• De stijl tekent de man

    De stijl tekent de man

    Er is een beroemde uitspraak van de 18de-eeuwse Franse natuuronderzoeker Georges-Louis Leclerc, graaf de Buffon: Le style est l’homme même. Aan de stijl herken je de man; het is de manier waarop iemand zich uitdrukt die zijn persoonlijkheid tekent. Buffon doelde daarmee op zichzelf, en op auteurs in het algemeen, maar je kunt het citaat evengoed overdrachtelijk toepassen: op de verteller in een roman. Het is niet gek dat die gedachte opkomt bij lezing van Mijn grote appartement van de Franse schrijver Christian Oster (Parijs, 1949). In zekere zin is zelfs niet de ik-figuur Gavarin de hoofdpersoon, maar de taal en de stijl die Oster hem als verteller in de mond legt.

    Christian Oster heeft al een flink oeuvre op zijn naam staan en is een bekende schrijver in Frankrijk. In Nederland is echter pas één keer eerder een vertaalde roman van hem verschenenDat was in 2015 In de trein (destijds op Literair Nederland eveneens om zijn stijl lovend besproken). Oster, die in de traditie van de Nouveau roman staat, is dan ook niet in brede kring bekend. Wikipedia kent slechts een (erg kort) Frans lemma, maar een Duitse, Engelse of Nederlandse pagina bestaat niet. Zowel In de trein als Mijn grote appartement verschenen dan ook bij kleine uitgevers. Beide vertalingen zijn overigens van Kiki Coumans (nu samen met Katrien Vandenberghe).

    Tas
    ‘Mijn naam is Gavarin en ik wil graag iets zeggen.’ Zo begint de verteller (die zich zelden bij zijn voornaam Luc noemt) zijn verhaal. Hij kan zijn appartement niet in omdat de sleutels zoek zijn. Ze moeten in zijn aktetas hebben gezeten, maar die is hij ook kwijt. En dat is erger: ‘Zonder mijn tas was ik niets. Voelde ik me naakt.’ De verwarring wordt voor de lezer nog groter als Gavarin een paar alinea’s verder laat weten dat er behalve die sleutels niets zat in zijn tas die voor hem zo’n grote betekenis heeft. De protagonist begint zich daarmee meteen af te tekenen als een eenzame door twijfels en onheil bezeten narcist: ‘Het ergste verwachten, iets ergers dan onderuitgaan, en intussen op je gezicht gaan, dat was zo’n beetje mijn visie op het leven.’ Verderop geeft hij varianten op die kijk op zijn leven: ‘Droefheid was mijn habitat’.

    Het blijft niet bij zijn sleutels. Hij is ook zijn werk kwijt. En hoogstwaarschijnlijk (helemaal zeker wordt dat niet) ook zijn vriendin Anne Lebedel, die sinds kort bij hem in zijn appartement woonde. Als hij een keer naar huis belt blijkt op het antwoordapparaat de stem te staan van Marge, een geliefde van tien jaar geleden, met wie hij afspreekt in een zwembad. Daar ontmoet hij echter niet haar, maar een zwangere vrouw, Flore, die op het punt staat te bevallen. Hij spreekt haar aan, ‘besluit’ verliefd op haar te worden en trekt met haar naar haar broer Jean in de Corrèze. Daar bevalt ze in het ziekenhuis van een dochter, Maud. Gavarin doet het voor iedereen voorkomen dat hij de vader is.
    Gavarin overnacht na de bevalling bij Jean, die een grot beheert waarin hij rondleidingen verzorgt voor toeristen. Omdat op een dag de gids niet op komt dagen ontvangt hij de sleutel van de poort om de toeristen rond te leiden.

    Tegengestelde beweging
    Het is een opvallende tegenbeweging in de roman. Gavarins weg voert vanuit zijn grote appartement in (vermoedelijk) Parijs naar een benauwde natte grot op het platteland; van de woning verliest hij de sleutel, maar hij krijgt hem van de grot. Zijn ‘persoonlijke groei’ volgt de omgekeerde weg: de volstrekt eenzame man die niet eens zeker weet of hij wel een relatie met Anne had wordt iemand met een groeiende kring mensen om zich heen. Eerst is er Flore, op wie hij verliefd raakt en vervolgens haar broer Jean, het kind van Flore van wie hij zich als de vader ziet – kan het intiemer? – en tenslotte de toeristen.

