• Kees ’t Hart en de essentie van het warenhuis als museum en strijdperk

    Kees ’t Hart en de essentie van het warenhuis als museum en strijdperk

    Wie wil een boek lezen waarvan de verteller een consultant is, die het liefst honderduit over zijn werk zevert en vindt dat zijn betoog geen roman mag worden? Wij allen, mits het De Rode Olifant heet en is geschreven door Kees ’t Hart. 

    ’t Hart debuteerde in 1988 met de verhalenbundel Vitrines, waarover later. Geen familie van de bestsellerauteur Maarten, schreef een recensent in die tijd. Zevenendertig jaar en zevenentwintig boeken (romans, verhalen, essays, toneel, poëzie) verder zal niemand deze relatie meer leggen. Als er al een verwantschap zou bestaan is dat met collega P.F. Thomése, met wie ’t Hart korte tijd in de redactie van De Revisor zat. Beide auteurs zijn immers zeer bekwaam in het hanteren van zeer uiteenlopende stijlen en genres. Thomése schreef naast zijn ‘serieuze’ werk de drie slapstick-romans met J. Kessels als hoofdpersoon en in 2007 verscheen zijn roman Vladiwostok! met een spindokter in de hoofdrol, over het politieke bedrijf in Den Haag, de bijbehorende media en andere valkuilen.  

    Als ’t Hart een historisch roman schrijft over Aagje Deken en Betje Wolff, doet hij dat via een hedendaagse onderzoeker die met e-mailberichten strooit. En Wederzijds (2017) is een relaas waarin keurige Haagse burgers langzaam maar zeker politiek radicaliseren en uiteindelijk tot hun verbazing bij een gewelddadige groep terechtkomen. In De revue (1999) wekt ’t Hart het Amsterdamse theater Carré uit de jaren zestig tot leven via een licht schurend liefdesverhaal.  

    Een merkwaardig buitenbeentje

    Voordat we naar De Rode Olifant gaan, moeten we het verhaal ‘Warenhuis’ uit zijn debuut Vitrines bekijken. Daarin vertelt een jongen van twintig dolgraag te willen stagelopen in een warenhuis. Zijn opleiding heeft hij niet heeft afgemaakt, maar wel werkervaring in kampwinkels opgedaan.  Bijzonder is zijn motivering: hij hoopt door de aanwezige vitrines en bakken zijn herinneringen te kunnen ordenen tot een samenhangend geheel. Ik stel het nu wat simpel, de verteller houdt vrij gecompliceerde betogen over zijn herinneringen en die van anderen, vervolgens over herinneringen die een hele keten van andere kunnen veroorzaken etc. Hij schrijft sollicitatiebrieven en wordt soms uitgenodigd voor een gesprek. Vergeefs. Door zijn wat criminele vader en zijn broers wordt hij zowel geholpen als tegengewerkt. Ze moeten vooral lachen om het belang dat hij hecht aan een gele corsage.

    In dit verhaal zien we al de echte Kees ’t Hart opdoemen. De verteller is een merkwaardig buitenbeentje en blijkt ook onbetrouwbaar, want bijvoorbeeld de brieven zijn niet (alle?) verstuurd en die gesprekken hebben niet (alle?) plaatsgevonden.

    Over warenhuizen en winkelcentra

    De Rode Olifant begint met een anonieme consultant voor het winkel- en warenhuismanagement, die door ene dr. H. Fritzen per brief wordt gevraagd om eens te komen praten in de Rode Olifant. Een overbekend gebouw in Den Haag. Er bestaat geen hoge dunk van consultants. Ze verdienen te veel met vaag gebabbel in modieus jargon. Bullshit jobs. Maar net als de kleine minderheid van managers die bij het afscheid met huilende werknemers worden geconfronteerd die hen smeken alsjeblieft toch maar te blijven, zo bestaan er ook bekwame consultants. ’t Hart wekt de geloofwaardig indruk dat zijn verteller zo iemand is.

    Aan de ene kant is daardoor De Rode Olifant een interessant betoog over warenhuizen en winkelcentra, de essentie van retail business, waar over elk detail dient te worden nagedacht. De trekkers zonder welke winkelcentra niet kunnen floreren en het belang van een display. Logistiek als oorlogvoering, de rituelen waarmee het warenhuis lijkt op een museum. Het verrast ons niet dat de verteller was betrokken bij Westfield Mall of the Netherlands in Leidschendam.

    Maar zijn pogingen Fritzen te spreken te krijgen, verlopen moeizaam. Eerst wil de verteller weten wat voor vlees hij in de kuip heeft – ook zijn vriend Pim vindt desgevraagd echter erg weinig daarover. Wel heeft Pim onlangs ene Anna Postvelt ontmoet, die een kantoortje heeft in de Rode Olifant. Een zeer succesvolle standbouwer die alleen nog maar prestigieuze projecten aanneemt als de Arsenale tijdens de Bienale. Behalve in Den Haag heeft haar bedrijf vestigingen in Minneapolis en Parijs. En… zij blijkt ook het jeugdvriendinnetje van de verteller, die haar daarna uit het oog is verloren.

    Honderduit over Zola en Warhol

    We krijgen zijn uitgebreide terugblik die in ieder geval duidelijk maakt dat hij volstrekt geen oudere versie is van de jongen uit het verhaal ‘Warenhuis’. Integendeel. Want enig kind, met een brigadegeneraal als vader en na zijn middelbare school in Nijmegen student aan de KMA en de Erasmus universiteit. Alhoewel, zijn interesse in het warenhuiswezen werd gewekt toen hij als scholier een vakantiebaantje had bij de lokale V&D en met zijn ouders kamperend in Frankrijk bracht hij uren door in de grote supermarkten aldaar. 

    De andere kant van de roman leren we in tussenzinnen kennen, waarmee ’t Hart de spanning prettig opvoert. Een hoofdstuk eindigt bijvoorbeeld met het zinnetje ‘Niet verstandig.’ Waarom? Verder is er af en toe sprake van een ‘advocaat’, een ‘pleidooi’ en een ‘rechtszaak’. ’t Hart schotelt de lezer hierover telkens kleine brokjes informatie voor, net als over een ex die hem ‘emotioneel instabiel’ noemde, zijn ‘woedeaanvallen’, zijn ‘roes’ en ‘pathos’. Brokjes die vragen oproepen, maar ’t Hart leidt de lezer hiervan listig af door de wijdlopigheid van het verslag en de zelfingenomenheid van de verteller als professional. Honderduit vertelt hij over zijn vak en over Émile Zola’s roman Au bonheur des dames (1883) die hij als een bijbel annex handboek beschouwt. Over de dagboeken van Andy Warhol waarin die het over warenhuizen heeft. Over het schilderij Un bar aux Folies Bergère (1882) van Édouard Manet. Dat krijgen we ook te zien, net als de afbeeldingen van de Rode Olifant, waarmee hij zijn geschiedenis van het gebouw illustreert, begonnen als het Petrolea van Esso en eindigend als het bedrijvenverzamelgebouw Traces.

    Man met een opdracht of verovering van een jeugdliefde?

    Als hij de geheimzinnige Fritzen eindelijk ontmoet, blijkt hij een opdracht te krijgen: ontwerp een warenhuismuseum in de Rode Olifant. Dit is geen spoiler, want we zijn pas op drievijfde van de roman en hebben nog allerlei avonturen te goed, onder andere in Parijs en Minneapolis. Op een gegeven moment vraagt de lezer zich af waarover de roman eigenlijk gaat: een man die een moeilijke maar prestigieuze opdracht krijgt of een man die na decennia zijn jeugdliefde probeert terug te veroveren?

    Dan hebben we onze aandacht laten afleiden van de andere kant van de verteller, die van de terloopse zinnetjes die aangeven dat hij even onbetrouwbaar is als de jongen uit 1988. Veel boeken van retail-deskundigen die hij citeert, kunnen we direct op het internet terugvinden, maar andere heeft ‘t Hart verzonnen. Het bedrijvenverzamelgebouw Traces heet in werkelijkheid Spaces. En mag zijn verslag in geen geval een roman worden? Op nog geen vijfde van het boek vraagt hij al, ‘Zou het, na enige omwerking met andere namen, niet ook als roman kunnen worden gepubliceerd? Kent u mensen uit de uitgeverwereld?’

    De afloop – ’t Hart knoopt geloofwaardig diverse verhaallijnen aan elkaar – is vooral te verklaren vanuit de stukjes informatie die drijven in de woordenstroom.

