• Poetry is gevoel

    Poetry is gevoel

    In treffende bewoordingen een onderwerp vormgeven in de verbeelding van de toehoorder. Maar ook jezelf confronteren met je gevoelens. Zo ervaar ìk poetry. Het is niet makkelijk en daarom heb ik ontzettend veel respect voor de grootheden Michaël Slory, Dobru, Johanna Schouten-Elsenhout, Trefossa en S. Sombra. Met hun dichtwerk hebben zij de poëziewereld van Suriname verrijkt.

    Begin april stond Dobru centraal bij de R. Dobru Raveles Stichting, die een hele week activiteiten organiseerde om de grote dichter/schrijver te eren. Op 29 maart zou hij negentig jaar zijn geworden. In diezelfde week vond de Poëzieweek Suriname 2025 plaats, georganiseerd door stichting Skrifi en Poetry International en mogelijk gemaakt door de Nederlandse ambassade in Suriname en Literatuur Vlaanderen (België). Een week lang verdiepten de deelnemers zich in poetry, begeleid door letterkundige Hilde Neus en workshopleiders Jeffrey Quartier, Melanin Kris en Zulile Blinker.

    Neus benadrukte het belang van onderzoek en het lezen van werken van andere dichters, vooral Surinaamse. Jeffrey moedigde dichten in het Sranan aan. Melanin adviseerde om ook media te gebruiken om poëzie te delen, zoals shirts met poëzieteksten en voordrachtfilmpjes. Zulile legde uit hoe belangrijk lichaamshouding is bij een performance: “Zet je lichaam in!”

    De deelnemers scherpten niet alleen hun dichttalent aan, maar dachten ook na over hun ambities en toekomstplannen met Joran Koster van Poetry International. Aan het einde van de week mochten ze optreden tijdens de Dobru Neti. Het was weer een mooi voorbeeld van wat we samen kunnen bereiken als we de krachten bundelen.

    Wat ik vooral heb meegekregen, is dat poetry niet alleen draait om woorden op papier zetten of tegenwoordig in je telefoon typen, maar ook om hoe je die woorden overbrengt. Je stemvolume, klanken en stiltes zijn essentieel en moeten bewust worden ingezet. Elk detail telt. Maar bovenal: je moet jezelf kwetsbaar durven opstellen. Maar ik besef dat dat makkelijker is gezegd dan gedaan.

    Er moet meer gebeuren met de dichtkunst: meer optredens, meer poëzie in programma’s, meer mogelijkheden om talenten te ontwikkelen en vooral meer kansen om Suriname internationaal te vertegenwoordigen. Als samenleving moeten we op zoek naar manieren om dichtwerk meer erkenning te geven.

    Dichters moeten durven dromen. Durven hun werk groter te maken, zowel qua inhoud als qua lengte. Hun optreden mag langer, hun interactie met het publiek sterker. En ze moeten de stap durven zetten om hun werk als bundel uit te geven, desnoods in eigen beheer. Veel grote dichters zijn zo begonnen: eerst zelf publiceren, voordat een uitgever hen oppikte. Dichten en dromen zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden.

    Daarom ben ik blij dat er mensen en organisaties zijn zoals R. Dobru Raveles Stichting, Henri Frans de Ziel Stichting Trefossa, Schrijversgroep ’77 en Zulile Blinker met haar spoken word-collectief Kokolampu. Zij houden de nalatenschap van de grote dichters levend en bieden nieuwe generaties een podium om hun werk te presenteren.

    Ik sluit af met een gedicht dat ik heb geschreven, geïnspireerd door deze bijzondere week:

    ‘Als ik aan je denk

    Denk ik aan de kalmte waarmee de zon ondergaat

    en ruimte maakt voor de maan.

    De stilte waarin de sterren hun plaats innemen,

    de rust waarmee de avond het heelal omarmt.

    Jij bent de aanraking die mij tot stilte wiegt.’

     

     

    Deze column verscheen eerder in de Surinaamse krant De Ware Tijd.


    Kevin Headley (1983), woonachtig in Paramaribo is een Surinaamse documentairemaker, journalist en schrijver. Hij schrijft voor OneWorld, de Surinaamse krant De ware tijd, schreef blogs voor Tirade.nu en publiceert verhalen op Papieren Heldenen in de papieren versie van Tirade.

  • Verbinding

    Verbinding

    Eén van mijn favoriete boeken uit mijn jeugd is Kamla en de vergulde man van Gerrit Barron. Ik heb het meerdere keren gelezen en duik er nog steeds af en toe in. Het verhaal volgt Kamla, die op zoek gaat naar verschillende elementen om zo de inheemse koning van het oude, onzichtbare Suriname te kunnen zien. Naast de inheemse cultuur verweeft het boek elementen uit de Surinaamse folklore, zoals bakru en leba. Aan spanning en avontuur ontbreekt het niet.
    Toen ik het boek voor het eerst las, voelde ik me direct verbonden met Kamla’s zoektocht. Een tiener die steeds meer ontdekt over de oude tradities en verborgen kennis binnen de familie. Ik voelde verrassing, maar ook trots.
    ‘De inheemsen weten hoe ze met hun omgeving moeten communiceren en hoe ze er op een respectvolle manier mee omgaan.’