    We beleven dit alles in het hoofd van Gavarin. Hij doet zijn relaas in de ik-vorm, maar wij zijn als lezer niet de enig aangesprokenen. Gavarin spreekt voortdurend ook zichzelf aan in de tweede persoon. En alle andere personen in zijn relaas komen tot ons via zijn hoofd. Vaak horen we niet hún woorden, maar wat Gavarin denkt dat zij denken. Dat is meestal niet in zijn voordeel. Hij is immers voor het ongeluk geboren. Als Marge hem heeft gebeld, verzucht hij bijvoorbeeld dat het ergste is ‘dat ik, het lot zij dank, best een knappe verschijning ben, en nog stevig gebouwd ook, en dat me vast liefde zou zijn vergund als ik dit karakter niet had.’ Het is de lege aktetas die door mensen gezien moet worden, niet hijzelf: ‘Ik ging er al geruime tijd van uit dat alleen ik, Gavarin, onopgemerkt bleef. In tegenstelling tot mijn tas.’
    Gavarin houdt van dat soort paradoxen. Dat hij Anne niet meer kan bereiken, maakt dat zijn appartement ‘vervuld is van haar afwezigheid.’ En als hij bedenkt dat ze misschien wel een afscheidsbriefje in zijn lege tas heeft gestopt dat hij nu niet kent omdat zijn tas zoek is, noemt hij dat ‘een perfecte mislukking’.

    Staccato
    Maar vooral doet de taal zijn werk in de karakterisering van Gavarin. Zoals in de obsessieve verontschuldigingen: ‘Met twee vingers zocht ik het muntstuk, in mijn portemonnee, die ik met een derde vinger openhield. Zodra ik het juiste muntje te pakken had, klapte de portemonnee weer dicht. Het was een model dat vanzelf dichtklapte. Een portemonnee die ik in de gauwigheid had gekocht. Ik had er niet bij nagedacht, die dag. Ik was net mijn portemonnee kwijt, een model dat niet vanzelf dichtklapte, en had een nieuwe nodig. Het was dus een noodportemonnee’.
    Zijn verlegenheid komt tot uitdrukking in staccato zinnen, zoals in de scène waarin de verloskundige hem de navelstreng van Maud laat doorknippen: ‘Het was een voorstel. Ik keek Flore aan. Ze knikte bemoedigend. Aha, dacht ik. Echt. Goed, zei ik. En meteen daarop ja. Ik reikte meteen naar de schaar. Eh, zei ik.’ Korte zinnen die bij nog grotere onzekerheid zelfs anakoloeten worden: ‘Omdat ik het niet gemaakt had, dit kind. En het toch in mijn handen had. Alsof. Haast net alsof. Net niet. Niet wat zij hebben meegemaakt. Helemaal niet, zelfs. Ik vind ze grappig, vaders. Hoe ze erin geloven. Verbaasd staan. Dan algauw. Mijn dochter. Terwijl ik. Dat besefte ik heel goed.’

    Die onhandigheden, als we die zo mogen noemen, leiden tot lachwekkende taferelen vol ironie. Prachtige voorbeelden daarvan zijn de scènes in het zwembad als Gavarin zich omkleedt in het hokje ‘waarvan de kleur, oker met fecale tinten’ zijn kindertijd oproept en hij het clipje van zijn badmuts niet vastgemaakt krijgt. Of het aantrekken van zijn sokken na het zwemmen. Of zijn zoektocht naar een zwemband zonder eendje erop.

    Absurdistisch zijn ook zijn redeneringen soms: ‘Van de twee uur die ik nog had voordat het tijd was om naar het stationsloket te gaan, doodde ik er maar één. Het beet kranig van zich af. Trots en tartend ding, dat uur.’
    Het is goed dat er in een tijd waarin auteurs hun grote uitgeverijen ontvluchten, omdat die hun boeken alleen nog interessant vinden als er handel in zit, kleine durvers opstaan die experimenten en vernieuwers een kans geven.

     

     

  • Perec kijkend en Perec dromend

    Perec kijkend en Perec dromend

    Na jaren van stilte is de Franse auteur Georges Perec (1936 – 1982) weer helemaal aanwezig in de boekenschappen. Steeds meer niet eerder vertaald werk van hem is in het Nederlands verkrijgbaar. In 2009 was daar, nadat het zes jaar stil was geweest, ineens het bravourestuk van Guido van de Wiel, die de E-loze roman La disparition van Perec in alleszins leesbaar Nederlands presenteerde (’t Manco). Wie in dat jaar één van zijn meest betekenisvolle boeken, W of de jeugdherinnering te pakken wilde krijgen moest er tweedehands woekerprijzen voor betalen. De uitverkochte vertaling van Privé-domein 173 bleek een collectors item te zijn geworden. Tot de Arbeiderspers in 2010 besloot tot een betaalbare heruitgave, via printing on demand. En ineens kwam een nieuwe stroom op gang. Eveneens in 2010 verscheen Tips en wenken voor wie zijn afdelingschef om opslag wil vragen en in 2014 De condottiere (dat overigens twee jaar eerder pas in Frankrijk was uitgekomen). En nu, in 2017, worden de Perec liefhebbers opnieuw verblijd. Met twee vertalingen zelfs. Kiki Coumans bezorgde Poging tot uitputtende beschrijving van een plek in Parijs en Perec vertaler vanaf het begin Edu Borger, De duistere winkel. 124 dromen.

