• Hoe blijf je mens?

    Hoe blijf je mens?

    ‘Goedemorgen. Ik ben uit Duitsland gevallen, excuseer me, mevrouw en meneer, aber, maar ik heb opdracht verder te leven. Mag ik dat bij u doen?’ Wat een indringende exilroman! Hoe gevoelig en grappig verteld. Uit de jaren dertig van vorige eeuw en zo actueel. Kurt Lehmann (Berlijn, 1908 – Purmerend, 1999) heeft, onder het pseudoniem Konrad Merz, beschreven hoe hij als illegale Duitse Jood naar Nederland vluchtte. Hij behoorde tot de pionier-vluchtelingen, was als het ware een avant-garde emigrant. In het verhaal verkent Winter, een vluchteling, Nederland onbevooroordeeld en onbevangen. Vaak is hij verwonderd, al mist hij Duitsland en zoekt hij het tevergeefs, maar misschien is dat Duitsland voorgoed verdwenen. Zijn generatie is kil geworden door de Eerste Wereldoorlog, stelt Winter. In die oorlog verloor schrijver Merz zelf zijn vader.

    Dit is geen literatuur in de zin van schoolopstel, voorschrift, maskerade, zoals Menno ter Braak terecht aangeeft in zijn recensie die mee werd opgenomen in dit boek. Er is geen sprake van steriel esthetisch gedoe met ‘landschapjes’ van Nederland, er is geen goedkoop sentiment of romantisering. Menno ter Braak vergelijkt Konrad Merz met Heinrich Heine. Beiden laten de belachelijkheid zien van een vaderlandsliefde die zich ‘oprolt als een egel’ of zich ‘hysterisch opblaast’. Beiden tonen, volgens Ter Braak, een openheid naar andere landen ondanks een sterke gevoelsband met het eigen land. Net die openheid en uitwisseling zorgt voor een Europees bewustzijn.

    Van student rechten naar strontschepper

    Even vindt de protagonist steun bij een jeugdvriendin uit Nederland. Hij leert er als een kind woordjes en fietsen. Want het is van begin af aan, als vluchteling moet je het wiel weer uitvinden. Maar ja, er zijn haar man, het kind in haar buik, het heilige gezin. Winter is gauw te veel. Een vluchteling is snel te veel. Al gauw wordt hij zo arm dat hij ‘geen woorden meer heeft’. Ze fluisteren dat hij zelf niet meer weet wat hij wil. Ach, de mensen. Er volgt een strijd om brood, vriendschap, bestaan. Zonder een moment pathos beschrijft Merz – soms zo luchthartig dat het even ontroerend als schokkend is – wat het betekent om steeds minder mens te worden. Met een groot gevoel voor relativiteit en verhoudingen schetst Merz een helder beeld van degradatie, al geraakt de protagonist de verhoudingen evenzeer kwijt. De mensen zien hem niet meer als student maar als een schooier.

    Het verhaal doet soms denken aan het veel recentere Hoe ik talent voor het leven kreeg van Rodaan Al Galidi. De mensonterende toestanden, de superioriteit van de anderen, vaak absurd en poëtisch verteld.

    Een poos werkt Winter als tuinier in Ilpendam. Hij wordt uithangbordverkoper en slaapt onder het bed van een jeugdvriend. Op een boerderij borstelt hij ‘onze geachte koe’ piekfijn schoon, de koe heet Cleopatra met wie hij gesprekken voert. Koeiendrek schept hij tot een monumentale hoop. De vreemdeling mag het vuile werk doen. Hij lijkt wel de mestkever uit De Vrede van Aristophanes. Anoniem ruimt hij op voor de vrede.

    In scherven

    Het verhaal is samengesteld uit aantekeningen en brieven naar zijn geliefde Ilse en naar zijn moeder. In korte, eenvoudige zinnen zit veel beschouwing. Konrad Merz is een meesterstilist. De stijl doet dadaïstisch aan. Verwarring en nihilisme verheven tot bewuste kunstvorm. Merz gebruikt veel pars pro toto’s. ‘Een regenjas komt het land binnen, zijn ledematen strompelen door de stad.’ Het duidt op het vallen zoals in de titel staat. Het uiteenvallen van een mens, een land. Dissociëren. Alles geraakt in de war. Merz woont buiten zijn land, ver van de liefde, misschien woont hij stilaan buiten zichzelf. Alles ligt in stukken, scherven zoals ook het verhaal uit fragmenten is opgebouwd.

