• De vrolijke waanzin van Hamsuns honger

    De vrolijke waanzin van Hamsuns honger

    Schrijven om te overleven, in letterlijke zin. De naamloze verteller uit Knut Hamsuns Honger (1890) weet er alles van. Deze zonderlinge figuur moet in de straten van Kristiana, het huidige Oslo, in mensonterende omstandigheden zijn kostje bij elkaar scharrelen. Op visionaire wijze beschrijft Hamsun wat alle soorten honger met een mens doen. Hij doopt je onder in de hersenspinsels, wanen en hallucinaties van een man op het randje van de dood, het scherp van de snede en de drempel van genialiteit. Uit dit wankele evenwicht schept hij een psychologische tour de force die zijn gelijke niet kent. De hertaling van de hand van Adriaan van der Hoeven en Edith Koenders, uitgebracht bij uitgeverij Oevers (2022), brengt deze klassieker weer helemaal bij de tijd.

    Bij verschijning veroorzaakte Honger al flink wat opschudding omdat de details rechtstreeks uit de persoonlijke ervaringen van Hamsun kwamen. Alle hemeltergende details over de honger zijn daarom des te levensechter, hij overwoog om anoniem te publiceren omdat hij zich schaamde voor de armoede. In de tijd voor zijn doorbraak kon Hamsun nauwelijks rondkomen en had hij al zwervend allerlei luizenbaantjes. De honger die aan de ingewanden van de hoofdpersoon knaagt is meer dan alleen de fysieke variant, hij is net zo hongerig naar literaire erkenning en liefde. In Honger is Hamsun op zijn top, je vindt nergens anders de combinatie van rauwe wanhoop en enorme intensiteit die zichzelf kannibaliseert. Wie het spoor van elke gril van de hoofdpersoon volgt eindigt al net zo duizelig.

    De vinger van God

    Gedreven door een staat van delirium schrijft de hoofdpersoon de meest wonderlijke artikelen die hij voor een paar centen aan kranten verkoopt om niet van de honger om te komen. Tegelijkertijd lijkt hij de honger nodig te hebben om te kunnen schrijven. Zijn meest creatieve momenten heeft hij vaak als hij zich in de greep bevindt van de ‘vrolijke waanzin’ van de honger. Naast het verzinnen van artikelen liegt hij uit nieuwsgierigheid aan de lopende band alles bij elkaar. Hamsuns hoofdpersoon wordt alle kanten op getrokken en is even gevoelig als een emotionele seismograaf. Zijn lot leidt hem net als Job tot een serie rancuneuze aanklachten aan het adres van God: ‘God had zijn vinger in mijn zenuwstelsel gestoken en behoedzaam en nauw merkbaar de verbindingen wat verstoord. En nu had God zijn vinger weer teruggetrokken en kijk, er waren wat vezels en tere worteldraadjes van mijn zenuwen aan die vinger blijven zitten. En zijn vinger, die Gods vinger was, had een gapend gat achtergelaten en wonden in mijn hersenen waar zijn vinger was geweest.’

    De lezer krijgt weinig informatie over de werkelijke omstandigheden van de hoofdpersoon. Alleen zijn verpletterende armoede is duidelijk en een zeker plezier dat hij schept in het schofferen van met name de politie en de middenklasse. Door zijn sterke plichtsgevoel kan de hoofdpersoon moeilijk hulp accepteren en maakt hij het zichzelf erg lastig. Hij wil bijvoorbeeld zelden giften aannemen. Hij is een vat vol contradicties en dat maakt hem zo ongrijpbaar. Tussen de regels door ontstaat een beeld van een man die vroeger een vermogend leven moet hebben gehad maar die nu bestaat bij de gratie van de goede gunsten van zijn hospita en de grillen van een redacteur. Zowat al zijn bezittingen heeft hij al naar de lommerd gebracht. Als de nood echt aan de man komt gebeurt er vaak iets wat de nood tijdelijk opheft, maar nooit voor lang. Dit maakt het ook een verhaal over het belang van kunst creëren als levensbehoefte in extreme omstandigheden. De ficties van de uitgehongerde schrijver functioneren als een ontwrichtend gegeven. In het ontdekken hoever hij hiermee kan gaan stelt Hamsun vraagtekens bij de goedgelovigheid van de lezer. Want hoeveel is verzonnen en hoeveel is echt?

