• Anderhalve kamer – In memoriam Kees Verheul (1940–2024)

    Kort nadat ik bij Van Oorschot was komen werken, vond ik in de krochten van de uitgeverij een exemplaar van Kontakt met de vijand. Het was een nieuw-oud boek, het had er sinds verschijnen in 1975 in een doos gelegen. Ik begon erin en stopte niet meer. De toon, het avontuur. Kees Verheul was de levende brug met het oude Rusland, en ik ben nooit gewend geraakt aan het gegeven dat hij Joseph Brodsky zo goed had gekend, en Nadezjda Mandelstam. Verheul leerde ik al snel kennen als een uiterst aimabele man die op al onze borrels en etentjes kwam: hij hield intens van gezelschap, was een vrolijk causeur en een uiterst aangename gesprekspartner. Overigens kon hij gelukkig ook goed laten merken als hem iets níet beviel.

    Een van de opmerkelijkste boeken die we met hem maakten was het boek Niets heb ik van mijzelf, dat bestaat uit een drieluik terug de tijd in: een meesterlijk abecedarium van Willem Jan Otten over zijn ‘gids’ Kees Verheul, een portret van Verheul over zijn leermeester Clay Hunt, en een schitterend stuk van Clay Hunt over John Donne. Verheul kon uitmuntend bewonderen en was zeer gul in zijn waardering. Des te mooier dat er zo’n ode aan hem geschreven is, respectvoller kan het niet.

    Zijn meesterwerk was wat mij betreft de Tutcheffs trilogie Villa Bermond (1992) Stormsonate (2006). We hebben aardig wat afgemaild en gecorrespondeerd over het derde deel. Stukken ervan – heel mooie stukken – verschenen in Tirade. Toen ik doorgaf dat een boekhandelaar ernaar vroeg moest ik haar van Kees dit antwoorden:

    ‘Kort na het verschijnen van het tweede deel van De Tutcheffs kreeg ik kanker. Terwijl ik hiervoor werd behandeld en genas kreeg mijn levensgezel twee  progressieve ouderdomsziekten. Eind 2018 overleed hij daaraan. Hoewel ik inmiddels bijna tachtig ben geworden (d.w.z. tien jaar ouder dan de dichter Tutcheff) en een stuk van mijn vitaliteit kwijtgeraakt, heb ik allerminst de moed opgegeven om na de noodgedwongen lange werkpauze verder te gaan met de cyclus.’

    Dit was waar: de moed gaf hij nooit op. Hij werkte eraan, drie weken geleden ontvingen we weer een stuk van hem. Het begint zo:

    ‘Een filosofisch middagmaal. Deelnemenden: de gastheer en voorzitter Apollonius von Maltitz; diens vrouw Clotilde, die aan een uiteinde van de tafel zat, het zachte haar golvend in de tocht die de hitte in het vertrek niet vermocht te verdrijven; de overige gasten links en rechts van haar aan de dis. Plaats, het Bertuch Haus in Weimar, begin augustus 1843.

    “Pech, Tutschew, dat je hier bent met deze hittegolf, het lijkt verdorie Brazilië wel.” Hij wist lachend zijn blonde gezicht af. Met een zucht: “Daar heb je ’s zomers tenminste de bergen.”’

    De lezer is in een paar zinnen al weg. Daar. Ik ben een paar keer in Scheveningen met Kees wezen eten. Daags voor de eerste maal schreef hij: ‘Beste Menno, Dank voor je handgeschreven brief in ouderwetse envelop, die je mij liet bezorgen op instigatie van een droom. Erg aan mij besteed, deze opzet, evenals je verrassende en eervolle plan om mij een “auteursbezoek” te komen brengen, de eerste keer in mijn carrière dat mij, geloof ik, zoiets overkomt.’ Kees Verheul ten voeten uit, een ironiserende toon ten aanzien van zijn eigen schrijverschap, een op vriendschap gerichte reactie. We spraken toen en later vaker ook over de Russische Bibliotheek, waarmee hij zich gelukkig altijd – gevraagd vaak en ongevraagd soms – bleef bemoeien. (Volgend jaar zal nog een onbekende Rus op zijn instigatie bij ons verschijnen. Hij bleef voor ons een gids.) En over zijn laatste Tutcheff-boek, waaraan hij bleef werken.

