• Een loner op zoek naar verbondenheid

    Een loner op zoek naar verbondenheid

    In een schrijversbiografie gaat het niet alleen over het werk maar ook over de persoon. Wie was de auteur? Met wie was hij (of zij) bevriend? Wat deed hij of wat liet hij na? Het is in een recensie natuurlijk glad terrein om een moreel oordeel te vellen over het handelen van een persoon, maar de eerste reactie die je zou kunnen hebben bij het lezen dat de seropositieve Kellendonk willens en wetens onveilige seks met andere mannen had: die Kellendonk, wat een zak. ‘Herhaling van de misdaad verzacht het schuldgevoel’, schrijft hij in zijn dagboek. De biograaf citeert daarbij een romanpersonage van Kellendonk: ‘Als ik geen engel kan zijn, dan ben ik maar een duivel.’ Het levert één van de meest ontluisterende bladzijdes op in deze omvangrijke biografie.

    Kellendonk. Een biografie van Jaap Goedegebuure (1947), inmiddels emeritus hoogleraar Nederlandse Taal- en Letterkunde, is het slotakkoord van zijn onderzoek naar het leven en werk van één van de meest opvallende Nederlandse auteurs uit de jaren tachtig van de vorige eeuw. In 2015 publiceerde Goedegebuure, in samenwerking met Oek de Jong, het – werkelijk prachtige – brievenboek van Kellendonk, prima ingeleid en geannoteerd. Wie De Brieven las, zal in de biografie vooral veel herkenning vinden.

    Frans Kellendonk (1951–1990), geboren in Nijmegen, vestigt al op jonge leeftijd zijn naam in de Nederlandse literatuur met zijn debuut Bouwval in 1977 en zijn, bijna naadloos hierop volgend toetreden tot de redactie van het literair tijdschrift De Revisor. Hij vertaalt onder meer Laurence Sterne, John Fowles en Emily Brontë en schrijft essays en reportages. Met Mystiek lichaam, zijn laatste roman, wordt hij middelpunt van een heuse rel – hij wordt beschuldigd van antisemitisme, zijn twijfel over de multiculturele samenleving wordt gehoond en ook zijn weinig progressieve visie op homoseksualiteit valt bij veel critici verkeerd. Pasten zijn conservatieve opvattingen over de samenleving totaal niet in de tijdgeest van de jaren tachtig, nu zou Kellendonk, mocht hij nog steeds dezelfde opvattingen hebben gekoesterd, een warm onthaal vinden bij veel politici, zo betoogt Goedegebuure in het slothoofdstuk van de biografie, daarmee de actuele relevantie van het werk van Kellendonk benadrukkend.

    Wie was Kellendonk? Een paar kernwoorden: fysiek een aantrekkelijke jongeman, homoseksueel, zwijgzaam, zuinig, moeizaam in relaties, te beginnen met zijn familie. Hoe hij bijvoorbeeld bazig zijn zwangere zus de les leest, omdat hij zichzelf eerstverantwoordelijke van de familie vindt, is bijzonder pijnlijk om te lezen. (Een moreel superieure houding die in schril contrast staat met zijn eigen latere gedrag tegenover zijn sekspartners.) Ook in de liefde toont hij zich een moeilijk mens. Zijn relatie met de meer flamboyante Thijs Westerhout eindigt in een grote deceptie.

    In zijn werk is Kellendonk een verdienstelijk vertaler en een scherp polemist. Lees maar eens hoe hij de Komrij-vertalingen van de toneelstukken van Shakespeare door de mangel haalt. Wat telkens terugkeert, is juist Kellendonks verlangen naar verbondenheid, traditie en zijn praktiserend kluizenaarschap. Die behoefte aan verbondenheid zie je terug in zijn visie op religie. Ook al gelooft Kellendonk zelf niet meer, hij onderkent wel het belang van een kerk als gemeenschap. Het liefst wil hij zich deel voelen van een groter geheel, maar in de praktijk kiest hij voor een meer solitair bestaan. Kellendonk, de schrijver en de mens, blijkt opgebouwd uit paradoxen.

    Stilistisch en inhoudelijk komt de biografie pas halverwege op gang, wanneer Kellendonk Nijmegen verlaat en naar Amsterdam vertrekt. In een interview vertelt Goedegebuure dat hij juist veel aandacht wilde besteden aan de middelbare-schooltijd van Kellendonk, zijn vormende jaren. Maar juist in de eerste honderdvijftig pagina’s kiest de biograaf voor wat truttige zinswendingen. Vooral als het gaat over homoseksualiteit verslikt Goedegebuure zich in oubollige, vast ironisch bedoelde zinswendingen – hij overtreft daarmee het ongemak van Kellendonk zelf met dit onderwerp. Als Kellendonk lid wordt van de schoolkrantredactie: ‘Je boekt er sowieso succes mee bij jongerejaars en (…) ook bij de meisjes, al is het de vraag of Kellendonk zich daarvoor heeft geïnteresseerd.’

