• Eeuwige veelbelovendheid

    Eeuwige veelbelovendheid

    Eerst is er alleen geluid. Een zacht ritselen, ritmisch, als het omslaan van een bladzijde, en dat is het ook. Dan hoor je iemand ademen, zwaar ademen, dat zich voegt bij het ritmisch ritselen. Dan is er beeld. Een man met een grijze baard, grijze haren, een amberkleurige bril halverwege zijn neus. Hij zit achter zijn werktafel te bladeren door een bundel. Het is Koenraad Goudeseune. Hij zegt ‘Ja’, en leest voor uit de bundel. ‘Ik was de leerling van een schilder, ik mocht met [onverstaanbaar]  pigmenten mengen / Iedere morgen sloeg mijn vader mij uit bed.’ terwijl hij voorleest, kijken we naar beelden van het Vlaamse platteland. We zien boerenschuren, omgeploegd land. Dan een intrigerende jongeman als uit een andere tijd, achterin een auto, het raampje op een derde geopend. God, wat een aantrekkelijke jongeman, wat een belofte voor de literatuur. 

    Ik kijk naar een documentaire over de Vlaamse dichter Koenraad Goudeseune. Sharon Kromotaroeno bezocht hem in 2018 tweemaal in Gent. Nadat hij in 2020, ziek door darmkanker, euthanasie pleegde, maakte ze een documentaire over de dichter wiens werk ze bewonderde. Ze laat bewonderaars, een vriend, een familielid en zijn voormalige vriendin aan het woord over Goudeseune, de dichter die zich niet thuis voelde in het literaire circuit.

    Chrétien Breukers bewonderde de leeftijdgenoot die op 28 jarige leeftijd een boek (Vuile was) klaar had. ‘Het is een doorvertelboek, pure taalvreugde, geïnspireerd door Jeroen Brouwers, alles wat ik ook leuk vind. Breukers dacht, ‘daar komt een soort nieuwe Hugo Claus aan, een enorm oeuvre komt eraan.’ Maar dat kwam niet. 

    Er is een opname van Wim Brands uit 2014 van de VPRO die uit de bundel Het probleem met mensen die naar zee gaan, van Goudeseune voordraagt. Waarom hij van zijn poëzie houdt: ‘Omdat deze man een toon aanslaat die veel Nederlandse dichters nooit zullen aanslaan, omdat ze denken dat het geen poëtische toon is.’ Goudeseune schreef poëzie die dicht bij de taal die we allemaal spreken staat. 

    Zijn zus leest zijn boeken nu meer dan ze ooit deed, alsof ze nu pas, nu hij er niet meer is, de ruimte voelt om haar broer als schrijver te leren kennen. Vanaf de bank in haar huiskamer leest zij een gedicht waarin Goudeseune de jaarlijkse foto’s die van het gezin op de trap van de veranda werd genomen, beschrijft. Vader, moeder, vier kinderen, altijd lachend. ‘Toen ik nog klein was, lachte ik vanzelf, geloof ik, het moest me niet worden opgelegd’, dichtte de dichter. De laatste foto is die waarop niemand lacht, de moeder is gestorven. De zus stokt, valt stil. Tussen kussen en linkerbeen ligt een pakje zakdoekjes op de bank, onopvallend, maar je ziet het liggen. We zien haar het pakje niet oppakken, maar de suggestie van tranen is er. 

    Er zit een zwart/wit opname van een zeer jonge Jeroen Brouwers die vellen papier volschrijft in een klein kamertje, sigaret in zijn linkerhand. ‘Schrijven is ook de discipline hebben je aan je schrijftafel te zetten en elke dag te schrijven.’, schreef Brouwers eens aan Goudeseune. Brouwers en Herman De Coninck geloofden in hem, als schrijver, als dichter, maar nogmaals, hij voelde zich niet thuis in de literaire wereld.

    Ingmar Heytze bewonderde Goudeseune en nodigde hem eens uit voor een optreden tijdens de Nacht van de Poëzie. Heytze vertelt hoe de verlegen dichter arriveerde, en hij, die hem bovenmatig bewonderde, hem ontving, hoe ze tegenover elkaar stonden te zwijgen. ‘Het was net een stukje voor twee heren die een beetje naar hun schoenen stonden te kijken.’

    ‘Het leven was voor Koen lastig’, zegt zijn vriendin, die ergens zijn vriendin niet meer was maar op het eind hem wel verzorgde. Hij was een eenling in de literatuur, een gekwetste eenling. ‘Hij had last van paniekaanvallen, en als hij begon te drinken dan stopte hij niet meer’, zegt zijn vriendin die zijn vriendin niet meer was. Zijn laatste bundels werden amper besproken. ‘Ik weet bijna zeker dat na mijn dood erkenning wacht.’, zegt Goudeseune ergens. En ook Delphine Lecompte, die een paar gedichten van hem voordraagt, zich verwant aan deze dichter voelt, gelooft dat hem erkenning wacht. Want deze dichter laat een  prachtig oeuvre na, in een taal die we allemaal spreken. 

