• Oogst week 23 – 2018

    Tussen Lenin en Lucebert

    Igor Cornelissen (1935) schreef als journalist voor Het Vrije Volk, Het Parool enVrij Nederland over onderwerpen als de sociale strijd, Oost-Europa, communisme, spionage en de Tweede Wereldoorlog.

    In Tussen Lenin en Lucebert schrijft hij over de opmerkelijke Nederlandse kunstcritica en communiste Mathilde Visser (1900 – 1985). Visser werd geboren in een welgesteld joods-liberaal milieu. Voor de oorlog woonde zij na een mislukt huwelijk een tijd alleen in Berlijn. Toen het haar daar te heet onder de voeten werd verhuisde ze naar Parijs waar ze de kunstenaars Pablo Picasso, Salvador Dali en Max Ernst leerde kennen. Die vriendenkring vormde haar verder en was de basis voor haar carrière als kunstcritica.

    Hoewel ze na de oorlog veel geld gaf aan de Communistische Partij van Nederland kostte het haar veel moeite om het lidmaatschap te verkrijgen. De partijleiding vertrouwde de rijke, in bontjas gehulde bourgeoisdame niet helemaal.
    Cornelissen reconstrueerde het levensverhaal van Mathilde Visser aan de hand van brieven, dagboeken en gesprekken met tijdgenoten.

     

    Tussen Lenin en Lucebert
    Auteur: Igor Cornelissen
    Uitgeverij: De Arbeiderspers

    Tokio mon amour

    In het eerste hoofdstuk van Tokio mon amour toont Ian Buruma zich nog onzeker:

    ‘…Mijn vlucht met Pakistan International Airlines was geboekt. Ik stond ingeschreven bij de filmacademie van de Nihon-universiteit in Tokio en had een studiebeurs toegekend gekregen van de Japanse overheid, waarmee ik de kosten voor mijn levensonderhoud kon betalen. Ik vond het spannend om voor een flink aantal jaren naar Tokio te verhuizen, maar ook een beetje eng. Zou ik geen heimwee krijgen en me zo eenzaam voelen dat ik de hele tijd brieven ging zitten schrijven aan mensen die zich op bijna tienduizend kilometer van Tokio bevonden? Zou ik binnen enkele maanden terug zijn, vernederd omdat ik een morele nederlaag had geleden? Ik had een Japanse vriendin, Sumie, die mee naar Japan zou verhuizen, maar toch.’ …

    Buruma kwam in 1975 aan in Tokio, en had geen idee wat hem te wachten stond. Hij was in Amsterdam en Parijs gefascineerd geraakt door Japanse films en theater en dus reisde hij naar de bron. In Tokio mon amour doet hij daar verslag van.

    Tokio mon amour
    Auteur: Ian Buruma
    Uitgeverij: Atlas Contact (2018)

    Amsterdam

    Eva Cossee over haar boek:

    ‘Mijn Amsterdam is een stad van immigranten. Dat ik zo denk, is niet zo vreemd. Mijn voorvaderen Cossée waren Hugenoten en kwamen in de zeventiende eeuw vanuit het Loire gebied naar Amsterdam, waar op dat moment bijna 10% van de bevolking van Franse herkomst was. Amsterdam heeft altijd een grote aantrekkingskracht op handelaren en kunstenaars gehad. Nu is Amsterdam de meest multiculturele stad ter wereld met nog meer verschillende nationaliteiten dan New York.

    Amsterdam. Stad van aankomst schetst een beeld van de bevolkingsopbouw na 1945. En Amsterdam is ook altijd een rebelse stad geweest, met rookbommen en protesten, door Harry Mulisch en A.F.Th. van der Heijden prachtig verwoord. De handel op het Waterlooplein wordt beschreven door Saskia Goldschmidt en de spreekwoordelijke vrije liefde in de hoofdstad door Cees Nooteboom, en het multiculturele straatbeeld door Robert Vuijsje. Tot slot krijgen ook de neushoorns en andere bewoners van de diergaarde Artis een stem.’

     

    Amsterdam
    Auteur: Eva Cossée
    Uitgeverij: Uitgeverij Cossee (2018)

    Waarom schrijven?

    De onlangs overleden Philip Roth heeft naast fictie ook veel non-fictie geschreven over een groot aantal onderwerpen, waaronder de schrijvers die hij bewondert, zijn eigen werk, het creatieve proces en de Amerikaanse cultuur. In Waarom schrijven? wordt voor het eerst al dit werk verzameld in één band. Het bevat de eerder verschenen essaybundels Lectuur van mijzelf en anderen en Over het vak, maar ook veel stukken die ofwel herzien zijn, of nooit eerder gepubliceerd. Waarom schrijven? geeft een prachtig beeld van de gedachtewereld van een van Amerika’s grootste schrijvers.

