• Melancholische blik op een jeugd in het Turkije van de jaren 70

    Melancholische blik op een jeugd in het Turkije van de jaren 70

    Kroniek van mijn schoolvakanties is een perfect boek voor de zomervakantie. Kerim Göçmen beschrijft immers jeugdherinneringen aan de vakanties die de ik-figuur met zijn broertje en moeder doorbracht op het platteland in het zuiden van Turkije. Daar komen zijn ouders vandaan, zijn opa heeft er een melkfabriek en ook zijn idool, zijn oom (de broer van zijn moeder), laat daar af en toe zijn gezicht zien. Göçmen verwerkt deze (zijn?) jeugdherinneringen tot een mooie schets over kinderlijke herinneringen aan onbezorgde zomervakanties.

    De novelle begint met een ruw ontwaken uit een droom. De jonge hoofdpersoon droomt dat hij wordt wakker gemaakt door de lieve, zachte stem van zijn moeder, dat zij de ontbijttafel dekt en hem helpt met zijn huiswerk. Het is echter zijn vader die hem wakker schudt, en deze houdt er een wat ruwere opvoeding op na. Zijn vader is arts in het leger, en kan door de drukte nooit mee naar Bozkaya. ‘Op dat ogenblik wenste ik dat ik een andere vader had, een vader die mij niet voortdurend om de oren sloeg met: “Toen ik een internaatleerling in het leger was, kregen we vijf minuten om ons te wassen, aan te kleden en ons bij de sergeant te melden.”’

    Eénmaal in Bozkaya aangekomen kan de hoofdpersoon ongegeneerd dromen van het werk van zijn oom, die als buschauffeur mensen rondrijdt in de buurt en er een veel liberaler levensstijl op na houdt dan zijn vader. De ik-figuur wil heel graag diens hulpje worden en dat lukt hem uiteindelijk ook. De oom die in alles het tegenovergestelde is van zijn vader – zo wil hij ook zijn. Ook hij wil rondrijden en op avontuur. De familie tracht de oom wel te binden maar hij blijft de vrijbuiter die hij is. Zelfs een huwelijk lost niets op. Zo zijn er nog wel vijf tevens interessante figuren die Göçmen een plaats weet te geven in dit toch niet veel pagina’s tellende verhaal. Ook de politieke actualiteit van de jaren 70 krijgt een plaats, zij het op de achtergrond.

    Zo kabbelen de zomers voort met vriendschappen, kinderlijke avonturen en verwondering. De idyllische zomers doen de lezer zelf terugdenken aan het spelen in weken, maanden vakantie van school en de schijnbare onbezorgdheid als kind.

    Toch ontwaakt de lezer met de verteller uit een droom. Waren de zomers nu wel zo leuk? Is het niet gewoon irritant dat zijn opa niet eens een wc heeft? Thuis hebben ze dat wel, en bovendien is het klimaat thuis een stuk aangenamer dan in Bozkaya. Ook de oom valt op een gegeven moment van zijn voetstuk en het werk als hulpje op de bus blijkt saai. Want, zo blijkt, ‘de aantrekkingskracht is het sterkst zolang de droom niet wordt verwezenlijkt. (…) Wanneer je die droomwereld binnenstapt, begint de glans eraf te raken.’

    Als een Nederlandse Patrick Modiano beschrijft Göçmen zijn jeugd letterlijk in melancholische flarden doordat hij zich zo expliciet concentreert op de zomers. Maar daar waar Modiano’s geheugen alleen vage en obscure herinneringen lijkt te bevatten, beschrijft Göçmen de zijne juist kraakhelder. Onwetend of de herinneringen nu daadwerkelijk van de schrijver zijn, kan de lezer daar alleen maar van genieten.

     

     

  • Opgroeien in de jaren vijftig in het Turkse Kolçaklar

    Opgroeien in de jaren vijftig in het Turkse Kolçaklar

    Als in een ouverture tot een opera zet de Turks-Nederlandse schrijver Kerim Göçmen in de proloog tot zijn eerste roman, Rode kornoeljes de thematiek ervan neer. In nog geen drie bladzijden verstaat hij die kunst. Het eerste thema: de ontwikkeling van een adolescent tot jonge man. In dit geval Caner, een 15-jarige jongen uit het Turkse Kolçaklar in de jaren vijftig van de vorige eeuw. Het tweede thema: de politieke constellatie waarin de democraten wonnen van de Republikeinse Volkspartij. En met naast de twee thema’s wat leidmotieven, zoals de rode kornoeljes uit de titel: ‘Mijn blik viel op een schaal rode, rijpe kornoeljes die mijn moeder alvast had neergezet. Ik kon me niet meer beheersen, stond huilend op en rende de kamer uit.’