    Zelf heb ik inheems bloed; mijn voorouders komen uit Commewijne. Ik ken een paar inheemse woorden en ben de afgelopen jaren, door eigen onderzoek, steeds meer te weten gekomen over mijn culturele achtergrond. Zo ontdekte ik de betekenis achter bepaalde tradities, zoals de mierenproef.

    Kapitein Ricardo Pané van Galibi vertelde me eens dat deze proef – waarbij het uithoudingsvermogen van jongeren wordt getest door bijtende mieren op hun huid te verdragen – meer is dan een pijnlijke beproeving. Het is een rite de passage, een symbool voor moed en volwassenwording. Er is nog zoveel te leren en wanneer ik de kans krijg verdiep ik me er verder in.

    Toch doet het pijn te zien hoeveel tradities verwateren en hoeveel kennis dreigt te verdwijnen. Inheemse jongeren tonen steeds minder interesse in hun eigen cultuur. Pané benadrukte in ons gesprek dat ouderen een grotere inspanning moeten leveren om kennis over te dragen: ‘Wanneer jongeren jong zijn, willen ze deze zaken niet leren, maar wanneer ze ouder worden, hebben ze daar spijt van. Daarom moeten wij harder werken om kennis vast te leggen en over te dragen zodat die niet verloren gaat’.

    Wat me vooral raakt van de inheemse cultuur, is de diepe verbondenheid met de natuur. De inheemsen weten hoe ze met hun omgeving moeten communiceren en hoe ze er op een respectvolle manier mee omgaan; een waardevolle levenswijze, zeker nu klimaatverandering dwingt tot herbezinning over onze relatie met de natuur. Maar de positie van de inheemse gemeenschappen in Suriname is allesbehalve rooskleurig. In veel gebieden waar zij wonen, vooral in het binnenland, ontbreekt het aan goed onderwijs en degelijke gezondheidszorg. Ondanks deze achterstelling blijven de gemeenschappen vechten voor verbetering. Zo neemt Matta het heft in eigen hand door zelf voorzieningen, zoals openbaar vervoer en schoon drinkwater, te regelen.

    Een cruciaal onderdeel van hun strijd is de erkenning van grondenrechten, een kwestie waarvoor zij, samen met de tribale volken, al decennialang vechten. Geen gemakkelijke strijd; een strijd die zelfs levens heeft gekost, maar wel een noodzakelijke strijd. Immers, grondenrechten zijn onlosmakelijk verbonden met hun identiteit: zij maken deel uit van de omgeving waar ze wonen.

    Ik hoop dat deze kwestie nog in deze regeringsperiode wordt behandeld. De erkenning ervan zou niet alleen een overwinning zijn voor de inheemse gemeenschappen, maar voor heel Suriname. Een land dat zijn oorspronkelijke bewoners respecteert, waardeert en bouwt aan een rechtvaardigere toekomst voor iedereen.

     

    Deze column verscheen eerder in de Surinaamse krant De Ware Tijd.


    Kevin Headley (1983), woonachtig in Paramaribo is een Surinaamse documentairemaker, journalist en schrijver. Hij schrijft voor OneWorld, de Surinaamse krant De ware tijd, schreef blogs voor Tirade.nu en publiceert verhalen op Papieren Helden.

     

     

  • Het verleden dichtbij

    Het verleden dichtbij

    ​​Eén van de beste verhalenvertellers die ik heb gekend, was mijn grootmoeder Gerda Headley-De Wit. Als kind kon ik uren luisteren naar de verhalen die ze vertelde: over haar jeugd, over hoe ze mijn opa ontmoette en over haar kinderen, mijn ooms, tantes en vader. Ik stelde veel vragen en ze beantwoordde die zonder enige verveling. Soms zat mijn grootvader, Stanley Headley, erbij en wanneer mijn grootmoeder iets vertelde, voegde hij een anekdote toe.

    Ze hield ervan om als tiener naar de bioscoop te gaan. Wanneer de gelegenheid zich voordeed, ging ze naar Bellevue, Star of Luxor. Zowel naar matinees als avondvoorstellingen. Ze heeft veel films gezien, zoals ‘Gone with the Wind’. Ik denk dat ik mijn liefde voor film van haar heb meegekregen.

    Ze las ook veel en vertelde me dat ze de hele collectie van het CCS (Cultureel Centrum Suriname) in die tijd had gelezen. Al deze plekken bezocht ze te voet, want in die tijd waren vervoersmiddelen, zoals ezelskarren en fietsen, weggelegd voor de welgestelden. Veel plekken die mijn grootmoeder bezocht, bestaan niet meer of zijn in vervallen staat. Toch moet ik, wanneer ik langs deze locaties en plekken kom, aan haar verhalen denken.

    De afgelopen jaren ben ik veel bezig geweest met onderzoek naar het verleden van Suriname en hoe dit interessant kan worden gepresenteerd aan de samenleving, vooral aan jongeren. Het verleden bestaat namelijk niet alleen uit jaartallen en feiten, maar ook uit mensen die hebben geleefd en gevoeld. En je moet die verhalen goed kunnen vertellen.