    Poging
    Ga zitten op een plek en probeer je bewust te zijn van het gewone in je omgeving. Menigeen heeft het misschien wel eens geprobeerd. Perec schreef daadwerkelijk op wat er dan te zien is. Niet eenmalig trouwens. In hetzelfde jaar als de nu verschenen Poging tot… deed hij iets dergelijks in Poging tot inventarisatie van het vloeibare en vaste voedsel dat ik in de loop van het jaar negentienhonderdvierenzeventig door het keelgat heb gejaagd en twee jaar daarna over de voorwerpen die op zijn werktafel lagen. Daarna zou hij het idee nog een paar keer uitvoeren onder andere door een beschrijving op basis van bezoeken aan alle plekken in Parijs waar hij had gewoond of waaraan hij herinneringen had.

    Poging tot uitputtende beschrijving van een plek in Parijs is waarschijnlijk het meest interessante van die projecten. Wie leven en werk van Perec niet zo goed kent, zal het wellicht verbazen dat een dergelijke onderneming kan boeien, maar deze Poging is een prachtig stuk literatuur. Soms poëtisch, soms humoristisch en soms persoonlijk. Hij zet je bovendien aan het denken over hoe we kijken en, jawel, welke vooringenomenheid we daarbij hebben.

    Perec ging drie dagen, op 18, 19 en 20 oktober 1974, naar de Place Saint-Sulpice zitten kijken. Dat deed hij vanaf wisselende plekken rond dat plein, bar-tabac Saint-Sulpice (3x), het café de la Mairie (3x) het café La Fontaine (2x) en  een bankje in de zon (1x). Hij zat er steeds ongeveer een uur en pauzeerde daarna. Op een tafeltje of op schoot vellen papier en in zijn hand een pen. Elke ‘zitting’ noteerde hij allereerst het weer; veranderde dat in de loop van het uur dan schreef hij dat op.

    De verschillende rapporten laten zien hoe je onbewust gericht kunt zijn op iets en dus bijna programmatisch kijkt. Zo heeft hij de eerste keer vooral oog voor letters, cijfers, symbolen, kleuren en trajecten van bussen die het plein kruisen. De tekst krijgt daardoor een mooie cadans omdat zijn verbale registraties steeds door nummers van de buslijnen in stukjes worden gedeeld.

    In de tweede zitting zijn zijn thema’s weer anders: groottes van groepjes en groepen mensen, gesprekken tussen hen, manieren van voortbewegen (te voet, per fiets enzovoort) en houdingen (dwalend, zoekend, resoluut, zoekend enzovoort). Hij vraagt zich nu bovendien af hoe volledig zijn waarneming wel is, bijvoorbeeld als hij merkt dat een bromfiets die er pas nog stond, ineens weg blijkt te zijn zonder dat hij dat gezien heeft.

    Anders kijken
    Er gaan in alle zittingen dingen opvallen, waarbij je je als lezer afvraagt of Perec een grapje met je uithaalt. Het aantal ‘appelgroene 2cv’s’ neemt zo’n grote vormen aan dat het komisch gaat werken. Zo verstopt hij meer speelsigheden in zijn verslagjes: in cijfergrapjes zoals ‘…waarvan de vijf bridgespelers er vier drieklaveren zaten te spelen…’ en in ritmische zinnen als ‘Er rijdt een 86 voorbij hij is leeg / Er rijdt een 70 voorbij hij is vol’ en even verder ‘Een vrij lege 70 rijdt voorbij / een bijna volle 63 rijdt voorbij’. Dat blijft zich tijdens deze sessie herhalen.

    Op de tweede en derde dag (een zaterdag en een zondag) gaan veranderingen ten opzichte van de dag ervoor een rol spelen: licht dat anders is, verschillen in bewegingen en drukte. Hij lijkt nu meer te mijmeren dan te kijken. En ook nu weer zijn er de luchtigheden en humor. ‘Een man loopt met zijn neus in de lucht voorbij, / gevolgd door een man die naar de grond kijkt’. Of: ‘…niemand ziet de / bussen ooit langsrijden, behalve als hij zelf op / een bus staat te wachten, of als hij iemand bij  / een bus gaat ophalen, of als hij door de RATP / wordt betaald om ze te tellen’. En: ‘Een klein meisje, omgeven door haar ouders (of / door haar kidnappers) huilt’.

    De notatie hierboven (met slashes van mij; AA) geeft weer hoe Perec zijn waarnemingen bovendien giet in blanke verzen. Misschien koos vertaalster Kiki Coumans daarom wel bewust voor wat strikt genomen een taalfout is (‘aantal’ is eigenlijk enkelvoud) om zo het metrum te kunnen bewaren in:

    De duiven verroeren zich nauwelijks. Toch
    is het moeilijk ze te tellen (200 misschien);
    een aantal zitten op de grond met ingetrokken
    pootjes. Het is tijd voor hun toilet

    Perecs verslag van kijken naar het gewone is boeiende en poëtische literatuur, die soms doet denken aan de compositie 4’33’’ van John Cage, die duidelijk maakte wat er allemaal te horen is als het stil is. Gefluister, gemor, weglopende mensen bij de première in 1952, maar daarna gewaardeerd omdat blijkt dat stilte nooit hetzelfde is. Zoals Perec merkte dat zijn zien nooit hetzelfde was.