    Een in alle opzichten interessante roman, De Rode Olifant. We hebben Herman Heijermans’ toneelstuk De opgaande zon (1908), waarbij het warenhuis uit de titel verwijst naar de bestaande Bijenkorf, zoals Zola’s warenhuis naar als Le Bon Marché verwijst. Maar het stuk van ’t Hart gaat vooral over de galanteriewinkel die wordt bedreigd door het naburige warenhuis. Het is zowaar spijtig dat de consultant zweeg over het echec V&D. En wat zou hij hebben gevonden van de manier waarop het Rotterdamse warenhuis Ter Meulen is getransformeerd?

     

     

    Lees ook: Victorien ik hou van je
    Theatro Olimpico
    Wim Brands en Kees ’t Hart in wederzijds-interview

     

  • Herinnering als omweg naar de verbeelding

    Herinnering als omweg naar de verbeelding

    Je moet erbij geweest zijn, aan de Waalkade in Nijmegen tussen 1980 en 1992 om het gezien te hebben, de wonderlijke boodschap op een van de onderste bogen van de brug over de Waal die Kees ’t Hart aan het denken zette: ‘Victorien ik hou van je.’ Verder navragen van de schrijver onthult dat het eigenlijk Victorine moest zijn en dat de ontvangster van deze boodschap al lang verhuisd was. Ze wordt alsnog de aanloop voor deze veelzijdige bundel verhalen en ontboezemingen zoals ’t Hart ze noemt, die lopen van het Nijmegen van zijn jeugd tot het vermeende uiterlijk van Madame Bovary of de woordgrappen uit het befaamde Toonbusje. Naast verhalen bevat de bundel ook essays en gedichten.

    Associatief van onderwerp wisselend gaat de schrijver aan de haal met zijn jeugdherinneringen en jongensbegeertes. Dit spel onthult hier en daar quasi-autobiografische gegevens en levert een zeer diverse keur aan onderwerpen op. Hij behandelt zijn eigen werk zijdelings in het verhaal Het proefschrift waar hij opmerkt dat hij in plaats van te wroeten in het verleden liever gebruikmaakt van de verbeelding. Hij doet beide met verve, waarbij de herinnering als omweg dient om bij het verhaal te komen. Beelden roepen sterke associaties op zoals in het verhaal De mitrailleur waar een Droste-blik vol loden soldaatjes hem terugvoert in de tijd. Uit de mist van het verleden doemt ook de figuur op van de moeder van een van zijn vriendjes: ‘Als ik nu lang genoeg naar de twee mitrailleurs naast mijn computer kijk, mijn eigen mitrailleur en die uit Ieper, dan weet ik alles weer denk ik. Als ik maar lang genoeg kijk. Ik hoef er niet over te wrijven. Dan kan ik haar woorden uittekenen, woorden zijn er om uit te tekenen.’ De woorden kunnen verrassen of aanleiding geven tot binnenpretjes. 

    Een dromerige kijk

    De dromerige kijk van de schrijver geeft eindeloos aanleiding tot materiaal om over te schrijven. Daarnaast is hij gefascineerd door zinnelijke details waar lang over wordt nagedacht. Bijvoorbeeld als hij inzoomt op de blik die Flaubert ons meegeeft op Madame Bovary, of in het prachtige verhaal In het Noorden dat in een koortsige beschrijving langs personen en cafés in Leeuwarden voert. Een lichte ironische toets is ook aanwezig in veel van de verhalen, bijvoorbeeld in Na afloop waar hij in korte zinnetjes fantaseert over het verdere leven van romanpersonages. De deur naar de verbeelding en de fictie staat bij ’t Hart altijd op een kier. Zo belooft hij in het titelverhaal niet te schrijven over Victorien, maar hij doet het toch. 

    Dat de schrijver een gulzige lezer is bewijst hij in De lezing. Daar haalt hij er een brede keur aan halfvergeten schrijvers en filosofen bij om zijn lezing over de grondslagen van het schrijven kracht bij te zetten. Ook wijst hij zijdelings op het door hem vermeende verband tussen erotiek en literatuur. Met een luchtige toon behandelt hij het begin van de ziekte genaamd schrijven. Via een uitstapje naar de grafologie en de hoge toppen van Wittgenstein komt hij uit bij de conclusie dat het gegoochel met taal een vorm van magie is. ‘Een symptoom van eindeloze verveling.’ De pathologische schrijver heeft dus iets te verhullen, schrijft zich ‘langs magische weg de wereld in.’ Boeken gebruikt hij het liefst als omweg om uit te komen bij zaken die hem interesseren.

    Hongerig schrijven

    In een kort essay over de poëzie van Gorter, De sporter, is ’t Hart vol bewondering over de schrijftrant van de dichter: ‘Schrijven in de breedte. Luisterend, tastend en kijkend schrijven, hongerig en bloeddorstig schrijven.’ Gorter is de dichter van het lichaam en het erotische en daarin vinden de twee elkaar bij uitstek. De ‘gevoel en lichaamserupties’ van Gorter sluiten aan bij de filosofie van ’t Hart. Zelf schrijft hij hierover: ‘Op begeertegebied is niets een bezit, alles is een droom.’ Het halfzusje is dan weer een verhaal als een dagdroom die als een stroom indrukken voorbijglijdt. Een meisje bouwt in dit verhaal een replica van Graceland en later komt een schilderij van Manet langs, het thema is kijken en bekeken worden. De oplettende blik van de schrijver gaat ook in het verhaal Het hoofddoekje over de kleine details. ‘Geheimzinnig vindt ze het: kijken naar mensen van wie je houdt zonder dat ze weten dat je kijkt.’ In dit verhaal is de blik van anderen de bepalende factor. 

    De bundel bevat ook gedichten en die zijn van wisselende kwaliteit. De humor van ’t Hart is een tikkeltje droog en kan soms wat flauw zijn. Maar de gedachtesprongen die hij maakt zetten altijd aan het denken en hij slaat talloze omwegen in puur om te ontdekken. ‘Zo goed mogelijk dromen, dromerig blijven, dat is bij schrijven zijn uitgangspunt.’ En of het nu over dronken nachten gaat waar hij in de buitenlucht sliep of over het begrip God bij Thomas Mann, ’t Hart haalt alles erbij om zijn oor te luisteren te leggen bij het maatschappelijk leven. Soms ontkent hij wat er gaande is, draait hij om de dingen heen of verzint hij zomaar wat. Dat levert een fijne leesroes op met dit woorddronken proza. Door alle gedachtesprongen moet je er wel een beetje bijblijven, maar ’t Hart weet zijn enthousiasme voor literaire zaken goed over te brengen. ‘Lezen is nodig hebben’ schrijft hij, en van deze ‘schrijfschurk’ neem je het graag aan. 

     

  • Oogst week 36 – 2021

    Hier komen wij vandaan

    In Hier komen wij vandaan van Leonieke Baerwaldt (1985) spelen mensen, dieren en alles daartussenin een rol. Zo koopt een fabrieksarbeider van bijna veertig die nog bij zijn moeder woont een aquarium (‘Als jij vissen wilt, dan moet je dat godverdomme gewoon doen,’ zegt zijn collega), maakt de kleine zeemeermin haar opwachting en bouwen twee geliefden samen een huis. Baerwaldt studeerde filosofie en literatuurwetenschappen. Haar werk verscheen onder meer in De Revisor en Papieren Helden. In 2018 won ze de Grote Lowlands Schrijfwedstrijd. Hier komen wij vandaan is een sprookjesachtig en uniek debuut van een auteur van wie we nog veel gaan horen.

    Hier komen wij vandaan
    Auteur: Leonieke Baerwaldt
    Uitgeverij: Querido

    De dood in Taormina

    Arnon Grunberg (1971) behoeft eigenlijk geen introductie. Hij won sinds zijn eerste roman Blauwe maandagen talloze literaire prijzen, zoals de Libris Literatuur Prijs voor Tirza, de Constantijn Huygensprijs en de Gouden Ganzenveer. Zijn nieuwe boek De dood in Taormina is alweer zijn zestiende roman. Het verhaal gaat over de zesentwintigjarige Zelda, die lokeend was bij een jeugdbende en nu een veel te laat antwoord schrijft op een liefdesbrief. Ze reist met een acteur en een cowboy naar Taormina. In deze roman liggen leugens en waarheid dicht bij elkaar, maar is er ook een rol weggelegd voor vergeving en liefde.