    Zo vertelde mijn oma mij over haar leven als getrouwde vrouw en moeder van acht kinderen, wonend te Jacobusrust waar nu het Venezolaans Centrum staat. Ze vertelde hoe mijn ooms van jongs af aan werden gestimuleerd om een sport te doen en op deze manier hun tijd nuttig te besteden. Ze waren vaak te vinden bij het nabij gelegen zwembad Parima. Op een gegeven moment werden ze zelfs bekend als één van de sportfamilies van Suriname. Mijn grootmoeder vertelde hoe ze bij zwemwedstrijden op de tribune zat te juichen wanneer een van mijn ooms meedeed. Ze hadden het niet breed, maar mijn grootmoeder probeerde met wat ze had vooral tijd met hen door te brengen.

    Op school moest ik voor geschiedenis vooral jaartallen en feiten uit mijn hoofd leren. Soms moest ik uitleggen wat tot bepaalde ontwikkelingen had geleid. Pas op latere leeftijd leg je verbanden en ga je op zoek naar de persoonlijke verhalen van de mensen die verantwoordelijk waren voor sommige van deze ontwikkelingen. Hoe waren deze mensen, zoals Sophie Redmond, Jagernath Lachmon en Henck Arron? Los van hun acties: hoe waren ze als persoon?, hoe leefden ze?, wat vonden ze interessant?, wat hield hen bezig? Hierdoor breng je het verleden dichter bij de samenleving.

    Wanneer ik met deze onderwerpen bezig ben, denk ik ook aan hoe mijn grootmoeder het verleden, haar verleden dichtbij bracht door haar verhalen. Tijdens mijn werk voel ik me dan weer even met haar verbonden.



    Deze column verscheen eerder in de Surinaamse krant De ware tijd.


    Kevin Headley (1983), woonachtig in Paramaribo is een Surinaamse documentairemaker, journalist en schrijver. Hij schrijft voor OneWorld, de Surinaamse krant De ware tijd, schreef blogs voor Tirade.nu en publiceert verhalen op Papieren Helden.

  • Kunst en literatuur in Suriname

    Kunst en literatuur in Suriname

    Op 14 januari werd aan Cynthia Mc Leod een belangrijke Surinaamse Cultuurprijs, vernoemd naar de Surinaamse dichter Trefossa, uitgereikt. Kevin Headley schreef erover voor de Surinaamse krant De Ware Tijd.


     

    De Henri Frans de Ziel (Trefossa) Cultuurprijs 2025 is dinsdag uitgereikt aan de gerenommeerde schrijfster en cultuur ambassadrice Cynthia Mc Leod. Naar mijn mening geheel verdiend. Tante Cynthia, zoals ik haar ook respectvol noem, heeft door haar boeken, maar ook door haar onderzoek en presentaties, Suriname steeds waardig gepresenteerd. Daarbij blijft ze kritisch. Ze is nog steeds een bron van inspiratie voor velen, ook voor mij.

    De samenleving van Suriname is in ontwikkeling en moet geprikkeld worden met diverse bronnen om kritischer te worden. Kunst en literatuur zijn daarbij belangrijke onderdelen. Veel mensen in Suriname weten nog te weinig over hoe je naar films of beeldende kunst kunt kijken, hoe je literatuur kunt interpreteren en hoe je zowel kunst als literatuur kunt inzetten om vraagstukken van de samenleving zichtbaar te maken en te bespreken. Het is vrij makkelijk om dit op het bord van het ministerie van Onderwijs, Wetenschap en Cultuur te leggen, terwijl wij als samenleving er zelf ook wat aan kunnen doen.

    Het stimuleren van kunst en literatuur kan al vroeg beginnen. Samen tekenen en kleuren met onze kinderen, met hen naar goede en educatieve films kijken, boeken lezen en daarna met hen praten over wat ze hebben gezien of gelezen, zijn simpele acties die kinderen en jongeren kunnen prikkelen om zelf op zoek te gaan naar kunst en literatuur. Denk bijvoorbeeld aan het voorlezen van klassiekers zoals ‘Hoe duur was de suiker’ van Cynthia Mc Leod of verhalen van Edgar Cairo. Deze verhalen kunnen niet alleen een inkijkje geven in onze geschiedenis en cultuur, maar ook een basis leggen voor kritisch denken en waardering voor het geschreven woord.

    Naar de mensen toegaan met kunst en literatuur is meer dan ooit een must. Velen focussen zich nu vooral op overleven door de economische crisis en hebben nauwelijks ruimte voor culturele uitstapjes die juist belangrijk zijn voor de mentale gesteldheid. In het verleden heeft zowel Readytex Art Gallery als Villa Zapakara kunstprojecten uitgevoerd waarbij zij scholen bezochten. Gedurende deze projecten kregen jongeren de kans om kunst te ervaren en samen te werken met kunstenaars, wat resulteerde in de creatie van diverse kunstwerken. Ook projecten zoals het Jongeren Boekenweek Festival hebben de doelgroep in aanraking gebracht met Surinaamse schrijvers, waardoor literatuur tastbaarder en relevanter werd.

    Kunst en literatuur zijn altijd belangrijke onderdelen geweest in mijn leven. Als kind volgde ik tekenlessen op de Nola Hatterman Art Academy. Daarnaast heb ik veel geleerd door gesprekken met schrijvers en kunstenaars zoals George Struikelblok, Marcel Pinas, en Sri Irodikromo. Mijn waardering voor literatuur is gegroeid door ontmoetingen met schrijvers zoals tante Cynthia, maar ook Chris Polanen en Robby Parabirsing, beter bekend als Rappa. Ook gesprekken met filmmaker Pim de la Parra hebben mijn appreciatie voor filmkunst verhoogd.