    Dromen
    In 1978 schreef Perec in Le Figaro in een essay (opgenomen in Ik ben geboren  dat in 2003 in Nederlandse vertaling – door Rokus Hofstede –  verscheen) dat hij zich in zijn boeken door vier vraagstellingen laat leiden. De eerste is hoe we naar de wereld van alle dag kijken. Daarop probeerde hij antwoorden te vinden in beschrijvingen als het hiervoor besproken Poging tot…, maar ook in Ruimten rondom en De dingen. De tweede vraag is die naar zijn eigen biografie met als bekendste W of de jeugdherinnering. De derde is de speelse variant die uitgaat van zelfgekozen beperkingen (contraintes) om zo de mogelijkheden van taal te ontdekken; dit betreft zijn werk in Oulipo, vergelijkbaar met het Opperlands bij ons. De laatste vraag gaat om het romaneske, waarmee hij experimenteerde in zijn verreweg beroemdste boek Het leven een gebruiksaanwijzing. De grenzen tussen deze vier vraagstellingen zijn overigens nooit star.

    In de tweede categorie, de eigen biografie, past ook het onlangs verschenen De duistere winkel. 124 dromen. Het bevat een zo sec mogelijke beschrijving van dromen van Perec van mei 1968 tot augustus 1972.

    De af en toe depressieve schrijver is verschillende keren onder psychiatrische behandeling geweest en de registratie van zijn dromen zal daar een uitvloeisel van zijn. De droombeschrijvingen volgen op een periode van ongeveer vijf jaar waarin hij vaak verbleef in een kunstenaarscentrum in de Moulin d’Andé in Dampierre. Die molen en de kunstenaars die er verbleven, zoals Niki de Saint Phalle, duiken veelvuldig op.

    Er liggen opvallende tijdsprongen tussen de dromen. Veertig ervan zijn uit de periode mei 1968 tot december 1970 (ruim 2,5 jaar) en liefst achtentwintig (vaak ook langere) uit de eerste vier maanden van 1971. Er ligt een merkwaardige cesuur na december 1970 als hij ineens drie dromen van slechts een paar regels invoegt van een zeker J.L. (waarschijnlijk zijn vriend Jack Lederer).

    Verwijzingen
    Natuurlijk zijn veel dromen lastig te duiden. Wat ze voor de lezer interessant maakt is dat Perec er stilistisch en qua scherpzinnigheid erg in aanwezig is, hoewel hij zich niet begeeft in interpretaties van zijn nachtelijke beelden. Als geheel spiegelen ze zijn moeite om de tijd in Dampierre achter zich te laten, zijn relaties met zijn vrouw Paulette Petras en zijn vriendin Suzanne Lipinska, eigenaresse van de molen van Andé. Maar er zijn ook linken naar zijn boeken. Zo heeft hij een paar keer een angstdroom dat in zijn La Disparition (de roman zonder de letter E) toch E’s zijn ontdekt. Maar de meest bijzondere droom op dit punt is toch wel nummer 46 uit januari 1971. Het is maar een korte beschrijving, die door Perec zelf deels is gecursiveerd (wat wil zeggen dat hij het een ‘bijzonder opmerkelijk element’ vond). Hij begint met: Concentratiekamp in de sneeuw of Wintersport in het kamp. De notitie wijst duidelijk vooruit naar W of de jeugdherinnering, dat in 1975 zou verschijnen.

    In de dromen herkennen we verder de humor en spitsvondigheid van Perec, zoals in de verwijzingen naar de kruiswoordpuzzels die hij bedacht en in het bijzonder in woordspelingen als in droom 103. Hij goochelt daarin in één zin met de dubbele betekenissen van contenance (‘houding’ en ‘inhoud’) en demi (‘half’ en ‘biertje’). Edu Borger vertaalt de zin met: ‘om me een hele houding te geven neem ik een halve inhoud: een pilsje’. Het origineel is gewoon niet te vertalen, stelt Borger in een noot spijtig vast.

    Perec schreef de dromen, zoals gezegd, sec en zonder duidingen uit. Toch deed hij er meer mee. Aan het slot van het boek voegde hij namelijk onder de titel Bakens en Havens een uitgebreide index toe op trefwoorden. Daarin vinden we de (regelmatig terugkerende) zaken waaraan hij kennelijk betekenis hechtte, van ‘achteruit’ tot ‘baard’, van ‘deksel’ tot het getal ‘drie’ en van de kleur ‘rood’ tot ‘sokken’.

