• Vloeibaar goud en vloeibaar zilver

    Vloeibaar goud en vloeibaar zilver

    Het romanfragment Aardbeien door Joseph Roth (1894 – 1939) uit 1929 werd pas een halve eeuw later (in 1982) voor het eerst gepubliceerd met een toelichting door Roth’s biograaf David Bronsen. Het manuscript was in de jaren zeventig in een bruine enveloppe tevoorschijn gekomen uit de in 1933 door de Gestapo in beslag genomen documenten van Roth bij uitgeverij Kiepenheuer in Berlijn. Volgens het nawoord van vertaalster Els Snick is de tekst weliswaar niet af, maar wel ‘beeldrijk en ontroerend mooi’.

    Deze door Koen Broucke kleurrijk geïllustreerde uitgave is de derde editie van Aardbeien in het Nederlands. Eerder verscheen het verhaal in het themanummer over Joseph Roth van tijdschrift Het Oog in het Zeil (1989), vertaald door Nicolien van Doorn. Ruim een kwart eeuw later als zelfstandige uitgave bij de kleine uitgeverij Het huis met de drie gedichten (2016), vertaald door Els Snick, die voor deze nieuwe uitgave haar vertaling heeft herzien. 

    Volgens Snick (in het nawoord) staan de zinnen in de tekst ‘losjes achter elkaar (…), zonder doordachte alina-indeling’. De verschillende figuren in Aardbeien zullen de ervaren Roth-lezers bekend voorkomen uit zijn romans Hiob, Hotel Savoy en Radetzkymars. Aan zijn vriend en geldschieter Stefan Zweig schreef Roth in mei 1936 vanuit Amsterdam dat hij het materiaal voor zijn grote roman Die Erdbeeren in een andere roman wilde gooien (‘da werfe ich schnell alles hinein’). Mogelijk in de roman Das Falsche Gewicht uit 1937. 

    Ongeschoold alter ego van Roth

    Aardbeien is een nagelaten fragment van zo’n veertig pagina’s. Het begint als volgt: ‘De stad waarin ik geboren ben lag in het oosten van Europa, in een grote, dunbevolkte vlakte.’  Met de stad verwijst Roth duidelijk naar zijn geboorteplaats Brody, zo’n honderd kilometer ten oosten van het huidige Lviv. De prachtige illustraties beslaan zo’n derde van het boekje, ze zijn roodachtig getinte in tegenstelling tot de omgeving van de geboorteplaats van Roth die vooral groen is. De aardbeien hebben Koen Broucke duidelijk geinspireerd. De verteller van het verhaal is Naphtali Kroj, hij noemt zich zelf ‘een soort oplichter’, met een vals paspoort, geen doopakte, geen stamboom.  

    Perlefter, een ander nagelaten romanfragment van Joseph Roth, heeft een vergelijkbaar begin. ‘Ik heet Naphtali Kroj. De stad waar ik geboren ben, was naar Westeuropese begrippen geen stad.’ Roth deed verschillende pogingen een roman over zijn jeugd schrijven, maar het kwam er uiteindelijk niet van, mede door de opkomst van de nazi’s in 1933. Hij vluchtte in dat jaar uit Berlijn, zijn boeken werden verboden en gingen in vlammen op tijdens de vele boekverbrandingen.  Aardbeien werd door de Gestapo in beslag genomen samen met andere documenten. Het fragment laat wel een mogelijke glimp zien van wat Roth van plan was. Naphtali Kroj is een ongeschoold alter ego van Roth, tegenover de gymnasiast en student die Roth was. Eerst werkt Naphtali Kroj als krullenjongen bij de barbier en daarna als koetsier. Hij zeept de burgemeester in bij de barbier en maakt later op zondag tochtjes met de burgemeester.  

    Verhaal leest als een plattegrond

    Roth geeft een ironisch sfeerbeeld van het stadje, met corrupte gendarmes en grenswachters, ernstige en kleine misdaden die niet werden ontdekt, inbrekers en struikrovers die niet werden vervolgd. Over de kleine pogroms, die ‘in de maalstroom van de gebeurtenissen werden vergeten’. Ook over de gevolgen van de jaargetijden – de sneeuw, de ijspegels en de regen. ‘De wegen werden zacht. Het moeras drong het bos binnen, de kikkers zwommen tussen de bomen.’ En over de natuur waarvan zijn langenoten hielden, ‘niet omwille van de natuur zelf, maar omwille van de vruchten die ze voortbracht’. Zoals de aardappels en de aardbeien.  