     

     

    Deze column verscheen eerder in de Surinaamse krant De Ware Tijd.


    Kevin Headley (1983), woonachtig in Paramaribo, is een Surinaamse documentairemaker, journalist en schrijver. Hij schrijft voor OneWorld, schreef blogs voor Tirade.nu en publiceert verhalen op Papieren Helden.

     

     

  • Papa de Kom

    Papa de Kom

    Wij slaven van Suriname (1934), het baanbrekende boek van Anton de Kom, was het eerste werk dat de geschiedenis van Suriname vertelde vanuit het perspectief van de tot slaaf gemaakten en de onderdrukten. Dit maakt De Kom een pionier in de dekoloniale geschiedschrijving. Zijn nalatenschap leeft voort in de strijd voor sociale rechtvaardigheid, onderwijs en emancipatie. Zijn naam is verbonden aan instituten, zoals de Anton de Kom Universiteit van Suriname en zijn gedachtegoed blijft relevant in discussies over koloniale erfenissen en identiteit.

    Deze week vonden in Suriname en Nederland diverse activiteiten plaats die verband hielden met Anton de Kom. In Suriname werd dinsdag 18 februari de lezing ‘Wil de echte wereldburger opstaan?’ georganiseerd door de Anton de Kom-leerstoel en de Adekus. Inleider en leerstoelhouder Guno Jones verklaarde dat Anton de Kom zich verzette tegen onderdrukking en uitbuiting. ‘De Kom was een organische activist die de noden van arbeiders uit verschillende etnische groepen in kaart bracht. Na zijn uitzetting voltooide hij zijn manuscript.’
    Donderdag bood de Gemeente Amsterdam een speciale heruitgave van Wij slaven van Suriname aan de stad Amsterdam aan, ter gelegenheid van het tachtigjarige jubileum van de bevrijding van Nederland van de nazi’s. Vanaf 22 februari, de geboortedag van De Kom, is deze editie gratis verkrijgbaar bij de Openbare Bibliotheek Amsterdam (OBA). Exemplaren worden ook naar Suriname gestuurd.

    Het is duidelijk dat De Kom zich inzette voor alle Surinamers. Bij zijn huis in Paramaribo, in de straat die naar hem is vernoemd, nam hij plaats op een stoel en tafel en deed iets dat nauwelijks werd gedaan in die tijd: hij luisterde naar de noden van de arbeiders en schreef die op. Arbeiders van verschillende bevolkingsgroepen, hij maakte geen onderscheid. Zij noemden hem uit respect ‘Papa de Kom’.

    Voor zijn open oor en kritische blik op de overheersers werd hij opgepakt en in de gevangenis gezet. Op dinsdag 7 februari 1933 volgde er een protest voor de vrijlating van De Kom. De politie kreeg het bevel om het vuur te openen op de demonstranten. Er vielen twee doden en 22 gewonden. De dag staat in geschiedenisboeken bekend als ‘Zwarte Dinsdag’.

    Zijn boek kwam ik jaren geleden tegen toen ik informatie zocht over de vrijheidsstrijder Boni. Ik werd aangenaam verrast, want naast de informatie was ik ook onder de indruk van de schrijfstijl van De Kom. Wij slaven van Suriname is geschreven in ouderwets Nederlands, maar nog steeds goed te begrijpen.

    De Kom was sarcastisch over verschillende aspecten van het verleden van Suriname, zoals de manier waarop de overheersers naar de Surinaamse samenleving keken. Wat het boek destijds echter duidelijk maakte, is dat ik – en wij – van veel niet afweten over ons eigen verleden. Veel zaken zijn onbekend en nog verborgen, niet alleen over het slavernijverleden.

    Iemand tot een held maken is subjectief. Je bepaalt namelijk op basis van je eigen inzichten of je iemand als een held beschouwt. Ik vind De Kom een held, omdat hij het lef had om tegen de stroom in te gaan, informatie te onderzoeken, vast te leggen en te delen, met het besef dat dit ooit van belang zou zijn. De Kom moedigde mensen aan om op te komen voor hun rechten en achter hun principes te staan.

    ‘Is het gedachtegoed van De Kom goed doorgedrongen in de Surinaamse samenleving?’ vroeg onderminister en historicus Maurits Hassankhan aan de zaal aan het einde van de lezing van Jones. Een vraag die ik ook meegeef aan de lezers.

     

     

    Notie: Deze column verscheen eerder in de Surinaamse krant De ware tijd.


    Kevin Headley (1983), woonachtig in Paramaribo, is een Surinaamse documentairemaker, journalist en schrijver. Hij schrijft voor OneWorld, schreef blogs voor Tirade.nu en publiceert verhalen op Papieren Helden.

  • Surinaamse verhalen toegankelijker maken voor Nederlandse lezers

    Surinaamse verhalen toegankelijker maken voor Nederlandse lezers

    Velen kunnen door de Surinaamse literatuur kennis maken met Suriname, zijn inwoners, hun culturen en gebruiken. Voor personen van Surinaamse komaf en anderen die een binding hebben met het land, is het herkenning. En verscholen aspecten kunnen ontdekt worden. De Surinaamse identiteit wordt door de lokale literatuur namelijk gedeeld met de buitenwereld.

