• Sfeer uit B-film jaren vijftig met een dystopisch trekje

    Sfeer uit B-film jaren vijftig met een dystopisch trekje

    ‘Goede Dood wiens zuiver pijpen / Door ’t verstilde leven boort / Die tot glimlach van begrijpen / Alle jong en schoon bekoort.’ Zo begint het bekende gedicht van Boutens over de dood die het leven bezielt. De goede dood is de titel van de tweede roman van Klaas ten Holt die als schrijver bekendheid heeft verworven door zijn blogs na het overlijden van zijn vrouw.
    De roman opent met een beschrijving van een dorp vanaf een dijk gezien waar een man aan een vrouw vertelt dat de dijk opgehoogd gaat worden. Goed nieuws, vindt hij, want dan `hebben die jongens uit De Sluis eindelijk eens wat nuttigs te doen’. Als omineus voorteken drijft, vastgebonden aan een paaltje, een dode kat in zee.

    Vervolgens wordt hoofdpersoon Franz Czekalski geïntroduceerd die zijn vader begeleidt op de piano. Eventuele positieve gedachten over huiselijkheid worden de lezer niet gegund: de vader -ooit beroemd operatenor- weigert mee te zingen, heeft in zijn broek geplast (dement) en scheldt zijn zoon uit die prompt overweegt een eind aan zijn leven te maken met een overdosis slaappillen. Hij doet het niet want de volgende dag heeft hij een sollicitatiegesprek; er is een vacature van huisarts in het dijkdorp Houweningen.

    Anachronistische karakter

    Tijdens de reis ernaartoe wordt duidelijk dat de wereld van Franz Czekalski niet het hedendaagse Nederland is: zuur- en haringventers proberen hun waar aan de man te brengen, aan de provinciegrens is er controle, op het perron zitten kaalgeschoren jongemannen in rode overalls die door een soldaat bewaakt worden en tijdens het sollicitatiegesprek krijgt Franz Cichoreikoffie. Maar ook is er led-verlichting, zijn er computers en wanneer zijn vader ter sprake komt, merkt de gemeentesecretaresse op dat Houweningen een uitstekend euthanasieprogramma heeft. Dit anachronistische karakter is een van de aardigste kenmerken van de roman: iedereen zit overal te roken, er wordt korenwijn, vieux en jenever gedronken, mannen maken de dienst uit, vrouwen zijn alleen secretaresse, assistente, prostituee of jonge deerne die gered moet worden. Het ademt de sfeer van een B-film uit de jaren vijftig, maar tegelijkertijd heeft de roman ook een dystopisch trekje vanwege `de broederschap’ die sinds `de omwenteling’ aan de macht is en `onrendabelen’ in de gevangenis stopt en een euthanasieprogramma heeft ingevoerd voor mensen boven de zeventig.

    Natuurlijk krijgt Czekalski de baan en hij trekt meteen in het huis van zijn voorganger. Gezien de combinatie demente vader, euthanasieprogramma en de titel De goede dood verwacht je nu dat het dystopische element zal worden uitgewerkt: dorpelingen en partijfunctionarissen die steeds meer druk op huisarts Franz gaan uitoefenen om zijn eigen vader te euthanaseren met een interessant gewetensconflict tot gevolg. Een andere optie is dat Franz helemaal niet zo principieel of liefdevol is, maar zijn vader niet euthanaseert om diens leven zo ondraaglijk mogelijk te maken als wraakoefening voor een vervelende jeugd of iets dergelijks. Dit is echter niet het geval.

    Achter elk voorval zit iemand

    In plaats daarvan wordt Franz verliefd op het buurmeisje die hij de rest van de roman zal blijven lastig vallen (‘Ik wil je Meeke, ik wil je zo ontzettend graag’) en treedt hij als voorzitter van de feestcommissie toe tot het kringetje notabelen van het dorp: de burgemeester, de malafide aannemer, de fanatieke sociaal voorman, de kruiperige wethouder van onderwijs en de sympathieke (want homofiele) directeur van gevangenis De Sluis. De roman is vanaf dan een soap die stuurloos van de ene ontmoeting naar de andere gaat, waarbij steevast apen uit de mouw komen en achter elk voorval iemand blijkt te zitten zonder dat duidelijk wordt waarom.