    Maar Verheul werkte aan heel veel, en hij was er voor veel mensen. Zoals hij en zijn man Cees hun leven leidden, naar een voorbeeld van Brodsky, in ‘anderhalve kamer’: een halve in Rome, een halve in Scheveningen en een halve in Amsterdam, verdeelde Kees zijn krachten over schrijven, doceren, vriendschap, sociaal vertier, correspondentie, vertaling, kritiek en wat al niet. Een vol bestaan. Zo is er ook teveel over hem te melden. We laten de prachtige roman Een jongen met vier benen en de zeer veelzijdige essaybundel Een volmaakt overwoekerde tuin maar node verder onvermeld.
    Van Oorschot neemt afscheid van de veelzijdigste en vriendelijkste leidsman die we hadden.

     

    Dit memoriam verscheen ook op Tirade.nu.

  • De ontdekking Kees Verheul (1940-2024)

    De ontdekking Kees Verheul (1940-2024)

    Veel schrijvers gaan ongelezen aan me voorbij, decennialang soms. Kees Verheul, schrijver, slavist, vertaler en essayist, was zo’n schrijver. Ik las voor het eerst iets van hem in 2022, in literair tijdschrift Tirade. Een stuk van iemand die na lange afwezigheid terugkwam. Verheul schreef over het hernieuwd oppakken van de vierdelige romancyclus De Tutcheffs, waarin hij de familiegeschiedenis van een Russische familie verbindt met die van zijn eigen familie. Deel I, Villa Bermond verscheen in 1992 en in 2006 verscheen deel II, Stormsonate. Tom van Deel noemde De Tutcheffs een ‘werk in uitvoering’ en ‘een unicum in onze literatuur’. En ook: De intensiteit, waarmee hij ‘verzinsels’ (…) vermengd met de nauwkeurige herschepping van de eigen jeugd, maakt grote indruk.’

    Nadat Stormsonate voltooid was, kreeg Verheul kanker. Toen hij daarvan genezen was, werd zijn man, Kees Smit (in zijn boeken Cees genoemd) die hij vanaf de middelbare school kende en met wie hij in 1998 trouwde, ziek. Hij werd mantelzorger, zo schreef hij in Tirade. Nadat zijn man in 2018 overleed, begon hij met schrijven aan deel III van de romancyclus. Maar het ging niet meer zoals voorheen. Verheul schreef, ‘In feite, zo voelde het immers, waren alle publicaties die in de eerste veertig jaar van onze twee-eenheid, tot 2007 onder mijn naam waren gedrukt, een uiting geweest van ons duo. Geen enkel boek, geen krantenartikel ging ter publicatie de deur uit voordat Kees de tekst had gelezen en bekritiseerd.’ Dat hij zo zonder meer een groot deel van de credits van zijn boeken in handen van zijn man legde, nam hem voor me in.

    Het begin van deel III van de romancyclus staat in Tirade 487. Anna en Henreitte begint zo: ‘Om een paar aanknopingspunten te bieden voor de nooit opgehelderde moordzaak die, naar ik me voorstel, in de zomer van 1842 opschudding bracht in het diplomatieke wereldje van heel west-Europa moet ik meer dan een half jaar teruggaan. Weimar. Een herfstdag.’ En ik ga met hem mee. Wat opvalt is een speelse naïviteit en de onderhoudende toon. Nadat ik Kees Verheul ‘ontdekt’ had, werd ik door kenners (je hebt altijd kenners nodig) gretig geadviseerd Een jongen met vier benen te gaan lezen. Dat deed ik, en werd verrast door de openheid en een zekere opgewektheid in zijn schrijven. Jongen met vier benen is een ontwapenend relaas van een speelse (een opmerkelijke toets in zijn werk) jongen die opgroeit in het Twente van de jaren veertig/vijftig. De beschrijving van zijn gevoelens, de (nogmaals) speelsheid waarmee hij in het leven stond.

    Op het Waterlooplein vond ik vorig jaar een mooie uitgave van Het mooiste van alle dingen, Romeinse essays, van Kees Verheul. Deze essays zijn een verweving van herinneringen aan personen en gebeurtenissen uit zijn leven. Hoewel zijn meeste boeken in Rome geschreven zijn, kwam Italië er nooit in voor. In deze essays ontdekte je sporen naar ongekende schrijvers. In zijn boeken verbond Verheul literatuur met zijn eigen leven op een wijze waar ik enthousiast van werd. Ik wilde alles van hem lezen.

    De schrijver terugvinden in zijn werk, het is als een puzzel die nooit af is. Tot de schrijver overlijdt en er niets meer is toe te voegen. Wat ik hoop, is dat de boeken van Kees Verheul nog lang door velen ontdekt zullen worden. Zelf bestelde ik deze week deel II van De Tutchefs.

     

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem.