     

  • Poëzie gefascineerd door het zijn, het aanwezig zijn.

    Poëzie gefascineerd door het zijn, het aanwezig zijn.

    Een bundel van een levende dichter op de verplichte leeslijst voor middelbare scholieren? Als je dat leest weet je één ding zeker: dit gaat niet over Nederland. Inderdaad, het betreft Frankrijk en de dichter is inmiddels overleden. Maar in 2005 viel Yves Bonnefoy (1923 – 2016) als eerste levende dichter die eer te beurt met zijn in 2001 verschenen bundel De gebogen planken. Was het voorheen dichter en vertaler Jan Mysjkin die diverse bundels van Bonnefoy voor het Nederlandse taalgebied ontsloot, recentelijk heeft Kiki Coumans het vertaalstokje overgenomen met een integrale vertaling van De gebogen planken (Les planches courbes) als resultaat.

     

    Mysterieuze gedichten
    Het oeuvre van Yves Bonnefoy, die naast poëzie ook essays schreef en o.a. Shakespeare, Keats en Leopardi in het Frans vertaalde, is consistent in zijn vorm, ondergedompeld in hetzelfde geluid en toon alsook in zijn karakteristieke onderwerpen die in een mengeling van gedroomde en werkelijk beleefde werelden gesitueerd zijn. Zijn geliefde en steeds terugkerende motieven als vlammen, wind, rivier, oever, stenen, bomen, boot en schaduw lijft hij in en ijkt ze tot eigen symboliek. In een taal die zich beperkt tot die van essenties in plaats van eigentijdsheid. Maar liefst negen gedichten in deze bundel zijn simpelweg getiteld Een steen. Een taal die eigenzinnig, dromerig en abstract is. Het maakt zijn gedichten mysterieus. Als schilderijen van De Chirico met hun eigen luciditeit van dromen, een eigen logica en losheid van beelden. De poëzie van Bonnefoy lijkt afgesneden van de tijd waarin ze is geschreven en oogt daarmee enigszins tijdloos. De gedichten worden bevolkt door schimmige, vervliegende, verre van concrete figuren of slechts vertolkt door lichaamloze stemmen.


    Vergeten woorden

    Wat ik schrijf zijn veel meer verzamelingen, samenhangende, samengebalde stukken waarvan het afzonderlijke slechts een fragment is’, beweerde hij ooit. De omvangrijke bundel De gebogen planken is dan ook geconstrueerd uit met elkaar samenhangende afdelingen en reeksen waarin thema’s worden uitgewerkt of gevarieerd; een stem haakt aan bij een tegenstem. Er zitten lyrische reeksen tussen, maar naar het einde toe waaiert de bundel uit naar meer meditatieve prozaverzen waarin de dichter met zijn eigen gedachten in gesprek treedt. Eén zo’n prozavers is een aangrijpend sprookje waarin een reusachtige veerman niet overweg kan met de smekende vragen van een klein, bangig jongetje die hij naar de overkant brengt. Samen zijn ze echter te zwaar en de boot met ‘de gebogen planken’ loopt vol water. Maar zinken doet hij niet, ‘het is eerder alsof hij oplost in de nacht.’ De reus gebiedt het jongetje zijn verlangens, ‘alle woorden’ te ‘vergeten’, waarna zij in elkaar lijken op te gaan en zwemmen ‘door de eindeloze ruimten van botsende stromingen, gapende afgronden, sterren.’ Toch herkent men op iedere pagina dezelfde linguïstische en emotionele grondtoon, opgevoerd in dezelfde bezwerende taal, in die eindeloze zoektocht naar de ‘klank (…) waaruit woorden willen ontstaan’ die de ‘wereld weer nieuw zou maken’. Bonnefoys zinnen pendelen vaak tussen aanwezigheid en afwezigheid, een wereld die voorbij is en een wereld die opkomt. Waarin immanentie en transcendentie keerzijden van dezelfde medaille lijken. Tegen de onvermijdelijke eindigheid lijkt het verzet gestaakt en plaats te hebben gemaakt voor gelatenheid.

    ‘Zijn, niet zijn. // En lopen, over dit pad / Of dat andere’. Zijn poëzie breekt een lans voor het levende, het scheppende. Is meer op herboren gericht dan op afsterven. Het scheppende als tegenhanger van de chaos, van de dood. Laatste zin van de bundel luidt: ‘en altijd weer was er die lach’.


