• Een meester in het gebruik van typografisch wit

    Een meester in het gebruik van typografisch wit

    Niets zo onbetrouwbaar als het geheugen. Toch is dat voor velen het enige waarop zij zich kunnen verlaten wanneer ze hun geboortegrond bezoeken om hun jeugd te herbeleven. Een herinnering is vaak het enige wat er nog over is als mensen van vroeger gestorven zijn, gebouwen afgebroken en de natuur zich onbarmhartig weinig aantrekt van wat in de herinnering leeft. ‘Ik was een kind en wist niet beter dan dat het nooit voorbij zou gaan,’ zong Wim Sonneveld ooit. Een vrije vertaling van wat Jean Ferrat in La Montagne verzucht: ‘que l’automne vient d’arriver’.

    In deze autobiografische roman Het eiland van Koos Terpstra, gelauwerd toneelschrijver uit Texel, bevindt een man zich in de herfst van zijn leven. Dat leven begon weliswaar op Texel maar bleek spannender in Amsterdam. Een doodzonde, volgens de eilanders: ‘Hoe kunnen jullie ooit pijn voelen in een stad waar je nooit rust hebt. En dan kom je hier met je ellende en laat het hier achter als je vertrekt.’ Het echte verraad pleegt de hoofdpersoon, volgens hemzelf, op zijn basisschoolreünie. In zijn roman zijn feit en fabel nauwelijks van elkaar te onderscheiden: ‘Ik sta mijn jeugd bij elkaar te liegen.’ 

    Meester in typografisch wit

    Terpstra is een meester in het gebruik van het typografisch wit. De rijkdom aan betekenis schuilt niet zozeer in de van zelftwijfel barstende zinnen, als wel in de strategisch geplaatste witregels. Zelfs de geheel witte pagina’s staan er niet willekeurig. Zoals het aardoppervlak uit zeventig procent water bestaat, beslaat het wit van het papier in Het eiland eveneens zoveel. De overige dertig procent vormt de voedingsbodem van Terpstra’s nuchtere, aardse taal.

    De thematiek van isolatie – zijn wij niet allemaal een eiland? – wordt op de pagina’s zichtbaar, wanneer de schrijver vanuit het heden terugblikt op het verleden. Aforismen als deze geven de verteller een alwetend, ontheemd karakter: ‘Wat waren we naïef’, ‘Het leven levert streken’, ‘We kunnen gisteren niet eens terugpakken’. Bij voorkeur plaatst de auteur zulke zinnen tussen alinea’s in. Sporadisch refereert Het eiland aan de levenskrachtige poëzie van Marsman, bijvoorbeeld als Terpstra zijn geliefde Bethlehem staccato bezingt: ‘De Dennen / Het Westerslag / De Hollewal / Het Achterom / De Hoge Berg / Gerritsland / De Ruigendijk / Oosterend, ook zo’n fijne. / Hoe mooi kan het zijn. Texel is een gedicht.’

    De leegtes belichamen vanwege die vitaliteit niet alleen afzondering, maar ook de scheppingskracht van herinneringen. De mentale hiaten drijven Koos, de hoofdpersoon in deze roman, aanvankelijk tot wanhoop: waarom waren zijn ouders niet gelukkig. Waarom werd hij behandeld zoals hij werd behandeld. Wanneer behoor je tot het eiland, wanneer niet. Wat is nuttig gebleken van wat je als kind leerde. Naarmate de ik-verteller zijn verleden reconstrueert, raken de pagina’s voller, worden de teksten prozaïscher en geeft dit verzonnen verleden hem zijn grond onder de voeten terug. ‘Het eiland was niet het eiland, de rest van de wereld was het eiland.’

    Parlando manier van schrijven

    Het eiland valt op door zijn alledaagsheid. Terpstra’s haast parlando manier van beschrijven promoveert het onbenullige tot het bijzondere en andersom, wat tot humoristische vondsten leidt. Beladen verwikkelingen ontnuchtert Terpstra met zinsneden als ‘Wisten wij veel’, ‘En het gewone was al zo mooi’, ‘Niet overdrijven’ en ‘Dus’. Wat te denken van het verplichte fotomoment bij de klassenreünie: ‘Toen we kinderen waren wilden we allemaal oud worden. En kijk ons daar eens staan. Gelukt.’ Hier en daar waagt de schrijver zich aan een woordspeling: ‘…zal (…) de aarde (…) ook weg zijn. Alles weg. Er zit een vorm van logica in die (…) bevalt. Opgelost.’ Zelfs de tekst op de begrafenispoort bij Oudeschild biedt de ik-figuur troost; de dood verwelkomt elke rouwstoet met de woorden ‘Ook u wacht ik’. Dapper biedt Terpstra het nihilisme het hoofd door te accepteren dat alles een einde kent.

    Deze stijl, die alle bombast en hoogdravendheid ontbeert, draagt bij aan de zelfrelativering van de verteller. De passages over zijn ongelukkige, Haagse moeder, die zich niet thuis voelde op Texel, zijn liefdevol en oprecht. ‘Dit boek zal mijn moeder en de plek waar ze nooit thuishoorde voor eeuwig verbinden en in het voorbijgaan mijn jeugd gelukkig maken.’ 