    Franz en zijn vader lijken geen andere functie te hebben dan deze scènes met elkaar te verbinden. Hoewel de hoofdpersoon tal van problemen krijgt aangereikt (de vader die onsympathiek is maar toch verzorgd moet worden, Franz’ afwijkende ideologie, zijn gewetensbezwaren over het euthanasieprogramma, zijn verliefdheid op het buurmeisje dat het met de malafide aannemer houdt etc), heeft Franz over geen van deze onderwerpen een coherente gedachte. De hoofdpersoon is iemand zonder herinneringen, zonder ontwikkeling en zonder ideeën. Een man zonder eigenschappen dus. Om deze leemte op te vullen is Franz tijdens elke scène druk bezig `kelkjes’ te vullen met jenever, korenwijn of vieux, sigaretten op te steken of zijn seksuele behoeftes te lenigen.

    Hoop op ontknoping vervliegt

    Even lijkt de soap nog in een thriller te veranderen wanneer de halfbroer van het buurmeisje en tevens zoon van de burgemeester (hoe soapie wil je het hebben) uit De Sluis ontsnapt en Czekalski bij een plan betrekt om de dijk op te blazen. Waarom deze jongen zich uitgerekend tot hem wendt, zijn hulp nodig heeft en hem vertrouwt is onduidelijk, maar tegen die tijd is de lezer al zo gewend aan onduidelijke beweegredenen dat het nauwelijks nog opvalt. Er gloort dan wel enige hoop op een ontknoping waarbij misschien een complot of iets dergelijks aan het licht wordt gebracht, maar helaas, het mag niet zo wezen.

    Deze vreemde potpourri is opgediend in de stijl van een misdaadroman. Geen mooie metaforen of vergelijkingen, geen fraaie cadans, maar een zin als `vanaf de dijk heb je een goed uitzicht op het water’ (het zou gek zijn als dat niet zo was) en een hoofdstuk dat begint met ‘die zaterdag’ terwijl er nog over geen enkele zaterdag gesproken is. De malafide aannemer die bij elke ontmoeting knipoogt, Franz die voortdurend sarcastisch of geërgerd reageert en ‘sniert’. Hij stelt zich voortdurend vragen die nooit beantwoord worden en vooral het gebrek aan stuurmanskunst van de auteur onderstrepen. Het uitgangspunt van De goede dood is prima, maar doordat Ten Holt telkens de bakens verzet en geen idee heeft wie zijn hoofdpersoon is, is het geheel niet erg geslaagd.

     

     

  • Oogst week 46 – 2021

    Winteren. De kracht van rust en afzondering in moeilijke tijden

    De titel Winteren van de Engelse schrijfster Katherine May (1977) is beeldspraak voor het omgaan met moeilijke, zware periodes in het leven, zoals ziekte, zorgen, te veel werk, verlies. May interviewde mensen daarover en tekende de gesprekken op, niet van plan om ook introspectie een plaats te geven in het boek dat speelt van de herfst tot eind maart. Maar ‘het persoonlijke deel bleef maar op de deur kloppen’, zegt ze in een interview, waarna ze ook haar eigen bespiegelingen en beschouwingen over problemen opnam. Want een plotselinge ziekte in haar familie had haar onzekerheid en afzondering gebracht. Uiteindelijk vond ze kracht in de veranderingen en overlevingsmechanismen van de natuur en in de ervaringen met ‘winteren’ van anderen. Winteractiviteiten hielpen haar erbij: ze ging ijszwemmen, baadde in IJslandse bronnen, nam deel aan een zonnewendeviering in Stonehenge en zocht het noorderlicht.

    Ook kinderboeken spelen een rol in Winteren omdat verdriet als feit in kinderliteratuur veel meer aanwezig is dan in volwassenenliteratuur. Net als in de natuur is de donkere periode van het leven een tijd om zich terug te trekken, stil te staan, te rusten en te herstellen. En daarin het proces herkennen, begrijpen, verzorgen, leren de kou lief te hebben en zien dat dit soort periodes net als de seizoenen komen en gaan, maakt May duidelijk. Winteren is wereldwijd een bestseller.