    In Nederland zijn enkele Surinaamse schrijvers bekend, zoals Michael Slory, Astrid H. Roemer en Cynthia McLeod, maar een groot aantal Surinaamse schrijvers zijn onbekend. Dat heeft onder meer te maken met de kwaliteit van het werk als originaliteit, structuur, ideeën en ook de taalhantering. Maar ook de gestelde taaleisen in Nederland, zoals het algemeen beschaafd Nederlands (ABN) en de Surinaamse zinsconstructies zijn uitdagingen. Dat kan de reden zijn dat Nederlandse uitgevers geen potentie zien in Surinaamse auteurs. Toch verdienen Surinaamse verhalen het om over hun eigen landsgrenzen gebracht te worden om zodoende deel uit te maken van de totale wereldliteratuur. Er zijn een aantal schrijvers die buiten Suriname uitgegeven zouden moeten worden. Zij worden genoemd in het boek Jaguarman van Raoul de Jong en in Dat wij zongen, samengesteld door De Jong, Julien Ignacio en Michiel van Kempen. Aangezien Suriname en Nederland een gedeeld verleden hebben en een gezamenlijke toekomst tegemoet gaan – als we kijken naar historische en culturele banden, gedeelde taal en het grote aantal verdeelde families over beide landen – is het belangrijk dat de Surinaamse literatuur overzee een plek krijgt. En er zijn meer verhalen in de Surinaamse literatuur te ontdekken dan enkel die over het slavernijverleden.

    De ontwikkeling van Surinaamse verhalen

    In Suriname werden tijdens het overgrote deel van de koloniale periode (1667-1975) verhalen en informatie onder de tot slaafgemaakten mondeling overgebracht, want slaven was het verboden te leren lezen en schrijven. Volgens onderzoek van de Surinaams taaldeskundige en surinamist Hein Eersel (1922-2022) werd in 1876 de algemene leerplicht ingesteld en werd het Nederlands als schooltaal ingevoerd. Andere talen werden uitgesloten van het onderwijs, wat inhield dat leerlingen hun moedertaal niet op school mochten spreken en de ouders min of meer gedwongen werden hun kinderen Nederlands te laten spreken. Deze maatregel heeft de tweetaligheid onder de bevolking sterk doen toenemen. Thuis, bij onder meer de nazaten van tot slaafgemaakten en de immigranten, werd het Sranantongo en de andere betreffende moedertalen gesproken. Dit zorgde ervoor dat er op de Nederlandse taal een variëteit ontstond, die verschilt op het vlak van uitspraak, woordenschat en grammatica van het Europese Nederlands. 

    In de afgelopen vijftig jaar werden boeken, geschreven in het Surinaams-Nederlands, steeds meer uitgegeven in Nederland. Zoals Sarnami, hai van Bea Vianen, uitgebracht in 1969 door Querido en Hoe duur was de suiker? van Cynthia McLeod, uitgebracht in 1995 door uitgeverij Conserve. Het opmerkelijke van Vianen is dat zij de eerste Surinaamse schrijfster is geweest wier debuutroman in Nederland is uitgegeven.

    De verhalen van deze schrijvers en anderen, hebben de Surinaamse literatuur gekleurd en behoren tot  de literaire canon van Suriname, mocht die er ooit komen. Volgens neerlandicus Hilde Neus worden er wel pogingen ondernomen om tot een Surinaamse canonlijst te komen, maar is er een probleem met het vaststellen van de criteria. Het leespubliek in Suriname is namelijk anders en Neus denkt dat de selectiecriteria meer in samenhang moet zijn met de structuur van de Surinaamse samenleving, op historisch, cultureel en ontwikkelingsniveau. Neerlandicus Jerry Dewnarain heeft enkele vragen geformuleerd, zoals aan welke eisen moet een boek voldoen om tot de Surinaamse canon gerekend te kunnen worden. Dewnarain deed dit voor zijn afstudeerthesis van de masters Nederlandse taal en cultuur waarvan hij de literatuurpoot heeft afgerond.

    Opvallend is dat Surinaamse literatuur de afgelopen jaren volop in de belangstelling staat in Nederland. Schrijvers met Surinaamse afkomst krijgen enorm veel aandacht. Raoul de Jong heeft dit jaar het Boekenweekessay geschreven. Met de toekenning van de Prijs der Nederlandse Letteren in maart 2021 werd Astrid H. Roemer de eerste Surinaamse auteur die voor haar gehele oeuvre werd bekroond met deze prestigieuze literaire prijs. Bijdragen zoals de Ibisprijs van de Taalunie, opgezet in 2022, motiveren Surinaamse schrijvers ook om hun gedachtegoed neer te pennen en krijgen daardoor de aandacht van een groter publiek.  Deze ontwikkelingen zorgen voor positieve aandacht voor het land en voor motivatie waar de Surinaamse schrijvers verder op kunnen voortborduren.