    Poëtische uitweidingen en muzikale analyses

    Al met al is in Het eiland voor ieder wat te vinden, er zijn prachtige poëtische uitweidingen over herinnering, leugen, waarheid en schoonheid, muzikale analyses in een dorpscafé, nostalgische reisjes over het lieflijke Waddeneiland, en lijstjes van wat er nu allemaal is in tegenstelling tot vroeger. Terpstra beseft bovendien dat onzekerheid geen ondeugd hoeft te zijn en ziet zich geconfronteerd met het kleine jongetje dat hij vroeger was. Hij is bij vlagen sprakeloos, als hij terugkijkt naar welke weg hij als gerenommeerd toneelschrijver heeft afgelegd. Soms is dan de enige passende reactie een diep gedragen zwijgen, hetgeen zo goed past bij Terpstra’s magnifieke gebruik van de witregel. Datgene wat gezegd wordt, is eenvoudig, maar krachtig.

    Misschien wel het mooist is de oproep van Terpstra aan zijn dierbaren, mocht hij er ooit niet meer zijn: ‘Dat is wat je moet zeggen: doorleven is mij verraden. En dat dat goed is. Dat je me belt en je mijn voicemail hoort. Mijn bureau leegruimt. Mijn rekeningen opzegt. Verraad me maar.’ Het echte verraad is dus niet de leugen, waarmee Terpstra zijn jeugd reconstrueerde. Het echte verraad is dat hij doorleefde in Amsterdam, waardoor hij opnieuw verliefd werd op zijn Texel. En dat is goed.

     

     

  • Oogst week 10 – 2020

    Onze verslaggever in de leegte

    Hoe terecht of onterecht de verontwaarding rond een boek ook mag zijn, het is in elk geval een trefzekere manier om er de aandacht op te vestigen. Zoals vorige week Onze verslaggever in de leegte van Dimitri Verhulst. De schrijver was zo kwaad over wat hij over zich heen kreeg na een interview in Humo dat hij niets meer moet hebben van een promotietour. Hij wil geen interviews meer. ‘Ik ben naar de kloten gegaan door iets wat ik niet heb gedaan. Door iets waartoe ik niet eens in staat zou zijn om te doen’, schrijft hij in zijn nieuweling, een soort dagboek zonder data, dat teruggaat tot 2015. Daarin gaat het over zijn zelfvernietiging door drank, drugs en seks na een beschuldiging van aanranding door een ex-vriendin, een Zweeds-Bulgaarse. De aanklacht werd geseponeerd. Eén van de motto’s is van Joseph Conrad: ‘Een raar iets is het leven toch. Het beste wat je ervan kunt verwachten is een beetje kennis van jezelf. En die komt toch te laat. Voor de rest is het allemaal zinloos’.

    Onze verslaggever in de leegte
    Auteur: Dimitri Verhulst
    Uitgeverij: Uitgeverij Pluim

    Het eiland

    ‘Voor een kind zijn alle stranden oneindig en bossen mysterieus, is het leven eeuwig en zijn volwassen mensen die weten wat ze doen. Mijn eiland was mijn leven. Geen ontsnappen aan. Ik heb mijn jeugd overleefd, vraag me niet hoe. Het eiland heeft me gevormd en gered.
    En daarover ga ik vertellen’.
    Zo eindigt het eerste hoofdstuk van Het eiland van Koos Terpstra. Het eiland is Texel, waar Terpstra in 1955 werd geboren. In dit boek haalt hij meanderend door de tijd herinneringen op aan zijn jeugd. Terpstra is toneelregisseur, maar ook schrijver van onder andere de fameuze Troje trilogie, een marathonstuk dat gespeeld werd door het toenmalige gezelschap ‘De Appel’ en werd bekroond in 1995. Lezers zouden Terpstra ook kunnen kennen van Brieven aan Koos van filosoof-cabaretier Tim Fransen uit 2018, waarin Terpstra de geadresseerde is.

    Het eiland
    Auteur: Koos Terpstra
    Uitgeverij: Ambo|Anthos

    Apeirogon

    De Palestijn Bassam Aramin en de Israeliër Rami Elhanan zijn bestaande mensen die elk een dochter verloren in de conflicten in het Midden-Oosten. De Ierse schrijver Colum MacCann (geboren in 1965 en wonend in New York) ontmoette hen toen hij voor zijn organisatie Narrative 4 het Midden-Oosten bezocht. Narrative 4 probeert mensen die uit tegengestelde werelden komen te bewegen elkaar hun verhaal te vertellen. Daardoor onstaat wederzijds begrip. Het leverde zijn nieuwe roman Apeirogon op: een bonte verzameling fragmenten over waarnemingen en ervaringen, waarin de verhalen van Aramin en Elhanan centraal staan. De titel (een apeirogon is een veelhoek met een onbeperkt aantal zijden) verwijst naar de ontelbare aspecten van de dood van de dochters van Aramin en Elhanan. Die veelheid wordt ook weerspiegeld in het aantal hoofdstukken en -stukjes, 1001, een verwijzing naar de verhalen uit Duizend-en-een-nacht.

    Apeirogon
    Auteur: Colum McCann
    Uitgeverij: De Harmonie