    Buitenstaander

    Ten prooi aan wrede recollecties zwerft de hoofdpersoon in armoedige staat over de straten van de hem vijandige stad. Tot op het bot vernederd komt hij meerdere keren afzienbaar dichtbij de ondergang. Naast de constante armoede is de andere rode draad het meisje dat hij Ylajali noemt, die drie keer terugkomt in het verhaal. In deze wanhopige verhouding is geen plaats voor een echte romance, daarvoor is de hoofdpersoon te zeer gebonden aan zijn ‘kletspraat en boekentaal’. Zij ziet in hem eerst een losbol, maar als hij zijn werkelijke toestand aan haar beschrijft schrikt ze en is hij opeens een gevaarlijke gek. Door zijn wispelturige gedrag is hij veroordeeld tot de positie van eeuwige buitenstaander.

    De speciale gevoeligheid van de zenuwlijder is het bijzondere onderwerp van Hamsun. Nooit krijgt de lezer een vinger achter het karakter van de hoofdpersoon, hij ontglipt elke beschrijving en karakterschets. Altijd maar balancerend op de rand van een inzinking bestaat hij in de eeuwige ironie van Kierkegaard. Of op de rotspunt die Dostojewski beschrijft in Misdaad en straf. Hij kan op een gegeven moment zijn wanen nauwelijks meer van de werkelijkheid scheiden. Of zijn gekte echt of gespeeld is laat Hamsun aan de verbeelding over. De oververhitte stream of consciousness van de fantasierijke hoofdpersoon zorgt voor een wervelend relaas.

    Verschil vertaling

    Net als Hamsuns vitale elan de literatuur nieuw leven inblies zet de vertaling van Adriaan van der Hoeven en Edith Koenders (2022) de brontekst weer op scherp. De vorige Nederlandse vertaling van Cora Polet dateert alweer uit 1976 en wijkt op belangrijke grammaticale punten af van de nieuwe vertaling. Het verschil is opvallend te noemen. Polet wijzigde bijvoorbeeld geregeld de verspringende werkwoordtijden en de grillige interpunctie omdat deze als storend werden ervaren. De wilde expressieve stijl van Hamsun wordt bij Polet op deze manier enigszins beknot en in banen geleid.

    In het nawoord van de nieuwe vertaling wijzen de vertalers op de innerlijke onrust die weerspiegeld wordt in de tekst. Die onrust gecombineerd met de buitengewone precisie van Hamsuns taalgebruik zijn kenmerkend voor het effect dat hij probeert te bereiken. Juist het wisselen van tegenwoordige en verleden tijd weerspiegelt de onbetrouwbaarheid van de verteller en zijn wispelturige invallen. Dit heen en weer springen in tijden en aanspreekvormen is dus niet alleen belangrijk voor het ritme van de tekst maar behoudt ook de originele bedoeling van de auteur. Dat redigeren is het karakter van de roman wijzigen. De gekte lijkt opeens minder willekeurig en het manische tempo is niet meer zo bezeten. Ter illustratie volgt hier hetzelfde fragment uit beide vertalingen:

    1976: ‘De honger had zijn aanval op mij nu ingezet. Ik zat te kijken naar het witte zakje dat bol scheen te staan van glanzend zilvergeld en spoorde me zelf aan te geloven dat er werkelijk iets inzat. Ik zat stijf rechtop en wilde dat ik het juiste bedrag zou raden-‘

    2022: ‘Nu kreeg de honger me te pakken. Ik keek naar dat witte zakje alsof het bol stond van de zilveren munten en zweepte mezelf op te geloven dat er echt iets in zat. Ik daagde mezelf hardop uit het bedrag te raden-‘

    De vertalers van de nieuwe vertaling hebben geprobeerd het ritme van de teks zo getrouw mogelijk te volgen om zo de innerlijke spanning te behouden. Het zijn juist die elementen die van Hamsuns roman een wegbereider van het modernisme maakten. Hij wilde de lezer volledig doen ondergaan in die razende gedachtestroom. Daarnaast is de woordkeuze in de nieuwe vertaling iets moderner en directer. Hamsun was minder geïnteresseerd in de standaard roman maar wilde iets nieuws scheppen, zijn individu laat iets van het essentiële mysterie van menszijn zien in al zijn onsamenhangende complexiteit. Iets wat hij in zijn volgende roman, Mysteriën, des te sterker zou treffen in de figuur van Nagel.