     

    De dood in Taormina
    Auteur: Arnon Grunberg
    Uitgeverij: Nijgh & Van Ditmar

    Victorien, ik hou van je

    Kees ’t Hart (1944) schrijft romans, essays, poëzie en verhalen. Hij was redacteur bij De Revisor en recenseert literaire werken voor De Groene Amsterdammer. Prijzen die hij won zijn onder meer de Ida Gerhardt Poëzieprijs en de J. Greshoff-prijs. In zijn nieuwste boek Victorien, ik hou van je (dat bestaat uit verhalen en ontboezemingen) beschrijft hij uiteenlopende werelden: zo reist hij rond met het muziekgezelschap van Toon Tellegen, koopt hij een neppe mitrailleur in Ieper en schrijft hij over een leven vol lezingen en congressen. Of het nu een examenfeest in de jaren tachtig betreft of een lofzang op het Noorden, Victorien, ik hou van je bevat altijd een positieve toon en een open blik.

    Victorien, ik hou van je
    Auteur: Kees 't Hart
    Uitgeverij: Querido
  • Goethes Stein des guten Glücks

    Goethes Stein des guten Glücks

    Op verzoek van de Franeker Kunst Stichting schreef Kees ’t Hart in 2011 een novelle van 72 bladzijden getiteld Het beeld van Goethe. Die Stichting is opgericht ter bevordering van kunst in de openbare ruimte. De novelle van Van ’t Hart was bedoeld als inspiratiebron voor huidige kunstenaars om het rijke verleden van Franeker te vertalen in moderne kunst. De verhaallijn in deze novelle is identiek aan de verhaallijn in De ziekte van Weimar.

    Het beeld van Goethe

    De senaat van de Academie van Franeker wil in 1807 een monument oprichten ter ere van de wetenschap en maatschappij, omdat de gevreesde sluiting door Napoleon is afgewend. Men heeft het oog laten vallen op een beeld dat in de tuin van het huis van Goethe staat, en wil zijn toestemming vragen om een replica te mogen maken. Dat beeld, Der Stein des guten Glücks geheten, bestaat uit een kubus met daarop een bol. De kubus representeert het rustende, de bol staat voor het beweeglijke, maar omdat de bol rust op de kubus, staat het geheel voor Het Geluk. Je moet het maar weten, maar gelukkig is er Wikipedia.
    ’t Hart situeert zijn roman begin negentiende eeuw wanneer Lodewijk Napoleon Koning van Holland is, de Verlichting over zijn hoogtepunt is en de tijdgeest romantischer wordt. In die overgang tussen twee tijdgeesten is de melancholieke, ietwat neerslachtige en introverte twintiger Albert van Huszen, de hoofdpersoon. Hij lijdt aan voortijdige zaadlozingen, wat zijn verhouding met vrouwen er niet gemakkelijk op maakt. Wanneer hij op afstand een mooie vrouw ontwaart krijgt hij ‘prematuur geschutsvuur’.

    Albert van Huszen is assistent-pedel van de Friese Academie in Franeker; omdat hij zo goed Duits spreekt krijgt hij de opdracht om mee te reizen met enkele senaatsleden naar Weimar om Goethes toestemming te vragen een replica van het beeld te maken. De senaat is diep onder de indruk van dit beeld. Hoewel het beeld niet bijster bijzonder is, geven de diverse senaatsleden er hoog over op en ieder heeft zo zijn eigen hooggestemde uitleg. Goethe heeft het beeld laten vervaardigen als totem, als monument, al blijft onduidelijk wat nu precies zijn bedoeling ermee was.

    Albert van Huszen is verheugd dat hij Goethe gaat spreken. Hij heeft namelijk uit teksten in Das Leiden des jungen Werthers opgemaakt dat Goethe ook lijdt aan ejaculatio praecox. Hij hoopt van Goethe te vernemen hoe hij daar vanaf kan komen. Heeft Albert het bij het rechte eind? Historische bronnen geven daarover geen uitsluitsel.

    Het verhaal

    Het boek bestaat uit twee delen; het eerste deel speelt zich af in Franeker, het tweede deel behelst de reis per koets naar Weimar en vervolgens het wachten op een ontmoeting met Goethe. Het eerste deel is interessant vanwege de beschrijving van het leven van Albert in Franeker en van de maatschappij van destijds. Het boek begint – en eindigt -met zijn bezoek aan een tent waar Indianen uit Noord-Amerika worden tentoongesteld; de wetenschappelijk gefundeerde nieuwsgierigheid naar andere volken past in die tijd. We maken kennis met de leefwereld van Albert met zijn vriendinnen, met zijn zus, met zijn collega’s. Hij is een meester in het schaken en geeft les aan zonen van senaatsleden. ‘Schaken gaf hem het diepste gevoel van geluk. Tijdens het naspelen van partijen had hij soms het gevoel te snappen wat vrouwen voelden. Hij had nog nooit met een vrouw gepaard, ook niet met Louise, wel in haar schoot gelegen en zijn vocht geofferd, al voelde het niet als een offer.’  Hier legt ‘t Hart een bijzonder verband tussen schaken en lust: gaat het over de Verlichting versus de Romantiek?

    In het tweede deel – dat de helft van het boek beslaat – gebeurt daarentegen weinig interessants. Het is vooral een beschrijving van de reis van Franeker naar Weimar, van de ontberingen die het gezelschap onderweg lijdt, van het verblijf in Weimar en de moeilijkheid om met Goethe in contact te komen. Hier toont ‘t Hart zich een reisverslaggever die veel ‘onwetenswaardigheden’ opvoert. Het vergt nogal wat uithoudingsvermogen van de lezer.

    In het eerste deel worden personages opgevoerd die allen volgens de typeringen van Lavater (1741-1801) worden gekarakteriseerd. Lavater was in die tijd beroemd met zijn boek over fysionomie: het karakter van een mens is af te lezen aan zijn uiterlijk en dan vooral aan zijn gezicht. ‘t Hart gebruikt zijn typeringen veelvuldig in het eerste deel om de mensen met wie Albert in contact komt te kenschetsen, maar diept het karakter van de desbetreffende persoon niet verder uit. Lavater was in die tijd heel populair en opmerkelijk is wel dat Goethe niets moest weten van de denkbeelden van Lavater; in Das Leiden des jungen Werthers doet hij diens inzichten af als dweperijen.

    Waardering

    De titel blijft onduidelijk. Bedoelt ’t Hart met de ziekte van Weimar te wijzen op Goethe, die dezelfde ziekte zou hebben als Albert? Of duidt de titel op de chaotische toestand in Weimar in die tijd?
    Met name het tweede deel van het verhaal boeit maar matig. De rode draad, – de reis naar Weimar om Goethes toestemming te vragen voor een replica van het beeld –  is dun, er wordt voortdurend uitgeweid over zaken zonder dat het verband met andere elementen in het verhaal duidelijk wordt. Als lezer wacht je af, maar je verwachtingen worden niet ingelost.

    Tot slot moet je als lezer een behoorlijke kennis hebben over de periode waarin het verhaal zich afspeelt om je te kunnen inleven. De kennissen van Albert worden bijvoorbeeld ingedeeld naar het kenmerk: voor of tegen de onthoofding van Lodewijk XVI in 1793, zonder dat duidelijk wordt wat dat betekent voor de plaats van de betreffende persoon in de maatschappij van toen dan wel zijn karakter of denkbeelden.
    De dunne verhaallijn wordt nauwelijks gecompenseerd door interessante anekdotes, spannende ontmoetingen, leuke gebeurtenissen of wetenswaardigheden, wat het lezen van dit boek weinig vreugdevol maakt.

     

  • Oogst week 38 – 2019

    Zwarte schuur

    Onvoorspelbaar, anders en toch onmiskenbaar Oek de Jong. Dat zijn de eerste geluiden die je hoort over Zwarte schuur, de nieuwe roman van Oek de Jong.
    Zwarte schuur begint met de opening van een tentoonstelling van het nieuwe werk van de succesvolle kunstenaar Maris Coppoolse:

    … ‘Maris sprak kort, zoals hij altijd deed bij openingen. Hij maakte indruk door zijn zware stem met het Zeeuws accent, door zijn forse gestalte en opvallende kop met lange, rechte neus, zwarte haren, met grijs doorschoten, en helblauwe ogen. Hij leefde al bijna veertig jaar in grote steden, maar je kon nog altijd aan hem zien dat hij van het platteland kwam en dat zijn mannelijke voor- ouders boeren en landarbeiders waren geweest, net zo uit de kluiten gewassen als hij en met net zulke grote handen. Op deze avond in september hing er bovendien de aura van een grote ten- toonstelling om hem heen – vijftien zalen met schilderijen, het werk van een half leven – en van een al weken durende voorpubliciteit.’

    Maar dan wordt pijnlijk duidelijk wat hem al die jaren heeft geïnspireerd, een catastrofe uit zijn jeugd, waar hij al die jaren mee heeft moeten omgaan.

    Zwarte schuur gaat over dit leven van de kunstenaar, zijn huwelijk en zijn jeugd. Binnenkort hier een recensie.