  • Woest onrustig

    Woest onrustig

    In het oude jaar was er nog een afspraak met de cardioloog. Hij vroeg hoe het ging, ik lachte, zei goed. De cardioloog keek op zijn beeldscherm naar een hartfilmpje, vroeg om mijn pols. Sprak over hartschade, cardioversie (dat klonk als een eerste of tweede versie van een muziekstuk). Nadeel was mijn vrouw zijn, bepaalde leeftijd enzovoort, verder gezond, haha. Toch de kans op propjes in bloedbanen. En dat willen we niet, besloot hij. Nee, nee, dat willen we niet, zei ik hem na. U moet het rustig aan doen, zei hij. Ik moet het rustig aan doen dacht ik, wist even niet meer wie ik was. Ik voelde me goed, maar wie was dan die vrouw waar deze diagnose bijhoorde? Deuntjes van banger hart en bloedend hart speelden door mijn hoofd. Ik liep rustig door de ziekenhuisgangen naar de uitgang, wachtte rustig op de bus. Thuis liep ik in ‘slow motion’ door het huis, legde handdoeken op kleur, schoof wat met meubelen (rustig).

    In een van de vele brieven van Geer van Oorschot, wiens gezondheid niet best was (longontstekingen, hartinfarcten), schreef hij dat de dokter hem bevolen had het kalm aan te doen. Dat hij daar direct woest onrustig van werd. Van Oorschot was een gedreven briefschrijver, schreef soms achttien brieven op een dag, waarvan meerdere aan eenzelfde persoon gericht. Carola Kloos (wie is zij?), was een van de ontvangers van de brieven van Van Oorschot. Ze schreef dat de brieven van Geert een soort van ‘praten’ waren. De eerste brief schreef hij met aanhef, zogauw die op de bus was, schreef hij verder, zonder aanhef. Dat noemde hij ‘nog wat doorpraten’. Soms belde hij eerst op om de brief voor te lezen alvorens hem op de bus te doen. Hij was ook een dwingend schrijver. Aan Kees Verheul schreef hij eind 1975 over de voorbereiding van het januarinummer van Tirade, schrijvers hadden zich teruggetrokken. ‘Heb jij wellicht iets moois voor mij liggen en zo niet zou je dan een kleiner of groter stuk voor me kunnen maken? (Liefst een groter stuk!) Wil je me even bellen?’ 

    Rutger Kopland ontving ooit acht brieven op een dag. ‘Zijn brieven bestrijken een breed scala van toonaarden: dramatische bewondering, strenge vermaning, vriendelijke troost, alles trof ik er in aan.’, schrijft Kopland. Ook dat hij Van Oorschots latere brieven ervoer als geschenken. ‘Wie schreef daar en waarom?’ Ja, gaandeweg het lezen van zijn brieven begin ik me dat ook af te vragen, waarom schreef Van Oorschot zoveel brieven, wie was die man, wat moest hier vervuld worden?

    Op Tirade.nu vind ik een tekst van Carola Kloos. Dat Van Oorschot haar op een vrijdagmiddag in december 1987, twee weken voor zijn dood, belde. Drie maanden daarvoor had ze hem bezocht, had eigenlijk al afscheid van hem genomen. Toen zei Van Oorschot, ‘Ik heb nog twee weken te leven.’ Op die vrijdagmiddag in december, toen hij ver over zijn tijd van leven heen zat, belde hij haar. Het werd een ‘doodgewoon gesprekje’. Voor ze neerleggen, zegt hij, ‘Nou, het ga je goed’. ‘Jou ook, Geert’, zegt zij. En dat hij daar om lachen moest. ‘Ik lachte mee. Nou, daag, zei hij. Daag, zei ik. Dat men zo voorgoed afscheid neemt: daag.’, schreef ze. Dit was sterven in het harnas, ik bewonder deze uitgever, zijn gedrevenheid. En dat je woest onrustig wordt van het advies het rustig aan te doen, dat herkende ik wel.

     

    Uit: Brieven van een uitgever / Geert van Oorschot


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over het snijvlak waar literatuur en het leven elkaar raken.