    De wereld van de verteller bestaat vooral uit stripboeken en paardrijden met Cemal, de zoon van de huiseigenaar, tevens buurman. En in mindere mate uit het contact met klasgenoot Hasan, wiens vader op de zogenaamde rode lijst van de democraten staat. Een lijst met namen van mensen met vermeende communistische sympathieën. Door Hasan uitgesproken als ‘jode lijst’, want hij kan de r niet zeggen. Een gebrek dat zo lijkt te zijn weggelopen uit Karl Ove Knausgårds roman Zoon, waarin de vader van de hoofdpersoon hier echter de draak (djaak) mee steekt, in tegenstelling tot de klasgenootjes van Hasan.

    Aan de vooravond van de verkiezingen komt een collega en vriend van Caners vader met zijn twintig jaar jongere vrouw, Gülbahar, in Kolçaklar naast hen wonen. Diens politieke ideeën wijken af van die van Caners vader en spreken de jongen meer aan dan die van zijn vader. Toch voelt hij zich er niet gerust op dat hij zomaar van de ideeën van zijn vader durft af te wijken. Hij is immers nog maar een kind, ook in verhouding tot de zo’n vijf jaar oudere buurvrouw Gülbahar die hem als een broer én een knappe jonge man behandelt. Maar dit zorgt ook voor een andere vorm van verwarring bij Caner, omdat de vrouw tegen alle Turkse gebruiken in zijn moeder niet als een oudere, wijzere vriendin ziet. Gülbahar lijkt zoals ze door de auteur is neergezet, met haar felrode lippen, even rood als de vruchten van de kornoelje, een personage uit de Folies Bergère.

    Caner is een personage dat dan weer puur op zijn gevoel afgaat, en dan weer alles rationeel beredeneert. Dit leidt er soms toe, dat hij misschien wat vroegwijs overkomt. Ingewikkelde politieke gesprekken lijkt hij zonder meer te begrijpen, en hij is ook niet gespeend van psychologisch inzicht: ‘Ik kreeg de indruk dat ze [Gülbahar] met Zeynep bezig was, om zodoende geen conversatie met tante Saadet en mijn moeder te hoeven voeren.’
    Op andere momenten voelt hij goed aan dat er wat speelt, maar begrijpt het niet: ‘Ik zag Gülbahar (…) onbeweeglijk naar Cemal kijken. Waarom keek ze hem zo aan? Ik vond het vreemd dat ze zich tijdens hun eerste ontmoeting al zo vertrouwd tegenover elkaar gedroegen. Het leek wel alsof ze mijn aanwezigheid niet eens meer opmerkten.’ Caner had de situatie niet door, want een paar hoofdstukken later stelt hij zich ten doel te ‘achterhalen op wie ze verliefd was.’ Ook Caners moeder probeert hem de ogen wat betreft Gülbahar te openen. De uitkomst  ligt voor de hand. In ieder geval zijn de kornoeljes ondertussen gerijpt …

    Het spelen met twee thema’s, het een op de voorgrond (de volwassenwording van Caner, gesymboliseerd door de rijping van de kornoeljes) en het andere op de achtergrond (de politiek in de jaren vijftig in Turkije) doen denken aan de opzet van een Victoriaanse roman, waarin dit ook vaak gebeurt. Ook het wat anachronistische taalgebruik gaat in die richting. Waarbij het interessant is dat het spraakgebrek van Hasan ook wel eens symbool zou kunnen staan voor de taalverandering die Turkije heeft ondergaan, zoals deze onder meer is beschreven door Erik J. Zürcher in diens boek Een geschiedenis van het moderne Turkije (Nijmegen, 1995). Uiteindelijk nog zo’n leidmotief dus dat dit boek een diepere laag en lading geeft.

    Dat maakt het tot een geslaagd boek van de hand van een auteur die we tot nu toe kenden als schrijver van korte verhalen: Het geheim van de kromme neuzen (2013)Hun conflicten raken je als lezer, hoezeer het ook mensen betreft uit een andere cultuur en hele andere milieus.’ Het zou zo maar van toepassing kunnen zijn op deze eerste roman van Göçmen.

     

  • Sprookjesachtige bundel tragische lotgevallen

    Sprookjesachtige bundel tragische lotgevallen

    Recensie door Adri Altink 

    De wonderlijkste geschiedenis in de debuutbundel van Kerim Göçmen is het titelverhaal. De verteller daarin noemt zichzelf ‘bij gebrek aan een betere benaming een kwelgeest’. Hij is dat geworden na een ‘fatale gebeurtenis’ die hem als baby trof. Voortdurend was er een ‘zachte hand’ die hem wiegde en deuntjes neuriede. Tot een ‘harde hand’ hem vanwege zijn gekrijs (als ‘het wiegen en het neuriën langer uitbleven dan gewoonlijk’ en zijn maag rammelde van de honger) aan zijn luier uit de wieg tilde en met een smak op de vloer slingerde.