    Authenticiteit behouden

    De Surinaamse literatuur is zeker aan verdieping toe. Verhalen zijn voor verbetering vatbaar qua vertelstructuur en zinsformulering, maar er moet voor gewaakt worden dat de authenticiteit van de Surinaamse verhalen niet verloren gaat. Dat is makkelijker gezegd dan gedaan. Het Surinaams-Nederlands heeft namelijk bepaalde woorden en uitdrukkingen die andere betekenissen kennen of gewoon een andere context dan in  Nederland en dat wordt in veel gevallen als ‘fout’ gezien. Bijvoorbeeld het woord ‘tof’ betekent in Nederland fijn of gaaf, maar in Suriname betekent het moeilijk en zwaar. Daarin zullen zowel de schrijvers als redacteuren of uitgevers compromissen moeten bereiken, want niet altijd moet een zin of woord veranderd worden omdat het in eerste instantie als ‘verkeerd’ wordt gezien.  Als schrijver wil je dat de lezer jouw teksten zo juist mogelijk ervaart.

    Volgens Robby Parabirsing, voorzitter van de Schrijversgroep ’77 – de actiefste, grootste en oudste schrijversorganisatie in Suriname – en beter bekend onder zijn schrijversnaam, Rappa, kan de kwaliteit van de Surinaamse verhalen ook verbeterd worden door onder meer (jonge) Surinaamse schrijvers tot schrijven te stimuleren via schrijfwedstrijden met aantrekkelijke prijzen, zoals een geldbedrag en schrijf workshops. Het is verder ook belangrijk dat er in Suriname meer geïnvesteerd wordt in het ontwikkelen van schrijven door middel van cursussen en trainingen. Meer engagement met andere schrijvers binnen en buiten Suriname zal de literaire ontwikkelingen goed doen en zal alleen maar positief zijn voor de schrijver. Door op gerenommeerde en serieuze platforms zoals weblogs te publiceren, komt er tegelijkertijd een gedegen feedback op hun werk.

    Een goede schrijver worden

    Een goede schrijver hoeft niet succesvol te zijn, maar om een goede schrijver te worden, daar gaat veel tijd en moeite in zitten. In Suriname is het zeker een uitdaging een goede schrijver te worden. Maar door de slechte economische situatie in het land zijn velen eerder bezig  om het hoofd boven water te houden. Daarnaast heerst er niet echt een leescultuur en ouders die vroeger nog wel eens een boekje kochten voor hun kinderen, kunnen zich dat nu niet meer veroorloven. Waar scholen vroeger de opbrengst van de snoeppauze besteedden voor het aanvullen van hun mediatheek, kunnen zij dat nu niet meer doen. De grotere bibliotheken hebben geen financiële middelen om boeken aan te kopen. 

    In Suriname bereik je dus geen hoge verkoopcijfers wanneer je een boek uitbrengt. Dit kan een schrijver danig demotiveren. Verder krijgen schrijvers weinig ruimte  om hun visie te delen over onder meer de toestand in het land, de situatie in de wereld of andere belangrijke zaken die zij willen belichten. Dit in tegenstelling tot Nederland waar schrijvers wel de ruimte krijgen een bijdrage te leveren aan de opinievorming in de samenleving. Wegens gebrek aan financiële middelen worden er in Suriname ook weinig literaire activiteiten georganiseerd. Gelukkig lukt het de Schrijversgroep ‘77 nog om maandelijks een thema-avond te organiseren die in een bepaalde literaire behoefte voorziet. In het verleden is er een aantal uitwisselingsprojecten geweest tussen Suriname en Nederland zoals ‘Winternachten Tournee Suriname’ in 2004. Het zou interessant zijn als deze projecten weer worden opgestart of op een andere manier worden voortgezet. Los van het delen van inzichten tijdens zulke literaire events, zijn het ook goede momenten voor schrijvers om met elkaar te praten over elkaars werk.

    Meer produceren

    Volgens Robby Parabirsing (Rappa) is de Surinaamse variatie op het Nederlands via de Taalunie wel geaccepteerd, maar bij het doorsnee Hollands lezerspubliek nog niet zozeer.

    ‘In plaats van lesbrieven en allerlei projecten voor de opleiding Nederlands van het Instituut voor de Opleiding Van Leraren zou de Taalunie meer fondsen beschikbaar kunnen stellen voor bijvoorbeeld schrijfwedstrijden en/of workshops. Ik vond de ontmoeting met de Taalunie onlangs in oktober 2022, maar teleurstellend voor het stimuleren van het Surinaams-Nederlands als literaire taal en de activiteiten daaromheen. Ze focussen meer op die opleiding Nederlands, wel goed, maar ik merk weinig positief effect in de praktijk. Het merendeel van de studenten op de opleiding leert alles uit hun hoofd, om snel af te studeren en om flink wat uren te maken. Voor Nederlands maak je namelijk vier uren per klas op het Voortgezet Wetenschappelijk Onderwijs. Men kweekt geen taalwetenschappers en promotors van de Surinaamse literatuur. De geslaagden van de opleiding Nederlands versmallen juist de belangstelling voor het lezen van de Surinaamse literatuur in het Surinaams-Nederlands. Met poëzie is het nog erger gesteld. Let wel, dit geldt niet voor die enkelen die wel hun best doen dit te stimuleren, maar ze vormen een minderheid.’

    Er zouden meer Surinaamse verhalen in Nederland gepubliceerd moeten worden over de rijke Surinaamse cultuur, hun zienswijze op zaken zoals de gedeelde geschiedenis en het leven in Suriname. In een speciale Suriname editie van literair tijdschrift Tirade Prakseri, dat in november 2022 uitkwam, heeft het Nederlandse publiek als voorproefje kennis kunnen maken met bekende en onbekende Surinaamse schrijvers.