  • Golfjes

    Golfjes

    Ik verbleef een aantal dagen in een huisje in Amsterdam Noord. Ik paste er op Mio, de kat, hoewel hij best goed voor zichzelf kan zorgen. Ik hoefde alleen maar de tinnetjes voer te openen, zijn bakje te vullen, zo nu en dan een praatje, een aai. Mio is mijn missie, mijzelf uitvinden het doel. Woensdagmiddag  halfvijf stak ik met de pont het IJ over. Ik dacht aan Mercy uit de roman  Franse vlecht van Anne Tyler. Toen de kinderen de deur uit waren ging ze in haar atelier wonen zonder de indruk te wekken dat ze haar man verliet. Ik stelde me voor hoe ik een bestaan elders zou opbouwen, al wil ik mijn man niet verlaten. Mercy bracht elke dag wat spullen van haar huis naar het Atelier. ‘Op dinsdag bracht ze een badhanddoek, een washandje, een stel lakens en een wollen deken mee.’ Tyler schrijft vaker over vrouwen die zich losmaken van familie, er opeens de brui aangeven zoals Delia in Tijd van leven, man en kinderen achterlaat en zich een heel nieuw leven aanmeetOf Rebecca, die zich een vreemde voelt in haar eigen leven in Toen we volwassen waren. Dat begint met ‘Er was eens een vrouw en die ontdekte dat ze in de verkeerde was veranderd.’

    Vrijdagochtend ging ik naar het Waterlooplein. Liep er niet overheen uit vrees mijn broer tegen te komen in de mensen die hem kenden. Ik ging naar het Joods Historisch museum. Beluisterde interviews van bewoners die vertelden over armoede, oorlog, razzia’s, over toen het Waterlooplein nog ‘Het plein’ heette. De interviews die op het Waterlooplein waren opgenomen hadden mijn speciale aandacht. Ik had het eerst niet zo door, maar ik zocht achter de ruggen van de geïnterviewden naar een glimp van mijn broer. Het had gekund dat hij daar toen was. Er waren beelden van de broodjeszaak van Sal Meijer aan de Scheldestraat. Het was er een gezellige bedoening. De tafeltjes allemaal bezet. Je zag een vrouw achter een snijmachine flinters van een homp vlees afsnijden. De gasten zaten achter bordjes vol met vlees belegde broodjes. Ze sneden er met mes en vork stukken af, staken het in hun mond. Als de camera op hen gericht was, lachten ze. Ze zaten er een beetje gebogen bij, toegewijd aan de maaltijd. Ik kreeg ontzettend trek in zo’n broodje, al had ik meer dan veertig jaar geen vlees gegeten, was er de herinnering van vlees tussen een zacht kadetje in mijn mond. Ik zocht naar de Scheldestraat, wilde weten of die broodjeszaak nog bestond. Ik wilde het bestaan van alles zien.

    De dag daarop ging ik weer naar het Waterlooplein, kwam mijn broer tegen in de gedaante van de marktkoopman die ook op zijn begrafenis was. Terwijl ik mijn fiets wegzette, zag ik dat de man naar me keek, weer wegkeek. Keek en weer wegkeek. Ik stapte niet op hem af, vroeg niet naar verhalen over mijn broer, maar dook in een boekendoos een kraam verderop. Ik vond Het mooiste van alle dingen van Kees Verheul waar ik allang naar op zoek was, het moest zo zijn.

    De Franse vlecht gaat over een gezin zonder samenhang. Een kreeg er altijd het kleinste stukje taart, naar een werd nooit geluisterd, een hing er altijd de paljas uit. De zoon zegt: ‘We houden van elkaar, maar mogen elkaar niet.’ Ann Tyler maakt hier de vergelijking met een Franse vlecht. ‘Het begint met twee strengen die je vanaf de slapen heel strak invlecht en naarmate je lager gaat, komen er meer strengen bij en wordt het uiteindelijk een dikke vlecht. (…) En als je de vlecht losmaakt, zitten er golfjes in het haar (…). Zo zitten families ook in elkaar. Je denkt dat je er van verlost bent, maar je kunt je nooit helemaal losmaken; de golfjes zitten er voor altijd in gefixeerd.’ Familie krijg je er nooit meer uit.

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over waar literatuur en het leven elkaar raken.

     

     

  • Deze schrijver

    Deze schrijver

    Bij gebrek aan ‘Boekenmendel’, uit het gelijknamige verhaal van Stefan Zweig over de joodse boekensjacheraar, een levend lexicon ten tijde van de Eerste Wereldoorlog, google ik naar informatie over Kees Verheul. Op wikipedia vond ik een tiental publicaties en vertalingen. En een recensie van T. van Deel over Villa Bermond, deel l van de romancyclus De Tutcheffs.