    Als volwassen kwelgeest treft hij een busje, waarvan de chauffeur, ‘een donkere gedaante met een kromme neus’, de weg vraagt naar een scheepswerf. Hij is, zegt hij, ‘leverancier, leverancier in mensen’ en wijst op de tien andere mannen achterin, die eveneens kromme neuzen hebben. ‘De eerste dagen zal ik voor deze jongens moeten tolken’, zegt de chauffeur: ‘Ze spreken geen woord Nederlands.’

    De kwelgeest denkt terug aan de streek waar de vrouw vandaan kwam die hem als baby verzorgde. Er waren daar maar twee beroepen. Het jongetje dat met met de neus naar zee gericht in slaap viel werd visser; het kind dat met de neus naar de bergen insliep timmerman. Maar, als het busje is doorgereden naar de werf, beseft hij ineens dat zijn babyverzorgster een derde beroep uit haar streek vergat: de emigrant. De mannen met de kromme neuzen zijn wakker geworden uit een droom. Ze zagen zich zelf al als vissers, maar moeten nu aan het timmeren op de werf. De kwelgeest beseft dat ze even ontheemd zijn als hij zelf.

    Ontheemd. Ongelukkig, Miskend. Een onvermogen tot contact. Zich gevangen voelen. Vervreemding. Het zijn typeringen waarvan er altijd wel een paar passen bij de verhalen in deze debuutbundel.
    De schrijver, Kerim Göçmen, werd in 1957 geboren in Turkije. Zijn vader was er rechter. In 1977 vertrok Kerim naar Nederland om in Rotterdam politicologie te studeren. Sinds 1997 publiceert hij verhalen, geschreven in het Nederlands maar hoofdzakelijk spelend in zijn moederland. Er zijn er nu acht gebundeld in Het geheim van de kromme neuzen.

    Bijna alle vertellingen gaan over gewone mensen in Turkije die op een keerpunt in hun leven staan. Plaats van handeling is meestal het platteland of een kleine gemeenschap. Ze zijn haast sprookjesachtig en stemmen weemoedig. Zoals De ruiter, het enige verhaal dat zijdelings past in de politicologische interesse van de schrijver. Het gaat over de politieke veranderingen in Turkije kort na de Tweede Wereldoorlog als de bevolking voelt hoe het Sovjetblok en Amerika (via de Marschallhulp) beide proberen het land onder hun invloedssfeer te brengen. Maar De ruiter vertelt toch vooral het einde van de rurale gemeenschappen.

    Kerim Göçmen boetseert in simpele bewoordingen zijn hoofdpersonen zo krachtig dat je als het ware met ze mee loopt. Hun conflicten raken je als lezer, hoezeer het ook mensen betreft uit een andere cultuur en hele andere milieus. Schrijnend is bijvoorbeeld het verhaal van Necati Karaveli, die zonder ook maar de geringste feeling voor zaken de dekenfabriek van zijn vader heeft overgenomen en ruziënd met zijn vrouw maar door blijft modderen tot hij ontdekt ‘dat hij zichzelf al jaren bedroog: hij leidde een leven dat hem vreemd was en hem vermoeide, maar hij hield zich voor dat hij zelf voor dit leven had gekozen’.

    De dorpsonderwijzer Halil Bora uit In gevangenschap verliest zich in dezelfde tragiek. Hij voelt zich onmisbaar in het dorp, maar wordt door de inspecteur onverhoeds ontslagen. Hij is bezig een boek over gevangen te schrijven dat maar niet af komt en dan bekruipt ‘hem de gedachte dat de mens een wezen is dat schimmen najaagt, denkbeelden die maken of je je vrij of in gevangenschap waant, en die van kinds af aan een onweerstaanbare aantrekkingskracht op je uitoefenen’.

    En welke existentiële verwarring legt de plotselinge verliefdheid van Mükerrem Tezcan niet bloot? Hij valt in De lerares Engels voor de docente van zijn dochter die zoveel knapper dan is dan zijn Behice, op wie hij is uitgekeken. Maar laat uit het voorgaande niet het beeld ontstaan van een verhalenbundel die zwanger gaat van somberheid en zwaarte. Göçmen schrijft met een lichte toets en (wrange) humor. Zijn verhalen zijn geserreerd en alleen daarom al een genot om te lezen.