    Zwarte schuur
    Auteur: Oek de Jong
    Uitgeverij: Atlas Contact

    Sal

    Een jong meisje wil haar jongere zusje beschermen tegen haar vader. Koste wat kost. Bijna een jaar lang bereidt zij daarom een vlucht voor. Ze steelt een landkaart uit de schoolbibliotheek. Met gestolen creditcards koopt ze een kompas, een goed mes, regenjassen en een ehbo-set. Ze informeert zich op het gebied van overlevingstechnieken en leert zichzelf hoe ze een schuilplaats kan bouwen en vuur kan maken. Maar de praktijk is weerbarstiger dan de theorie. Het wordt een strenge winter en haar zusje heeft een arts nodig.

    Dit bijzondere verhaal dat zich afspeelt in de barre Schotse natuur is het debuut van Mick Kitson (1962). Deze journalist werd op zijn 40ste leraar. Uit onvrede over de boeken op de leeslijst van zijn leerlingen schreef hij Sal dat meteen een groot succes werd.
    Sal werd o.a. door The Scotsman bekroond tot een van de ‘Beste Schotse Boeken van 2018’ en The Guardian schreef: ‘Sal is an ambitious and skilled novel. Literature needs more stories like this.

     

    Sal
    Auteur: Mick Kitson
    Uitgeverij: Uitgeverij Cossee

    De ziekte van Weimar

    Ook Kees ’t Hart vindt het belangrijk dat middelbare scholieren goede literatuur op hun lijst zetten. Hij heeft in ieder geval dit voorjaar meegedaan aan de serie ‘De ideale leeslijst’ in een toe te juichen serie in de Groene Amsterdammer afgelopen voorjaar.

    ’t Hart zet zich ook in Den Haag in voor de literatuur. In het Nationale Theater organiseert hij samen met Hans Muiderman het programma Over boeken. Drie verschillende gasten praten onder leiding van Kees ’t Hart over drie boeken. Tussen de gesprekken door is er livemuziek, een debuterende schrijver en maken de toeschouwers kans op een gratis boek. De volgende editie van Over boeken is op 2 oktober a.s.

    Maar het gaat hier natuurlijk om zijn nieuwe roman, De ziekte van Weimar. Deze keer speelt het verhaal zich af in 1807 in Franeker. Aan de Academie aldaar komt geld vrij voor de oprichting van een monument ter ere van de nieuwe wetenschap en maatschappij. Men is diep onder de indruk van een beeld in Goethes tuin in Weimar. Albert van Huszen reist daar per koets heen, vergezeld door de leden van de Franeker ceremoniële commissie om er met de schrijver en wetenschapper te overleggen over een replica van het beeld. Op te richten in Franeker, maar dan groter en grootser.
    In Weimar heerst na de Slag bij Jena van 1806 nog steeds chaos. Bovendien verdringen tientallen bezoekers zich voor Goethes huis; iedereen wil bij hem op audiëntie. Hij laat zich zelden zien. De tijd dringt als Albert erin slaagt hem te spreken.

    De ziekte van Weimar
    Auteur: Kees 't Hart
    Uitgeverij: Querido
  • Wel of niet lezen

    Wel of niet lezen

    De afgelopen jaren ben ik geïnteresseerd geraakt in gedwongen migratie en de daarmee samenhangende problemen. Het levert soms stress op. Er lijkt een tsunami aan literatuur over me te worden uitgestort. En dan denk ik vooral aan romanciers die het als thema kiezen. Het idee vliegt me wel eens aan: hoe hou ik dat allemaal bij?
    In zijn nieuwste roman Zuivering van Tom Lanoye neemt hoofdpersoon Gideon Rottier een Syrisch vluchtelingengezin in huis. Moet ik dus lezen. Van mezelf. Het zal er nog wel van komen, al is het maar omdat ik Lanoye om zijn taal graag onder ogen heb.

    Ik heb het over dit boek vanwege een recensie in De Groene door Kees ’t Hart (die zelf in De keizer en de astroloog in zekere zin ook over een vluchteling schreef, maar dan van een heel ander type). Hij vraagt zich af wat Lanoye eigenlijk wil met zijn roman: ‘Moet ik aan het denken worden gezet over kwesties waarover ik het al lang met hem eens ben?’ En even verder: ‘In romans hoop ik altijd op rare invallen, een krankzinnig idee, een overdreven visie die nergens op slaat, een verwoestende blik (…) Ik hoop op romans waarin het erom gaat ongelijk te krijgen’.

    Het deed me denken aan de falsificatietheorie van Karl Popper, die kritisch onderzoek eist: is datgene waarover we het eens lijken te zijn wel houdbaar? Maar ik greep ook terug naar een passage die ik me herinnerde van Bohumil Hrabal in zijn Praags ironie. Hij blikt daarin terug op wat hij in zijn leven schreef: boeken boordevol reflecties en metaforen, maar ook boeken met kale zinnen. Boeken waar hij doodsbang voor was en boeken waarom hij moest lachen. Bellettrie naast journalistiek werk. Boeken waarin zijn levenslot besloten lag maar ook boeken die louter vermaak beoogden. Ik hou van Hrabal en ik weet dat ik me bij diens passage afvroeg of ik dat allemáál zou willen lezen.

    Kees ’t Hart stelt een boeiende persoonlijke onderzoeksvraag. Waarom zou ik de nieuwe Lanoye willen lezen? Wat is het precies waarom ik van Hrabal hou? Op deze vraag heb ik wel een antwoord (hoewel ik lang niet alles van deze Tsjech ken): hij voert me mee op gedachtestromen die me voortdurend confronteren met mijn eigen wijze van denken. Hij biedt mij vooral ‘de rare invallen’ waarover ’t Hart het heeft. Hij blijft nog steeds nieuw voor me.
    Het is lastiger om dat van Lanoye (ook van hem las ik niet alles) te zeggen. Een taalvirtuoos, dat is hij zeker. Hij weet me te vangen. Maar hij verrast me niet altijd. Zijn Gelukkige slaven vond ik spannend, geraffineerd opgezet. Maar ben ik er veel wijzer van geworden over stroperij, jacht op neushoorns, illegale handel en fraude?
    Ik zal Zuivering waarschijnlijk lezen. Maar ik hoop wel – weer in de woorden van Hrabal – ‘achter dingen van de wereld te komen die ik niet weet…’


    Adri Altink recenseert voor LiterairNederland en heeft belangstelling voor (cultuur)geschiedenis. Hij werkt als vrijwilliger met vluchtelingen. Zijn ervaringen daarmee deelt hij in zijn columns.

  • Ironie en hilariteit spatten van de bladzijden af

    Ironie en hilariteit spatten van de bladzijden af

    In de Nederlandse steden leven mensen opeengepakt en hebben ze last van elkaar. Met lang niet alle, o zo hinderlijke kwesties in de samenleving kan de politie zich bemoeien. Dan maar het recht in eigen hand nemen. Deze, uit de media overbekende gegevens heeft Kees ’t Hart als uitgangspunt van zijn nieuwe roman genomen en verrassingsvol uitgewerkt.

    Net als Wederzijds – zoals de nieuwe roman van ’t Hart heet – houden krantenberichten veelal geen moraal of levensles voor. Ook in de verteltrant krijgt het boek iets van de objectief aandoende registratie van gebeurtenissen in een artikel in Metro of Volkskrant. Het is namelijk een dagboekachtige verslag met beknopte dialogen en beschrijvingen in korte zinnen. Aan het woord is de ik- en hoofdfiguur. Hij werkt als conrector op een school en deelt zijn leven met een veel jongere vrouw die zijn leerlinge is geweest. Ze wonen in een drukbevolkte straat in een wijk bij het Haagse Centraal Station. Ouder wordend staat deze jeugdig gebleven onderwijsman nog midden in de maatschappij.

    Dat zijn middelmatige buurt er evengoed een in Utrecht of Maastricht zou kunnen zijn geeft aan de roman iets universeels gedompeld in een lokale en wat benepen geur en kleur. Het dagelijks bestaan in een Nederlandse volkswijk is aldus voortreffelijk getypeerd. De Haagse vereniging ‘Wederzijds’ tegen geluidsoverlast, bekladding of brandstichting met afdelingen elders in het land opereert net zo anoniem als de daders tegen wie ze optreedt. Het lik op stukbeleid van de vereniging werkt. Wie lid wordt is dadelijk van zijn probleem af maar krijgt er wel een nieuw probleem voor in de plaats door de verplichting tot ondergrondse acties over te gaan tegen andermans schade.