    Of: ‘Kellendonk heeft zich er nooit over uitgelaten in hoeverre hij (…) al dan niet met eigen instemming, door een liefdevolle pater in zijn eenzaamheid is getroost’. Dan het commentaar op een heteroseksuele seksscène: ‘Echt vrouwvriendelijk klinkt het niet, maar dat viel van de Kellendonk die ertegen opzag om een baarmoederlijk gat te moeten vullen ook niet te verwachten.’ Het lijkt een vooruitwijzing naar de zogenaamde baarmoedernijd van Kellendonk, maar het zijn zinnen waarvan je als lezer niet meteen blij wordt.

    Goedegebuure lijkt meer plezier te hebben als hij vertelt over het Academisme (een stroming waar Kellendonk niet bij wil horen), als hij uitlegt wat wordt bedoeld met oprecht veinzen en hoe Kellendonk de maat neemt van de Nederanglisten of wanneer hij Kellendonks colleges over Vondel behandelt. Dan is Goedegebuure een verteller die werkelijk grip op zijn materiaal heeft. De rel rond Mystiek lichaam, de nauwgezette weergave van alle reacties op het boek, en Kellendonks antwoord aan zijn critici vormen het interessantste deel van de biografie. Wat bijblijft: Goedegebuure toont met precisie aan hoezeer Kellendonks verhalen autobiografisch van karakter zijn. Ontroerend is Kellendonks brief aan zijn oude geliefde Westerhout wanneer hij, doodziek inmiddels, is opgenomen in het Prinsengrachtziekenhuis. De man die tussen hem en de wereld een pantser opgetrokken had, schrijft: ‘Nu ben ik afhankelijk geworden, met een schok, van de hulp en hartelijkheid van anderen, en het blijkt géén afschuwelijke ervaring te zijn, integendeel, een bevrijding.’ Misschien was het voor de creativiteit van de schrijver dodelijk geweest, maar de mens Kellendonk was zo’n inzicht eerder in het leven gegund.

    Nog één opmerking dient gemaakt te worden en wel over de slotzinnen van de verschillende hoofdstukken. Goedegebuure vond het belangrijk om nagenoeg telkens af te sluiten in apotheose. Dan krijg je tromgeroffelzinnen als ‘Inmiddels was het moment aangebroken waarop de schrijver Frans Kellendonk eindelijk zijn opwachting in de Nederlandse literatuur maakte.’ Of ‘Het was ook in die hoedanigheid dat hij na thuiskomst meteen een appeltje wilde schillen met zijn oudste zus Anne-Marie’. En: ‘In minder dan vijf jaar tijd waren het de muren die neerkeken op een man die gebroken op zijn ziekbed lag’. Cliffhangers die het misschien goed doen in het thrillergenre, maar een stilistisch zwaktebod zijn voor een biograaf die desondanks met deze biografie een meesterproef heeft afgelegd.

     

  • Oogst week 40 (2018)

    Liefdevolle rivaliteit: de correspondentie

    Er mag rivaliteit geweest zijn tussen de schrijvende broer en zus – Geerten en Doeschka – Meijsing, maar uit Liefdevolle rivaliteit: de correspondentie spreekt vooral verwantschap en vertrouwdheid. Dat zal voor een deel zijn – zoals Geerten Meijsing in Spätlese, het nawoord bij de brieven schrijft, waaruit ook blijkt hoe hard de klap van de plotselinge dood van zijn zus bij hem aangekomen is – omdat zij elkaar op papier ontzagen en vooral complimenteus waren waar het hun werk betrof, maar dat is niet de voornaamste reden.
    Belangrijker is dat zij elkaar als mens verstonden en hun vak op dezelfde manier benaderden:

    ‘het schrijverschap was en is voor ons een allesomvattende levenshouding waaraan alle andere bezigheden en beslommeringen van het dagelijkse leven ondergeschikt zijn, de nevenwerkzaamheden die mijn zuster voorzichtigheidshalve bijna tot op het einde verricht heeft ten spijt.’

    In de brieven, die de periode 1979 tot 2009 beslaan, gaat het over het werk en de litteratuur, maar minstens even prominent aanwezig zijn de beslommeringen – privé en zakelijk – die in de praktijk behoorlijk veel energie en tijd vragen. Doeschka en Geerten Meijsing nemen geen blad voor de mond en sparen elkaar ondanks hun verwantschap niet. Hun jalousie de métier laait op als de één van de ander vindt dat hij/zij zich teveel op het territorium van de ander begeeft.

    De brieven zijn door Nop Maas zo gedetailleerd geannoteerd dat er niet veel aan de verbeelding van de lezer wordt overgelaten, maar zijn werkwijze stimuleert het

     

    Liefdevolle rivaliteit: de correspondentie
    Auteur: Geerten Meijsing & Doeschka Meijsing
    Uitgeverij: Uitgeverij Querido (2018)

    Istanbul, Istanbul

    Burhan Sönmez leefde tien jaar in ballingschap in Londen. Inmiddels woont en werkt hij weer in Istanbul, maar bij terugkeer trof hij een andere stad aan dan hij verliet, waardoor hij in zekere zin opnieuw in ballingschap verblijft. Vertelde hij vorige maand in De Balie, waar hij te gast was tijdens PEN Spreekt.
    Istanbul, Istanbul volgt de vorm van de Decamerone van Boccaccio. Tien dagen lang vertellen vier politieke  gevangenen – een dokter, een student, een barbier en ‘oom Küheylan’ – elkaar verhalen om de moed erin te houden. Zij zitten in een ondergrondse cel in Istanbul waar zij op elk willekeurig moment opnieuw verhoord kunnen worden.