    De relatie met zijn geliefde die in Duitsland is gebleven, wordt troebel. Haar vader vindt zijn toekomstige schoonzoon een landverrader. Ilse wordt beïnvloed door die vader en door de politiek. Het maakt haar steeds naïever. In Nederland ontmoet Winter een vrouw, Cor, de dokter die hem verzorgt. Hij begint van haar te dromen. Liefde als koortsdroom of genezing? Realiteit en fantasie gaan in elkaar over. Hij blijft ook trouw aan zijn Ilse, bloedeerlijk zijn zijn brieven aan haar. Ilse is een metafoor voor het vaderland. Niet het vaderland van Hitler, wel dat van Goethe. Op een keer vraagt Winter het portret van Goethe aan Cor. Het hangt in haar vertrek. Omdat hij ‘daar buiten niets heeft, niets dan eten en werken en slapen. Als een dier.’

    Transformatie

    En dan komt Ilse naar Amsterdam. Winter wachtte wel ‘een jarenlang jaar‘. Winter heeft haar gevraagd of ze zijn moeder nog kon zien. Zo zou hij ‘zijn moeder in Ilses ogen zien’. Tal van zulke poëtische zinnen staan in dit verhaal. In realiteit komt de moeder van de schrijver uiteindelijk om in Auschwitz.
    Als Winter Ilse weer ziet, blijkt alles over. Zij zijn vervreemd van zichzelf, van elkaar. Hun liefde is een illusie geworden. Veranderd, de situatie heeft hen veranderd in een brave gravin en een vuile boerenknecht. Los van die oorlog transformeerde Winter trouwens ook van student tot een volwassene.

    Er is ook nog de nazi, Winters ‘jeugdvijand’ die tevens het land ontvlucht, maar er uiteindelijk naar terugkeert. Ze zijn elkaars uiterste. De mythe en de realiteit. Hun discussie komt tot een hoogtepunt. ‘De resten van ons gevecht keken ons aan’.

    Dit boek vertelt diepgaand over een mentaliteitsgeschiedenis. Hoe blijf je mens? Dat woord komt niet voor in al de hoogdravende woorden die worden uitgeschreeuwd door de politici.  Hoe ontkom je aan de hokjes waarin je tegen je wil wordt ingedeeld? Verrader, asielzoeker, emigrant. Dief. ‘Ja, zo zijn er ook, natuurlijk zit er uitschot tussen ons. Maar waar zit het niet tussen?’

     

     

  • Oogst week 6 – 2023

    Victoriestad

    Salman Rushdie heeft juist deze week voor het eerst weer van zich laten horen sinds de aanslag op zijn leven augustus vorig jaar in een interview in de New Yorker. Veel over de aanslag en de aanslagpleger, een beetje over zijn nieuwste boek Victoriestad, dat voor de aanslag al geschreven was. Eigenlijk stond er een grote boektour gepland voor deze winter. Maar daar zal niks van komen. Zijn lichamelijke conditie is niet zo best. Hij is blind aan zijn rechteroog, zijn vingertoppen zijn gevoelloos. De grote vraag in het interview is of hij nog weer zal kunnen schrijven. Maar eerst is daar Victoriestad, een episch verhaal over een vrouw die een mythisch rijk tot leven ademt om er vervolgens in de loop der eeuwen door vernietigd te worden.

    In de nasleep van een veldslag tussen twee vergeten koninkrijken in het veertiende-eeuwse Zuid-India heeft een negenjarig meisje een goddelijke ontmoeting. Nadat haar moeder gedood is, wordt het negenjarige meisje Pampa Kampana een medium voor de godin die door de mond van het meisje begint te spreken. De godin verleent Pampa Kampana krachten die het begrip van het meisje te boven gaan en vertelt haar dat ze een rol zal spelen in de opkomst van een grote stad genaamd Bisnaga – letterlijk ‘victoriestad’ – het wereldwonder.

     

    Victoriestad
    Auteur: Salman Rushdie
    Uitgeverij: Pluim

    Een mens valt uit Duitsland

    De in 1908 in Berlijn geboren Kurt Lehmann vluchtte in 1934 naar Nederland. Daar verscheen bij Querido, in die tijd uitgever van emigrantenliteratuur, zijn boek Ein Mensch fällt aus Deutschland. Dat het boek hier werd uitgegeven had hij te danken aan Menno ter Braak, die bleef aandringen toen Querido het manuscript in eerste instantie had afgewezen. Lehmann schreef het boek  onder het pseudoniem Konrad Merz, waardoor de Duitsers ook lang niet wisten dat hij de auteur was. Merz verklaarde de titel als volgt: ‘Mijn vader is voor Duitsland gevallen [hij kwam om in de Eerste Wereldoorlog], zijn zoon is uit Duitsland gevallen.’