     

    Waarom schrijven?
    Auteur: Philip Roth
    Uitgeverij: Uitgeverij De Bezige Bij (2018)

    Tijdschrift Terras

    Terras is een tijdschrift voor internationale literatuur dat gemaakt wordt door medewerkers verspreid over de hele wereld. Het veertiende nummer, Elders, onderzoekt de tegenstellingen van stad en platteland, centrum en periferie, en brengt plekken in kaart waar iets bijzonders aan de hand is en waar op een mooie manier over geschreven kan worden.
    Het nummer bevat nieuwe ontdekkingen, niet eerder in het Nederlands vertaalde proza-auteurs die worden ingeleid door Annelies Verbeke, dichters zoals de Spaanse Sandra Santana en essayisten. Van Jon Fosse, die in het Nederlands taalgebied al naam heeft als toneelschrijver, worden gedichten en een essay gebracht. Daarnaast is er een hommage aan de dichter Charles Simic die dit jaar 80 wordt, verzorgd door K. Michel en Wiljan van den Akker en zijn er bijdragen van onder meer Arno Camenisch, Miek Zwamborn, Tomas Lieske, H.C. ten Berge en Joseph Zoderer. Menno Wigman figureert postuum in dit nummer als vertaler (naast Hélène Gelèns en Elma van Haren) van het Poettrio-project met Sean O’Brien, W.N. Herbert en Fiona Sampson.

     

     

  • Gruwelen in schoonheid

    Gruwelen in schoonheid

    Lucky Luke komt fluitend de saloon uit, steekt zijn pistolen in hun holsters en laat een kluitje gehavende boevenlichamen achter. Jolly Jumper keuvelt gezellig met een ander paard. Indianen zitten vreedzaam naast hun wigwam een pijpje te roken. De postkoets bereikt ongeschonden zijn bestemming, schedels en skeletten liggen decoratief in de woestijn. De Daltons worden opgepakt, het recht zegeviert en de lonesome cowboy rijdt zijn volgende avontuur tegemoet.
    Tot zover de vrolijke versie van de geschiedenis van het wilde westen.

    Nu de meer realistische: Premiejagers op jacht naar indianenscalpen. Doorgesneden kelen. Kapotgeschoten en in brand gestoken dorpen. Indianenhoofden op een stok die als trofee een stadje worden ingedragen. Babylijkjes in een boom. In de woestijn achtergelaten stervende mensen en dieren. Gieren met gespreide vleugels op lijken. Pakezeltjes die over de rand van een afgrond worden geduwd, een nog rondlopende berijder wordt neergeknald. Menselijke oren worden aan een snoer om de nek gedragen. Verzengende woestijnhitte, onbegaanbare bergen, rauw gereden paarden, honger, waanzin, bloed, marteling, moord. Het enige wat in perfecte staat verkeert zijn de pistolen en geweren. En het landschap.

    Dit zijn zo’n beetje de ingrediënten waarmee Cormac McCarthy in Meridiaan van Bloed (1985) de barbaarse werkelijkheid van de wildwestgeschiedenis in het grensgebied van Mexico en de VS beschrijft. De wetteloosheid tiert nog welig in het strijdende pandemonium van elkaar vijandig gezinde Amerikanen, Mexicanen en indianen. Het boek zou louter hard en wreed zijn geweest als de schrijver het niet allemaal zo prachtig had opgeschreven.

    Het grootste deel van het verhaal beslaat het jaar 1849 als de dan zestienjarige hoofdpersoon ‘de jongen’ terechtkomt bij een groep premiejagers die onder leiding van kapitein Glanton en ‘rechter’ Holden vanuit Chihuahua op zoek gaat naar Apachen en andere indianen, meestal aangeduid als ‘de wilden’. Doel is hen te doden en met de scalp als bewijs de afgesproken premie te innen. ‘Pak even ons bewijsje. De man trok een vilmes uit zijn riem, stapte naar de oude vrouw, greep haar bij de haren, draaide ze om zijn pols, haalde het mes over haar schedel en rukte de scalp eraf.’ (McCarthy gebruikt geen aanhalingstekens.) Later, als er geen premie meer op te strijken valt, verworden de mannen tot zielloze moordenaars, tot dolenden zonder bestemming in een schitterend maar meedogenloos landschap waar het ieder voor zich is.

    De rechter – niemand weet hoe hij aan die bijnaam komt – is een intrigerende, haast mythische figuur. Hij is groot, roze, kaal, oersterk, heeft wimpers noch wenkbrauwen, weet alles, kan zelfs goochelen en slaapt nooit. Hij spreekt Europese talen, heeft kennis van geschiedenis en recht en doet aan paleontologie. In een schetsboek tekent hij planten, stenen en botten na, bij ontmoetingen met andere groepen neemt hij het woord en oorlog lijkt hij te verheerlijken. ‘Voor de mens er was, lag de oorlog al op hem te wachten. Het hoogste ambacht wachtte op zijn hoogste beoefenaar. Zo is het geweest en zo zal het zijn.’