    Winteren. De kracht van rust en afzondering in moeilijke tijden
    Auteur: Katherine May
    Uitgeverij: Nieuw Amsterdam 2021

    Gij zult niet bloemlezen

    ‘Portret van een homo universalis’, staat er op de website van Louis Th. Lehmann. Hij was een Nederlandse dichter en behalve dat een internationaal bekende scheepsarcheoloog. Daarnaast was hij  onder meer vertaler, essayist, componist en muziekkenner en vooral een scherpzinnige vrijdenker. Dat deze veelzijdige man nog een website heeft lijkt in eerste instantie opmerkelijk want hij is al jaren geleden overleden (1920-2012). De website is dan ook in beheer bij De Bezige Bij en Alida Beekhuis, de weduwe van Lehmann.

    Erik Bindervoet (vertaler, schrijver, dichter en tekenaar) publiceert nu Gij zult niet bloemlezen, een bloemlezing uit de gedichten van Louis Lehmann. Hij illustreerde het boek ook. De frappante titel is ontleend aan een opvatting van Lehmann zelf, die in een interview in de Volkskrant (december 2000) zei: ‘Bloemlezen, had ik indertijd het idee, was een manier om van dichters te profiteren zonder er veel voor te betalen,’. Lehmann hoopte met zijn gebod een massabeweging op gang te brengen. Wat niet gebeurde. Ook Erik Bindervoet, die Lehmann persoonlijk kende en behalve een nawoord in een van diens boeken een autobiografisch gedicht over zijn eerste ontmoeting met hem schreef, trok zich niets van die uitspraak aan. Hij grasduinde met veel plezier in Lehmanns fantasierijke werk en koos voor zijn bundel ongeveer 200 gedichten die hij in thema’s als varen, reizen, muziek, jonge jaren en steden onderverdeelde. ‘Deze dichter,’ zegt Bindervoet, ‘is van zichzelf al een complete bloemlezing van de Nederlandse poëzie van de 20ste en de 21ste eeuw tot dusver.’

    Gij zult niet bloemlezen
    Auteur: Erik Bindervoet
    Uitgeverij: AFdH Uitgevers 2021

    De goede dood

    De vader van de jonge arts Franz Czekalski was ooit een beroemde operazanger, maar ook een pionier van de vroege fascistische Broederbond. Nu is hij dementerend en verhuist hij met Franz naar het provinciestadje Houweningen, waar de fascisten de scepter zwaaien en waar zijn zoon heel gemakkelijk een baan vond als huisarts, als enige huisarts. Franz zorgt voor zijn vader, wat bij de inwoners van het stadje vragen oproept. Er zijn toch oplossingen voor een geval als zijn vader? Mensen boven de zeventig, andere onrendabelen en andersdenkenden of mensen die een klein vergrijp hebben gepleegd, worden in Houweningen geëuthanaseerd of in Kamp de Sluis gezet. Maar zijn vader een spuitje geven gaat Franz te ver.

    Jongens uit het kamp worden als dwangarbeiders te werk gesteld op de dijk, waaraan Franz en zijn vader in het laatste huis wonen. Franz krijgt al snel bedenkingen tegen het kamp. Ondertussen raakt hij verliefd op zijn buurvrouw Meeke, die een relatie heeft met de machtigste man van het stadje. De burgemeester vraagt Franz als voorzitter van een commissie die feestelijkheden voor een door de dwangarbeiders aangelegde dijk coördineert. Een van de dwangarbeiders is een zoon van de burgemeester en halfbroer van Meeke. Hij ontsnapt uit het kamp en vraagt Franz bij hem te mogen onderduiken. Behalve dat Franz in een machtsstrijd verwikkeld raakt, komt hij ook voor een morele keuze te staan.

    Klaas ten Holt is componist, gitarist, schrijver, columnist en dichter. De goede dood is zijn tweede roman.

    De goede dood
    Auteur: Klaas ten Holt
    Uitgeverij: Podium 2021
  • Unheimlich verblijf

    Unheimlich verblijf

    Met zijn romandebuut Hotel Alfabetschreef Klaas ten Holt een boek zoals er niet veel zijn in Nederland. Nadat zijn geliefde hem verlaten heeft, rijdt Adriaan Hoorndrager – what’s in a name– naar de Balkan om een oude onenightstandop te zoeken. Onderweg wordt hij overvallen door slecht weer en moet hij stoppen om te overnachten. Het Hotel Alfabet waar hij terechtkomt blijkt een zonderlinge plek te zijn. Een plek buiten de wereld waar Adriaan geconfronteerd wordt met zijn verleden.