    De flitsende dialogen in de rapportage van de hoofdpersoon lijken woordelijk opgetekend uit de mond van zijn medemensen. De personages typeren zo zichzelf en hun levensechtheid wordt nog vergroot door in hun beschrijving bepaalde trekjes bij herhaling te accentueren. Ironie en hilariteit spatten van elke bladzijde af, zeker ook van de passages waarin de geheimzinnigheid rond ‘Wederzijds’ als een strop om de nek van de verteller ligt. De naam van vereniging suggereert saamhorigheid maar biedt haar leden slechts vervreemding en verdeeldheid. Een minimaatschappij die nauwelijks van de officiële samenleving verschilt of die de grimmigheid en kilheid van alledag verhevigd weerspiegeld. Arme, naar communicatie hunkerende hoofdfiguur! Zijn nieuwe ‘vrienden’ houden er omgangsvormen op na waar de wrevel tussen mensen in de gewone samenleving bij verbleekt.

    Het middel tegen overlast dat ‘Wederzijds’ biedt wordt gaandeweg erger dan de kwaal. Van welke vereniging is de vertellende ik nu precies lid? Om die vraag te beantwoorden moet hij allerlei zijpaden inslaan. Hij vindt echter niet wat hij zoekt. Elke zekerheid is al snel geen zekerheid. De organisatie tegen overlast is ongrijpbaar en ondanks de weerzin ertegen kan de hoofdpersoon niet uittreden. Sterker nog, de strop om zijn hals wordt langzaam maar zeker tot stikkens toe aangehaald.

    De ik-figuur onderzoekt met een kinderlijk oog voor detail hoe ‘Wederzijds’ in elkaar zit. Zijn verslag gaat echter over veel meer dan de vereniging waarvan hij lid is sinds er gedonder was met graffiti bij zijn huis. De ondoorgrondelijkheid van ons bestaan is het eigenlijke onderwerp van ’t Harts roman. De hoofdpersoon krijgt vage taken in de maag gesplitst door medeleden die volstrekte vreemden voor hem blijven. Zelfs wanneer hij samen met hen klussen klaart blijft de Wederzijds-club ongrijpbaar. Zo rijdt hij met twee anderen naar een overlastveroorzaker in een verderop gelegen wijk. Ze vervoeren in een kooi een roofvogel die een van hen tussen de tralies door te grazen neemt. Als de vogel naar buiten wordt gebracht om daar te worden losgelaten blijft de ik achter in de auto met het gewond geraakte medelid:

    ‘Waar woon je?’ vroeg ik haar.
    ‘Dat zeg ik niet,’ zei ze. ‘Ik heb mijn buik vol van Wederzijds, ik houd ermee op. Dit is al de derde keer dat zoiets gebeurt.’ Ze liet me haar pols zien. Roy stapte weer in. […]
    ‘Hier vlakbij zit vast een duivenmelker,’zei hij, ‘en duiven hebben een gloeiende pesthekel aan roofvogels. […] Daar ga je dan met je wedstrijdvoorbereidingen.’

    Dit fragment illustreert de levensechtheid van ‘t Harts dialoog en de hilariteit die zijn (simpele) zinnen oproepen. Boven het boek zweeft aanhoudend een sfeer van menselijke eenzaamheid en grimmige cultuurimpasse die door een luchthartige schrijfwijze ‘verteerbaar’ wordt. De in ruim 200 bladzijden voorbijglijdende zwarte wolken boven het hoofd van de verteller doen de lezer glimlachen en soms zelfs schaterlachen. De roman is zoals gezegd veel meer dan een verhaal over een (mysterieuze) vereniging. Evenals in andere boeken van ’t Hart draait het om de thematiek van de raadselen die ons omringen. Telkens weer moeten vaste standpunten verlaten worden om er nieuwe voor in de plaats te stellen.

    In de laatste bladzijden van de roman Wederzijds krijgt de hoofdpersoon de zekerheid die hij steeds heeft gezocht. Maar wie goed leest ziet ook hier een vermakelijke ironie hoogtij vieren.

     

     

  • Concept als excuus

    Concept als excuus

    Het gelukkige schrijven is een bundel van 35 essays. In deze bundel probeert Kees ’t Hart zijn vinger te leggen op wat nu precies ‘het gelukkige schrijven’ is. Hij pretendeert niet het gelukkige schrijven ooit zelf bereikt te hebben. Zo is hier een zin uit het eerste essay: ‘Daarom is dit geen gelukkig essay, omdat het veel te opzichtig over het gelukkige schrijven reflecteert.’ Hiermee hebben we meteen al de eerste eigenschap van het gelukkige schrijven te pakken, maar dit maakt nog niet veel duidelijk.

    Verderop in het boek komen er nog meer eigenschappen aan bod. Zo schrijft ’t Hart dat het gelukkige schrijven gaat om het in stand houden van onschuld, het bestrijden van evidenties, dromerig willen zijn, het ondergraven van vanzelfsprekendheid. Hij blijft niet alleen bij het gelukkige schrijven, maar gaat ook verder naar de gelukkige schrijver, het gelukkige lezen, musiceren en schilderen. De gelukkige schrijver moet niet te veel nadenken, maar gewoon schrijven. Hij moet ongelijk blijven hebben, verbazen en boeien, gelukkig maken. ‘De gelukkige schrijver wil niets betekenen en demonstreert dat keer op keer in het volgende boek.’ De gelukkige schrijver schrijft om te vergeten net als de gelukkige lezer leest om te vergeten en niet om te leren.
    ‘t Hart  suggereert dat als de gelukkige schrijver maar gelukkig schrijft, het gelukkige lezen hier als vanzelf uit voort zal vloeien. Veel duidelijker dan dit wordt het concept van het gelukkige schrijven helaas niet omschreven.

    Vergelijkbare werkwijze
    Kees ’t Hart (1944) is schrijver van romans, recensies, essays en gedichten, maar hij is ook neerlandicus. Hij heeft aan de Universiteit van Amsterdam Nederlandse taal- en letterkunde gestudeerd en zijn achtergrond in de taalkunde komt in dit boek goed naar voren in de korte analyses van gedichten of andere stukken tekst. Dat hij zeer geboeid is door het schrijfproces werd al eerder duidelijk in het boek De kunst van het schrijven (2007). In dit boek interviewt hij vijf auteurs en analyseert hij aan de hand van het interview de eerste pagina van hun roman.

    In dit boek is zijn werkwijze vergelijkbaar. ’t Hart legt het concept van het gelukkige schrijven uit aan de hand van verschillende schrijvers en hun werken. In de boeken van Mark Twain, Herman Gorter en Vincent van Gogh vindt ’t Hart het gelukkige schrijven. Karel van het Reve, en zijn drang om altijd zijn gelijk te behalen, wordt als voorbeeld gesteld van hoe het niet moet. Het boek bewijst een grote belezenheid van Kees ’t Hart. Er worden veel (grote) namen genoemd en veel verschillende werken behandeld, maar laat dit geen reden tot afschrikken zijn. Het is niet nodig al de genoemde werken gelezen te hebben om het punt van ’t Hart te begrijpen. Sterker nog: hij schrijft soms zo enthousiast en aanstekelijk dat je al de genoemde verhalen, gedichten en boeken zelf wilt gaan (her)lezen.

    Een beetje veel van het goede
    De boeken en andere werken die worden genoemd, moeten dienen als argument om zijn theorie over het gelukkige schrijven te ondersteunen. Maar naarmate het boek vordert lijkt het gelukkige schrijven steeds meer op de achtergrond te raken. Het lijkt bijna een excuus om het te kunnen hebben over de auteurs en hun werken. Wat op zich alsnog zeer interessante lectuur oplevert, maar men hoeft dus geen stappenplan richting het gelukkige schrijven te verwachten.

    De essays zijn lekker los en vlot geschreven. Het verhaal over de ontmoeting met een van zijn favoriete schrijvers, de analyse van het werk van Brusselmans, achtergrondverhalen bij schrijvers en hun werken, de brieven van Van Gogh, het is allemaal heel vermakelijk om te lezen. Ook komen er in het boek nog wat interessante vraagstukken naar voren over bijvoorbeeld lerarenliteratuur. ‘Een leraar of lerares is in literatuur (en film) in principe iemand die niets kan en dat altijd probeert te verbergen achter idealistische of rancuneuze of excentrieke façades.’ Waar komt dit idee vandaan?

    Het gelukkige schrijven is een interessant en vermakelijk boek om te lezen. Zonde is dat ’t Hart in zijn essays soms kwantiteit boven kwaliteit verkiest, en zijn analyses soms meer de breedte dan de diepte ingaan. Toch is het boek een aanrader. Het ergste dat kan gebeuren, is dat je na het lezen van dit boek de ander genoemde werken ook wilt lezen.

