen een luchtige leeservaring voor het slapengaan. Ze zijn ook interessant voor de beeldvorming van Japanse, en Chinese, oude cultuur.