    Naar mijn mening moet er een tijd komen dat men niet meer om de in Surinaamse wonende schrijvers heen kan. Natuurlijk zijn er de boeken over Suriname die in het verleden geschreven werden door buitenlanders die er hebben geleefd en hun ervaringen hebben opgeschreven. Maar het wordt tijd dat Surinaamse schrijvers hun eigen inzichten over en ervaringen met hun land delen met de wereld en daarvoor de ruimte krijgen.

     

    Bronnen:

    • Scriptie Suriname in de Nederlandse Taalunie van Ruth Brandon
    • Expositie Surinaamse Schrijvers, De weg naar een onafhankelijke literatuur van het literatuurmuseum
    • Jerry Dewnarain, neerlandicus
    • Hilde Neus, neerlandicus

    Kevin Headley (1983) is een Surinaamse documentairemaker, journalist en schrijver. Hij schrijft artikelen voor OneWorld en blogt voor Tirade.nu.

     

     

     

  • De band tussen vader en zoon als rode draad in tweede boek

     


    ‘Suriname is mijn basis,’ zegt schrijver en dierenarts Chris Polanen. ‘Ik ben hier geboren en heb hier van mijn tiende tot mijn twintigste gewoond. Ik ben weliswaar naar Nederland vertrokken waar ik inmiddels veertig jaar woon, maar ik voel me nog heel erg verbonden met Suriname. Mijn moeder woont er nog, familie, vrienden en kennissen. Suriname betekent nog steeds veel voor mij. De basis van mijn schrijven is altijd het verlangen naar Suriname geweest. Als ik schrijf, schrijf ik vanuit deze plek. De hoofdpersonen, de gebeurtenissen, die zijn altijd gesitueerd rond mijn ouderlijk huis of in deze buurt, Paramaribo Noord.


    Niemand zo blij als Chris Polanen om voor de tweede keer in Suriname zijn boek 
    Centaur te presenteren. De eerste keer was eerder dit jaar voor een kleine groep vanwege de toen geldende Covid-19 maatregelen. De schrijversavonden zijn weer hervat na de pandemie. Deze keer wordt het boek voor een grotere groep gepresenteerd tijdens de tweede thema-avond van de Schrijversgroep ‘77 in Tori Oso.

    Niets te verwachten

    Centaur gaat over de student Gili die droomt van een grote liefde en van studeren in Nederland. Van zijn vader, een populaire politicus en playboy die niet naar zijn kinderen omkijkt, hoeft hij niets te verwachten. Zijn enige kans: als springruiter met de oude hengst Norbert meedoen aan een wedstrijd om met het prijzengeld zijn studie te kunnen betalen. In de aanloop naar de wedstrijd ontmoet hij niet één, maar twee vrouwen die zijn leven volledig op zijn kop zetten en kan hij niet langer geheim houden dat hij Norbert beter aanvoelt dan gewoon is voor een ruiter en zijn paard. Als zijn vader wordt opgepakt na een bomaanslag op het regime blijkt dat Gili en hij elkaar meer nodig hebben dan ze durven toegeven.

    Ik ben in 1983 vertrokken naar Nederland,’ zegt Polanen. ‘De universiteit ging hier dicht. Alles stortte zo’n beetje in, veel studenten gingen weg. Ik heb dit boek gesitueerd in het Suriname van 1990, maar de hoofdpersoon die een student is, in dezelfde positie van de jaren tachtig gezet. Hij zit op de universiteit, er gebeurt niks, hij weet dat hij voor een goede toekomst naar Nederland moet om te studeren. En daarna hoopt hij terug te komen. Ik heb geprobeerd dat gevoel van die tijd te beschrijven. Van “hoe voelden mensen zich en wat zagen ze als mogelijkheden”. Ik heb ook dingen uit andere tijden toegevoegd. Mijn eerste boek Waterjager was een experiment. Ik ben eraan begonnen, maar ik wist niet precies wat ik kon en wat het zou worden. En ik wilde een heftig boek schrijven over waar veel conflict was, een harde maatschappij, een fictieve maatschappij, en dat is gelukt. Dit boek geeft een realistischere maatschappij weer, maar ik heb mezelf ook als schrijver ontwikkeld. Ik weet wat ik kan als schrijver, wat een beetje de stijl is waar ik naartoe wil. Dit boek bevat veel meer humor, veel meer romantiek en ik zie het ook als onderdeel van mijn ontwikkeling als schrijver.’

    De band van vader en zoon

    In ontspannen sfeer lunchen we bij de Gadri naast Fort Zeelandia, langs de Surinamerivier waar het lekker waait, de zon zijn tanden piert en wij veilig onder een parasol zitten met om ons heen toeristen die genieten van Switi Sranan (lekkere Surinaamse hapjes). Polanen vertelt dat Centaur een deels autobiografische roman is. De hoofdpersoon Gili, een afspiegeling van hem, probeert ondermeer een relatie met zijn vader op te bouwen, de vader van Polanen. 