    Menno Ter Braak recenseerde het boek in 1936 in Het Vaderland en vergeleek Merz daarin met Heinrich Heine om hun beider vermogen om culturen met elkaar te verbinden. Het met Berlijnse humor geschreven Ein Mensch fällt aus Deutschland was volgens hem geschreven op de grens van twee landen: ‘Dat is ook de reden waarom men deze lotgevallen van een Duitser, die naar Nederland moet vluchten, beschouwen kan als een werk van Europese betekenis’.
    Er kwamen al snel Nederlandse vertalingen, maar de bekendste daarvan is de latere Een mens valt uit Duitsland van Lore Coutinho uit 1979. Van deze is nu een herdruk verschenen.

    Een mens valt uit Duitsland
    Auteur: Konrad Merz
    Uitgeverij: Cossee

    Ik zal alles verdragen, ook mezelf

    ‘Gisteren avond kreeg ik de mededeling dat mijn dochtertje, Raphaëla, overleden is. Het was haar geboortedag, want ze is op 3 januari 1947 ter wereld gekomen. Ik heb haar de naam gegeven van de schilder der idealen, van de zon en het licht, van de zoetste harmonie. Ze mocht niet lang bij haar moeder blijven, die geestesziek naar een gesticht voor zenuwlijders ging. Ik heb Raphaëla, dochter van mijn dromen, in een kinderkribbe moeten doen. Ze had haar eigen kleedjes niet meer. Ze werd een nummer en ze trok zo op mij, met haar grote, bange oogjes. En nu is ze gegaan, zonder een glimlach, zonder een glimpje liefde, gestorven in een vreemde wereld, verwelkt voor haar ontluiken. “Het is maar een wicht van drie maanden”, zegt men, “troost u dus”. Ik kan geen troost vinden, want met haar ging iets schoons en goeds van mezelf. De nacht heeft dit glimpje licht opgeslorpt, mij nu nog meer alleen latend.’

    Dit schreef Leopold Flam op 4 april 1947 in zijn dagboek. Flam (1912-1995) was een Belgische filosoof met een indrukwekkende bibliografie. Hij was kind van analfabetische joodse ouders en leerde zichzelf vanaf zijn achtste jaar in barre armoede in Antwerpen lezen. Hij overleefde Buchenwald en een werkkamp. Van 1925 tot 1957 schreef hij bijna obsessief brieven en dagboeken die zeer intiem zijn. Een selectie daaruit is door Kristien Hemmerechts en Guido van Wambeke uitgegeven in het lijvige Ik zal alles verdragen, ook mezelf. Ze leveren ook toelichtingen op de tekst.

     

    Ik zal alles verdragen, ook mezelf
    Auteur: Leopold Flam
    Uitgeverij: De Geus
  • Hoop op vertaling: Berliner, Amsterdamer und ach – Jude auch

    Hoop op vertaling: Berliner, Amsterdamer und ach – Jude auch

    Berliner, Amsterdamer und ach – Jude auch

    Hopelijk wordt er een Nederlandse vertaling gemaakt van het boek Berliner, Amsterdamer und ach – Jude auch, van de schrijver Konrad Merz (1908-1999), die eigenlijk Kurt Lehmann heette. Hij was een van de eerste schrijvers die Hitler-Duitsland ontvluchtten en van wie werk in het Nederlands verscheen. Merz’ boek Ein Mensch fällt aus Deutschland, uit 1936, kwam een jaar later in het Nederlands uit, onder de titel Duitscher aangespoeld (vertaling: Nico Rost).
    Menno ter Braak liet zich er lovend over uit.

    Later publiceerde Merz nog enkele andere boeken, die ook in het Nederlands zijn vertaald. Merz’ ervaringen tijdens de Tweede Wereldoorlog en de jodenvervolging hebben zijn leven getekend. Hij bleef zijn leven lang in Nederland en werkte als masseur. Frappant in Merz’ werk is zijn humor, die cynisch is en vaak mild tegelijk. Zijn werk is geschreven in een eigenzinnige stijl, waarin de auteur vaak verrassende gedachtensprongen maakt. Berliner, Amsterdamer und ach – Jude auch uit 1998 is een autobiografisch boek en bevat blijkens de ondertitel herinneringen uit negentig jaren; toch is het ‘maar’ 192 pagina’s dik. Het lijkt me bij uitstek een boek dat ook in het Nederlands de aandacht zal kunnen trekken die deze schrijver ten volle verdient.

     

    Zie ook: Wikipedia Kurt Lehmann 


    Gedurende de zomer van 2022 schrijven verschillende recensenten van Literair Nederland speciale bijdragen over boeken die in hun ogen een herdruk of vertaling verdienen.

    Berliner, Amsterdamer und ach - Jude auch
    Auteur: Konrad Merz