    De documentaire eindigt met de gelijke beelden als het begint. Een auto rijdt door een boerenlandschap, langs sloten en boerderijen. Afgewisseld met opnamen van de dichter achter zijn bureau, bladerend. Dan weer, de jonge en veelbelovende prozaïst en dichter op de achterbank, glijdend door het landschap. Een beeld van eeuwige veelbelovendheid. Maar lees dan toch zijn werk!



    Documentaire: Ik heb voor niks geschreven door Sharon Kromotaroeno.


    Inge Meijer is een pseudoniem

  • Recensie door: Rein Swart

    Recensie door: Rein Swart

    Eén, twee, hupsakee en daar is weer een brievenboek!

    Deze roman in brieven, zoals de ondertitel luidt, is voornamelijk gericht aan Benno Barnard, zo wordt al snel duidelijk door de verwijzing naar de site van De Contrabas, een poëzie weblog waar Barnard regelmatig columns op schrijft.
    De brieven, in de vorm van e-mails aan hem gericht, zijn ongedateerd, maar er bevinden zich aanknopingspunten in de inhoud, zoals bijvoorbeeld de cryptische maar onvergetelijke zin ‘9 mei aanstaande, om negen uur ’s morgens, word ik wees.’
    Dat moet in 2007 geweest zijn, want rond die tijd verschijnt zijn vorige brievenboek Het boek is beter dan de vrouw.

    Koenraad is een Gents dichter zonder werk en relatie. In een eigen biografietje voor een sollicitatie schreef hij: ‘dat ik tweeënveertig jaar was, ongehuwd, kinderloos, niet in het bezit van een wagen, niet samenwonend, geen huisdier, erg valide en pakweg al een kwarteeuw zoekende naar werk.’
    Deze romanticus die volgens eigen zeggen zijn beste gedichten produceert met veel drank op, besluit na enige mislukte baantjes om het als taxichauffeur te proberen.
    Het overlijden van de vader door euthanasie , waarop het eerste citaat (9 mei) doelde, brengt hem ertoe om een mis bij te wonen in de St. Baafskathedraal en zich te storten op christelijke literatuur, onder andere van de huidige paus Ratzinger.
    Die ontwikkeling maakt een vreemde indruk na een sterk werelds en overmoedig begin. Onlangs was er nog commotie op Facebook over de ouderwetse kerkelijke opvattingen van Benno Barnard, maar Koenraad heeft hem hoog zitten. Hij kijkt tegen hem op als tegen een oudere geleerde broer, gehuwd, kinderen en maatschappelijk geslaagd. Hij is vol bewondering over diens Engeland-boek Een vage buitenlander dat ik eerder besprak op deze site.

    In het tweede deel dat bestaat uit de correspondentie met een Hollandse vrouw, die zeer romantisch van toon is, verklaart Goudeseune geen gelovige te zijn, maar iemand die geïnteresseerd in de dichterlijke taal waarin onder andere het boek Job en het Hooglied geschreven zijn.
    De mails of brieven aan Barnard worden gaandeweg minder interessant. Het komt niet verder dan berichten over de zoveelste relationele mislukking, een klaagzang over een geweigerde toelage van het letterenfonds en de geringe opbrengst van een gedicht in de Vlaamse poëzieverzamelbundel Hotel New Flandres.
    In één van de mails gaat Goudeseune, omdat uitgever Hans wil dat hij een roman schrijft, in op het verschil met het genre van het brievenboek:

    ‘En dat Hans mij opport om in plaats van lekkere brieven een roman te schrijven, verbijstert me. Zijn er al niet genoeg van die uitgesponnen anekdotes? Is er van die verveling al geen pap genoeg? Bovendien kan ik geen roman schrijven.’

    Een andere reden voor een brievenboek is dat hij temidden van proza-gedeelten zijn gedichten kwijt kan.

    Hij komt er echter achter dat hij zich in zijn naïviteit over het brievenboek gruwelijk heeft vergist.

    ‘Meer en meer de idee dat ik mijn tijd verpruts door zo mijn ziel te liggen spellen, een glimp licht levert het niet op.’

    De correspondentie met de hiervoor genoemde Hollandse, met wie Koenraad via www.relatieplanet in contact treedt, aan wie hij romantische mails verstuurt en met wie hij een kort avontuur beleeft dat treurig afloopt, en ook de gedachtewisseling met de Vlaamse Claesgen, die een moeilijke verhouding heeft met een derde, brengen evenmin verlichting. Koenraad verzucht zelf, als een variant op de titel: ‘En wat doe ik er lang over om met die steen geen meter vooruit te komen.’

    Het lijkt erg sneu allemaal. Maar misschien moeten we het literair opvatten zoals we dat doen met de drank- en sekslust van Brusselmans. Misschien zou Koenraad Goudeseune aan hem een voorbeeld kunnen nemen en, niet alleen om uitgever Hans tevreden te stellen en een financiële toelage in de wacht te slepen, toch eens aan een roman kunnen denken, waarin hij met zijn mooie schrijfkunst andere zielen kan spellen.

    Wat duurt op drift zijn lang

    Auteur: Koenraad Goudeseune
    Verschenen bij: Uitgeverij Atlas (maart 2010)
    Prijs: € 18,90