    Het taalgebruik in Aardbeien is eenvoudig met korte zinnen en af en toe een poëtische uitweiding. ‘De herfst bestond bij ons uit vloeibaar goud en vloeibaar zilver, uit wind, zwermen raven en lichte vorst.’ Het verhaal leest ook als een plattegrond van het stadje waarin Roth’s geboorteplaats Brody is te herkennen. ‘Onze stad was zeer regelmatig en eenvoudig van opzet. De twee hoofdwegen kruisten elkaar in het centrum. In dat centrum ontstond een rond plein, waar twee keer per week de markt werd gehouden. De ene straat leidde van het station naar de begraafplaats. De andere van de gevangenis naar het bos.’ 

    Het gezin van Naphtali Kroj in Aardbeien is het tegenovergestelde van het gezin waarin Roth opgroeide, opgevoed door een alleenstaande moeder. Dat van Naphtali was een moederloos gezin met acht zonen en een alcoholische vader, die bij 35 graden vorst doodgevroren op een weg werd gevonden: ‘Hij was in dronken toestand van zijn slee gevallen’. 

    Ongecorrigeerd en onvolledig verhaal

    Het verhaal bevat ook tegenstrijdigheden, waaruit blijkt dat Roth het niet meer heeft gecorrigeerd en afgemaakt. In het vervolg gaat Naphtali Kroj na de barbier niet als koetsier werken, maar bij een kleermaker in de leer. Ook hier weer een ironisch verhaal over een kleermaker en een glazenmaker, die Naphtali in navolging van zijn leermeester verachtte. Ondanks dat de glazenmaker hem later beschuldigde van diefstal van een diamant en hem een roofmoordenaar noemde, bewonderde hij ineens de glazenmaker en vond hij de kleermaker een lafaard. Het werk liep niet goed af en hij werd door de glazenmaker de werkplaats uitgezet terwijl de kleermaker niets deed: ‘Hij ving een vlieg, een uitgeputte grijze wintervlieg, hield hem bij de vleugels en telde zijn ziek trappelende pootjes’.

    Na zijn vertrek bij de kleermaker loopt Naphtali bij de begraafplaats een dodenkamer binnen waar doodgraver Pantalejmon ligt te slapen. Dan volgt een hilarisch verhaal over de dief Pantalejmon, die niet stal maar het wel probeerde, en een graaf die in een kasteel vlak bij de stad woonde.  Het eindigt ermee dat de graaf de magistraat van het stadje geld leent om een standbeeld te laten maken van een schrijver en geleerde uit de zeventiende eeuw die in een naburig dorp was geboren. ‘De beeldhouwer vervaardigde een lange man met bril. Een wapperende mantel, een boek in zijn hand en een pen achter zijn oor. Dat was ons monument. Het stond op een sokkel van nepmarmer.’ In de winter werd ter bescherming een houten behuizing gemaakt, die in de lente weer werd verwijderd. ‘Het standbeeld is al bevrijd! Het is lente! zeiden de mensen in april.’

    Laatste tien pagina’s en een abrupt einde

    Hierna volgt een scène waarin Naphtali en Pantalejmon een opgehangen man op de begraafplaats vinden.  Het leidt bij Naphtali tot vragen over het waarom van de zelfgekozen dood en ‘op dat moment nam ik het besluit nooit zelfmoord te plegen. Het was onmogelijk om hangend aan een tak te sterven en door Pantalejmon gevonden te worden.’ Pantalejmon  bedacht intussen dat ze de strop konden verkopen en Naphtali dat ze zelfs meer konden verdienen door hem in stukken te snijden. ‘De mensen bleven komen, we verkochten  kleine stukjes die we sneden van steeds nieuwe touwen’. 

    In de laatste  tien pagina’s van Aardbeien volgen anekdotes over drie rijke familieleden die naar het stadje kwamen. De eerste liet een hotel bouwen en verdween weer omdat er geen gasten kwamen. De tweede was een rijke theehandelaar. Hij bezocht het graf van zijn vader, en hij huurde kamers in het leegstaande hotel. De derde was twintig jaar eerder naar Londen vertrokken. Hij keerde terug als ‘pionier van de Engelse cultuur’ en liet een huis zonder ramen bouwen. De mensen dachten dat hij gek was geworden, maar hij was minder gek dan ze dachten. ‘Het was een warenhuis zoals hij er in Londen vast een had gezien!’

    Hier eindigt het fragment abrupt. Het laat in rudimentaire  vorm zien, samen met de roman Das Falsche Gewicht en een fictieve brief van Naphtali Kroj uit Bueneos Aires die Joseph Roth in dezelfde tijd schreef, wat hij mogelijk voor ogen had met de groots opgezette roman over zijn jeugd.    