     

     

     

  • Misverstand als stijlmotief in een meesterlijk boek

    Misverstand als stijlmotief in een meesterlijk boek

    Het heeft zo z’n charme, enthousiastelingen die op een uitnodiging ingaan waarvan ze de omvang niet bevatten. Die pas achteraf weten wat ze beter niet of juist wel hadden moeten doen. Vaak schieten ze er financieel bij in. Maar achteraf doen ze er graag, voor wie het horen wil, tot in detail verslag van hoe en waar het fout ging. Met als enige doel het groteske van hun bestaan weer te geven.

    Na het lezen van de eerste zin in Teatro Olimpico, krijg je het gevoel met zo iemand van doen te hebben. ‘Ruim twee jaar geleden, op 20 augustus, maakte ik na onze Rousseau voorstelling in het Theater aan het Spui in Den Haag kennis met Jim Staborowski.’ De toon dat er iets niet klopt, zit er al in. Alsook de toon van iemand die met genoegen oude koeien uit de sloot haalt om ze druipend van het slijk, voor het voetlicht te brengen.

    Onbetrouwbaar type

    De twee Haagse Rousseau adepten en theatermakers, Hein en Kees, hebben drie voorstellingen getiteld Rousseau opgevoerd. Met redelijk succes. Dan worden ze benaderd door een enthousiaste Italiaanse producent. Hij nodigt hen uit hun experimentele stuk op te voeren tijdens het jaarlijkse Rousseau festival in het oudste theater van Europa, Teatro Olimpico in Vicenza, Noord-Italië. Kees vindt de man een onbetrouwbaar type: ‘(…) hij leek me iemand die uiteindelijk toch met allerlei vernederende opmerkingen zou komen aanzetten over de belichting en het speelplan van Rousseau.’ Maar als ze veertien dagen later door diezelfde man gebeld worden dat het voor elkaar is, dat ze zelfs twee voorstellingen mogen geven in het Teatro, gaan ze zonder bedenkingen over tot de realisatie daarvan.

    Het begint met de titelverandering door de Italianen. Rousseau, wordt Il Morte di Rousseau. De eerste van vele ontgoochelingen. ‘We waren woedend. Echt woedend. (…) Maar er was niets aan te doen.’ Waarna ze ervan uitgaan dat als ze verder geen concessies hoeven te doen, alles nog mogelijk is. Maar er is geen sprake van wel of geen concessies doen. Al snel blijkt dat hun voorkeuren niet echt van invloed zijn op de uitvoering. Toch gaan ze door. ‘We gingen te luchtig om met de problemen. (…) Het Teatro Olimpico was een droom en die droom moest uit komen.’

    Achteraf ingediend subsidieverzoek

    Teatro Olimpico is geschreven in de vorm van een subsidie-aanvraag. Een subsidieverzoek achteraf ingediend wel te verstaan, want de kosten zijn al gemaakt. In werkelijkheid kan dit niet maar in de wereld van Kees ’t Hart is alles mogelijk. Hij schrijft het zo vanzelfsprekend en overtuigend, dat je er bijna overheen leest. ’t Hart gebruikt graag (denk aan Engelvisjes & andere verhalen (2010)) fictie en non-fictie door elkaar. Zoeken naar de non-fictieve geloofwaardigheid van zijn verhalen is niet nodig. Want of ’t Hart (deels, of helemaal) ze zelf beleefd heeft, voegt niets toe aan de waarde van zijn verhaal.

    Vanaf het moment dat ze uitgenodigd zijn om naar Italië te komen, hebben ze geen moment rust meer. Het stuk moet vertaald worden (gemaakte kosten schieten ze ‘wel even’ voor). Er moet een Italiaans sprekende acteur aangetrokken worden (daarover later meer). De vrachtwagen voor het decor moet gehuurd worden en zo meer. Maar bovenal plegen ze talloze telefoongesprekken in gebrekkig Engels met, vermoeden ze, gezaghebbende personen uit de Italiaanse theaterwereld. Er is nog geen contract getekend en ze zijn al tienduizend euro armer. De verwarrende communicatie leidt tot tenenkrommende, maar ook lachwekkende toestanden. De misvattingen bouwen zich in zo’n rap tempo op dat een fiasco onafwendbaar wordt.

    En hier voel je het plezier in het schrijven van ’t Hart. Het toewerken, door middel van allerlei toestanden, naar een onvermijdelijke mislukking. Eén van die toestanden ontstaat wanneer een Italiaanse acteur onaangemeld bij Kees op de stoep staat. ‘Bernardo bleek een aardige en vrolijke jongeman, met als nadeel dat hij juist daarom bijzonder ongeschikt was voor de rol van Rousseau. (…) We stelden ons onze Rousseau altijd voor als een enigszins bleke, pafferige, weinig toegewijde, zelfs wat slappe figuur, die geen meningen had (…)’. Maar dat zegt hij niet:’Ik wilde hem niet voor het hoofd stoten. (…) Achteraf gezien denk ik dat we hem aan het lijntje hebben gehouden. (…) Vooral mijn opmerking dat we nog “iets van ons zouden laten horen” zat me dwars.’

    Strooien met personages en functie

    In het eerste deel Den Haag wordt er royaal met personages en bijbehorende functies gestrooid alsof het handenvol pepernoten zijn. Het werkt verwarrend al die Italiaanse namen waarvan niet duidelijk is wat ze nu eigenlijk doen. En net wanneer je opgeeft om het bij te houden, richt de verteller zich bij opening van het tweede deel Vincenza, tot de lezer. Het is net alsof je interactief bij het verhaal betrokken wordt. Hein wees me erop dat in dit verslag veel namen voorkomen. Af en toe is onduidelijk wie wie is. Wij hadden er in het begin ook moeite mee. Daarom hieronder een lijstje van de namen tot nu toe, met daarachter hun functie of rol. Waarna een lijst van zo’n dertig namen plus functie volgt. Die je dan vervolgens niet leest omdat dan al begrepen is dat het in Teatro niet om die personages gaat maar om de ik-verteller. 

    In het derde, deel De première wordt Il Morte di Rousseau opgevoerd. Het Italiaanse publiek smult ervan. Het is een groot succes. Voor Hein en Kees was het verworden tot je reinste volkstheater. En dat was nu net waar ze absoluut niet voor stonden. ‘Er was niets van terecht gekomen, we hadden alles op z’n beloop gelaten, we hadden gefaald. (…) Niemand anders dan wij waren verantwoordelijk. Wat moesten we doen? De uitvoering van morgen afblazen? (…) Ik liet mijn tranen de vrije loop terwijl de toejuichingen op ons neerdaalden.’

    Terug in Nederland ontvangen ze een rekening van tienduizend euro van  het Teatro voor gemaakte personeelskosten. Zelf hebben ze er dan al bijna twintig duizend euro in gestoken. Maar zoals de ik-verteller laat weten: ‘De voorstelling móést er komen. (…) Ik hoop dat u daar begrip voor hebt. We konden niet meer terug.’

    Teatro Olimpico is een meesterlijke proeve van vertelkunst en manipulatie van de lezer. ’t Hart heeft zich zichtbaar uitgeleefd in het in scène zetten van- en aansturen op misverstanden. Vanaf de eerste bladzijden proef je al dat het hem er om te doen is deze onderneming van de twee Haagse Rousseau liefhebbers in een fiasco te laten eindigen. Hij is daar zeer wel in geslaagd.

     

     

  • Hernieuwde belangstelling voor Hitchcock

    Hernieuwde belangstelling voor Hitchcock

    Zelden kom je een boek tegen waarvan het lezen zo wordt gekleurd door omslag, titel en flaptekst als Hotel Vertigo van Kees ’t Hart. ‘Een eerbetoon aan Alfred Hitchcock,’ staat er op de achterkant, en de voorkant toont de originele filmposter uit 1958 van zijn klassieker Vertigo, vorig jaar nog uitgeroepen tot beste film aller tijden door the British Film Institute.

    Alfred Hitchcock? De naam van the master of suspense doet vermoeden dat we hier met een thriller te maken krijgen, in elk geval met een moord, misschien aangevuld met wat horrorelementen, schokeffecten en een voorzichtige hint naar het bovennatuurlijke. Misschien moeten we de film (opnieuw) zien voordat we aan deze roman beginnen. Nu is dat laatste aan te raden, maar hoogstwaarschijnlijk om andere redenen dan de lezer vooraf vermoedt.

    ’t Hart vertelt het verhaal van Vincent van Zandt die San Francisco bezoekt. Hij is inmiddels gepensioneerd en combineert een klusje voor zijn voormalig werkgever met een zoektocht naar sporen van zijn jeugd. Als middelbare scholier nam Vincent deel aan een uitwisselingsprogramma en woonde hij enkele maanden in San Francisco. Dat was in 1957, het jaar dat Hitchcock in dezelfde stad Vertigo opnam. De gepensioneerde Vincent logeert nu in Hotel Vertigo, één van de belangrijke locaties in de film.