    Het begon met Tirade die laatst op de deurmat viel, een vrij dunne, maar evengoed met een keur aan bijdragen die niet onderdoen voor een doos exquise bonbons (er is even niets anders bij de hand). Een prozastuk van Delphine Lecompte, ‘Frauke naast de composthoop’, brengt smaken van herkenning door de ‘chagrijnige vroedvrouw’, ‘blinde beiaardier’, ‘weergaloze bietenboer’, ingezet om Frauke, die Lecompte een nier wil aftroggelen, te weerstaan. Er is een prachtig essay van Sander Kollaards over De jaren van Virginia Woolf, dat ik natuurlijk zelf had willen schrijven. Ik las zijn ‘Woolfiaanse choreografie’.

    Wat vindt Kollaard van De jaren van Woolf? Hij vindt het samen met Mrs Dalloway, een paar essays het beste wat hij van Woolf las. In de autobiografie van Leonard Woolf las Kollaard dat hij De jaren geen goed boek vond, maar omdat het Woolf jaren had gekost het te schrijven en Leonard bang was dat ze eraan onderdoor zou gaan, liet hij zich lovend uit over het boek. ‘Zonder de lof van Leonard zou ze het boek denk ik hebben vernietigd en daarmee zichzelf’, schrijft Kollaard. Zijn mooiste oordeel over het boek is wat het spiegelt, ‘de afgronden die steeds weer opengaan tussen mensen, zonder dat ze het willen, (…) en waarin wat er was aan liefde, intimiteit, vriendschap, oprechtheid, (…) kennelijk gedoemd is te verdwijnen.’ Dan Kees Verheul (1940), schrijver, slavist, vertaler, essayist, ik kende hem niet. Zijn bijdrage, ‘De Tutcheffs’, ondertitel: ‘mensen zonder kinderen, notities voor een roman’, is een hernieuwd oppakken van de romancyclus die hij in 1992 begon en in 2006 moest laten liggen omdat hij kanker kreeg. Nadat hij genezen was, werd hij mantelzorger voor zijn man, Kees Smit die aan alzheimer leed.

    Over hun tweeënvijftig jaar samenleven schrijft Verheul, ‘Geen enkel boek, geen krantenartikel ging ter publicatie de deur uit voordat Kees de tekst gelezen en bekritiseerd had.’ Buiten dat hij zijn meelezer mist, is ook zijn schrijven zelf veranderd. Zijn woordkeus, het tempo van zijn zinnen. Er zit niets anders op, ‘mij schikken naar wat ik als tachtiger kan’. ‘Je est un autre – ik is een ander’, zou Verheul als devies boven zijn ‘Uiteindelijk wel of niet voltooide vierluik’ willen zetten. Denkend aan Rimbaud die in mei 1871 ‘deze subliem ongrammaticale zin bedacht’, nog maar zestien was. Waarna de tekst van deel lll begint, lees die tekst in Tirade 487.
    T. van Deel schreef in 1992, ‘Het autobiografische schrijven van Verheul heeft met Villa Bermond een imposante vernieuwing ondergaan. De intensiteit, waarmee hij ‘verzinsels’ (…) vermengd met de nauwkeurige herschepping van de eigen jeugd, maakt grote indruk.’ Inderdaad, grote indruk! Ik vond Kees Verheul in een literair tijdschrift, nu zijn boeken nog. Iemand?

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem, reist met het OV.

  • De zomerboeken van Menno Hartman

    De zomerboeken van Menno Hartman

    Medewerkers van Literair Nederland met hun boeken die meegaan op vakantie of deze zomer in eigen tuin gelezen worden.

    Menno Hartman gaat op vakantie en neemt mee:
    M. H. Székely-Lulofs, Tjoet Nja Din
    Lucy Jones Losing Eden
    R. M. Adams Decadent Societies
    Uwe Johnson Mutmassungen über Jacob
    Kees Verheul Dans om de wereld
    Michael Bond Wayfinding

     

    ‘Kees Verheul ga ik lezen voor een stuk over Joseph Brodsky dat ik wil schrijven. Dus vooruit, de verzamelde gedichten van Brodsky gaan ook nog mee. Verheul heeft Brodsky zeer goed gekend, in augustus als ik alles uit heb ga ik hem daarover een paar vragen stellen. Uwe Johnson als een mogelijk uit te geven vervolg op de magistralevertaling van Een jaar uit het leven van Gesine Cresspahl. Wat een boek is dat, een van de meest veeleisende boeken die we bij Van Oorschot maakten, maar met een heel erg mooi resultaat, dat boek vergeet je nooit meer. Op Wayfinding verheug ik me zeer: the art and science of how we find and lose our way. En de ondertitel van Losing Eden luidt: why our minds need the wild. Ook een beetje vakantie: iets lezen wat je al een beetje weet. Fijne vakantie iedereen!’

     

    Lees hier meer over Menno Hartman.