     

     

  • Tijdens het lezen dringen beelden van het huidige front in Oekraïne zich op

    Tijdens het lezen dringen beelden van het huidige front in Oekraïne zich op

    De ‘grensreportages’ van journalist en romanschrijver Joseph Roth (1894-1939) zijn weliswaar zo’n honderd jaar geleden geschreven door de nog maar net beginnende ‘Roter Joseph’ – zoals hij later bekend werd – maar hebben door de oorlog van Rusland tegen Oekraïne bijzondere actualiteitswaarde  gekregen. Ze spelen zich deels af rond het toenmalig oorlogsfront tussen Rusland en Polen, langs de grenzen die aan het eind van WO I niet zo nauwkeurig waren vastgesteld en een bron van conflicten bleken te zijn.

    Roth kwam na zijn vlucht voor de nazi’s in 1933 regelmatig naar Nederland. Zijn eerste bezoek was in 1933 om onder anderen kennis te maken met uitgever Allert de Lange, die een aantal boeken van Roth als Exil-literatuur zou uitgeven. Zijn eerste roman Hotel Savoy verscheen honderd jaar geleden in Berlijn, de eerste vertaling in het Nederlands was zijn roman Job in 1931, daarna volgden er nog vele. De laatste jaren werd zijn werk vertaald door Els Snick, die ook de drijvende kracht is achter het Nederlands Joseph Roth Genootschap. 

    Journalistieke reportages

    De journalistieke reportages zijn weliswaar minder bekend dan zijn romans, maar omvatten zeker de helft van zijn verzameld werk. Deze bundel ‘grensreportages’ heeft een Vlaams tintje: naast de vertalingen door Els Snick (en anderen), is de inleiding verzorgd door auteur Erik Vlaminck en de illustraties zijn van Koen Broecke, allemaal Vlamingen. De verhalen zijn van 1919 tot en met 1924 gepubliceerd in de Oostenrijkse krant Der neue Tag, de Neue Berliner Zeitung en de Frankfurter Zeitung.  De reportages in de Frankfurter Zeitung zijn bijzonder actueel omdat ze zich in Lemberg – het huidige Lviv – en omgeving afspelen. Roth zelf is in 1894 geboren in het Oekraïense stadje Brody, dat honderd kilometer ten oosten van Lviv ligt, indertijd op de grens van de Habsburgse dubbelmonarchie met Rusland. Nu in West-Oekraïne. 

    De eerste reportages in de bundel schreef Roth tijdens een van zijn eerste journalistieke opdrachten in 1919. Een reis naar Heanzenland, het grensgebied tussen Oostenrijk en Hongarije dat na de Eerste Wereldoorlog aan Oostenrijk werd toegewezen.  Het zijn meteen al de persoonlijke reportages waarmee Roth beroemd zou worden. In de eerste persoon en met milde spot in zijn waarnemingen.
    Een anekdote, die zijn stijl laat zien. Roth probeert een hotelkamer te krijgen met een inschrijfformulier van een ander: “Er kwam een kamermeisje, ze las het inschrijfformulier en keek me aan. Toen zei ze met spontane hartelijkheid in haar stem: ‘Ik geef u kamer 52. Maar alleen omdat u uit Matterdorf komt.’ Waarop ik zweeg en met het kamermeisje naar kamer 52 ging. Toen ik mijn spullen had neergelegd en de kamersleutel in mijn zak had gestoken, trok ik mijn revolver en zei heel vriendelijk: ‘Juffrouw, ik kom helemaal niet uit Mattersdorf. Het inschrijformulier is van een andere man.’ ‘ Nou,’ zei ze, ‘dan had ik u de kamer niet gegeven’. ‘U zult er geen spijt van krijgen, antwoordde ik, stak de revolver in mijn zak en gaf haar een briefje van tien kronen.’ Of het zo echt is gebeurd? Hij maakt er verder geen woorden aan vuil. 

    Reportages Pools- Russische oorlog

    In 1920 verhuist hij van Wenen naar Berlijn en maakt in de zomer reportages voor de Neue Berliner Zeitung tijdens de Pools-Russische oorlog. In de bundel is dit de tweede serie die het grootste deel van het boek beslaat. Net als het andere deel wordt deze ingeleid met een korte historische toelichting en een getekend kaartje van de omgeving waar alles zich afspeelt. Geillustreerd met sfeervolle water- en olieverf afbeeldingen van schilder en historicus Koen Broucke, die militairen, oorlogshandelingen en bijna abstracte landschappen laten zien in heldere en sombere kleuren. 