    Waar Vincent nu precies naar op zoek is, blijft wat onduidelijk. Het idee dat hij na lange tijd terug is in de stad van Hitchcock en van zijn oude liefde, het meisje Lee Jones, vervult hem in elk geval met een merkwaardig soort opwinding.  Hij wordt niet moe om alle mensen die hij tegenkomt te vertellen dat hij eerder in deze stad is geweest, en toen deel heeft uitgemaakt van een filmploeg die opnames maakte voor Vertigo.

    De opwinding die Vincent ervaart is misschien wel het best te verklaren door zijn grenzeloze bewondering voor Hitchcock. Maar het is niet de Hitchcock van spanning, schokeffecten en grote steracteurs. Vincent is vooral gegrepen door de manier waarop gebouwen door de Engelse regisseur in beeld werden gebracht. Hij is overigens niet de enige met die fascinatie. Achterin de roman wordt verwezen naar het boek The Wrong House van Steven Jacobs dat de architectuur in Hitchcocks films beschrijft, en de foto’s op deze blogpost laten zien dat de beelden uit de film zonder personen een bijna geheel eigen verhaal lijken te vertellen.

    ’t Hart heeft zich merkbaar voorbereid en ingelezen voordat hij aan de roman begon. Hij strooit gedoseerd met feitjes, analyses en suggesties voor interpretaties, met name maar niet uitsluitend, over Vertigo en het werk van Hitchcock. Het decor van Vincents belevenissen als uitwisselingsstudent wordt gevormd door de vage randen van min of meer bekende feiten en gebeurtenissen. Veel ‘feiten’ uit het leven van Vincent zijn net even anders dan we via bijvoorbeeld Google te weten kunnen komen. Zo heeft Vincent een baantje gehad in de filmploeg van Vertigo, maar wel in de zogenaamde second unit, die zonder de meester ooit te zien, op eigen houtje opnames van gebouwen en interieurs moest maken. En Vincent komt in huis bij een man die rechtsreeks betrokken is bij de eerste stappen van Synanon (een organisatie met sekteachtige trekjes die zich bezighield met hulp aan verslaafden en vooral bekend werd in de jaren zestig). Ook kruist Vincent het pad van de Beat Poets, al heeft hij geen idee wie die vechtende dichters in het café nu eigenlijk zijn.

    ’t Hart zoekt dus de randen van bekende feiten op en gaat soms expres over een randje heen. Zo wordt Vincent aangetrokken door de filosofisch aandoende aanwijzingen van Hitchcock, in de draaiboeken voor de second unit, maar ze zijn door ‘t Hart verzonnen. En Synanon begon in werkelijkheid in Los Angeles, niet in San Francisco. Zo zijn er wel meer kleine verzonnen wetenswaardigheden die het boek speels houden en tegelijkertijd nieuwsgierig maken naar de grens tussen het einde van de fictie en het begin van de waarheid.

    Lange tijd blijft de verleiding groot om het verhaal op één of andere manier te vergelijken met de film, of althans met elementen daarvan. Maar goed beschouwd heeft Hotel Vertigo helemaal niets met een Hitchcock-film gemeen. Er vloeit geen bloed, er wordt niet aan het bovennatuurlijke gerefereerd en plotselinge schokeffecten komen ook niet voor. Er vindt zelfs geen moord plaats en toch werkt de suggestie dat het verhaal op één of andere manier in de film gespiegeld kan worden.

    Wie op zoek is naar allerlei bedachte dwarsverbanden heeft, na afloop bitter weinig in handen. Ja, Vincent heeft een soort omgekeerde hoogtevrees, vergelijkbaar met de hoofdpersoon in de film, en ook komt hij een vrouw tegen die zich voordoet als het vrouwelijk personage in de film, dat zich ook al voordeed als iemand anders. Maar veel verder dan dergelijke aardigheidjes gaat de vergelijking niet op en dat is misschien maar beter ook. Nu is het vooral de nieuwsgierigheid naar feitjes, naar de jaren vijftig, San Francisco, Synanon, en vooral naar Hitchcock en zijn films, die wordt aangewakkerd.

    Ook in stijl en beeldopbouw doet ’t Hart niet denken aan de zorgvuldig geconstrueerde shots van Hitchcock. ’t Hart schrijft korte, eenvoudige zinnen en is zeker geen mooi-schrijver.

    Kritiek kun je hebben op de nogal vlakke manier waarop de personages zijn uitgewerkt. Zoals gezegd, wat Vincent nu na al die jaren hoopt te vinden in San Francisco, is wat onduidelijk. Zoekt hij Lee Jones? Was hij werkelijk verliefd op haar? ’t Hart beschrijft hoe de jonge Vincent ‘het besluit neemt op haar verliefd te worden,’ en later aan zijn liefde voor haar twijfelt. Bovendien begint hij een wel heel zakelijke, seksuele relatie met een veel oudere vrouw. Zo veel kan Lee dan toch niet voor hem betekenen, ga je denken.

    Ook de slotscène waarin alle personen van de roman bij elkaar komen, komt wat bedacht over. ’t Hart ontleende de scène aan Goethe’s roman Wilhelm Meister wat het kunstmatig karakter wel enigszins verklaart.

    Er gaat een merkwaardige suggestie uit van Vertigo bij het lezen van Hotel Vertigo. Het is ook niet helemaal duidelijk of ’t Hart zich volledig bewust geweest is van de invloed van de film tijdens het schrijven. Natuurlijk speelt hij met de film, maar daar is de enigszins vervreemdende sfeer die over betrekkelijke gewone gebeurtenissen ligt, nog niet helemaal mee verklaard. Het doet er ook niet toe. Het resultaat is een opmerkelijk roman die niet beter of slechter is dan de film, maar er iets aan toevoegt, al is het alleen al onze hernieuwde belangstelling voor Hitchcock.

     

     

  • Water dat niet meer bewoog – Extaze 2011 – 0

    In een tijd dat het voortbestaan van literaire tijdschriften op losse schroeven staat verscheen in april het nieuwe literaire tijdschrift Extaze. Dat getuigt van lef, maar niet zonder reden. De inhoud is  van een gehalte waar je stil van wordt, en geniet. Hemelbestormers uit liefde en passie voor de literatuur, Haagsche literatuur wel te verstaan. Zelf vonden ze het ook een gotspe, om de literatuurgod van Nederland te tarten, want zo voelt het toch wel. Als ware Titaantjes willen zij de (Haagse) literatuur een kontje geven. Hup naar boven, bestorm die hemel.

    Vanuit de behoefte de literaire leemte van de stad Den Haag te vullen, is Extaze ontstaan. Of beter: Extaze moet Den Haag weer op de literaire kaart zetten. Deze is in eerste instantie weggelegd voor Haagse schrijvers en daarnaast staan ze open voor Nederlandstalige schrijvers van waar dan ook.

    Gesprek met filosofen

    Filosoof Tom Domisse schreef een essay over liefde en ironie. Hij  voert een gesprek  met Goethe en Schiller dat van commentaar wordt voorzien door Thomas Mann. Mann noemde Goethe de meest omvattende, alzijdige dilletant die ooit geleefd heeft. Dit alles omkaderd door Faust, opgevoerd in de Koninklijke Schouwburg door het Nationaal Toneel. Hoe de Faust, het theaterstuk en Faust als persoon nog steeds confronteert als de ultieme kunst van sterflijkheid. Een essay dat vervolgd wordt in het volgende nummer van Extaze, zo belooft Domisse.

    Kees Schuyt (auteur van J.B. Charles/W. H. Nagel, 1910-1983), schreef, De wind steekt op: het wonderlijke van het gewone. Een essay over de Haagse schilder-dichter Willem Hussem (1900-1974). Hussem was een meester in het poëtische miniatuur: ‘Mensen zijn wolken / waar zij komen / betrekt de lucht’.
    Schuyt beschrijft  met enthousiasme het dubbeltalent van Hussem. Waarbij het zeldzaam is dat in beide kunstvormen, schilderen en dichten, het hoogste niveau wordt bereik, zoals bij Hussem het geval was.

    Van radiomaker en schrijver Wim Noordhoek, een stuk over het kunstenaarschap van Van Eeden, Het Den Haag van Marcel van Eeden. Marcel van Eeden (1965) maakt beeldboeken en zijn werk siert deze Extaze. Het is van een wonderlijke realiteit die aan een verleden doet denken dat om de hoek ligt. Noordhoek zegt daarover: ‘Van Eeden fossiliseert het recent verleden.’ Zo is het, zijn tekeningen lijken versluierde, stenen beelden van een levendige werkelijkheid. Als ansichtkaarten die nooit verstuurd worden. Noordhoek is aanstekelijk beeldend in zijn taalgebruik om te duiden wat het werk van Van Eeden hem toont.