    Het hier en nu

    Ofschoon zijn werk zich heeft ontwikkeld, is de toewijding aan het hier en nu gebleven. Fascinatie voor het zijn, het aanwezig zijn. Het zich verbazen over de wereld als verschijning, en daar de woorden op laten aansluiten. De kostbare momenten van zuivere tegenwoordigheid, aanwezig stellen in gedichten. ‘Echt is alleen de trillende hand die / De belofte van een andere hand aanraakt’.
    Zijn zinnelijke voorstelling van werkelijkheid verbindt zich met woorden als reinheid, eenvoud, volheid, onmiddellijkheid. Het gaat in deze poëzie om de onmiddellijke ervaring tussen mens en wereld, en niet om de reflectie daarop. De taal van de dichter moet de ‘tegenwoordigheid’ (présence) zien terug te geven aan de ervaring. Poëzie is voor Bonnefoy de werkelijkheid bevrijden uit de kerkers van het vastgeroeste begrip. De werkelijkheid vanuit een niet vooringenomen wijze, vanuit een niet door begripsmatige taal gecorrumpeerde wijze tegemoet treden. De zuiverheid van vóór het taalbegrip (‘Glimlachend als voor / Het ontstaan van de taal’ ) wordt door Bonnefoy gethematiseerd. ‘In ons overal niets dan nederige leugens / van woorden die niets meer bieden dan dat wat is.’ Maar de taal zelf heeft genoeg potentie. Bonnefoy heeft ‘het woord, dit zesde en meest volmaakte zintuig’ genoemd. In de afdeling, onmineus getiteld In het drogbeeld van de woorden, neemt de dichter het op zich de poëzie te verdedigen:

    ‘Poëzie / Ik kan het niet laten je naam te noemen‘. Poëzie is ‘het uitgeworpen anker’, ‘de wankele stappen in het zand, / Het hout dat gesprokkeld wordt, de vonk / Onder natte takken, en in het rusteloze wachten / Op een aarzelende vlam / Het eerste woord na een lange stilte, / Het eerste vuur dat ontbrandt in een dode wereld.’

    Poëzie met de levenskracht van een Feniks. Voor Bonnefoy was de dichtkunst sinds Auschwitz er eerder noodzakelijker op geworden dan onmogelijk.


    Milde hoofdknik

    Dat deze dichter geen vernieuwer qua vorm is geweest, bewijst ook deze bundel. Toch is zijn poëzie bevreemdend, verrassend en na een tijdje zelfs, merkwaardigerwijs, vertrouwd. Kiki Coumans heeft met haar consciëntieuze en aanvoelende vertaling van deze schitterende bundel de Nederlandse poëzieliefhebber een grote dienst bewezen. Het is poëzie die meer naar herkennen dan begrijpen staat. Al is het natuurlijk de vraag of er voor de hedendaagse, Franse middelbare scholier veel te herkennen valt in Bonnefoys universum, gespeend van ringtonen en twittertaal. Het vanzelfsprekende wordt buiten de deur gehouden, maar af en toe duikt er een enkel groot woord op: ‘De schoonheid zelf op haar geboorteplaats / Wanneer ze alleen nog waarheid is.’ Maar de duiding die ermee beoogd is, is meer die van de milde hoofdknik dan van de priemende vinger. Bovenal is deze Franse dichtersreus thuis in serene eenvoud:

    Onze handen vol of leeg,
    Dezelfde overvloed.
    Onze ogen open of dicht,
    Hetzelfde licht.

     

     

  • Een huis is te groot om door de deur te passen

    Een huis is te groot om door de deur te passen

    Het zijn prima tijden voor liefhebbers van Franse poëzie die op Nederlandse vertalingen moeten vertrouwen. Bij kleinere uitgeverijen als De Wilde Tomaat, Poëziecentrum en Studio 3005 verschenen de afgelopen jaren vertalingen van canonieke dichters als Paul Verlaine, minder bekende maar hedendaagse groten als Yves Bonnefoy, en vrijwel onbekende dichters als Linda Maria Baros. Bij Studio 3005 verscheen een tijdje geleden de bundel Opmerkingen (Remarques, 1997) van Nathalie Quintane, (1964) in vertaling van Kiki Coumans.

    Opmerkingen wordt bijna geheel zonder bijkomende informatie gepresenteerd: geen voor- of nawoord, zelfs geen flaptekst; alleen op de site van de uitgeverij staat een stukje over de bundel. Enerzijds frustreert dat, zeker als je gewend bent aan vertalingen met voor- en nawoord en aantekeningen (al dan niet per gedicht), maar anderzijds is die contextarme presentatie van Opmerkingen logisch. Er staat bijvoorbeeld niet achterop de bundel dat hier gedichten in staan en dat is begrijpelijk, want staan hier eigenlijk gedichten in?