    ‘Als je een roman schrijft moet je heel diep gaan en je nergens voor schamen. Zolang je probeert stoer te doen of probeert dingen te verbergen word je nooit een goede romanschrijver. Je moet alles blootgeven. Dat is een van de geheimen van een goede roman en dat heb ik hier ook gedaan. Mijn gevoelens over mijn vader zijn ambivalent. Ik ben wel trots op hem, hij was een bijzondere man, hij was een goede dichter en een heel charismatische en intelligente man. Maar ik voelde ook een bepaalde boosheid tegenover hem omdat hij eigenlijk nooit naar mijn moeder en mij heeft omgekeken. Dus beide dingen heb ik gebruikt, zonder iets achter te houden.’

    Controle over zijn vader

    Polanen kent zijn vader Pieter Polanen alleen van verhalen, hij heeft hem nooit bewust gezien. ‘Hij was bekend en ook wel berucht zou je kunnen zeggen. Het was logisch dat ik hem ooit in een roman naar voren zou brengen. Alleen, de vraag was hoe? Uiteindelijk besloot ik hem zo goed mogelijk te beschrijven, niet te veel fantasie op hem los te laten, maar alle verhalen die ik van hem ken te bundelen. Verhalen van mijn moeder, van vrienden en familie en dan zo goed mogelijk beschrijven wat voor persoon hij was. Daarmee gaf ik mezelf de kans om gesprekken met hem te voeren en te kijken wat voor relatie ik met hem zou hebben gehad als hij nog geleefd had. Hij is overleden toen ik zeven was en ik heb hem alleen als klein kind ontmoet. Ik heb dan ook geen herinneringen aan hem. Het was een logisch thema dat in het boek aan de orde zou komen. Ik heb het ook zo onderzocht dat het in een breder verband gezien kan worden; hoe is de relatie van Surinaamse vaders met hun zonen. Dat heb ik in mijn boek proberen uit te werken.”

    Het opbouwen van een relatie lijkt in eerste instantie niet gemakkelijk voor Gili aangezien zijn vader wordt gearresteerd voor een bomaanslag, net als de vader van Polanen. Echter, pas op het moment dat zijn vader in de gevangenis komt, is er een mogelijkheid om een relatie op te bouwen, omdat de vader nergens meer naartoe kan en niemand anders hem opzoekt. ‘Het moment dat ik mijn vader tijdens het schrijven in de gevangenis zette werd het schrijven ook makkelijker. Je zou kunnen zeggen dat ik toen eindelijk controle over hem had gekregen.’

    Heimwee

    ‘Ik ben puur gaan schrijven vanuit heimwee,’ antwoordt Polanen op de vraag vanwaar de passie om te schrijven komt. ‘Mijn remigratie was mislukt en op een gegeven moment ben ik gaan schrijven over Suriname. Ik had nooit gedacht dat ik schrijver zou worden. Ik begon met columns, over de mislukte remigratie, wat ik beleefde toen ik weer naar Suriname kwam, want ik kwam nog wel op vakantie. Ik schreef daarna een hele serie columns. Mensen waren enthousiast daarover. Dus ik ging ook meer columns schrijven voor de Waterkantde Parbode en de Ware Tijd. Uit die columns zijn de korte verhalen voortgekomen, verhalen die zich in Suriname afspeelden. Ik deed mee met schrijfwedstrijden en won meestal wel iets. Op een gegeven moment won ik de eerste prijs hier in Suriname bij de Ware Tijd Literair voor het kortverhaal ‘Carnaval’ dat zich afspeelt in Paramaribo Noord, bij de Brazilianen. En toen had ik zoiets van “Ik kan die roman ook wel schrijven”.’

    ‘Het schrijven van die eerste roman Waterjager kostte mij zes jaar. Dat was een struggle, want ik moest zoeken naar een eigen stijl, hoe bouw je die roman op, de personages en de sfeer. Het was een leerproces. De tweede roman ging al sneller en veel makkelijker.’

    In Nederland wint Polanen steeds meer terrein als schrijver van kleur. ‘De literaire wereld van Nederland is een witte wereld. Er zijn weinig schrijvers van kleur. Maar in deze tijdgeest is het een voordeel, men is op zoek naar verhalen van schrijvers met andere culturele achtergronden. Er wordt nu wel gedacht dat een Surinaamse schrijver interessant is.’

     

    Centaur / Chris Polanen / Lebowski Publishers / 352 pagina’s

     


    Centaur is één van de tien boeken die genomineerd zijn voor de prijs Beste Boek voor Jongeren in de categorie Oorspronkelijk Nederlandstalig. De shortlist is samengesteld door een jury van volwassenen: ‘De diversiteit in personages is groot en dat geldt ook voor de auteurs. Die voldoen natuurlijk al langer niet meer aan het achterhaalde beeld van uitsluitend witte elitaire mannen van (voorbij de) middelbare leeftijd. De auteur van nu (x/v/m) is jong, oud, zwart, van kleur, wit, queer, hetero, cis en trans. Dit maakt de verhalen divers en zorgt ervoor dat steeds meer jongeren zich gerepresenteerd kunnen zien in de literatuur. Ontzettend fijn, ontzettend belangrijk en bovenal ontzettend terecht.’ Een jury van zes jongeren zal de twee winnende boeken bepalen en in september bekendmaken.

    Lees hier de recensie op Literair Nederland van Centaur.

    Foto: collectie Chris Polanen