     

     

  • Honger

    Honger

    De nieuwe vertaling door Adriaan van der Hoeven en Edith Koenders van Knut Hamsuns roman Honger, die vorig jaar uitkwam ter gelegenheid van Hamsuns zeventigste sterfjaar, was voor alle liefhebbers die fan waren geworden door de eerdere vertaling van Cora Polet (uit 1976) een confronterende ervaring. Het boek blonk als een geliefd schilderij dat na een schoonmaakbeurt alleen maar nog aan kracht heeft gewonnen. Het bekijken van Sult, de verfilming van Honger, heeft eenzelfde effect. De film van regisseur Henning Carlsen (1927-2014), uit 1966, is even fascinerend, meedogenloos en goed als het boek. Hij voegt er zelfs nog een weergaloze, fysieke dimensie aan toe.

    Per Oscarsson geeft het miskende genie Pontus, hongerkunstenaar en zenuwlijder die tevergeefs op zoek is naar een uitgever voor zijn werk (of anders tenminste een baantje om wat te verdienen) en die zijn toenemende wanhoop en ellende bestrijdt met trots en arrogantie, meesterlijk gestalte. Hoe hij als sjofel uitziend suspect figuur politieagenten overbluft met zijn vraag hoe laat het is, hoe hij probeert de knopen van zijn jasje te verpanden en toch zijn decorum te houden, het is superieur en het onthouden waard. Een tweede hoofdrol is voor de schitterend in zwart-wit gefotografeerde locaties. De film werd op locatie in Oslo gedraaid, op een moment dat daar nog net voldoende straten en panden te vinden waren uit het Kristiana, zoals de stad toentertijd heette, van het fin-de-siècle, de tijd waarin de roman speelt. Een jaar na de opnames waren de voornaamste filmlocaties gesloopt.

    Carlsen had naam gemaakt met een in cinéma vérité-stijl gefilmd documentaire drieluik over de opkomst van de Deense welvaartsstaat van begin jaren zestig, gevolgd door een clandestien in Zuid-Afrika gedraaide verfilming van Nadine Gordimers debuutroman Dilemma, toen hij gevraagd werd voor wat de eerste film in een samenwerkingsverband tussen Denemarken, Zweden en Noorwegen moest worden: Sult. De keuze om Honger te verfilmen – een Noors verhaal met een Deense regisseur en een Zweedse hoofdrolspeler – was ongetwijfeld ingegeven door commerciële motieven. En even ongetwijfeld is het aan de eigenwijsheid van de jonge Carlsen te danken dat dit geen smakeloze Scandinavische coproductiepudding heeft opgeleverd maar een prachtige film, die op het filmfestival van Cannes werd genomineerd voor een Gouden Palm. Het bleef bij een nominatie – wel werd Per Oscarsson in Cannes bekroond als beste acteur. 

    Sult, verkrijgbaar op dvd, wordt beschouwd als een meesterwerk van sociaal realisme, maar met alle hallucinaties van de hoofdpersoon en de vele fantastische uitvergrotingen zou ik het liever een meesterwerk van ‘sociaal surrealisme’ noemen.

     

     


    Hans Heesen, Filmhuisdirecteur, docent Filmacademie Amsterdam, schrijver van Naar Zutphen en Een naderend begin van iets nieuws (uitg. IJzer), schrijft maandelijks een filmcolumn.

     

     

     

     

  • Oogst week 18 – 2022

    K.L. Reich

    Niets ten nadele van de ontwerper van het omslag, maar het wekt afkeer op. Dat komt omdat er gebruik is gemaakt van het beeldmerk dat op tal van zaken stond die afkomstig waren uit het nazikamp Mauthausen. De letters K.L. Reich staan voor Konzentrationslager Reich. Voor de auteur van K.L. Reich, de Catalaanse schrijver Joaquim Amat-Piniella (1913 – 1974) was het een afbeelding die hij dagelijks zag tijdens zijn gevangenschap in Mauthausen.

    In deze semi-autobiografische roman verhaalt Joaquim Amat-Piniella over zijn ervaringen als gevangene in bijna vijf jaar naziconcentratiekampen. Hij doet dat aan de hand van diverse personages, van wie een aantal gebaseerd is op zijn vrienden.