    De teksten in Opmerkingen zijn in proza opgestelde observaties, ingedeeld in drie categorieën/afdelingen: over autorijden, het huis en het lichaam. De observaties variëren van enigszins naïef tot bijna neurotisch, en zijn of herkenbaar, of werpen een nieuw blik op een bekend fenomeen (het zal per lezer per tekst verschillen hoe hij/zij die ervaart). Sommige teksten zijn puur observaties (‘Er is een insect met een klein plokje tegen de voorruit te pletter gevlogen’); andere zijn (welhaast filosofische) overdenkingen: ‘Een ingestort huis is hetzelfde huis in een andere ordening.’ Quintane heeft oog voor details die niet iedereen opvallen, maar haar blik maakt enthousiast. Ze schrijft bijvoorbeeld: ‘Hoe harder de nagel die ik afknip, hoe verder hij wegspringt bij het laatste knipje.’ Zo’n passage roept toch gewoon op om zelf wat onderzoek te doen op het moment dat de nagels weer te lang zijn? (Uw recensent kan in elk geval niet wachten tot het weer zover is.)

    Quintanes werk doet overigens opvallend Nederlands aan. Je kunt iemand prima wijsmaken dat deze teksten uit een paar jaargangen Barbarber komen, en Quintane een Nederlandse dichter is die tegelijkertijd met de Zestigers debuteerde. De verwondering over het alledaagse die uit sommige teksten spreekt vertoont in elk geval opvallende overeenkomsten met die van pakweg K. Schippers of de vroege Bernlef. De baldadigheid van hen ontbreekt echter bij haar, of de neiging tot readymades (‘Greetje Reitsma uit de Schaepmanstraat 16 werd haar rode autoped met witte spatborden afgenomen. Ze wil hem graag terug.’ viel in een van de nummers van Barbarber te lezen). Quintane observeert, denkt na, stelt vragen, is zeker niet humorloos, maar is niet bezig met iets dat niet literair aandoet wel als literair te presenteren.

    Maar ergens knaagt Opmerkingen. De observaties en overdenkingen blijven precies dat: observaties en overdenkingen. Je kunt ze gedichten noemen, maar daar valt best wat op af te dingen. Aan de prozavorm ligt het niet, want er bestaat nog altijd zoiets als het prozagedicht. De schoen wringt op een andere manier: zou je dit ‘inhoudelijk’ poëzie kunnen noemen? Als je als criterium neemt dat de teksten na moeten galmen: dat doen ze geregeld. Als je bijzonder taalgebruik, rijm of metaforiek bijvoorbeeld, als criterium neemt schrijft Quintane echter geen gedichten. Rijm en/of metaforiek als voorwaarde stellen is uiteraard een conservatieve opvatting van poëzie, maar qua taalgebruik valt er niet veel aan te beleven. De teksten zijn gespeend van elke vorm van opsmuk, en dat is tot op zekere hoogte verfrissend, maar ook wel heel kaal. Quintane gaat vrijwel geheel vergelijkingsloos te werk, en woorden die opvallen door bijvoorbeeld een dubbele lading of opvallende connotatie, ontbreken.

    Opmerkingen is in elk geval een interessant, fris boek. Coumans vertaling is bovendien volkomen natuurlijk aandoende vertaling (geen Nederlands-vreemde zinsbouw bijvoorbeeld, een verschijnsel dat je nogal eens in vertaalde poëzie aantreft), en met de afwezigheid van begeleidende informatie valt best te leven. Toch blijft het jammer dat het taalgebruik niet wat spetterender of opvallender is.

     

     

     

     

  • Op de tast naar liefde

    Op de tast naar liefde

    ‘Op een dag stond een man van gemiddelde lengte op een perron met een heel zware tas in zijn hand. Die man was ik, maar het was niet mijn tas. Die was van een vrouw. En de tas was zwaar omdat er boeken in zaten.’ Zo ontwapenend simpel zet In de trein van de Franse schrijver Christian Oster (1949) in. De twee staan op het perron van Saint Lazare in Parijs te wachten op een trein. Zij met haar zware boekentas op weg naar haar zus, hij naar een verzonnen kennis die als alibi moet dienen. Hij had besloten ‘zich een beetje voor haar te interesseren (…) Bovendien zag ze er leuk uit, in ieder geval best leuk, voor mij dan, ik wil niet beweren dat iedere man iets in haar zou zien, die ambitie heb ik niet. Maar voor mij, ja voor mij kon dit meisje eventueel geschikt zijn.’ Bij het uitstappen besluit hij haar dan ook te volgen en boekt een kamer in het hotel dat hij haar ziet binnengaan. Daarna verliest hij haar even uit het oog, maar vindt haar terug door systematisch alle kamerdeuren uit te proberen. Eenmaal weer in haar gezelschap, moet hij lijdzaam toezien hoe zij zich lijkt te willen geven aan een literaire schrijver. Maar als dat voor haar teleurstellend afloopt, keren zijn kansen. De vertelling is schriel, maar omdat het zich allemaal niet zo vlot ontvouwt kan het uitgroeien tot het formaat van een kleine roman. De namen van de twee, Frank en Anne, krijgen we haast indirect mee, want er wordt bepaald niet scheutig gedaan met stoffering en aankleding van dit verhaal. Het laat meer ruimte aan overwegingen dan aan situatiebeschrijvingen. Maar ondanks of dankzij dat ontspint zich een duidelijk verhaal dat zich traag voortsleept en naar de afloop waarvan je als lezer toch nieuwsgierig bent: blijken ze nu wel of niet voor elkaar bestemd?