    In het hotel ontmoet hij de ene na de andere vreemde gast. Allemaal lijken ze al van alles over hem te weten nog voordat hij ze gesproken heeft. En allemaal willen ze iets van hem. Weduwe Kloos-de Ranitz bijvoorbeeld streelt Adriaans ijdelheid – ‘in zijn vorige leven was hij de relatief succesvolle filmcomponist’ – door hem te vragen een opera te componeren als monument voor haar overleden echtgenoot.

    Professor Quast – ook weer zo’n omineuze naam – herkent in Adriaan Hoorndrager de Uhrnok: de verhevene, uitverkorene binnen zijn theosofische ideeën over wortelrassen. ‘Zoals ik al eerder zei,’ legt Quast zijn theorie uit, ‘ontwikkelt de menselijke soort zich in stadia, zeven om precies te zijn. We zijn nu in het vijfde beland, en maken ons op om te muteren naar het zesde en voorlaatste stadium. Nog een paar millennia en dan ontpoppen wij ons tot het zevende wortelras, waarmee de cyclus is voltooid en alles weer opnieuw begint.’ Quast wil genetisch materiaal van Adriaan gebruiken voor experimenten van rassenveredeling.

    En dan zijn er ook nog de vrouwen in het hotel: behalve de weduwe zijn er het kamermeisje Ursula, mevrouw Smith, de dochter van de hoteleigenaar en diens vrouw, Estrelle. Stuk voor stuk wekken ze lust op bij Hoorndrager, die zijn gedachten moeilijk kan beheersen na zijn relatie die in seksueel opzicht zeer teleurstellend was.

    Rebus
    Wie op de eerste pagina’s nog dacht met een realistisch verhaal te maken te hebben, moet zijn hoop daarop laten varen wanneer Adriaan de poort van Hotel Alfabet binnengaat. Niet alleen zijn de hotelgasten en het personeel zeer merkwaardig, het zijn vooral tijd en ruimte die niet meer aan de natuurwetten voldoen. Dingen in het hotel veranderen onverwachts. De gebeurtenissen in de roman spelen zich grotendeels af op één dag, maar wie onder elkaar zet wat Adriaan allemaal doet, kan niet anders dan concluderen dat deze dag een eeuwigheid duurt.
    Dit uiteraard volgens de bedoeling van Klaas ten Holt, al is het niet direct duidelijk wat die is. Hotel Alfabetis een roman die zich niet meteen prijsgeeft. Ten Holt verwijst graag en veel naar hoogtepunten uit de Europese cultuur en dat hij componist is en lesgeeft aan het conservatorium van Groningen is te merken. Wil je enigszins begrijpen wat voor plek Hotel Alfabet is, moet je een brede kennis hebben om alle verwijzingen te kunnen plaatsen – of de bereidheid hebben om alles op te zoeken.

    Zo komen Ligeti’s Requiemen tal van andere stukken en componisten langs en is het een running gagin de roman dat Adriaan meent te weten wat het strijkkwartet in het hotel speelt, maar er steevast naast zit. Verder verwijst de roman naar literatuur, waarbij die naar Thomas Manns De toverberghet meest in het oog springt en is filosofie alleen al vertegenwoordigd in de namen van de receptionist Erasmus en hotelkat Socrates. En uiteraard zijn er veel referenties naar religie, van de Thora tot Dürers Apocalyps.

    Het maakt van Hotel Alfabetal al met al eerder een interessante roman dan een goede. Hij weet een mooie unheimlichesfeer neer te zetten en het is prettig dat hij, anders dan in zo veel andere debuten gebeurt, de realiteit ver achter zich durft te laten. In de manier die Ten Holt gekozen heeft om zijn verhaal te vertellen, slaat hij echter door. De vele verwijzingen maken het topzwaar en het verhaal zelf bezwijkt er haast onder. Het maakt ook dat je het gevoel krijgt eerder met een rebus van doen te hebben dan met een roman.

    Wanneer professor Quast voor de zoveelste keer een van zijn theorieën uit de doeken doet, verzucht Adriaan: ‘Het is duidelijk dat de professor koste wat kost zijn verhaal wil doen.’ Het is een gedachte die ook geldt voor de schrijver van Hotel Alfabet. Hoe interessant dit boek in zijn eigenheid ook is, dat zo’n gedachte bij het lezen opkomt is toch een veeg teken.