    Het alter ego van de schrijver overleeft door pornografische tekeningen te maken voor de SS. Door zijn ogen zien we hoe de kampen werken: het corrupte netwerk van de kapo’s, de statusverschillen onder de gevangenen, het uitroeiingssysteem van de nazi’s, de systematische ondervoeding.
    Ondanks deze mensonterende omstandigheden proberen de Spanjaarden in kamp Mauthausen zich te organiseren in een verzetsbeweging die als voornaamste doel heeft de gruwelen van het concentratiekamp te overleven en zich te wapenen tegen de ‘kampgeest’, het morele nulpunt van het naziconcentratiekampsysteem waarnaar de gevangenen voortdurend dreigen af te zakken.

    Voordat hij in juni 1940 door de Duitsers in Frankrijk gevangengenomen werd en naar Mauthausen werd gedeporteerd studeerde Joaquim Amat-Piniella rechten. Die studie brak hij bij het uitbreken van de Spaanse burgeroorlog af om in dienst te treden van het leger van de Republiek. Hij vocht aan diverse fronten en stak aan het einde van de burgeroorlog met een heleboel andere Spanjaarden de Franse grens over. Met zijn arrestatie tot gevolg.

     

    K.L. Reich
    Auteur: Joaquim Amat-Piniella
    Uitgeverij: Uitgeverij Nobelman

    Honger

    Deze maand verscheen bij uitgeverij Oevers een nieuwe vertaling van de Noorse klassieker Honger van Nobelprijswinnaar Knut Hamsun. Honger staat op de lijst van de honderd belangrijkste boeken uit de wereldliteratuur. Dat is een lijst die in 2002 werd samengesteld op initiatief van de gezamenlijke Noorse boekenclubs op basis van de inzendingen van honderd schrijvers uit 54 landen. Het is overigens een wat gedateerde lijst, de meest recente boeken op die lijst komen uit 1995 (De stad der blinden van José Saramago) en 1985 (Liefde in tijden van cholera van Gabriel García Márquez).

    In deze autobiografische roman schrijft Hamsun over de bittere armoede, honger en wanhoop van een jonge schrijver die vanaf 1880 een aantal jaar in Kristiania (Oslo) woonde.
    Het is niet alleen de honger die de hoofdpersoon kwelt, maar ook de mentale pijn die hij ervaart bij zijn gevecht om een plaats in de maatschappij en in de liefde. Hamsun verwerkt in Honger zijn eigen ervaringen uit een aantal zeer koude winters.

    Honger verscheen in 1890. In Nederland verscheen het voor het eerst in 1905 in een vertaling door Jeanette Gorter-Keyser, daarna in 1976 in een vertaling door Cora Polet. Nu, in 2022 is een vertaling verschenen door Adriaan van der Hoeven en Edith Koenders.

    Honger
    Auteur: Knut Hamsun
    Uitgeverij: Uitgeverij Oevers

    Wit op wit

    Op de website van uitgeverij Kievenaar is te lezen dat ze boeken uitgeven ‘van vreemde vogels van onvaste bodem, van dames- en herenschrijvers die eigen werelden hebben geschapen omdat die juist iets draaglijker zijn dan de al bestaande.’
    Dat belooft wat!

    Een van hun titels is het onlangs verschenen Wit op wit van de Turkse schrijfster Ayşegül Savaş. In 2020 verscheen van deze auteur Lopen op het plafond waarin een bijzondere vriendschap ontstaat tussen een jonge Turkse vrouw en een wat oudere Britse schrijver. Beiden zijn openhartig in de talrijke persoonlijke gesprekken die ze hebben.

    Ook in Wit op wit krijgen we een beeld van de hoofdpersonen door de gesprekken die zij samen voeren. Een jonge studente gaat in de grote stad wonen om er onderzoek te doen. Ze huurt een appartement bij Agnes die kunstschilder is en er vaak niet zou zijn. Dat pakt anders uit. Agnes is er heel vaak en beiden hebben uitvoerige gesprekken. Over haar achtergrond, haar familie, haar huwelijk en haar kunst. Het begint erop te lijken dat Agnes kwetsbaarder is dan ze zich voordoet en het wordt duidelijk dat stabiliteit in een leven heel betrekkelijk en teer is.

    Van is Ayşegül Savaş is eerder werk verschenen in The New Yorker, The Paris Review, Granta, The Guardian, The Dublin Review. Ze woont en werkt in Parijs. Momenteel werkt ze aan een bundel essays’s.

    Wit op wit
    Auteur: Ayşegül Savaş
    Uitgeverij: Uitgeverij Kievenaar