    Het boek kenmerkt zich door een perfecte eenheid van stijl en wie zich daardoor laat meeslepen beleeft een even groot leesavontuur als bij een super spannend boek. De stijl is aftastend en schraagt het verhaal. De zinnen zijn wisselend van lengte, maar eenvoudig te volgen en komen voor rekening van de ik-figuur, die zich een even scherpzinnig als subtiel observator betoont. Hij overweegt wat is gezegd en wat onuitgesproken blijft; wikt en weegt zijn handelingen en berekent daarvan de consequenties door. Hier en daar leidt dat tot loepzuivere logica: ’Maar al gauw merkte ik dat het helemaal niet zo makkelijk is je in een kamer te installeren als je geen bagage bij je hebt.’ Of: ‘Een stilte met z’n drieën is zwaarder dan een stilte met z’n tweeën, dat is een kwestie van wiskunde, tenzij je in een wachtkamer zit.’ De zinnen hebben het ritme van iemand die in zichzelf praat. Dichter op de huid van een personage kun je niet raken. Het is geen boek van een man die een vrouw wil scoren. Daarvoor is de hoofdpersoon te zeer een anti-held. De uitkomst van zijn veroveringstocht – als je zijn strategieloze onhandigheid zo mag noemen – blijft lang ongewis en de lezer krijgt met hem te doen. ‘Ik wilde je iets vragen, zei ze. Het enige waar ik bang voor was, was dat ze zou vragen om elkaar niet meer te zien. Al het andere kon ik aan. Ze mocht losbranden.’ Wanneer ze halverwege even uit zicht raakt en weer opduikt, taxeert de ik-figuur de situatie: ‘Ik vroeg me af of we vooruitgang hadden geboekt. Ik dacht van wel. Want tot ziens zeggen betekent nog niet dat je elkaar gaat terugzien, dat niet. Maar je went eraan. Aan het wachten op elkaar, in zekere zin. Aan het elkaar niet geheel verlaten. Zo, dacht ik. We beginnen elkaar al niet helemaal te verlaten, wij twee.’ Of die twee elkaar nu wel of niet gaan krijgen, daar gaat het niet echt om. Althans, dit boek straalt uit dat het daar niet om draait. Dat je het als lezer desalniettemin graag wilt weten, valt het boek in positieve zin aan te rekenen. Wanneer ze inderdaad samen de nacht dreigen door te brengen, staat er: ‘Het is geen slecht begin, bij iemand willen slapen. Het is misschien een begin. Of een einde. Misschien begint ze met mij bij het einde. Is dat bemoedigend voor het vervolg, vroeg ik mij af.’ Oster heeft zijn vinger weten te leggen op de gevoelige materie van de schuchtere toenaderingspoging, het verkennen van de ander als liefdespartner.

    Christian Oster is als auteur in Frankrijk geen onbekende en zijn onderkoelde, niet van droge humor gespeende stijl kan rekenen op een vaste schare bewonderaars. De meeste boeken van Oster zijn uitgegeven bij uitgeverij Minuit, oorspronkelijk een verzetsuitgeverij die naderhand de auteurs van de Nouveau Roman ging uitgeven: Duras, Robbe-Grillet, Sarraute en Butor. Het experimentelere werk dus, waarin de klassieke verhaalstructuur overboord werd gezet, de vertrouwde gedragspatronen gesaboteerd. Niet de verteller legde zijn wereldbeeld op aan het boek, maar de literaire vorm zelf werd onderzoeksinstrument voor de relatie tussen personage en zijn omgeving. De tastende stijl was de weerslag van diens zoektocht naar enig houvast. Hoewel de Nouveau Romanciers onderling in stijl verschilden, kenmerkten hun boeken zich door de consequentheid waarmee een eenmaal gekozen uitgangspunt werd uitgewerkt. In dat opzicht is het niet vreemd dat In de trein in 2002 bij Minuit verscheen. De speelsheid ervan doet ook denken aan het vroege werk van de eveneens bij Minuit ondergebrachte Jean-Philippe Toussaint. Zo subtiel kan experimenteel dus zijn in Franse handen, kan men al lezend denken. Deze stijl nodigt dan ook zeer uit om mee te leven met de ik-figuur. Want deze hoofdpersoon krijgt dermate weinig eigenschappen toegedicht dat iedereen zich ermee kan identificeren. Niettemin is het een verhaal dat volstrekt niet te verfilmen is dankzij zijn stijl. Is dat niet het beste compliment dat je een boek kunt geven?

     

    In de trein

    Auteur: Christian Oster
    Vertaald door: Kiki Coumans
    Verschenen bij: Studio 3005
    Aantal pagina’s: 112
    Prijs: €20,-