    In die verhalen is Istanbul alom tegenwoordig. De bovengrondse stad, de stad die in herinneringen voortleeft en het mythische Istanbul. De vier die behalve hun gevangenschap weinig met elkaar gemeen hebben, bieden via hun verbeelding weerstand tegen de martelingen die zijn ondergaan.
    Istanbul, Istanbul verscheen in 2015, voordat de situatie in Turkije door de mislukte coup dramatisch verslechterde, maar de roman kan gelezen worden als een aanklacht tegen de meedogenloze manier waarop tegenstanders van het regime sindsdien onschadelijk gemaakt worden.

    Maar Istanbul, Istanbul laat zich los van een specifieke historische context ook lezen als een pleidooi voor het vertellen van verhalen. Burhan Sünmez geeft zijn personages de nodige overwegingen mee die ontleend zijn aan de (wereld)literatuur.

    Istanbul, Istanbul
    Auteur: Burhan Sönmez
    Uitgeverij: Uitgeverij Orlando (2018)

    Alle verhalen

    Haar schilderijen tonen verwantschap met het werk van Jheronimus / Jeroen Bosch. Ze worden bevolkt door wezens die eerder aan de fantasie ontsproten lijken te zijn dan dat zij hun oorsprong in de werkelijke wereld hebben. Leonora Carrington (1917-2011) schilderde niet alleen, ze schreef ook, zij het niet heel veel en vooral korte verhalen. Die verhalen – vorig jaar ter gelegenheid van haar honderdste geboortedag gebundeld en nu onder de titel Alle verhalen verschenen in het Nederlands – zijn net zo surrealistisch als haar schilderijen. Macabere sprookjes lijken het, waarin de grens tussen leven en dood vloeibaar is. Zwarte verhalen, waarin de natuur en de vergankelijkheid zich opdringen. Maar tegelijk getuigen ze van een scherpe kijk op de conventies waarmee het leven gepaard gaat. Veel van haar vrouwelijke personages onttrekken zich aan hun voorbestemde leven, zonder dat Leonora Carrington nadrukkelijk een feministisch statement maakt.

    Haar vroegste verhalen dateren uit de jaren 1937/’38. Naarmate de tijd verstrijkt, sluipt er meer herkenbare werkelijkheid en idem dito maatschappijkritiek in de verhalen die Leonora Carrington in het Engels, Frans en Spaans schreef.

    Eerder dit jaar verscheen al het autobiografische Beneden, waarin Leonora Carrington verslag doet van de waanzin die haar trof na de arrestatie van kunstenaar Max Ernst en haar gedwongen opname in een inrichting.

     

    Alle verhalen
    Auteur: Leonora Carrington
    Uitgeverij: Uitgeverij Orlando (2018)

    Kellendonk

    ‘Een schrijversbiografie heeft pas iets in te brengen wanneer de schrijver zich niet volledig heeft kunnen waarmaken, wanneer toevallige omstandigheden hun bulten en blauwe plekken op het oeuvre hebben achtergelaten en de schepper interessanter is dan het werk, dat in zoverre dus mislukt mag heten.’

    Tot zover Frans Kellendonk. Zijn oeuvre – verre van mislukt – is relatief klein gebleven, want toen Frans Kellendonk in 1990 stierf, was hij pas 39. In zekere zin geldt voor hem dus dat hij zich als schrijver niet volledig heeft kunnen waarmaken en is het gerechtvaardigd dat er een biografie verschijnt van een schrijver die al wel veel beloftes inloste, maar nog niet uitgedacht en uitgeschreven was.
    Jaap Goedegebuure was niet de eerst aangewezen biograaf, maar uiteindelijk wel degene die de opdracht tot een (goed) einde bracht. Afgaande op zijn inleiding en het eerste hoofdstuk gaat Jaap Goedegebuure op zoek naar ‘continuïteit’ in het werk van de auteur in wiens leven juist (culturele) breuklijnen bepalend waren. Kellendonk trad niet in de voetsporen van zijn vader – zoals veel zonen van zijn generatie dat niet meer deden – en gaf gehoor aan de roep van het dichterschap én hij nam afstand van de traditionele wijze van het belijden van het rooms-katholieke geloof zonder de rituelen vaarwel te zeggen. Wat Jaap Goedegebuure voor ogen stond, was het traceren van de ‘spiegeling van de familiegeschiedenis in de grote geschiedenis.’ Hij zocht naar de invloed van Kellendonks afkomst op zijn maatschappijvisie en wereldbeschouwing, zoals die in zijn werk – romans, verhalen en essays – vorm kreeg. Volgens degenen die Kellendonk: een biografie al uit hebben met wisselend succes.

    Kellendonk
    Auteur: Jaap Goedegebuure
    Uitgeverij: Uitgeverij Querido (2018)