    Roth trekt rond met openbaar vervoer, liftend en lopend, en hij beweegt zich aan beide kanten van de grens. Hij schrijft ooggetuigeverslagen die doen denken aan sommige van de recente  berichten uit Oekraïene. Nu geen spot, ook geen milde, maar eerder mededogen. Hij praat met Poolse en Russische soldaten en Kozakken. ‘Ik kon vaststellen dat Poolse troepen die zich op de terugtocht bevonden, volslagen dronken waren. Het viel me op dat de Russen soms geen mensen gevangen nemen en kleine groepjes laten lopen. Op straat zie je nu overall afgedankte voertuigen en uiteengevallen colonnes, die een troosteloze indruk maken. Vreemd genoeg zijn er bijna geen gewonden te zien. De vlucht lijkt dus zonder al te zware strijd te zijn verlopen.’  

    Er waren indertijd ook buitenlandse soldaten aan het front. Uit verhalen van grensbewoners tekent Roth op dat er Franse artillerieeenheden en Franse officieren in grote aantallen met het Poolse leger meevechten. En aan de andere kant is het ‘niet te bevatten hoeveel jonge mensen zich vrijwillig melden bij het Rode Leger.’ Niet alleen gevluchte, gedeserteerde Polen, maar ook Duitse arbeiders. Deze serie sluit af met een kort verhaal over Oleksa Solonenko, een Oekraïnse boer die in Berlijn overleed op de terugweg van Brazilië naar Oekraïne. Waarom Oleksa vertrok vertelt Roth niet, maar toen hij hoorde dat er een revolutie was in zijn land kreeg hij heimwee naar ‘Katharina, het varken en de jongens’ en wilde na tweeëntwintig  jaar terug naar zijn vaderland. Roth schrijft een kort tragi-komisch portret dat zoals hij zegt een aanvulling is op het politieverslag.

    Verhalen over geboortegrond

    De laatste serie is een Reis door Galicië uit 1924 in opdracht van de Frankfurter Zeitung. Deze verhalen spelen zich af in de streek waar Roth is geboren en opgegroeid. In 1982 voor het eerst in het Nederlands uitgegeven door uitgeverij Allert de Lange. De drie verhalen over zijn geboortegrond zijn met liefde geschreven: ‘Over het vlakke land waait onophoudelijk een eeuwig onveranderlijke wind, die nauwelijks waarneembaar is. Heuvels, beloftes van de Karpaten, kleuren blauw in de verte. Raven cirkelen boven de bossen. Ze voelen zich hier altijd al thuis. Sinds de oorlog zijn ze talrijk geworden. Geen enkele fabriek, geen reclame, geen roet. Op de markt worden primitieve houten marionetten verkocht, zoals in Europa tweehonderd jaar geleden. Is Europa hier geëindigd?’

    Het zijn deze verhalen die me in de jaren tachtig verleid hebben naar Roth’s geboorteplaats Brody te reizen, dat indertijd nog onder de knoet van de Sovjet Unie leefde. In het verhaal over Lemberg/Lviv schrijft Roth over de ‘polyglotte kleurenpracht’ van de stad. Hij studeerde hier nog maar een paar jaar eerder en zijn toon is nu al weemoedig. Na 1924 is er nog zoveel vreselijks in Lemberg gebeurd dat het Roth nog  weemoediger zou stemmen naar de buurt rond het theater waar de mensen Jiddisch spreken. ‘Dat hebben ze hier altijd gesproken, en waarschijnlijk zullen ze nooit iets anders spreken.’ Het is dat Roth in 1939 al is overleden, anders zou hij de moord op die Joden hebben meegemaakt.

    Het laatste verhaal van de bundel is het indrukwekkendste. Roth schrijft hier over de rouwstoet voor een Poolse invalide die zichzelf na een toespraak voor zijn kameraden ‘een kogel door de kop schoot.’ De stoet bestond uit duizenden verminkten. ‘Ja, de mensen bleven staan en keken en verroerden zich niet.’ Tijdens het lezen dringen beelden van het huidige front in Oekraïne zich op.
    Eric Vlaminck noemt het boek in zijn inleiding ‘een zegen’, omdat zowel Roth als Broucke ook voor ‘mededogen, troost en hoop zorgen.’ Tussen de legers is een prachtige bundel met literair-journalistieke verhalen van de beroemde romancier die de vroege aanloop naar de crisisjaren en WO II laten zien.