    Haagse roman

    Filosoof en journalist Jan-Hendrik Bakker, schreef een prettige analyse over het heden en verleden van de Haagse roman, Verstilling en ondergang (De erfenis van de Haagse roman). Bakker gelooft, in tegenstelling tot anderen, dat de Haagse roman niet dood is. Hij schrijft dat in de stereotype Haagse roman adel een belangrijke rol speelt. Evenals verveling, onbestemde verlangens, moord en andere misstappen. ‘In de Haagse roman gingen welgestelde families langzaam ten onder, kwijnden jonge dames weg en hield men er kleverige zondes op na.’ Hiermee ‘Eline Vere’ van Couperus in herinnering roepend. Hij eindigt met te zeggen dat Alleen maar nette mensen van Robert Vuijsje nooit in Den Haag geschreven had kunnen zijn. Want: te grappig en schaamteloos extravert. ‘Hier waart nog steeds de geest van Eline rond. Alles moet bedekt blijven, een beetje dubbel, met de gordijnen dicht. Wij lijden in stilte. Totdat ze ons vinden in ons boudoir en iemand daarover dan een verhaal vertelt …’

    Het verhaal van schrijfster Nicolette Smabers De hellehond. Een vrouw verliest haar tweeling broer op de dag dat ze elkaar zouden treffen aan het strand om de sterfdag van hun moeder te gedenken. Ze gaat alsnog naar hun afspraak, waarbij de  repeterende gesprekken en handelingen tussen haar broer en zichzelf in haar hoofd schrijnend zijn.

    Van Kees ’t Hart het vermakelijke stuk, Rondhangen. De schrijver opent met, ‘Verreweg het beste is rondhangen, maar dan ook echt rondhangen. Rondhangen zonder reddingsboeien. Bedacht rondhangen is het einde van rondhangen.’ Begint ’t Hart aldus, wat volgt kan gelezen worden als een handleiding om het ultieme rondhangen onder de knie te krijgen. Het beste is dat je daarbij je ogen open hebt. En dan bedenken dat je je ogen open hebt en ergens naar kijkt. ‘Voor de televisie kijken naar een programma dat je niet wilt zien en blijven rondhangen omdat je rond bent gaan hangen. A is B.’

    Indisch Den Haag

    Kees Ruys (biograaf van Aya Zikken) schreef een uitgebreide en boeiende inleiding over het leven en werk van F. van den Bosch (1922-2001). Het verhaal Goupil van F. van den Bosch leest als een biecht. Van den Bosch beschrijft zijn jeugdjaren in Nederlands Indie, het leven als kind op straat en zijn omgang met een Indische jongen waar hij een onbestemde angst voor heeft maar toch bevriend mee raakt. En wat er allemaal in het ongezegde leeft dat als voelbare bovennatuurlijke kracht uit het verhaal naar boven komt. Een persoonlijk verhaal is het. Van den Bosch is een schrijver die voornamelijk voor zichzelf schrijft om de heftigheid van- en de veelheid aan herinneringen te kunnen ordenen. Daarna kwam altijd de schaamte.

    Het korte verhaal De man, de vogel en de hond van Yolande de Kok leest als een choreografie voor een man, een hond en een vogel. Met een onverwacht dramatische afloop. Verder bijdragen van Gertrude Kunze, Peter J. van Dijk (kort verhaal), Paul Steenhauer, Gilles Boeuf en Didi de Parijs gedichten, Wim Willems en Cor Gout een inleiding op respectivelijk Twee brieven van Tjalie Robinson en Twee brieven van Willem Bijsterbosch en Rob H. Dekker schreef een opmerkelijk essay over de in 2010 overleden schilder-muzikant Captain Beefheart. Beslist een tijdschrift dat iets in beweging brengt, nieuwsgierig maakt naar een vervolg.

     

    Extaze 2011-0, Water dat niet meer bewoog
    Redactie: Cor Gout, Els Kort en Kees Ruys,
    Uitgeverij In de Knipscheer
    Prijs € 15,00

     

  • Verrassende terugblikken

    In deze boeiende mengeling verhalen die Kees ’t Hart in zijn nieuwe bundel samenbrengt, wisselen smeuïge belevenissen en meer persoonlijke indrukken elkaar af.
    Wat de eerste categorie betreft kan de lezer zich verkneukelen over de toestanden waar ’t Hart – Kees T. Hart, spelt hij tijdens een onderhoud voor de Groene Amsterdammer met de gouverneur van Minnesota, omdat het voorvoegsel te moeilijk is voor Amerikanen – vaak ondanks zichzelf in verzeild raakt. Een ander voorbeeld hiervan is een Carmiggelt-achtig verhaal waarin lieden aan een bar geschetst worden en een ervan Simon Vestdijk blijkt te zijn.

    In een aantal verhalen uit deze categorie is het onduidelijk of de schrijver de juiste persoon voor ogen heeft. Hij gaat terug in de tijd om zijn geheugen op te frissen en wendt zich vervolgens weer naar het heden om de loop van de gebeurtenissen te vervolgen, zoals in het verhaal over een rouwkaart van een oude hospita die in de tijd dat ’t Hart zijn dienstplicht vervulde wanhopig was. Of over een andere vrouw die op de voetbaltribune achter bondscoach Van Marwijk zit en die hij ergens van kent. Het is een prachtig procédé.

    In de tweede categorie, verhalen over meer persoonlijke zaken, blinkt vooral het verhaal uit over straten die de schrijver zich nog kan herinneren. Het is buitengewoon grappig proza, een soort dronkenmanstaal, maar dan opgetekend vanuit het perspectief van een jongetje dat zich alleen nog flarden herinnert van huizen, bestek en bedden, of juist het ontbreken daarvan.
    ‘Ik moet staande hebben geslapen omdat mijn bed in alle talen ontbreekt.’
    Verderop wordt het allemaal nog vreemder: ‘In mij woonden geen huizen.’ Intrigerend is het zeker.

    Een ander verhaal in deze categorie, Jack Scott, gaat over een jongetje dat niet weet wat de uitdrukking ‘van de verkeerde kant’ betekent en lang daarover in het ongewisse blijft.

    Niet alle verhalen zijn even sterk. Zo is er een flauw relaas, afgestoken door een boek (een eerste druk mét handtekening), dat op zoek is naar een uit het oog verloren Engelse novel en een dagboek van een taalgevoelige zoon van een regisseur, die niet geheel tevreden is met zijn rol in een toneelstuk. Die vallen echter weg bij de grote kwaliteit van de andere verhalen.

    Ook wat de taal betreft is het genieten: in Jack Scott vertelt de jeugdige hoofdpersoon over een meisje dat op een afgelegen plek langs het water bereid was iets met jongens te doen. Hij mocht er echter niet heen van zijn ouders en schrijft daarover: ‘De scheepvaart was er gevaarlijk, ik ben er nooit geweest.’ Over een dronken man schrijft hij: ‘Hij was dronken en schaamde zich daarvoor: zijn stem klonk alsof hij tevoren lang op een zin had geoefend.’

    Mooi van toon is het wat langere verhaal Koorzang over een man met dwangmatige neigingen. In een brief aan een toekomstig therapeut laat hij weten dat hij zelf al ijverig bezig is geweest om een verband te leggen tussen zijn vreemde erotische gevoelens en de wortels daarvan in zijn jeugd. Tijdens vrouwelijk koorzang voelde hij zich tot het heilige toegelaten. Het is grappig als hij verderop schrijft: ‘Bovendien zou het een vreemde indruk op mijn ouders maken wanneer ik tijdens het bezoek van mijn vriendin steeds platen van christelijke vrouwenkoren naar mijn kamer zou meenemen.’

    De gemeenschappelijke noemer in deze bundel vormt de herinnering; het laatste verhaal betreft gedichten die ’t Hart schreef over de huizen waarin hij woonde en die zelfs een biografie moeten vervangen. In dit opstel blijkt dat hij het moeilijk vindt om een rangorde aan te brengen in zijn herinneringen. Hij noemt het zelf een gebrek aan indelingsvermogen, maar misschien is die veelvormigheid juist ook een kracht, die steeds weer doet verrassen. Het titelverhaal Engelvisje, over een bezoek aan het graf van Mark Twain – die verzot was op hele jonge meisjes en hen engelvisjes noemde – spant wat dat laatste betreft de kroon.