    Onderkoeld en met schijnbare objectiviteit beschrijft McCarthy de meest bloederige taferelen en even gedetailleerd beschrijft hij wapens, woestijnen en bergen. Ondanks de rauwheid levert dat prachtige passages op. Nadat een man het hoofd is afgemaaid, lezen we: ‘Twee dikke en twee dunne stralen bloed rezen als slangen uit de stomp van de hals op en spoten sissend in het vuur. Het hoofd rolde naar links en kwam tot rust aan de voeten van de ex-priester, waar het met grote ogen van ontzetting bleef liggen. Tobin rukte zijn voet weg, stond op en week achteruit. Het vuur dampte en walmde; er steeg een grauwe wolk op en de bogen van bloed zakten langzaam ineen, tot alleen de halsslagader nog wat borrelde en algauw kwam ook die tot rust. Hij zat nog als tevoren, maar nu zonder hoofd en doorweekt van het bloed, het sigaartje nog tussen zijn vingers, vooroverleunend naar de donkere, dampende grot in de vlammen waar zijn leven was verdwenen.’

    Hoe huiveringwekkend ook, alle nadruk leggen op de gruwelen doet het boek geen recht. Er zit ook filosofie en humor in, verwoord in poëtische taal. Die is niet altijd even gemakkelijk te doorgronden maar beslist de moeite waard om een paar keer te herlezen. ‘Ze trokken door het hoogland dieper de bergen in, waar de stormen hun holen hadden, een gebied van vuur en daverend geweld, waar witte vlammen over de toppen renden en de grond de brandlucht van gebroken vuursteen had.’ Af en toe schiet een formulering wat door (‘het katoenen oog van de maan […] in de keel van de bergen’) en sommige zinnen worden zelfs cryptisch. Maar dat valt in het niet bij de schoonheid van McCarthy’s woorden.

    In filosofische discussies geeft de rechter op alles zijn visie. ‘De waarheid omtrent de wereld, zei hij, is dat alles mogelijk is. Als je het niet allemaal vanaf je geboorte had gezien en het daardoor van zijn vreemdheid had beroofd, zou je het kunnen ervaren zoals het werkelijk is.’ […] ‘Het heelal is geen afgebakende ruimte en de orde erin wordt niet begrensd door enige speelruimte.’ […] ‘Zelfs in onze eigen wereld bestaan er meer dingen buiten ons weten dan erbinnen, en de orde die je in de schepping ziet is de orde die je er zelf hebt in gestopt.’ En in iedere man, in iedere gebeurtenis die McCarthy beschrijft komt de existentiële eenzaamheid van de mens tot uitdrukking.

    Geleidelijk wordt de groep scalpenjagers uitgedund. Uiteindelijk blijven de jongen en de rechter over. In het laatste hoofdstuk van het boek is de jongen vijfenveertig en voor de derde maal ontstaat er een confronterende situatie tussen hem en de rechter. Waarom, blijft ongewis. Mogelijk wil McCarthy hier iets van een tegenstelling laten zien: de analfabete zwervende jongen/man die tijdens gevechten en slachtpartijen toch nog iets van consideratie toont, versus de alleswetende, nietsontziende rechter, de onkwetsbare overlever. Een ‘schuifelende mutant’, noemt McCarthy hem ergens.

    Met El Paso als domicilie, heeft McCarthy zich goed gedocumenteerd. Voor zijn onderzoek leerde hij Spaans en alle plaatsen die hij beschrijft heeft hij bezocht. En passant neemt hij tegen het einde van het boek ook de uitroeiing van de bizons door de Amerikanen nog even mee: ‘Twee jaar geleden vertrokken we uit Griffin voor een laatste jachtpartij,’ vertelt een jager. ‘We kamden het hele land uit. Zes weken lang. Op ’t laatst vonden we een kudde van acht beesten. We schoten ze allemaal af en gingen naar huis. Ze zijn weg. Elke bizon die God ooit geschapen heeft is verdwenen, alsof ze nooit hebben bestaan.’

    Dit soort kille feiten uit Amerika’s geschiedenis stemmen tot nadenken en maken McCarthy ook om deze reden tot een intrigerende schrijver. Outcasts, eenzaamheid en geweld zijn nooit ver weg in zijn nihilistische universum. In een van de zeldzame interviews die hij toestond zegt hij: ‘Ik denk dat het idee dat de mens op een bepaalde manier kan worden verbeterd, dat iedereen in harmonie kan leven, echt een gevaarlijk idee is. Degenen die dit denken zijn de eersten die hun ziel en hun vrijheid opgeven.’ (New York Times, 1992) Indachtig deze uitspraak en McCarthy’s boeken hoeven we ons over het verschijnsel mens geen illusies te maken. Wie Meridiaan van bloed heeft gelezen kijkt voortaan met andere ogen naar Lucky Luke.

     

    [bedelbrief]